Maandagavond 31 april jl kreeg ik, laat op de avond, van Alain Meerbergen, een telefoontje, met het ontstellende nieuws dat Jozef Van Damme, het oudste lid van onze Vereniging, in de Stuivenberg-kliniek was opgenomen. De volgende dag, kort na de middag, stond ik er al, met een tuiltje bloemen in mijn handen. Hij was bijzonder verheugd dat hij bezoek kreeg. Het bleek dat nog niemand hem had bezocht, maar hij was er nog maar van zondagavond voordien. Ook zijn familie had verstek gegeven. Na me verzekerd te hebben dat hij in goede handen was, geraakten we onmiddellijk in een druk gesprek (wij stelden beiden ons hoorapparaat op scherp; leve de techniek), tot ongenoegen van de overige patiënten die dezelfde kamer met hem deelden, en die het programma, ik geloof dat het De kotmadam was, voor niets wilden missen. We haalden vele herinneringen op en ik had het genoegen hem de officiële documenten te overhandigen van de kleine planeet Van Damme, die ik de maand tevoren naar hem had vernoemd. Brian Marsden, directeur van het Minor Planet Centrum in Massachusetts (VS) had een grote inspanning geleverd om alles nog op tijd voor het april bulletin van het MPC klaar te krijgen, we waren er ons beiden van bewust geweest, dat we met een 92 jarige niet meer te lang moesten wachten, wilden we hem nog tijdens zijn leven eren met een hemellichaam. Die asteroïde verdiende hij, want Jozef was een geliefd man, lid van talrijke menslievende verenigingen en daardoor omringd van een uitgebreide groep van kennissen en vrienden.

Hij vervoegde de Holbach Vereniging al van bij het begin (dank zij Alain Meerbergen), en zou zeker op het eerste tuinfeest, Augustus 2002, aanwezig zijn geweest, was het niet, dat er iets met het vervoer was misgelopen. Hij had dan maar op eigen houtje voor vervoer gezorgd, en vanuit Antwerpen kwam hij met een wagentje van de politie, en zette heel Kapellenbos op zijn kop, op zoek naar het kasteel van Holbach. Andere leden hebben wel eens naar het restaurant Holbach gezocht, en vooral als je naar Volbach vraagt of helemaal niet meer weet hoe de Vereniging heet, dan is dat niet zo eenvoudig de zetel in Kapellenbos te vinden. De voorzitter was erg ongerust geworden en dan draait die snel door. Hij stond al op het punt om een minuut stilte te vragen; maar na heel wat telefoontjes naar Jozefs appartement, naar de politie, naar klinieken enz. (vooral dan dank zij de gsm van Peter Van den Eijnde) kwam uiteindelijk het bevrijdende bericht, dat Jozelf al weer veilig op zijn appartement in de Diepestraat zat. Het zou dus voor een volgende keer zijn en Jozef heeft woord gehouden, want hij was één van de trouwste bezoekers van onze Vereniging. Bij deze gelegenheid zou ik graag de leden Mich, Monique, Yvonne, Gilbert, Walter, Gilbert en Gustaaf (ik hoop dat ik niemand vergeet te vernoemen) willen bedanken die er voor gezorgd hebben dat Jozef altijd aanwezig kon zijn op de feestelijkheden van de Vereniging.
Jozef was erg opgezet met de Vereniging. Als de voorzitter nog vertwijfeld zocht naar een exemplaar van Holbachs Système de la Nature (hij heeft dat ondertussen gevonden in New York; niet op straat natuurlijk) dan wist Jozef al te vertellen dat een Broeder van de Trappisten in Westmalle, tevens een goed vriend van hem, een persoonlijk exemplaar had van de schrijver van Le Christianisme dévoilé. Uiteindelijk zijn we bij de Trappisten geraakt; we hadden het hem al zo dikwijls beloofd. De betreffende broeder bleek niet aanwezig te zijn, maar het was eventjes gezellig vertoeven in een burcht van anders-denkenden. Nadien gingen we een stukje eten in een restaurant in de buurt van de abdij. Jozef vond de keuken maar niets. Dat was juist het bijzondere aan Jozef, hij bleef kritisch en steeds zichzelf (en hij had nog gelijk ook).
Ook het eten van de kliniek beviel hem niet. Hij had trouwens niet veel eetlust en ik vreesde al het ergste. Na een tweetal uurtjes met elkaar gebabbeld (of geroepen) te hebben, nam hij plotseling mijn hand en zei me: “als je me nu wil excuseren, ik ben een beetje moe en zou wat willen rusten.” Tot op het laatste ogenblik bleef Jozef een heer. Bij het verlaten van zijn kamer riep hij me toe, op het cuistertje wijzende dat ik hem had bezorgd: “ik zal het goed lezen” (we hadden dus een lezer van ons tijdschift).
Ik had hem wat extra leeswerk beloofd (want hij miste zijn bibliotheek) en daar stond ik donderdagnamiddag mee in de kliniek. Door omstandigheden was ik woensdagnamiddag belet geweest (jammer). Ik vond zijn kamer niet meer. Ik ging op zoek naar de verpleegsters en toonde hen het boek dat ik voor hem bijhad. De oudste verpleegster zei me, dat zal mijnheer Van Damme zeker niet meer lezen, want hij is gisterenavond overleden. Als ik nog eens op het omslag de titel van het boek bekeek, dat ik voor hem had bedacht maar zelf nooit gelezen had, las ik tot mijn ontsteltenis: Het boek dat niemand las.
Eric W. Elst.