L’esprit de l’homme est tellement infecté de préjugés qu’on le croiroit pour toujours condamné à l’erreur : le bandeau de l’opinion dont on le couvre dès l’enfance lui est si fortement attaché que c’est avec la plus grande difficulté qu’on peut le lui ôter.
Système de la Nature, Tome I, Préface de l’auteur

Systematische analyse van Holbach's Système de la Nature

Er blijkt geen systematische analyse te bestaan van het hoofdwerk van Paul-Henri Thiry d'Holbach : Système de la Nature (1770). Hoogste tijd om er mee te beginnen. Vooreerst wensen te bemerken dat Holbach zelf, enkele jaren na het verschijnen van zijn Systeem, een verkorte uitgave van zijn beruchte werk heeft uitgegeven : Le bon Sens dat een hele tijd verkeerdelijk werd toegeschreven aan priester-atheïst Jean Meslier (1664-1729).

In 1774 verscheen er een bijzondere heldere samenvatting (Le vrai Sens du Systême de la Nature) van het Systeem van de hand van Claude-Adrien Helvétius. We zullen in het vervolg ieder hoofdstuk van Holbach's werk laten voorafgaan door Helvétius' samenvatting (met behoud van de oorspronkelijke schrijfwijze).

Hoofdstuk I

Inleiding - Chapitre I : De la Nature

L’Homme eſt l’ouvrage de la nature ; il eſt dans la nature ; il eſt ſoumis à ses loix ; il ne peut s’en affranchir, il ne peut pas même par la penſée en ſortir… Pour un être formé par la nature, il n’eſt rien au-delà du grand tout dont il fait partie… Les êtres qu’on ſuppoſe au-deſſus de la nature, ou diſtingués d’elle, ſont des chimeres dont nous ne pouvons nous former des idées réelles.

L’homme eſt un être purement phyſique. L’homme moral n’eſt que l’homme phyſique, conſidéré ſous certains points de vue : ſon organiſation eſt l’ouvrage de la nature. Ses actions viſibles, ſes mouvements inviſibles, ſont des effects naturels, des ſuites de ſon méchaniſme. Tout ce qu’il a inventé, n’eſt qu’une conſéquence néceſſaire de l’eſſence qui lui eſt propre. Toutes nos idées ſont dans le même cas. L’art n’eſt que la nature agiſſante à l’aide des inſtruments qu’elle a faits… Tout eſt impulſion de la nature.

C’eſt à la phyſique & à l’expérience que l’homme doit recourir dans toutes ſes recherches… La nature agit par des loix ſimples. Quittons l’expérience, notre imagination nous égare. C’eſt faute d’expérience, qu’on s’eſt formé des idées imparfaites de la matiere… La pareſſe trouve ſon compte à ſe laiſſer guider par l’exemple, par la routine, par l’autorité, plutôt que par l’expérience qui demande de l’activité, & par la raiſon qui demande de la réflexion. Delà cette averſion pour ce qui s’écarte des regles ordinaires, ce reſpect pour les inſtitutions de l’antiquité. C’eſt l’inexpérience qui produit la crédulité. Conſultons l’expérience, contemplons l’univers ; il ne nous offre que de la matiere & du mouvement.

(C.- A. Helvétius, Le vrai Sens du Systême de la Nature, Chap. I, 1774)

system_chap01r.jpg
Système de la Nature - Première Partie - Chapitre premier

Hoofdstuk I : De la Nature

"Zolang de mens zich laat leiden door opvattingen die in zijn verbeelding zijn ontstaan en zich niet op de waarneming beroept zal hij zich blijven vergissen. De mens is een voortbrengsel van de natuur en is er aan haar wetten onderworpen." Zo begint het eerste hoofdstuk van Holbach's “Systeem van de Natuur”. Met zijn eigen woorden :

Les hommes ſe tromperont toujours quand ils abandonneront l’expérience pour des ſyſtêmes enfantés par l’imagination. L’homme eſt l’ouvrage de la nature, il exiſte dans la nature, il est ſoumis à ſes loix, il ne peut s’en affranchir, il ne peut mème par la penſée en ſortir ; c’eſt en vain que ſon eſprit veut s’élancer au-delà des bornes du monde viſible, il eſt toujours forcé d’y rentrer. (Système de la Nature, Uitgave 1781 - London, herdrukt door Librairie Arthème-Fayard 1990)

De mens moet niet denken dat hij zich kan vrijmaken van de natuur en het is een waan te geloven dat de geest zich kan verheffen boven de zichtbare wereld. Dat de mens dus ophoudt naar wezens te zoeken die zich buiten de natuur zouden bevinden en die hem geluk zouden kunnen verschaffen.

Qu’il apprenne ſes loix, qu’il contemple ſon énergie et la façon immuable dont elle agit ; qu’il ſe ſoumette en ſilence à des loix auxquelles rien ne peut le ſouſtraire. (ibidem)

Men heeft zich deerlijk vergist door een onderscheid te maken tussen de natuurkundige en de psychische mens. Het psychische in de mens kan verklaard worden aan de hand van natuurkundige processen :

Ses actions viſibles ainſi les mouvements inviſibles excités dans ſon interieur, qui viennent de ſa volonté ou de ſa penſée, ſont également, des effets naturels, des ſuites néceſſaires de ſon méchaniſme propre, et des impulſions qu’il reçoit des êtres dont il eſt entouré. (ibidem)

Al onze ideeën, gedachten en opvattingen hebben als enige doel ons naar het geluk te leiden, en het is onze eigen natuur die ons gestadig naar dat geluk duwt. Al wat we zijn en al hetgeen we doen is een gevolg van een alomgeldende natuur waaruit we zijn ontstaan. In één woord, het leven is niets anders dan de Natuur die ons drijft met behulp van de instrumenten die zij zelf ter beschikking heeft gesteld.

La nature envoie l’homme nud et deſtitué de ſecours dans ce monde qui doit être ſon ſéjour, bientôt il parvient à ſe vêtir de peau ; peu-à-peu nous le voyons filer l’or et la ſoie. Pour un être élevé au-deſſus de notre globe, et qui du haut de l’atmoſphère contempleroit l’eſpece humaine avec tous les progrès et changemens, les hommes ne paroitroient pas moins ſoumis aux loix de la nature lorſqu’il errent tout nuds dans les forêts, pour y chercher péniblement leur nourriture, que lorſque vivant dans les ſociétés civiliſées, c’eſt-à-dire enrichies d’un plus grand nombre d’expériences, finiſſant par ſe plonger dans le luxe ils inventent de jour en jour mille beſoins nouveaux et découvrent mille moyens de les ſatiſfaire. (ibidem)

Hetzelfde geldt voor het dier dat, ieder naar zijn aard, evolueert van een eenvoudige naar een meer ingewikkelde staat. Een vlinder, die we om haar schoonheid bewonderen, begint haar levensloop als een levensloos ei, waaruit door de invloed van warmte een rups onstaat, die op haar een beurt een pop wordt, waaruit tenslotte een gevleugeld insekt ontspringt, getooid met de meest wonderlijke kleuren. Die vlinder zal zich opnieuw bij middel van eieren voortplanten, en nadat zij zo de taak heeft volbracht die de natuur haar heeft opgelegd moet zij weer van het toneel verdwijnen. Maar dit geldt ook voor de plantenwereld, waar als gevolg van een kombinatie van weefsel en eenvoudige energievormen de aloë gedurende vele jaren onopvallend opgroeit tot een volwaardige plant, tot op de dag dat zij haar prachtige bloemen tentoonspreidt, tevens het ogenblik van de aankondiging van haar dood.

Il en eſt de même de l’homme qui, dans tous ſes progrés, dans toutes les variations qu’il éprouve, n’agit jamais que d’après les loix propres à ſon organiſation et aux matiéres dont la nature l’a compoſé. (ibidem)

De natuur werkt met eenvoudige en onveranderlijke wetten die we door waarneming kunnen leren kennen. Met behulp van onze zintuigen kunnen we de natuur onderzoeken en haar geheimen ontdekken. Alle vergissingen die de mens begaat zijn terug te voeren op fouten tegen de natuur. En elke begane fout is schadelijk voor de mens. De mensheid is ongelukkig omdat zij de natuur miskent. De mens heeft zich daarom goden geschapen en die laatsten zijn de enige dingen die het voorwerp zijn van zijn vrees en hoop. Hij heeft echter niet begrepen dat de natuur noch goed noch slecht is, maar volgens vaste en noodzakelijke wetten verloopt. Ze laat wezens ontstaan en vernietigt ze weer, en zonder ophouden strooit zij haar goederen en plagen over de mensheid uit. De mens moet in de natuur zelf en met behulp van zijn eigen kracht naar de middelen zoeken die hij nodig heeft voor het linderen van zijn leed en om gelukkig te worden. De mensheid verwacht echter alle heil van ingebeelde wezens waarvan ze meent dat zij de oorzaak zijn van leed en geluk. Zo heeft de mensheid uit onwetendheid de natuur ingebeelde krachten toegekend, waaronder zij nu reeds zo lang gebukt gaat, en die geleid hebben tot bijgelovige godsdienstverering, een bron van veel ellende.

Il méconnut ou ſe crut forcé d’étouffer les déſirs de son cœur, et de ſacrifier ſon bien-être aux caprices de ſes chefs, il ignora le but de l’aſſociation et du gouvernement : il ſe ſoumit ſans réſerve à des hommes comme lui, que ſes préjugés lui firent regarder comme des êtres d’un ordre ſupérieur, comme des Dieux sur la terre ; ceux-ci profitèrent de ſon erreur pour l’aſſervir, le corrompre, le rendre vicieux et miſérable. (ibidem)

Uit reden dat de mens zichzelf miskent verwaarloosde hij zijn betrekkingen met zijn medemens en negeerde hij zijn plichten tegenover hem. Maar om werkelijk gelukkig te worden heeft hij zijn medemens nodig. Daarom begreep hij niet dat hij zijn uitspattingen en zijn hartstochten moest beperken; met andere woorden, hij had geen oog voor zijn eigen werkelijke belangen. Vandaar zijn onregelmatigheden, zijn onbeheersdheid, zijn wellustig gedrag en al zijn overige ondeugden waaraan hij zich overleverde ten koste van eigen behoud en langdurig geluk. Dat is ook de reden dat de mens geen belang hechtte aan zijn eigen zedelijkheid. Trouwens de verderfelijke regeringen waaraan hij onderworpen was zouden hem altijd belet hebben zich zedelijk te gedragen.

De mens gaat gebukt onder zijn onwetendheid omdat hij de natuur niet heeft willen bestuderen. Hij vordert daardoor zeer langzaam op de weg naar het geluk. Uit luiheid laat hij zich liever leiden door een boegbeeld, door gewoonte, door een gezagsdrager, dan zich te steunen op eigen ervaring; want dit laatste verlangt van hem de inspanning van nadenken.

En un mot, les hommes, ſoit par pareſſe, ſoit par crainte, ayant renoncé au témoignage de leur ſens, n’ont plus été guidés dans toutes leurs actions et leurs entrepriſes que par l’imagination, l’enthouſiaſme, l’habitude, le préjugé et ſurtout par l’autorité, qui ſut profiter de leur ignorance pour les tromper. (ibidem)

Op het vlak van zijn geestelijke vervolmaking staat de mens nog altijd in zijn kinderschoenen, doordat hij zijn voorkeur gaf aan kinderlijke veronderstellingen, die hij als heilig beschouwde en als vaststaande waarheden aanvaardde en waarvan het hem niet veroofloofd was die maar enigszins in twijfel te trekken. Zijn onwetenheid maakte hem lichtgelovig en zijn nieuwsgierigheid bevredigde hij door het gretig opslorpen van de meest onzinnige wonderlijke dingen. De gezagdragers maakten dankbaar gebruik van zijn onnozelheid die noodzakelijk was om hem aan de maatschappij te onderwerpen. De menselijke kennis werd daardoor een verzameling van leugens, onbegrijpelijkheden en tegenstellingen, met hier en daar enkele schijnsels van waarheid, verschaft door de natuur waaraan men zich nooit kan onttrekken. (I p.44, 1-17)

“Elevons-nous donc au dessus du nuage du préjugé. Sortons de l’atmosphère épaisse qui nous entourne pour considérer les opinions des hommes et leurs systèmes divers. Défions-nous d’une imagination déréglée, prenons l’expérience pour guide ;” (ibidem)

Raadplegen we natuur zelf en winnen we inzicht over de voorwerpen die ze bevat. Vertrouwen we daarvoor op onze zintuigen die men ons verkeerdelijk als verdacht heeft voorgesteld; laten we te rade gaan bij onze rede die men schandelijk heeft belasterd en in onze ogen waardeloos gemaakt; aanschouwen we met de grootste aandacht de zichtbare wereld en bedenken we, of onze intellectuele vermogens niet voldoende zijn om al het onbekende in de natuur te doorgronden. Zonder enige reden heeft men twee gebieden die gelijkwaardig deel uitmaken van de natuur uit elkaar gerukt.

De natuur, in de meest algemene betekenis van het woord, is het grote geheel van stoffen met verschillende samenstellingen en bewegingen, die allen deel uitmaken van ons heelal. In een meer beperkte zin noemen we natuur, de essentie van het geheel van eigenschappen en diverse bewegingen die ieder wezen van elkaar doet verschillen. Zo is de mens de essentie of organistie van een aantal stoffen met onderscheidenlijke eigenschappen, die hem in staat stellen waar te nemen, te denken en te handelen. De mens onderscheidt zich van het dier doordat dit laatste andere essentiële eigenschappen bezit (Einde van de samenvatting van Hoofdstuk I).

Raadplegen we nu de refutatie van het Systeem door J.H. Holland. Hij vat het betreffende hoofdstuk I als volgt samen :

“La nature en géneral, est le grand tout qui résulte de l’assemblage des différentes matieres, de leurs différentes combinaisons, & des divers mouvemens que nous observons dans l’univers. La nature dans chaque être particulier, est le tout qui résulte de l’essence, & l’essence d’un être est la somme de ses propriétés. Les êtres que l’on suppose distingués de la nature, sont des chimeres dont on ne peut se former aucune idée. L’homme est un être purement physique. Toutes ses erreurs sont des erreurs de physique; & c’est pour avoir négligé l’étude de la nature, qu’il s’est formé des dieux ; qu’il est tombé dans l’esclavage; qu’il méconnoit ses devoirs & son bonheur; qu’il fait si peu de progrès dans les sciences utiles; qu’il n’a d’autres guides que l’imagination, l’enthousiasme, l’habitude, le préjugé, l’autorité sur-tout; enfin, que le genre humain est demeuré dans une longue enfance dont il a tant de peine à se retirer.” (J. H. Holland, Réflexions philosophiques sur le Système de la Nature, A Neuchatel, 1775, p. 1-2)

Na deze uiterst summiere samenvatting van het eerste hoofdstuk van Holbach's hoofdwerk is het misschien niet oninteressant kennis te nemen van de de beoordeling van Holland's refutatie door zijn tijdgenoten:

Ces réflexions sur le “Système de la Nature”, réfutation la plus solide peut-être qu’on ait faite des doctrines du baron d’Holbach (Larousse), furent censurées dès leur parution en France : Ce livre, imprimé d’abord chez l’étranger, et ensuite réimprimé en France avec une approbation très longue de Riballier, docteur en Sorbonne et syndic de la Faculté, a été supprimé par arrêt du parlement du 17 janvier 1773, quoiqu’il fût destiné à réfuter le “Système de la Nature”. Le gouvernement y a reconnu des principes dangereux en morale, en politique et en religion, et c’est ce qui l’a engagé à en arrêter le débit (Peignot). Dans cet ouvrage audacieux, l’auteur soutenait que les peuples n’avaient pas seulement le droit mais le devoir de s’ingurger contre les despotisme (Rocquain). Informatie op Internet gevonden bij de Llibreria Antiqària Comellas, Barcelona, die er een exemplaar in-12° (1773) van te koop aanbiedt voor 300 €.

Men was dus eigenlijk niet zo gelukkig met de refutatie van Holland, want hierdoor werd de interesse gewekt om het werk zelf maar eens te lezen. De betreffende refutatie werd in het begin aanbevolen door de Sorbonne aan haar studenten filosofie. Nadat echter bekend werd dat J. H. Holland een protestant was kwam de Sorbonne vlug terug op haar aanbeveling.

Eric W. Elst.

Naar Inhoudstafel van Le Petit Cuistre 2003 Nr 1

Naar Inhoudstafel van Systeem van de Natuur

Hoofdstuk II

Inleiding - Chapitre II : Du Mouvement & de son Origine.

Il n’y a que le mouvement qui établiſſe nos rapports entre nos organes, & les êtres qui ſont au-dedans ou hors de nous.

Une cauſe eſt un être qui en met un autre en mouvement, ou qui produit quelque changement en lui. L’effet, eſt le changement qu’un corps produit dans un autre à l’aide du mouvement.”

De quelque maniere qu’un corps agiſſe ſur nous, nous n’en avons connoiſſance que par le changement qu’il produit en nous.

Ce n’eſt que par les actions que nous jugeons des mouvements intérieurs, des penſées, des actions, des autres ſentiments. Quand un homme fuit, nous jugeons qu’il a peur.

Le mouvement des corps eſt toujours la ſuite néceſſaire de leur eſſence. Chaque être a des loix de mouvement qui lui ſont propres.

Tout eſt mouvement dans l’univers. L’eſſence de la nature, eſt d’agir. Tous les êtres ne font que naître, s’accroître, décroître, & ſe diſſiper. Les pierres, le fer, &c. tout agit. La pierre qui peſe ſur la terre, la preſſe & agit ſur elle. C’eſt par le mouvement, que notre odorat eſt frappé des émanations des corps les plus compacts.

Ce mouvement, la nature l’a reçu d’elle-même, puiſqu’elle eſt le grand tout au-delà duquel rien ne peut exiſter. Ce mouvement eſt de l’eſſence de la matiere. Elle ſe meut de ſa propre énergie. Elle a ſes propriétés, ſuivant leſquelles elle agit. Pour ſuppoſer une cauſe qui a mis la matiere en mouvement, il faut ſuppoſer qu’elle a pu commencer d’exiſter ; ce qui n’eſt pas poſſible. Car ſi la matiere ne peut totalement s’anéantir ou ceſſer d’exiſter, comment comprendra-t-on qu’elle ait pu jamais commencer ?

D’où eſt donc venue la matiere ? Elle a toujours exiſté. D’où eſt venu le mouvement de la matiere ? Elle a dû ſe mouvoir de toute éternité; le mouvement étant une ſuite de ſon exiſtence, de ſon eſſence, & l’exiſtence ſuppoſant des propriétés dans la choſe qui exiſte. Dès qu’elle a ſes propriétés, ſes façons d’agir doivent découler néceſſairement de ſa façon d’être. Dès qu’un corps a de la peſanteur, il doit tomber.

C.-A. Helvétius, 1774, A Londres : Le vrais Sens du Système de la Nature, Chap. II, p. 4-7.

Georges-Jonathan Holland [*] (1742-1784) die we reeds voorheen ontmoette bij zijn bespreking van Holbach's “Système de la Nature” vat het betreffende hoofdstuk als volgt samen :

“Le mouvement est un effort par lequel un corps change ou tend à changer de place. Chaque être est capable de produire & de recevoir des mouvemens suivant des lois constantes & invariables, mais dont les principes nous sont inconnus, parce que nous ne connoissons point l’essence primitive des êtres. Le mouvement est un mouvement de masse, ou un mouvement interne. De ce dernier genre sont la fermentation, les divers développemens & accroissemens des plantes & des animaux, les facultés intellectuelles de l’homme ; son savoir, ses pensées, ses passions & ses volontés. On distingue encore le mouvement en acquis & spontané ; mais à parler strictement, il n’y a point de mouvemens spontanés; car tout ce qui se meut est mu par un autre être. Tout est en mouvement dans la nature, aucune des molécules de la matiere ne reste en repos. D’où est-ce que la nature a reçu ce mouvement ? D’elle-même, puisqu’elle est le grand tout, hors duquel rien ne peut exister. Il est de l’essence de la nature de se mouvoir. Une expérience de Needham prouve que la matiere inanimée peut passer à la vie à l’aide d’un mouvement interne. Ceux qui admettent une cause extérieure à la la matiere, tombent dans dans deux inconvéniens; l’un, de croire à la création; l’autre, d’admettre l’action d’un être immatériel sur la matiere. La matiere a toujours existé, & elle a dû se mouvoir de toute éternité, puisque le mouvement découle de ses propriétés primitives, telles que son étendue, sa pesanteur, son impénétrabilité, sa figure, &c. Pour former l’univers, Descartes ne demandoit que de la matiere & du mouvement.” (G.-J. Holland, 1775, A Neuchatel : Réflexions philosophiques sur le Système de la Nature, Chap. II, p.3-4)

Laten we nu terugkeren naar Holbachs oorspronkelijke tekst in het “Systeem van de Natuur”.


Hoofdstuk II : Over de Beweging en haar Oorsprong

Beweging duidt op een verandering; ofwel ondergaat het lichaam zelf een verandering, ofwel verandert het zijn plaats in de ruimte of zijn plaats ten overstaan van andere lichamen. Een beweging brengt een betrekking tot stand tussen onze zintuigen en de lichamen die zich binnen of buiten ons bevinden. Door de beweging worden we opmerkzaam gemaakt op het bestaan van andere lichamen, zodat we een oordeel kunnen vellen over hun hoedanigheden, ze van elkaar kunnen onderscheiden en ze rangordenen in verschillende klassen.

“Une “cause”, est un être qui en met un autre en mouvement, ou qui produit quelque changement en lui. “L’effet” est le changement qu’un corps produit dans un autre à l’aide du mouvement.”

Elk lichaam is in staat, door zijn essentie, door zijn bijzondere aard, beweging voort te te brengen, te ontvangen of aan een ander lichaam mee te delen. Lichamen kunnen bij middel van hun bewegingen onze zintuigen prikkelen, die die prikkelingen met indrukken beantwoorden en hierdoor veranderingen ondergaan.

Objecten die op generlei wijze in staat zijn om door zichzelf of door middel van andere lichamen onze zintuigen te beïnvloeden bestaan voor ons niet; want ze bewerken geen verandering in ons, en als gevolg hiervan, noch ons ideeën bezorgen noch door ons gekend of beoordeeld worden. Een object kennen betekent dat we het hebben waargenomen, dat we er een indruk van hebben.

“Enfin de quelque maniere qu’un corps agisse sur nous, nous n’en avons connoissance que par quelque changement qu’il a produit en nous.”

Objecten oefenen enerzijds een werking op elkaar uit en ondervinden anderzijds de terugslag ervan. Dit leidt tot het ontstaan van een reeks van oorzaken en gevolgen waarbij de beweging onderworpen is aan vaststaande en onveranderlijke wetten. Een object, elk naargelang zijn bijzondere aard, gedraagt of beweegt zich noodzakelijk op een welbepaalde wijze.

We zijn onwetend over het beginsel waardoor elke beweging afzonderlijk tot stand komt, want de essentie van de individueel bewegende objecten is niet bekend. Wat we zien van een lichaam is zijn totaalbeeld, over de samenstellende bestanddelen weten we niets.

Onze zintuigen tonen ons in het algemeen twee soorten van bewegingen : een beweging van het volledige lichaam, van de ene plaats naar de andere, en een verborgen en inwendige beweging van de samenstellende deeltjes. Een voorbeeld van de eerste soort is het vallen van een steen, een voorbeeld van de tweede soort, het gisten van brooddeeg. We worden opmerkzaam gemaakt op de tweede soort beweging door het effect van de individuele bewegingen op het totale lichaam –het rijzen van het brood–. De groei, de vormverandering en het verwerven van nieuwe eigenschappen, bij planten en dieren, zijn eveneens voorbeelden van de tweede soort. Tenslotte zijn ook de inwendige bewegingen bij de mens, zoals de verstandelijke vermogens, gedachten, driften en verlangens maar eerst merkbaar door hun effect op het lichaam. Wanneer we een mens zien vluchten, dan oordelen we terecht, dat hij bewogen wordt door inwendige angst.

Bewegingen noemen we verworven, als die het gevolg zijn van een buiten het lichaam werkende kracht. Daarentegen noemen we een beweging spontaan als de oorzaak ervan zich binnen het lichaam zelf bevindt. Op dat ogenblik beweegt het lichaam zich onder de invloed van zijn eigen impuls.

“De cette espece sont les mouvemens de l’homme qui marche, qui parle, qui pense, et cependant, si nous regardons la chose de plus près, nous serons convaincus, qu’à parler strictement, il n’y a point de mouvemens spontanés dans les différens corps de la nature, vu qu’ils agissent continuellement les uns sur les autres, et que tous leurs changemens sont dûs à des causes soit visibles soit cachées qui les remuent.”

De wil van de mens wordt door uiterlijke oorzaken bewogen en bewerken in hem een verandering. We hebben altijd gedacht dat de wil uit zichzelf bewoog, omdat we er geen oorzaak voor vonden, noch de wijze waarop hij werkt, noch het orgaan dat verantwoordelijk zou zijn voor zijn ontstaan.

De bewegingswetten zijn bindend. Een steen valt uit noodzaak, als die niet in zijn val belemmerd wordt door een obstakel. Op een zelfde wijze zal een levend wezen noodzakelijkerwijze genot zoeken en pijn ontvluchten (vermijden). De overbrenging van beweging van het ene lichaam naar het andere, gebeurt volgens vaststaande en noodzakelijke wetten. Een welbepaald lichaam kan alleen maar beweging doorgeven aan gelijkaardige lichamen.

“Le feu ne se propage que lorsqu’il rencontre des matieres renfermant des principes analogues à lu i; il s’éteint quand il rencontre des corps qu’il ne peut embraser, c’est-à-dire qui n’ont point un certain rapport avec lui.”

In het heelal is beweging essentieel. Als we heel nauwkeurig toekijken dan zouden we bemerken dat er geen enkel deeltje in de natuur zich in absolute rust bevindt. Deeltjes waarvan we zouden menen, dat zij wel in rust verkeren, bevinden zich in werkelijkheid in betrekkelijke rust; of hun beweging is zo gering, dat we geen verandering kunnen bemerken. Alle wezens zijn in een gedurige staat van geboren worden, groeien en sterven. Het eendagsvliegje wordt geboren en sterft op dezelfde dag. Het ondervindt hierdoor kortstondig meerdere brutale veranderingen. Maar ook in de minerale wereld worden de meest harde steensoorten, die zich ogenschijnlijk in een toestand van volmaakte rust bevinden, door het contact met de elementen, voortdurend bewogen, zodat zij tenslotte door verwering tot stof vergaan.

Het merendeel van de natuurkundigen is er zich niet van bewust dat wat zij nisus noemt –het krachtenspel van bijvoorbeeld twee op elkaar liggende lichamen, zonder ogenschijnlijke beweging–, eveneens een bewegingsverschijnsel is. Een vijfhonderd pond wegende steen oefent op het gedeelte van het aardoppervlak dat hij bedekt een kracht uit. Wanneer het aardoppervlak hierop niet zou reageren zou de steen volledig in de grond dringen. Dit reageren is een gestadige beweging van het betreffende aardoppervlak tegen de steen. We spreken in dit geval van de werking van een verborgen kracht. We maken dan ook geen onderscheid tussen zogenoemde dode en levende krachten.

“Ne pourroit-on pas aller plus loin encore et dire que dans les corps et les masses dont l’ensemble nous paroît dans le repos, il y a pourtant une action et une réaction continuelles, des efforts constans, des résistances et des impulsions non interrompues, en un mot des nisus … Les corps ne paroissent en repos que par l’égalité de l’action des forces qui agissent en eux.”

De warmte doet het ijzer uitzetten, zodat men ook hier kan spreken van een voortdurende beweging. Uiteindelijk zijn alle vaste stoffen onderhevig aan de werking van de lucht, de warmte en de koude. Tenslotte kunnen we met behulp van een telescoop ver verwijderde sterren waarnemen, en hoe zou dat mogelijk zijn als er geen voortdurende beweging van die sterren zou uitgaan naar het netvlies van ons oog.

“En un mot, l’observation réfléchie doit nous convaincre que tout dans la nature est dans un mouvement continuel.”

Maar wat is nu de oorsprong van de algemene beweging waaraan de natuur is onderworpen ? Hierop antwoorden we dat beweging een essentiële eigenschap is van de materie, dat een stuk materie beweegt door middel van haar eigen energie, dat die bewegingen te wijten zijn aan inherente krachten. De verscheidenheid van de bewegingen en verschijnselen is een gevolg van de verschillende hoedanigheden, eigenschappen en samenstellingen die men terugvindt in de oorspronkelijke materie waaruit de natuur is opgebouwd.

Het merendeel van de natuurfilosofen is van mening dat lichamen die een uitwendige oorzaak benodigen om in beweging te komen, levensloos zijn of de mogelijkheid ontberen om uit zichzelf in beweging te komen. Hieruit besloten ze dat de materie waaruit die lichamen zijn samengesteld inert van natuur is. Maar ze vergissen zich, want wanneer een lichaam aan zichzelf overgelaten is en vrij is van enige hindernis, dan zal het altijd vallen in de richting van het centrum van de aarde. Diezelfde natuurfilosofen hebben ook de beweging van de hemellichamen trachten te verklaren met behulp van de meest bizarre veronderstellingen, totdat de geniale Newton aantoonde dat die beweging een gevolg was van de zwaartekrachtwerking. Een eenvoudige waarneming echter had hen er kunnen van overtuigen dat een etherisch mechanisme niet voldoende is om grote effecten te verklaren. Uit de botsing van twee lichamen leert men immers dat een oneindig ijl lichaam niet in staat is een zwaar lichaam in beweging te zetten.

“Si l’on eût observé la nature sans préjugé, on se seroit depuis long-tems convaincu que la matiere agit par ses propres forces, et n’a besoin d’aucune impulsion extériere pour être mise en mouvement.”

Gisting en rotting van een mengsel van water en meel kan aanleiding geven tot het ontstaan van elementair leven (Needham). Inerte materie zet zich om in leven, zelf een opeenhoping van bewegingen. Dit alles toont aan dat beweging, snelheid en versnelling in de materie ontstaan zonder hulp van een uitwendige oorzaak en dat we mogen besluiten dat beweging een noodzakelijk gevolg is van onveranderlijke wetten, van de essentie en van de inherente eigenschappen van de verschillende elementen waaruit de materie is opgebouwd.

Als we onder het begrip natuur een opeenhoping van dode materie zouden verstaan, zonder enige hoedanigheden en volledig passief, dan zouden we uiteraard voor de verklaring van de bewegingen een buiten de natuur gestelde oorzaak benodigen. Maar als we onder natuur het geheel verstaan van een groot aantal dingen met onderscheide eigenschappen, die daardoor specifiek op elkaar inwerken, die voortdurend in een wisselspel van actie en reactie verkeren, die zich eventueel rond een gemeenschappelijk centrum bewegen, die zich verenigen en dan weer uit elkaar gaan, die door wederzijdse botsingen en voortdurende naderingen alle lichamen tot stand brengen en ze nadien ook weer afbreken, dan is het niet noodzakelijk een beroep te doen op een buitennatuurlijke kracht, om een verklaring te geven van al de verschijnselen die zich voor ons oog afspelen.

“Ainsi contentons-nous de dire que la matiere a toujours existé, qu’elle se meut en vertu de son essence, que tous les phénomènes de la nature sont dus aux mouvemens divers des matieres variées qu’elle renferme, et qui font que, sembable au Phénix, elle renaît continuellement de ces cendres.” (D’Holbach, Système de la Nature, uitgave Fayard 1990, naar de uitgave van Londres 1781 : Hoofdstuk II, p. 47-63)

Zoals bekend werd het werk van Holbach door meerdere auteurs kritisch besproken (2001, LpC 1,2,5). Een van die auteurs was Abbé Augustin de Barruél (1741-1820), die later erg bekend zou worden met zijn aanval op de franc-maçonnerie (vrijmetselaars), door zijn geschrift “Mémoires pour servir à l’Histoire du Jacobinisme” (1785), waarin hij een samenzweringstheorie ontwikkelt tussen de Tempelridders, de Beierse Illuminati en de Jacobijnen. Het hoeft ons dus niet te verwonderen dat hij Holbach's werk “Le Système de la Nature” (1770) hardhandig aanpakt.

helviennes.jpg
Les Helviennes van Abbé Augustin Barruél (1785)

Op het einde van het driedelige werk van de Barruél lezen we het volgende :

“J’ai lu par ordre de Monseigneur des Sceaux, Les Helviennes, ou Lettres Provinciales Philosophiques, par M. L’Abbé De Barruél. Si la rapidité que cet excellent Ouvrage vient d’éprouver dans son débit, est une preuve sensible de l’empressement du Public à se le procurer ; cet empressement lui-même n’est-il pas le plus flatteur éloge des solides principes qu’on y voit triompher par tout des dangereux systêmes enfanté par la nouvelle Philosophie ? Systêmes physiques sur l’origine des choses, & la formation de l’Univers, exposés & réfutés avec autant de clarté que de solidité …” (LOURDET, Professeur Royal)

Zoals dat meestal gaat met recencies heeft de Koninklijke Professor waarschijnlijk het werk zelf niet gelezen.

In Barruéls “Lettre à Madame la Baronne, Les Helviennes”, 1785, I, p. 260-264 lezen we het volgende :

C’est du Systême de la Nature qu’il faut vous entretenir. Comment m’y prendrai-je pour vous présenter cet important systême d’une maniere plus satisfaisante ? Peu de mots suffiroient pour le développer, s’il étoit possible de bien distinguer ce que l’Auteur entend par la Nature; mais après avoir dit avec ce moderne Lucrece : “La Nature n’est autre chose que le grand tout, ou bien le résultat de l’assemblée des différentes matieres, des différens mouvemens que nous voyons dans l’Univers” (Syst. Nat. Ch. 1); oserai je vous dire avec le même Auteur, qu’elle est un être abstrait (Ibid) ? C’est-à dire, un être qui n’existe pas réellement, un être qui n’a rien de positif; & ne craindrai-je pas de vous voir confondre le grand tout avec le grand rien ? Et quand j’ajouterai : La nature fait tout ; “elle altere, elle augmente, elle diminue tous les êtres, les rapproche ou les éloigne, les forme ou les détruit(Ch. 4) ; elle enfante, par ses combinaisons, des soleils qui vont se placer au centre d’autant de systêmes; elle produit des planetes qui gravitent & décrivent leurs révolutions autour de ces soleils” (Ch. 3) : ne penserez-vous pas que j’ai personnisié cette Nature, & que je lui fais produire bien des effets ? …

Vainement expliquant le Systême de la Nature par celui du bon sens (Red : Le bon Sens, een gelijkaardig werk van Holbach, dat zeer lang verkeerdelijk werd toegeschreven aan priester-atheïst Jean Meslier (1678-1733)), vainement vous dirois-je avec l’auteur de celui-ci : “La nature est un nom dont nous nous servons pour désigner l’assemblage des êtres, des matieres diverses, des combinaisons infinies, des mouvemens variés dont nos yeux sont témoins;” je craindrois que ce mot ne perdît toute sa force auprès de nos compatriotes. Ils le profaneroient par leurs mépris; ils vous diroient peut-être dans leur langage, que ce mot fut toujours pour nos Philosophes une selle à tout cheval, & que, pour vouloir tout expliquer par ce mot, nous n’expliquerons jamais rien, parce que nous serons toujours forcés d’en varier le sens; par ce que ce mot désignera chez nous, tantôt un être positif, tantôt un être abstrait, tantôt un être actif, & tantôt un être purement passif, tantôt le principe des choses, & tantôt les choses mêmes.

Zover voor de kritiek op het Systeem van Abbé de Barruél.

Een ernstigere aanpak van een kritiek op het Systeem is van G.-J. Holland (Réflexions philosophiques, A Neuchatel 1775). Het eerste hoofdstuk wordt als volgt besproken :

Ce premier chapitre ressemble assez au début d’un poëme épique … J’ai commencé le précis par la définition du mot “nature” : au lieu que l’Auteur, après un long préambule, ne s’aperçoit qu’à la fin du chapitre qu’il n’a point encore fixé le sens que l’on doit attacher à ce mot.(p. 2)

Les reproches que l’Auteur fait continuellement à l’homme sur son ignorance, sa stupidité, sa crédulité, ses deréglemens honteux, sont plus choquans dans son systême que dans le systême contraire. Si tout ce que l’homme pense & tout ce qu’il fait, s’écoule nécessairement de son essence, il s’ensuit qu’il est constitué de maniere à être aussi ignorante, aussi stupide, aussi crédule, aussi corrompu, que l’Auteur veut bien le trouver. C’est donc prêcher à la pierre & lui reprocher sa pesanteur. (Id., p. 2-3)

Holland vervolgt : Zijn raadgevingen zijn nochtans nuttig want de schrijver wil dat de mens zich verheft boven zijn vooroordelen, dat hij zijn verbeelding wantrouwt, dat hij zich van de dingen ware ideeën vormt, dat hij, om het met enkele woorden te zeggen, in alle omstandigheden zijn rede volgt.

Dit is de opdracht die de schrijver aan de lezer van hoofdstuk I geeft; maar tegelijkertijd schrijft deze :

L’homme est un être purement physique, & que toutes ses idées, toutes ses volontés, toutes ses actions, sont des conséquences nécessaires de son essence.

Holland vraagt zich dan ook af hoe dat samen te rijmen valt. Hij vergeet echter dat de schrijver van het Systeem in de voetstappen van Helvetius loopt en dus aan opvoeding denkt –Ephraim Lessing (1729-1781) spreekt over Die Erziehung der Menschheit– (1780).

Keren we nu terug naar Hoofdstuk II, om hierover de zienswijze van Holland te leren kennen :

Ce chapitre est écrit avec plus de chaleur que de netteté; la rapidité est plutôt dans le style que dans les choses …

1 : L’effort par lequel un corps change ou tend à changer de place, peut bien être la cause du mouvement; mais le mouvement lui-même, ou l’effet qui résulte de cet effort, n’est qu’un changement dans l’ordre de la coexistence des corps.” (Ibid. p. 4)

Holland vervolgt :

Il est aussi impossible de donner une définition réelle du mouvement, que de définir la couleur, le son , la douleur, &c.

We antwoorden hierop met de boutade van de Franse neuroloog Jean Martin Charcot (1825-1893) die aan de beroemde kliniek La Salpétrière te Parijs werkte en die de oorzaak van het ontstaan van hysterie op het spoor was gekomen –zijn medewerkers trachtten zijn bevindingen te ontkrachten, omdat hij het verschijnsel niet goed kon definiëren– : Cela ne l’empêche pas d’exister.

2: Le “mouvement interne”, cite l’exemple de la fermentation; & tels, ajoute l’écrivain froidement, sont aussi les mouvemens qui se passent dans l’homme, & qu’on a nommés ses “facultés intellectuelles”.

Holland reageert als volgt : Gedachten zouden dus een gevolg zijn van een interne beweging van lichamen ? Maar hoe weten die lichamen dat zij bewegen en als zij dat niet weten, hoe kunnen dan gedachten ontstaan ?

Het is bekend dat Holbach voor zijn bewegingstheorie van de geest teruggrijpt op de oorspronkelijke theorieën van Empedocles (490-425 vT), Demokritos (460-380 vT) en Epikouros (341-270 vT).

De atomaire (materiële) theorie van de geest is echter altijd een doorn geweest in het oog van de priesters. Zo schrijft Fénélon in zijn “Oeuvres philosophiqes, Démonstration de l’Existense de Dieu”, 1786, A Paris, p. 192-196 het volgende:

“Ces atômes de tant de bizarres figures, les uns ronds, les autres crochus, les autres en triangle, &c. sont obligé, par leur essence, d’aller toujours droit, sans pouvoir jamais fléchir ni à droite, ni à gauche. Ils ne peuvent donc jamais s’accrocher, ni faire ensemble aucune composition … Les Epicuriens ne pouvant fermer les yeux à l’évidence de cet inconvénient, qui sappe le fondement de tout leur systême, ont encore inventé, comme un dernière ressource, ce que Lucrece nomme “clinamen”. C’est un mouvement qui décline un peu de la ligne droite, & qui donne moyen aux atômes de se rencontrer. Ainsi ils les tournent suivant leur imagination, comme il leur plaît, pour parvernir à quelque but … ”

“Pour dernier prodige d’étonnement; il falloit que les Epicuriens osassent expliquer encore par le “clinamen”, qui est lui-même si inexpliquable, ce que nous appellons l’ame de l’homme, & son libre arbitre. Ils sont donc réduits à dire que c’est dans ce mouvement, où les atômes sont dans une espèce d’équilibre entre la ligne droite & la ligne un peu courbée, que consiste la volonté humaine.”

“Etrange philosophie ! Les atômes, s’ils ne vont qu’en ligne droite, sont inanimés, incapables de tout degré de connoissancee & de volonté : mais les mêmes atômes, s’ils ajoutent à la ligne un peu de déclination, deviennent tout-à-coup animés, pensans, & raisonables … ”

In 1895 sprak de beroemde neuroloog Sigmund Freud (1865-1939) het vermoeden uit dat psychische processen kunnen verklaard worden met behulp van een zogenaamd neuronen-model, waarbij elektrische ladingen zich bewegen doorheen buisvormige constructies (axons), die de verbinding vormen tussen de verschillende neuronen. Modern onderzoek (zie bijv. Francis Crick The astonishing hypothesis, Simon & Schuster, London, 1994, Chp. 8) heeft zijn zienswijze bevestigd.


neuronen-model01.jpg
Het neuronen-model (F. Crick, 1994 : The astonishing hypothesis)

3-4 : Dire que le mouvement est essentiel à la matiere, & ajouter que tous ses mouvemens sont acquis, c’est-à-dire, qu’il n’y a point de mouvement spontané, & que tout corps qui se meut est mu par un autre, c’est se contredire manifestement

De betreffende tekst van Holbach luidt :

“Bewegingen noemen we verworven, als die het gevolg zijn van een zich buiten het lichaam werkende kracht. Daarentegen noemen we een beweging spontaan als de oorzaak ervan zich binnen het lichaam zelf bevindt. Op dat ogenblik beweegt het lichaam zich onder de invloed van zijn eigen impuls.”

Er is geen tegenspraak, want Holbach vervolgt met :

“Il n’y a point de mouvemens spontanés dans les différens corps de la nature, vu qu’ils agissent continuellement les uns sur les autres, et que tous leurs changemens sont dûs à des causes soit visibles soit cachées qui les remuent.”

Holland zoekt vervolgens naar de eerste beweger van het Systeem:

Si tous les mouvements sont acquis on demande comment & par qui ils ont été communiqués à la nature.

Holbach antwoordt hierop :

“La nature est le grand tout : le tout comprend tout : il n’y a donc rien hors de grand tout, qui ait pu donner le mouvement à la matiere.”

En dat is zeker wel het correcte antwoord; want als de natuur alles omvat omvat zij ook de beweging als essentiële eenheid van haar opbouw.

5: Le mouvement est-il essentiel à la matiere ?

Holland vraagt zich misschien terecht af, als beweging een essentiële eigenschap van de materie is, waarom Holbach dan nog beweert, dat alle bewegingen verworven zijn. Die bewegingen zouden dan eigenlijk allen uit zichzelf moeten zijn ontstaan. Ook hier is het weer belangrijk de volledige tekst over Bewegingen te raadplegen, en niet een paragraaf ervan (meestal uit zijn context gerukt) te bespreken. Een paragraaf uit Hoofdstuk II die verhelderend kan zijn is de volgende:

“Maar wat is nu de oorsprong van de algemene beweging waaronder de natuur is onderworpen ? Hierop antwoorden we dat beweging een essentiële eigenschap is van de materie, dat een stuk materie beweegt door middel van haar eigen energie, dat die bewegingen te wijten zijn aan inherente krachten. De diversiteit van de bewegingen en verschijnselen is een gevolg van de verschillende hoedanigheden, eigenschappen en samenstellingen die men terugvindt in de oorspronkelijke materie waaruit de natuur is opgebouwd.”

De moderne wetenschap doet hierop geen afbreuk want een beter begrip van de zwaartekracht, de traagheid (inertie) van de materie (Newton) en de kinetische gastheorie in het bijzonder en de optie van een gekromde ruimte (Riemann, Einstein) in het algemeen bevestigen die visie. Het enigma van de Big Bang ondersteunt eveneens deze opvatting over de opbouw van het heelal.

Laat de lezer nu niet de schrijver van dit artikel ter verantwoording roepen, want die heeft al eens ergens anders geschreven (LpC 2003, II,3, voorwoord) dat er meerdere modellen zijn voor het heelal. Maar die stemmen allen in met Holbachs definitie van het heelal : “La nature est le grand tout, le tout comprend le tout : il n’y a donc rien hors de ce grand tout”. De vraag is, ter onderscheiding van het werkelijke model uit een veelvoud van modellen, of we met een gesloten of een open heelal te doen hebben

De bemerkingen van Holland, in verband met het begrip materie, zijn zeker waar :

La matiere est épinieuse sans doute; elle a embarrassé & divisé les Philosophes anciens & modernes. Dès que dans ses recherches, l’homme ne peut pas avoir l’expérience pour guide, il ne s’égare que trop souvent dans la région des hypothèses : il crée des mots à sa fantasie , & se prosterne ensuite devant l’ouvrage qu’il a fait. Le sage est plus modeste : content des connoissances que l’expérience lui fournit, il n’en cherche point d’autres, lorsqu’il n’en peut point avoir d’autres. Il avoue son ignorance & la préfère à l’erreur (Id. P. 9).

We begrijpen nu waarom Holland's werk, dat voorbestemd was om Holbach's Systeem de genadeslag te geven, al heel snel uit het onderricht aan de Sorbonne werd verwijderd (LpC 2003, II, 1, p. 25).

6 : Mais si l’organisation résultoit d’un mouvement interne ? Si l’expérience nous portoit à reconnoître que la matiere inaninée peut passer à la vie ?

Deze vraagstelling betreft het experiment van Needham, die uit een mengsel van meel en vleesnat blijkbaar spontaan microscopische wezens had kunnen verwekken :

“The debate over spontaneous generation continued for centuries. In 1745, John Needham, an English clergyman, proposed what he considered the definitive experiment. Everyone knew that boiling killed micro-organisms, so he proposed to test whether or not microorganisms appeared spontaneously after boiling. He boiled chicken broth, put it into a flask, sealed it, and waited – sure enough, microorganisms grew. Needham claimed victory for spontaneous generation.”

Holbach hechtte waarde aan dit experiment en grijpt het ter ondersteuning van la matiere inanimée peut passer à la vie. Pas in 1850 kon Louis Pasteur (1822-1895) eenduidig aantonen dat wanneer men een mengsel na verhitting luchtdicht afsluit hierin zeker geen microcopische organismen kunnen ontstaan –wat geleid heeft tot de pasteurisatie van voedingsmiddelen–.

Holland komt hierin Holbach gedeeltelijk ter hulp, want hij refereert naar een tekst van Needham :

Il nous avertit (Observ. Microsc. p. 248) de ne pas déduire de son système la possibilité de la génération spontanée, parce que, dit-il, la formation de la semence suppose un corps organique, & dans plusieurs espèces encore, une certaine matrice. Le mouvement, en général, n’est, selon lui (p.187) qu’un argument équivoque qui ne démontre pas l’existence d’un principe de vie supérieur au méchanisme naturel.

Holland spaart ook niet de grote natuurfilosoof Georges-Louis Leclerc de Buffon (1707-1788) :

M. de Buffon ayant répété les experiences de Needham, crut n’appercevoir dans la gelée que des parties de corps organisés, & se servit de cette découverte pour prouver son système des molécules organiques. M. Muschenbroeck (sic) ferma les vases avec des bouchons & du ciment, & n’y trouva rien de ce que l’imagination de ces Messieurs avoit cru voir

7 : Ceux qui admettent une cause extérieure à la matiere, sont obligés de supposer que cette cause a produit tout le mouvement dans cette matiere, en lui donnant l’existence (Id p. 12).

Voor Holbach is beweging een kenmerkende eigenschap van de materie. Holland ontwijkt de vraag en verlegt de gestelde problematiek naar een vroeger stadium van het heelal : Diegenen die het (noodzakelijke) bestaan van de materie vooropstellen, spreken zich niet uit over het ontstaan van die materie uit het niets (schepping).

Holbach had echter al, in een voetnota bij de betreffende tekst, hierop geantwoord :

“Presque tous les anciens philosophes ont été d’accord pour regarder le monde comme éternel. Tous ceux qui renonceront au préjugé sentiront la force du principe que “rien ne se fait de rien”. La création dans les sens que les modernes lui attachent est une subtilité théologique. Pour rendre la phrase hébraique du premier verset de la Génèse il faut dire : lorsque Dieu fit le ciel et la terre la matiere étoit informe. Le mot hébreu “barach” que l’on a rendu par “créer” ne signifie que former, façonner, arranger.”

De betreffende tekst uit Genesis in een 18-eeuwse Engelse vertaling luidt :

“In the beginning God created the heaven and the earth. And the earth was without form, and void; and darkness was upon the face of the deep; and the Spirit of God moved upon the face of the water.” (The Holy Bible, Newcastle upon Tyne : printed by M. Brown, at the Bible, in the Flesh-market, 1787)

Diezelfde tekst in een 19-eeuwse Engelse vertaling luidt :

“In the beginning God created heaven and earth. And the earth was void and empty, and darkness was upon the face of the deep : and the Spirit of God moved over the waters.” (The Holy Bible, translated form the Latin Vulgate: Dublin, London, and Edinburgh: D. Fullarton and Co. , 1846)

Beide teksten verschillen niet wezenlijk van elkaar en stemmen overeen met dat de aarde vormloos en leeg was (weliswaar na het scheppen van aarde en hemel). Tenslotte een hedendaagse vertaling :

“In het begin schiep God de hemel en aarde. De aarde bleek nu vormloos en woest te zijn er er lag duisternis op het oppervlak van de waterdiepte; en Gods werkzame kracht bewoog zich heen en weer over de oppervlakte van de wateren.” (Nieuwe wereldvertaling van de Heilige Schrift, vertaling naar het Nederlands van de Watchtower Bible, New York, U.S.A., 1988)

Een beetje wat onrustigere vertaling, maar in wezen ook gelijk aan beide vorige vertalingen.

In de Griekse vertaling van het Oude Testament werd het Hebreeuwse barah (vormen, ordenen) vertaald door creëren (scheppen uit het niets) –cfr. de vertaling van de Nederlandse geleerde Grotius (1583-1645)– van de eerste paragraf van de Genesis bevestigt dan de aarde (materie) vormloos en ledig was. De werking van de goddelijke hand beperkte zich tot : uit die vormloze en lege materie hemel en aarde te vormen. De oorspronkelijke Hebreeuwse versie van Genesis is in beginsel dan ook gelijkluidend met de filosofische overtuiging (cfr. artikel Empedocles p. 37), dat de materie al eeuwig bestond.

Eric W. Elst.

Naar Inhoudstafel van Le Petit Cuistre 2004 Nr 1

Naar Inhoudstafel van Systeem van de Natuur

Hoofdstuk III

Inleiding - Chapitre III : De la Matiere & de ses Mouvements.

C’eſt au mouvement ſeul que ſont dus les changements, les formes, les modifications de la matiere. C’eſt par le mouvement, que tout ce qui exiſte ſe produit, s’altere, s’accroît & ſe détruit.

Il ſe fait à l’aide du mouvement une tranſmigration, un échange, une circulation continuelle des molécules de la matiere. Ces molécules ſe diſſolvent, pour former enſuite des êtres nouveaux. Un corps nourrit un autre corps. Au bout d’un certain temps, tout rend à la maſſe générale des éléments qu’il en a empruntés. La nature, par ces combinaiſons, enfante des ſoleils. Le mouvement diſperſera peut-être un jour les parties dont il a compoſé ces maſſes merveilleuſes, que l’homme, dans le court eſpace de ſon exiſtence, ne fait qu’entrevoir en paſſant.

C.-A. Helvétius : Le vrais Sens du Systême de la Nature, Œuvres complètes, Tome premier, A Londres, 1777, p. 240.

Een vrij summiere samenvatting is die van G.-J. Holland (1775) :

Chapitre III: De la matiere, de ses combinaisons différentes & des mouvemens divers, ou de la marche de la nature.

“La matiere est un genre d’êtres dont tous les individus divers, quoiqu’ils ayent quelques propriétés communes, ne doivent pas être rangés sous une même classe, ni compris sous une même dénomination. On doit toutes les modifications de la matiere au mouvement.” (G.-J. Holland, Réflexions philosophiques sur le Systême de la Nature, A Neuchatel, 1775, p. 14)

Keren we nu terug naar Holbachs oorspronkelijke tekst (hoofdstuk III) waarvan we hier de essentie in vertaling weergeven, met regelmatige verwijzingen naar paragrafen uit de tekst (Originele uitgave : P.-H. Thiry d?Holbach, “Systême de la Nature”, Londres 1770, p. 31-40).


Hoofdstuck III : Over de materie, over de verschillende soorten samenstellingen en haar onderscheidenlijke bewegingen : De gang van de Natuur.

De stoffen waaruit de lichamen zijn opgebouwd zijn ons niet bekend, maar we kennen wel een aantal van hun eigenschappen, zodat we lichamen die onderling verschillen door de onderscheidenlijke indrukken die ze op onze zintuigen uitoefenen, uit elkaar kunnen houden. Hierdoor leren we de uitgestrektheid van een lichaam kennen, zijn beweeglijkheid, deelbaarheid en vastheid en tenslotte, zijn zwaartekracht en traagheid. Uit deze algemene en oorspronkelijke eigenschappen kunnen er nieuwe afgeleid worden, zoals dichtheid, vorm, kleur en gewicht.

“Ainsi relativement à nous la matiere en général est tout ce qui affecte nos sens d’une façon quelconque ; & les qualités que nous attribuons aux différentes matieres sont fondées sur les différentes impressions, ou sur les changemens qu’elles produisent en nous-mêmes.” (I, Chap. III, p. 31-32)

Tot hiertoe is men er niet in geslaagd een bevredigende beschrijving te geven van wat materie nu eigenlijk is. De mens, verblind door vooroordelen, heeft er zich een onvolmaakt, vaag en oppervlakkig idee van gevormd. Voor hem is alle materie hetzelfde, plomp en passief en bezit zij niet de mogelijkheid om uit zichzelf te bewegen. Daardoor kan zij geen verbindingen aangaan en kan er dus niets ontstaan.

In werkelijkheid zijn er vele soorten van materie, gekenmerkt door een aantal gemeenschappelijke eigenschappen zoals uitgestrektheid, deelbaarheid en vorm, maar ook nog door een aantal uitzonderlijke eigenschappen. De verschillende soorten materie mogen dus niet niet onder één noemer worden gebracht.

Een voorbeeld brengt hier verduidelijking : Een vuurmassa bezit, buiten zijn algemene eigenschappen van uitgestrektheid, vorm enz, nog een tweetal bijzondere eigenschappen, namelijk de eigenschap die we als warmte gewaarworden en de eigenschap die de indruk van licht op onze ogen bewerkt. Een stuk ijzer, gekenmerkt door een aantal materiële eigenschappen, krijgt er een tweetal bij als er een welbepaalde hoeveelheid vuur wordt aan toegevoegd. Het ijzer wordt warm en het begint te gloeien.

Het heeft twee nieuwe eigenschappen verworven die het voordien niet had, maar die er kunnen worden aan onttrokken, tegelijkertijd met de verschijnselen die er een noodzakelijk gevolg van zijn.

“Pour peu que l’on considere les voies de la nature ; pour peu que l’on suive les êtres dans les différens états par lesquels, en raison de leurs propriétés, ils sont forcés de passer, on reconnoîtra que c’est au mouvement seul que sont dûs les changemens, les combinaisons, les formes, en un mot toutes les modifications de la matiere.” (I, Ch. III, p. 33)

De beweging bewerkt de verandering, groei en vernietiging van de dingen. Zij verandert het uiterlijk van de wezens, ze voegt er eigenschappen aan toe of ontneemt er eigenschappen aan. Bereikt een aantal dingen een gewisse ordening, dan moet die na en zekere tijd weer vernietigd worden, om plaats te maken voor een nieuwe ordening, die een bijdrage zal leveren tot de geboorte, het behoud en de ontbinding van wezens met een totaal nieuwe samenstelling, rangorde en uitgestrektheid.

“L’observateur attentif voit cette loi s’exécuter, d’une façon plus ou moins sensible, par tous les êtres qui l’entourent : il voit la nature remplie de germes errants, dont les uns se développent, tandis que d’autres attendent que le mouvement les place dans les spheres, dans les matrices, dans les circonstances nécessaires pour les étendre, les accroître, les rendre plus sensibles par l’addition de substances ou de matieres analogues à leur être primitif.” (I, Chap. III, p. 33-34)

Nadat de dieren de baarmoeder hebben verlaten, die hen de stoffen heeft verschaft voor hun opbouw, groeien ze verder, ze worden sterker en verwerven nieuwe eigenschappen en mogelijkheden. De energie die hiervoor nodig is wordt hen verschaft door de opname van planten volgens hun soort of door het doden en verorberen van diersoorten die de vereiste stoffen bevatten om hun gestel te onderhouden. Diezelfde dieren hebben tevens voor hun groei en behoud lucht, water, aarde en vuur nodig. Wanneer zij de lucht die hen omringt, op hen drukt, doordringt en ondersteunt, zouden moeten ontberen, dan zouden zij snel sterven. Water met lucht vermengd treedt hun organisme binnen en bevordert er de werking van. De aarde verleent stevigheid aan het weefsel en wordt door de lucht en het water geleid naar alle gedeelten van het lichaam. Het vuur tenslotte, vermomd onder een oneindig aantal vormen, zorgt er voor dat het dier over de nodige warmte beschikt om zijn opdrachten te kunnen uitvoeren. De voedingsstoffen met hun bijzondere eigenschappen komen in de maag van het dier terecht en bewerken dat de beweging van het spierstelsel, dat eventueel door ontbering was verzwakt, zich weer herstelt.

Het dier herwint zijn krachten en herneemt zijn bezigheden.

“D’où l’on voit ce qu’on appelle les élémens ou les parties primitives de la matiere, diversement combinés, sont à l’aide du mouvement continuellement unis & assimilés à la substance des animaux, modifient visiblement leur être, influent sur leurs actions, c’est-à-dire sur les mouvemens soit sensibles soit cachés qui s’operent en eux.” (I, Chap. III, p. 35-36)

Diezelfde voedingsstoffen kunnen onder gewisse omstandigheden leiden tot de ontbinding en de dood van het lichaam. Dit is het geval wanneer zij niet in de juiste verhouding voorkomen staan zoals vereist wordt door het lichaam. Te veel water of te veel vuur (Red: warmte), maar ook lucht die bezoedeld is door stoffen die vreemd zijn aan het lichaam, leiden tot besmettingen en gevaarlijke ziekten

“Toutes ces substances ne conservent l’animal qu’autant qu’elles sont analogues à lui ; elles le ruinent lorsqu’elles ne sont plus dans le juste équilibre qui les rendoit propres à maintenir son existence.” (I, Chap. III, p. 36)

De planten, die tot voedsel dienen van de dieren, ontnemen op hun beurt het voedsel uit de aarde. Zij ontwikkelen zich ten koste van de stoffen die de aarde bevat. De wortels voeren de voedingsstoffen naar alle gedeelten van de plant. Voor hun groei en behoud hebben zij eveneens water, vuur en lucht nodig en naargelang de verhouding van al deze stoffen zijn de verschillende soorten van gewassen ontstaan, die de plantkundigen in families en klassen hebben gerangschikt. De eik die uit een eikel ontstaat verschaft ons vele jaren later schaduw met zijn bladerdak. De graankorrel, die zich gevoed heeft met de stoffen uit de aarde, dient tot voedsel van de mens en draagt hiermee zijn eigen samenstelling over op de mens, zodat dit gewas, gewijzigd en in verbinding met andere stoffen, tot het meest geschikte wordt om zich te verenigen met de menselijke machine.

“Nous retrouvons les mêmes élémens ou principes dans la formation des minéraux, ainsi que dans leur décomposition, soit naturelle soit artificielle. Nous voyons que des terres diversement élaborées, modifiées et combinées servent à les accroître, à leur donner plus ou moins de poids & de densité. Nous voyons l’air & l’eau contribuer à lier leurs parties ; la matiere ignée ou le principe inflammable leur donner leurs couleurs & se montrer quelquefois à nud par les étincelles brillantes que le mouvement en fait sortir. Ces corps si solides, ces pierres, ces métaux se détruisent & se dissolvent à l’aide de l’air, de l’eau & du feu, comme le prouvent l’analyse la plus ordinaire ainsi qu’une foule d’expériences dont nos yeux sont témoins tous les jours.” (I, Chap. III, p. 37-38)

Na een zekere tijd geven de dieren, planten en mineralen het ontleende materiaal terug aan de de natuur. De aarde herwint hierdoor het gedeelte dat zij voor de opbouw van de lichamen ter beschikking heeft gesteld. De lucht verrijkt zich met haar teruggevonden vluchtige bestanddelen. Zuiver water en nieuw vuur staan klaar om zich opnieuw te binden met andere lichamen. De elementen die tot de opbouw van het dier hadden geleid staan nu weer ter beschikking voor de vorming van nieuwe wezens, zoals planten die tot voedsel en behoud van nieuwe dieren moeten dienen, die eens op hun beurt hetzelfde lot zullen moeten ondergaan.

“Telle est la marche constante de la nature; tel est le cercle éternel que tout ce qui existe est forcé de décrire. C’est ainsi que le mouvement fait naître, conserve quelque tems & détruit successivement les parties de l’univers les unes par les autres, tandis que la somme de l’existence demeure toujours la même.” (I, Chap. III, p. 38)

De beweeglijkheid van de natuur geeft aanleiding tot het ontstaan van nieuwe zonnen, die het middelpunt vormen van planetenstelsels. Met de tijd zullen de planeten die zich rond deze zonnen bewegen hun baan zien veranderen, met als gevolg, dat ook deze lichamen eens uiteen zullen vallen. In zijn korte verblijf hier op aarde zal de mens er nauwelijks iets van bemerken.

“C’est donc le mouvement continuel inhérent à la matiere qui altere & détruit tous les êtres, qui leur enleve à chaque instant quelques-unes de leurs propriétés pour leur en substituer d’autres.” (I, Chap. III, p. 39)

Vanaf de steen, die zich heeft gevormd in het inwendige van de aarde door het samenbrengen van gelijkaardige elementen, tot aan de ontstaan van een zon; vanaf het ontstaan van een oester tot het verschijnen van de denkende mens, bemerken we een ononderbroken ketting van herschikkingen en bewegingen van de materie. De wezens verschillen onderling van elkaar uitsluitend als een een gevolg van de verscheidenheid, de hoeveelheid en de verhouding van de elementaire stoffen die zij voor hun opbouw hebben gebruikt.

“Nous ne trouverons dans la formation, la croissance & la vie instantanée des animaux, des végétaux & des minéraux que des matieres qui se combinent, qui s’aggregent, qui s’accumulent, qui s’étendent & qui forment peu-à-peu, des êtres sentans, vivants, végétants, ou dépourvus de ces facultés, & qui, après avoir existé quelque tems sous une forme particuliere, sont forcés de contribuer par leur ruine à la production d’une autre.” (I, Chap. III, p. 39-40)

Hoezeer de samenvatting summier is van de filosoof-wiskundige G.-J. Holland, zo summier zijn ook zijn bemerkingen op het derde hoofdstuk van het “Systeem” :

“Il contient des choses fort communes, très-vraies en grande partie, mais dont la vérité est indépendante du systême de l’Auteur. A la bonne heure qu’il nous dise d?une maniere verbeuse, que tous les changemens de la matiere viennent du mouvement. Mais il veut rire sans doute, quand il nous donne cette vérité comme nouvelle. Il n?est point de traîté, point d?élemens de physique, qui nous disent la même chose. Voyez, par exemple, les “Institutiones physicae” de Muschenbroeck, chap. I, 10 seq. L’Auteur veut rire encore, quand décidant que l’on n’a point donné jusqu’à lui de bonne définition de la matiere, il prétend y suppléer par celle qu’il nous donne, & que l’on voit dans le précis. Il seroit difficile de dire en quoi cette définition servira à enrichir la Physique, ce qu’elle a en soi de merveilleux, & comment elle pourra faire de vrais savans. Ce sont cependant les vertus que lui attribue notre Philosophe.” (Réflexions, p. 14-15)

G.-J. Holland is dus niet bepaald geestdriftig over dit ene hoofdstuk, en vindt er niets nieuws in. Met zijn bemerkingen doet hij Holbach onrecht aan, want het nieuwe zit hem niet zozeer in het natuurkundige, maar wel in het filosofische aspect van zijn betoog over de materie. Holland verwijst naar de 18-de eeuwse Nederlandse geleerde Pieter van Musschenbroeck (1692-1761), die bekend werd door zijn uitvinding, samen met Cunaeus, van de Leidse fles. Het is best mogelijk dat Holbach zijn geschriften “Elementa Physico-mathematica” (1729) en “Compendium physicae experimentalis” (1762) heeft gekend. Ook Holbachs definitie van de materie vindt geen genade in de ogen van Holland.

Heel het werk van Holbach is een voortdurende oproep om begrip op te brengen voor zijn medemens, hem te helpen en hem te begeleiden op zijn tocht doorheen een natuur waarin alles uit noodzaak verloopt. De aanhef van de Discours préliminaire, p. 15-33 van het “Système de la Nature” (Librairie Arthème-Fayard 1990, gebaseerd op de uitgave: À Londres 1781) lezen we het volgende :

“O Homme ! Lorsque tu liras cet ouvrage, son auteur ne sera plus qu’un peu de poussière. C’est du fond du tombeau que la raison est réduite à parler : le cri de la Nature est partout étouffé par des enfants ingrats qui craignent de l’entendre; la Vérité ne peut se montrer sans périls dans un monde qu’elle devrait éclairer; la Vertu sans appui, la sagesse méprisée, la vraie morale ignorée sont bannies de la terre qu’elles sont faites pour gouverner. Il ne leur est point permis d’instruire le genre humain, de le consoler dans ses peines, d’en indiquer les causes, d’en montrer les remèdes : l’ami des hommes est forcé de renfermer ses pensées dans son cœur, d’étouffer ses soupirs, d’être le spectateur muet des infortunes de ses semblables. Des calomnies, des fers et des bûchers, sont le salaire que l’imposture triomphante réserve partout à ceux qui osent déchirer le voile dont les yeux des mortels sont couverts.”

Voorgaande tekst, die vrij zeldzaam is, wordt echter toegeschreven aan Jacques-André Naigeon (1738-1810) en verschijnt voor het eerst in 1770, in een exemplaar dat bewaard wordt in de Bibliothèque nationale in Parijs. Naigeon was een intieme vriend, bewonderaar en medewerker van Holbach. We kennen hem uit zijn Éloge aan Holbach, die hij geschreven heeft ter gelegenheid van de dood van de baron (zie LpC 2002 #1)

Beweging is een essentiële eigenschap van de materie : Dit standpunt wordt niet met enthousiasme begroet. La comtesse de Genlis bijvoorbeeld (zie LpC 2003 #1) verwijst in haar “Les Diners du Baron d’Holbach” (Chez C. J. Trouvé, Imprimeur-Libraire, À Paris, 1822, Notes du Chap. VI, p. 120) naar het artikel athéisme in Diderots “Encyclopédie” en bemerkt dat het filosofisch werd gemanipuleerd: “Le mot athéisme fut corrigé, modifié et détruit par le stratagème des renvois.” Het gebruik van renvois houdt in dat, hoewel het artikel schijnbaar het atheïsme veroordeelt, de lezer voldoende geïnformeerd wordt om er een eigen oordeel te kunnen uit vormen :

Le mouvement n’étant pas essentiel à la matière, et la matière n’ayant pu se le donner à elle-même, il s’ensuit qu’il a quelque autre substance que la matière, et que cette substance n’est pas un corps … Le mouvement n’étant pas de l’essence de la matière, il faut nécessairement qu’elle l’ait reçu d’ailleurs. Elle ne peut l’avoir reçu du néant, car le néant ne peut agir. Il y a donc une autre cause qui a imprimé le mouvement à la matière, qui ne peut être ni matière, ni corps ; c’est ce que nous appelons esprit … Si le monde s’étoit formé par le seul mouvement de la matière, pourquoi se seroit-elle si épuisée dans ses commencemens, qu’elle ne puisse plus et n’ait pu depuis plusieurs siècles former des astres nouveaux ? Pourquoi ne produiroit-elle pas tous les jours des animaux et des hommes par d’autres voies que celles de la génération, si elle en a produit autrefois ? Il faut donc croire qu’une cause intelligente et toute-puissante a formé, dès le commencement, cet Univers en cet état de perfection où nous le voyons aujourd’hui. On fait voir aussi qu’il y a du dessein dans la cause qui a produit l’Univers ; c’est la dernière des absurdités de croire et de dire que l’œil n’a pas été fait pour voir, ni l’oreille pour entendre. Il faut, dans ce malheureux système, réformer le langage le plus raissonnable et le mieux établi, afin de n’admettre de connoissance et d’intelligence dans le premier auteur du monde et des créatures. Il n’est pas moins absurde de croire que si les premiers hommes sont sortis de la terre, ils aient reçu partout la même figure de corps et les mêmes traits, sans que l’un ait eu une partie plus que l’autre; ou dans une autre situation. Mais c’est parler conformément à la raison et à l’expérience, de dire que le genre humain soit sorti d’un même moule, et qu’il a été fait d’un même sang. (Athéisme, Diderot, L’Encyclopédie)

In de Introduction et Plan de l’ouvrage, Chap I, p. 15-17 van het hogervernoemde werk licht de Genlis het beginsel van de renvois toe : “Ce fut Diderot qui, pour l’Encyclopédie, créa l’art ingénieux des renvois. Écoutons-le lui-même nous dévoiler toutes ces petites ruses philosophiques sur cet objet; il parle de l’ordre et de la manière qu’on a suivis, en composant ce Dictionnaire” :

“Je distingue deux sortes de renvois, les uns de choses et les autres de mots. Les renvois de choses éclaircissent l’objet, indiquent ses liaisons éloignées avec d’autres qu’on en croiroit isolées, etc … Mais quand il le faudra, ils produiront aussi un effet tout contraire, ils opposeront les notions, ils feront contraster les principes; ils attaqueront, ébranleront, renverseront secrètement quelques opinions ridicules qu’on n’oseroit insulter ouvertement ; si l’auteur est impartial, ils auront toujours la double fonction de confirmer et de réfuter, de troubler et de concilier … Si ces renvois de confirmation et de réfutation sont prévus avec adresse, ils donneront à une “Encyclopédie”, le caractère que doit avoir un bon dictionnaire, ce caractère est de changer la façon commune de penser.”

De Genlis is duidelijk niet gelukkig met de strategie van de renvois :

“Voilà le “grand secret” de la secte et de toute secte; il s’agit de faire du bruit, de bouleverser, d’opérer une révolution ; c’est ainsi qu’on se rend célèbre à peu de frais, c’est-à-dire sans talens.” (de Genlis, Les Diners du Baron d’Holbach, 1822. Introduction et Plan de l’ouvrage, Chap I, p. 17, voetnota a)

In het voorwoord tot een recente Engelse vertaling van het Systeem schrijft Michael Bush het volgende :

“The work appears as if composed by a machine, going through a formal process which, direct and thorough, left nothing to implication, intuition or chance. Much of the opposition to it –for example from Voltaire, Goethe and Rousseau– focused upon its grey inhumanity rather than its true radicalism. Arguably, all its ideas can be found in previous works –notably those by English deists such as Toland, Collins, Tindal and Woolston, and by the French philosophers such as Maupertuis, La Mettrie, Condillac and Helvétius– but nowhere else is this set of ideas so explicitely coordinated in one universal scheme; and nowhere else, in the previous literature of freethought, is atheism so directly proposed, the after-live so decisively denied, and God so firmly shut out.” (The System of Nature, Baron d’Holbach, Introduction, p. 8, Clinamenn Press 1999)

Het is dan ook de grote verdienste van Holbach een duidelijk beeld te hebben gegeven van wat atheïsme is en inhoudt, en van zijn mogelijkheden voor de uitbouw van een betere wereld. Maar atheïsme verlangt een overtuigende, duidelijke en natuurkundige beschrijving van de materie en haar beweging. In het stelsel van Holbach is er immers geen plaats voor geesten die de materie, wanneer noodzakelijk, in beweging moeten zetten (Aristoteles' eerste beweger, en later Voltaire's goddelijke gangmaker). Niets daarvan in het stelsel van Holbach, tot spijt van theïsten en deïsten.


natuur1.jpg
De natuur in de buurt van Etrépigny nabij Sedan

Een wezenlijk aspect van de materie is, dat zij zelf over beweging beschikt, dat de natuurkundige wetten immanent in haar aanwezig zijn (zogenaamde Aristoteliaanse essentialistische visie van de materie). Die beschrijving is met Einsteins gekromde ruimte –de materie schept de aard van haar eigen bewegingsruimte– in overeenstemming. Maar wat is materie nu zelf ? Holbach beschrijft de materie aan de hand van een aantal gemeenschappelijke eigenschappen, zoals haar uitgestrektheid en traagheid. Maar dit zijn slechts attributen van een zijn dat we daardoor niet beter leren kennen. Materie kan, naargelang de omstandigheden, een aantal bijkomende eigenschappen verwerven; zodat de verschillende soorten materie niet onder één noemer mogen worden gebracht. Er is een voortdurende overgang van materie in elkaar; materie vernietigt zich schijnbaar, maar komt opnieuw onder een andere vorm te voorschijn. Hiermee bereikt Holbach niet zijn doel om een natuurkundig sluitende beschrijving te geven van wat materie is, maar hij stoot wel op een moreel/filosofisch aspect van de materie; namelijk dat zij onvergankelijk is en telkens opnieuw als een vuurvogel uit haar as ontstaat. Daardoor formuleert hij als eerste filosoof/natuurkundige het beginsel van behoud van energie (materie).

Eric W. Elst.

Naar Inhoudstafel van Le Petit Cuistre 2004 Nr 2

Naar Inhoudstafel van Systeem van de Natuur

Hoofdstuk VI

Inleiding - Chapitre VI : Des Loix du Mouvement communes à tous les Êtres. De l’Attraction & de la Répulsion; de la Force d’inertie, de la Nécessité.

Quand nous voyons la cauſe qui agit, nous regardons les effets comme naturels. Voyons-nous un effet inuſité ſans découvrir la cauſe, nous avons recours à notre imagination. Elle nous crée des chimeres.

Dans la nature, il ne peut y avoir cependant que des cauſes & des effets naturels. Tous les mouvements ſuivent des lois conſtantes & néceſſaires. Si nous ne les appercevons pas, pouvons-nous jamais en conclure que la cauſe qui agit eſt ſurnaturelle ?

Le but viſible de tous les mouvements des corps, eſt de conſerver leur exiſtence actuelle, d’attirer ce qui eſt favorable, de repouſſer ce qui peut nuire. Dès qu’on exiſte, on éprouve les mouvements propres à une eſſence déterminée.

Tout cauſe produit un effet, & il ne peut y avoir d’effet ſans cauſe. Or, ſi tous les mouvements ſont dus à une cauſe, ces mouvements étant déterminés par leur nature, leur eſſence, leurs propriétés, il faut en conclure que tout eſt néceſſaire, & que chaque être de la nature, dans les circonſtances, & d’après les propriétés données, ne peut agir autrement qu’il ne fait. La neceſſité eſt la liaiſon infaillible & conſtante des cauſes avec leurs effets; & cette force irréſiſtible, cette néceſſité univerſelle, n’eſt qu’une ſuite de la nature des choſes, en vertu de laquelle tout agit par des loix immuables.

C.-A. Helvétius : Le vrais Sens du Systême de la Nature, Œuvres complètes, Tome premier, A Londres, 1777, p. 141.

Hoofdstuck VI : De bewegingswetten van de lichamen en objecten in de natuur. Aantrekking, afstoting en traagheidskracht. Over de noodzakelijkheid van de verschijnselen.

De mens verwondert zich niet meer over een gebeurtenis wanneer hij er de oorzaak van kent. Daarbij neemt hij stilzwijgend aan dat hij de oorzaak van een gebeurtenis kent als die steeds op dezelfde wijze plaats grijpt. De reden waarom een steen valt kan zijn belangstelling niet weerhouden; en men zal op Newton moeten wachten om er de natuurkundige oorzaak van te leren kennen.

“Le vulgaire n’est jamais tenté d’approfondir les effects qui lui sont familiers ni de remonter à leurs premiers principes. Il ne voit rien dans la chûte de la pierre qui doivent le urprendre ou mériter ses recherches.” (I, Chap.4, p. 75)

We gaan eerst over een gebeurtenis nadenken als die ongewoon en zeldzaam is. Iemand die buskruit maakt en hiervoor telkens opnieuw dezelfde bestanddelen gebruikt, verwondert zich niet meer over de ontploffingskracht van het poeder. Donder en bliksem schrijft hij echter toe aan bovennatuurlijke krachten, want hier oordeelt hij dat het hemelse geweld een verschijnsel is dat zijn begrip ver te boven gaat. De natuurkundige daarentegen tracht het verschijnsel te verklaren door middel van natuurkundige krachten, maar is er zich tegelijkertijd van bewust dat hij nog ver verwijderd is van het kennen van de werkelijke oorzaak

Het blijkt dus als we met een verschijnsel vertrouwd zijn dat we niet meer geneigd zijn om er de oorzaak van te zoeken. Treedt echter een voor ons onbekend verschijnsel op dan komt onze geest in beweging. We maken ons zorgen als we er geen verklaring voor vinden, vooral wanneer onze veiligheid er mee gemoeid is. In weerwil van onze zintuigen, die meestal niet bij machte zijn om de ware oorzaak van het verschijnsel te doorgronden, doen we dan beroep op onze verbeelding, met het gevolg dat we ons waanbeelden vormen als verklaring van het onbekende verschijnsel.

“C’est à ces dispositions de l’esprit humain que sont dues, comme nous verrons par la suite, toutes les erreurs religieuses des hommes, qui, dans le désespoir de ne pouvoir remonter aux causes naturelles des phénomènes inquiétans dont ils étoient les témoins et souvent les victimes, ont créé dans leur cerveau des causes imaginaires, devenues pour eux des sources de folies.” (I, Chap.4, p. 77)

Nochtans gebeurt er niets in de natuur zonder verklaring. Alles verloopt volgens onveranderlijke en noodzakelijke wetten.

Wanneer we onze volledige aandacht zouden schenken aan het bestuderen van de natuur, dan zouden we beseffen dat we ons niet ongerust hoeven te maken over zekere gebeurtenissen waarvan we de oorzaak niet kennen. De gevolgen van oorzaken uit het verre verleden zijn de oorzaken van dichterbij liggende gebeurtenissen, zodat we in beginsel in staat zijn op te klimmen tot de allereerste oorzaak. Als we dan toch eens moeilijkheden ondervinden bij het blootleggen van tussenliggende schakels, dan mogen we hieruit niet besluiten, dat de ketting zou zijn verbroken, en dat we voor een verklaring van een onbekend feit toevlucht moeten nemen tot een buitennatuurlijke oorzaak.

“Contentons-nous pour lors d’avouer que la nature a des ressources que nous ne connoissons pas; mais ne substituons jamais des phantômes, des fictions ou des mots vides de sens aux causes qui nous échappent ; nous ne ferions par-là que nous confirmer dans l’ignorance, nous arrêter dans nos recherches, et nous obstiner à croupir dans nos erreurs.” (I, Chap.4, p. 77-78)

We zijn onwetend over het verloop van de natuur. De essentie, de samenstelling en de eigenschappen van de natuurlijke wezens en van de stoffelijke objecten zijn ons onbekend. We kennen nochtans wel de natuurkundige wetten. Die wetten zijn eenvoudig en gelden zowel voor de natuurlijke wezens als voor de stoffelijke objecten. Ze leiden nooit tot een tegenspraak. Als het dan toch eens tot een schijnbare tegenspraak komt, dan is dat altijd omdat aan de voorwaarden waarvoor een bepaalde wet geldt niet is voldaan. Wanneer buskruit met vuur in aanraking komt en niet ontploft, dan moeten we hieruit vorderen dat het poeder vochtig was, of dat iets anders haar ontploffing heeft belet.

De mens streeft in al zijn doen en laten naar het verwerven van geluk. Wanneer we hem dus bezig zien zichzelf schade toe te brengen of zichzelf te vernietigen dan is het duidelijk dat hij bewogen wordt door een oorzaak die zich verzet tegen zijn natuurlijke geaardheid. Hij wordt misleid door één of ander vooroordeel, zodat hij niet meer beseft waarheen zijn daden kunnen leiden.

De meest ingewikkelde bewegingen zijn altijd terug te voeren op een samenstelling van een aantal enkelvoudige bewegingen. Enkelvoudige bewegingen zorgen er voor dat de verschillende stoffen waaruit een lichaam is opgebouwd met elkaar in aanraking komen. Elke stof heeft zijn eigen bijzondere samenstelling en bewegingswijze. De bewegingswijze van een nieuw gevormd lichaam is de som van de enkelvoudige bewegingen van de verschillende lichamen die geleid hebben tot het. tot stand komen van dat lichaam.

“Parmi les matieres que nous voyons, les unes sont constamment disposées à s’unir, tandis que les autres sont incapables d’union : celle qui sont propres à s’unir, forment des combinaisons plus ou moins intimes et durables, c’est-à-dire plus ou moins capables de persévérer dans leur état et résister à la dissolution. Les corps que nous nomment solides sont composés d’un plus grand nombre de parties homogènes, similaires, analogues disposées à s’unir, et dont les forces conspirent ou tendent à une même fin.” (I, Chap.4, p. 79)

De materie waaruit een lichaam of een stoffelijk object wordt opgebouwd trekt zich wederzijds aan. Het lichaam en het object winnen hierdoor vastheid en duurzaamheid. Materie die vreemd is aan een welbepaald lichaam of object wordt afgestoten. Dit verschijnsel komt zowel voor in de natuurkundige als in de morele wereld. Natuurkundigen noemen het aantrekking en afstoting, sympathie en antipathie; moralisten daarentegen liefde en haat, vriendschap en afkeer.

“Les hommes comme tous les êtres de la nature, éprouvent des mouvemens d’attractions et de répulsion : ceux qui se passent en eux ne différent des autres que parce qu’ils sont plus cachés, et que souvent nous ne connoissons point les causes qui les excitent, ni leur façon d’agir.” (I, Chap.4, p. 80)

De verschillende lichamen zijn ontstaan doordat gelijkaardige materiedeeltjes, levenloos maar onderhevig aan wederzijdse aantrekking, zich verenigd hebben tot één agglomeraat. Het blijkt dat die samenstellingen gevoelig zijn voor prikkels van velerlei aard. Een vereniging komt echter niet tot stand of ze wordt verbroken, als het lichaam een werking van een stof ondervindt, dat er vreemd aan is. Op die wijze vormt zich stap voor stap een plant, voltrekt zich de opbouw van een kristal en ontstaat dier en mens; elk wezen specifiek, naargelang de plaats die het inneemt in het stelsel van de natuur. De natuur handhaaft zich door voortdurende aantrekking van gelijkaardige en met elkaar verwante stoffen en door afstoting van stoffen die vreemd zijn aan de betreffende verbindingen.

“Enfin, pour ne jamais séparer les loix de la physique de celles de la morale, c’est ainsi que les hommes, attirés par leurs besoins les uns vers les autres, forment des unions, que l’on nomme mariages, familles, sociétés, amitiés, liasons, et que la vertu entretient et fortifie, mais que le vice relâche ou dissout totalement.” (I, Chap.4, p. 81)

Hij ruimt de dingen uit de weg die hem hierin zouden hinderen. Zelfbehoud is een streven dat gemeenschappelijk is aan alle wezens in de natuur. De natuurkundigen noemen dit streven een op zichzelf gerichte zwaartekracht. Newton sprak van traagheidskracht en moralisten spreken van eigenliefde.

Elke oorzaak heeft een gevolg. Wordt er op een object een kracht uitgeoefend –oorzaak– dan treedt er een verandering op –gevolg–. Het object neemt een nieuwe vorm aan, het zet zich in beweging of, wanneer het reeds in beweging was, verandert het zijn bewegingswijze. Alle veranderingen zijn gevolgen van oorzaken die afhankelijk zijn van de aard en de gesteldheid van de objecten die tot die oorzaken hebben geleid. Hieruit moeten we besluiten dat alle verschijnselen in de natuur noodzakelijkerwijze zo verlopen dat elk wezen, naargelang de omstandigheden, aard en gesteldheid, alleen maar een wel-bepaalde werking voor gevolg kan hebben. De noodzakelijkheid is de onfeilbare en onveranderlijke betrekking tussen oorzaak en gevolg.

“Enfin nous sommes forcés d’avouer qu’il ne peut y avoir d’énergie indépendante, de cause isolée, d’action détachée dans une nature où tous les êtres agissent sans interruption les uns sur les autres, et qui n’est elle-même qu’un cercle éternel de mouvements données et reçus suivant des loix nécessaires.” (I, Chap.4, p. 84)

Ter verduidelijking van het beginsel van noodzakelijkheid geven we een voorbeeld uit de natuurkunde en een voorbeeld uit de menselijke samenleving.

Zo is er in een ogenschijnlijk uiterst wanordelijke stofwerveling, als gevolg van een oplaaiende wind, niet één stofdeeltje dat zich toevallig op een welbepaalde plaats bevindt, of dat niet een welbepaalde werking uitoefent. Een meetkundige die over alle gegevens van de stofdeeltjes en hun bewegingen zou beschikken moet in staat zijn om op ieder ogenblik de plaats en werking van elk afzonderlijk deeltje te voorspellen.

Anderzijds is er in een volksopstand niet één woord, gedachte, drang of hartstocht die niet een noodzakelijk gevolg is van een aantal gebeurtenissen, die elk op hun beurt weer het gevolg zijn van een aantal vroegere gebeurtenissen. Een geschiedkundige zou in staat moeten zijn om al die gebeurtenissen te onthullen die tot die ene omwenteling hebben geleid.

“Enfin, si tout est lié dans la nature, si tous les mouvemens y naissent les uns les autres, quoique leurs communications secrettes échappent souvent à notre vue, nous devons être assurés qu’il n’est point de cause si petite ou si éloignée qui ne produise quelquefois les effets les plus grands et les plus immédiats sur eux-mêmes.” (I, Chap.4, p. 85)

Zo is mogelijk dat op een welbepaald ogenblik, in de Lybische woestijn, een aantal elementen aanwezig zijn, die kunnen leiden tot het ontstaan van een onweer in onze gewesten. De kortstondige en geweldadige veranderingen in onze atmosfeer kunnen een nefaste werking hebben op de gemoedsgesteldheid van een welbepaald persoon, die op zijn beurt het gedrag van een aantal personen kan beïnvloeden, waardoor het lot van een hele staat in het gedrang kan komen.

Alle lichamen oefenen een werking uit, volgens inherente wetten die eigen zijn aan elk lichaam afzonderlijk, zonder de mogelijkheid om maar voor één ogenblik af te wijken van die wetten waarmee de natuur zelf te werk gaat : d.w.z. een centrale kracht waaraan alle krachten, stoffen en energïen zijn onderworpen. Die kracht regelt, uit noodzaak van haar eigenheid, de bewegingen van alle wezens. Hierdoor komen ze op verschillende wijzen bij elkaar en leiden tot het ontstaan van het leven en tot de werking en het behoud van het geheel van veranderingen. Deze onweerstaanbare kracht, algehele noodzakelijkheid en totale energie is uiteindelijk slechts een gevolg van de aard der dingen zodat alles onophoudelijk werkt volgens onveranderlijke wetten, die zowel voor de gehele natuur als voor alle wezens die zij bevat geldig zijn. In de natuur is alles gericht op het behoud van het bestaan.

Plato heeft in zijn geschriften bemerkt, dat materie en noodzaak één en hetzelfde zijn. De essentie van de materie bestaat erin een specifieke werking uit te oefenen, wat tevens de reden inhoudt van haar bestaan. Als men ons vraagt hoe het komt en waarom er materie bestaat, dan antwoorden we hierop : omdat zij noodzakelijkerwijze bestaat : “La matiere existe nécessairement”. Zij sluit de reden in van haar eigen bestaan. De veronderstelling dat zij haar ontstaan zou te danken hebben aan een wezen dat buiten de materie staat, zou ons verplichten aan te nemen, dat dit wezen noodzakelijkerwijze bestaat en dat het een voldoende reden heeft voor zijn bestaan. Door dit onbekende wezen, dat zich aan het onderzoek volledig ontrekt, te vervangen door de materie zelf, beschikken we over een wezen dat voor een groot gedeelte bestudeerd kan worden.

G.-J Hollands samenvatting van hoofdstuk IV luidt als volgt :

“Chapitre IV : Des loix du mouvement communes à tous les êtres de la nature; de l’attraction & de la répulsion; de la force d’inertie; de la nécessité..”

“Il ne peut y avoir dans la nature que des causes & des effets naturels. Tous les mouvemens qui s’y excitent, suivent des loix constantes & nécessaires. Nous connoissons les plus simples & les plus générales de ces loix. Il en résulte que certains corps sont disposés à s’unir, tandis que d’autres sont incapables d’union, que les uns s’attirent, & que les autres se repoussent. Les Physiciens désignent ces façons d’agir sous les noms d’attraction & de répulsion, &c. Les Moralistes sont ceux d’amour & de haine, d’amitié & d’aversion. La direction ou tendance générale de tous les êtres est de conserver leur existence. Les Physiciens l’ont nommée gravitation sur soi; Newton, force d’inertie. Les Moralistes l’ont appellée dans l’homme amour de soi. Tous les phénomènes de la nature sont nécessaires, parce que l’univers lui-même n’est qu’une chaîne immense de causes & d"effets, qui sans cesse découlent les unes des autres..” (Réflexions, 1773, p. 19)

reflexions02.jpg
Een tweetal bladzijden uit Hollands “Réflexions”, eerste druk (1773)

Ook in dit hoofdstuk stelt Holbach een aantal natuurkundige wetmatigheden voor die bij de lezer op het eerste zicht misschien wel wat als on te pas overkomen. Holbach beoogt immers met zijn “Système” aan te tonen, dat de morele beginselen die de mensheid bewegen de neerslag zijn van natuurkundige beginselen in het gebied van de levende materie, reden waarom Holbach ze hier vrij uitvoerig behandelt. De wetmatigheid die de natuur kenmerkt als zij materie bij elkaar brengt, uit elkaar drijft, omvormt tot nieuwe vormen (schijnbare vernietiging) gelden zowel voor de natuurkundige als voor de morele wereld.

Natuurlijke objecten (gassen, vloeistoffen, vaste lichamen –kristallen, hemellichamen– etc.), de levende materie (mens, dier en plant) en het maatschappelijk gedrag van de mens kunnen door analoge natuurkundige wetten beschreven worden. De volledige titel van het “Système” luidt immers : “Système de la Nature ou des Loix du Monde physique et du Monde moral”. De hypothese houdt een directe aanval in op een zogenaamde metafysische beweger van de levende materie. Die aanval was reeds eerder ingezet geworden, met het geschrift “L’homme machine” (1747) van La Mettrie (1709-1751). La Mettrie had het werk opgedragen aan zijn leermeester, die er echter niet gelukkig mee was.

Holbach somt de gemeenschappelijke beginselen op die in de natuur onder de vorm van natuurkundige en in de morele wereld als morele wetmatigheden optreden. La Mettrie beperkt zich uitsluitend tot het mechanisch-lichamelijke gedrag van de mens, terwijl Holbach de geldigheid van de natuurkundige wetten uitbreidt, tot in het gebied van het moreel gedrag. De natuurkundige benamingen aantrekking, afstoting etc. worden omgezet in liefde, haat etc.

In zijn “Réflexions philosophiques sur le Systême de la Nature” (1773) schrijft Holland het volgende :

“1 : Les physiciens sont tous d’accord sur l’invariabilité des loix du mouvement, ou sur la liaison constante des causes avec leurs effets. On en conclud ici que tout est nécessaire dans l’univers. C’est très-mal conclure. Il y a une très-grande différence entre une liaison constante & une liaison nécessaire. Nous ne connoissons les loix du mouvement qu’à posteriori, ou par l’expérience : personne n’a pu encore déduire géométriquement de l’essence de la matiere. Les philosophes qui ont tenté de les établir à priori, out eu la mortification de se voir démentis par l’expérience, tandis que les plus grands mathématiiens, après les avoir étudiées toute leur vie, n’en ont pu trouver la raison suffisante que dans la volonté d’un premier moteur.” (Réflexions : Remarques p. 20)

Het paradigma van de eerste beweger. Ook Holland, als hij zelf ook geen betere uitleg weet voor het bestaan van de natuurkundige wetten, onderschrijft de bevindingen van de vele wiskundigen (G. Leibniz, 1690-1775), die tevergeefs hun hele leven die wetten hebben bestudeerd, dat die een gevolg zijn van de wil van een eerste beweger.

Is het dan zo moeilijk om te aanvaarden dat de natuurkundige wetmatigheden van de materie op hetzelfde ogenblik zouden zijn kunnen ontstaan als de materie zelf ? Natuurlijk is dit ook een hypothese, die twee bestaande natuurkundige begrippen –materie en natuurwet– met elkaar simultaan verbindt. Die hypothese is in ieder geval zinniger, dan de hypothese van een eerste beweger, die zich nergens laat zien en zich niet laat bestuderen.

Holland vervolgt zijn betoog : “Il ne suffit point s’assurer qu’un effet est nécessaire, il faut, pour le prouver, démontrer que le contraire est impossible”. Deze aard van bewijsvoering staat in de wiskunde bekend als bewijsvoering uit het ongerijmde. Het komt erop neer aan te tonen, dat het tegenstelde van de bewering absurd is, waardoor het gestelde dus wel juist moet zijn. In dit geval zouden we moeten bewijzen dat een oorzaak niet noodzakelijk een effect voor gevolg heeft. Volgens Holland werd in de bewegingsleer dit bewijs nog niet geleverd, zodat het een open vraag blijft of een oorzaak altijd een effect voor gevolg heeft. Het omgekeerde is misschien dan ook wel waar : een effect treedt op zonder dat er een oorzaak aan voorafging. Volgens de metafysici benodigt een eerste beweger geen oorzaak om te ontstaan; want die oorzaak zou op een andere persoon duiden dan hemzelf. Daar is het Holland waarschijnlijk stilzwijgend om te doen, d.w.z., de lezer dit mysterie in herinnering brengen.

“Tout l’univers est une chaîne immense de causes & d’effets, qui sans cesse découlent les unes des autres.” (d’Holbach, 1770, Systême, I, p. 20).

Het antwoord van Holland hierop getuigt van niet bepaald veel ernst :

“Je ne prétends nier ni l’existence ni la liaison des chaînons, mais je demande à quoi tient la chaîne elle-même ? Si elle n’est suspendue nulle part, il faut nécessairement qu’elle tombe, malgré l’enchaînement de ses parties.”

“Tout effet a sa raison suffisante dans sa cause; cette cause est l’effet d’une autre, celle-là d’une autre, ainsi de suite jusqu’a l’infini.” (d’Holbach, 1770, Systême, I, p. 20).

Holland weerlegt Holbachs uitspraak als volgt : Een oneindige reeks van effecten houdt een tegenspraak in. Als men er toch in gelooft dan is het omdat men de infinitesimaalrekening verkeerd begrepen heeft Getallen en oppervlakten, en in het algemeen alle grootheden zijn eindig. Ze kunnen weliswaar tot in het oneindige vergroot worden; want het is altijd mogelijk een term aan de reeks toe te voegen. Duidelijk muggenzifterij van Holland, die Holbachs à l’infini al te letterlijk opvat; waarbij Holbach slechts aan een zeer groot aantal effecten –en oorzaken– denkt.

Een interessant feit in dit verband is vermeldenswaard. Het blijkt dat de gemiddelde afstand tussen twee mensen op aarde ongeveer gelijk is aan 6, waarbij de afstand tussen een persoon A en een persoon B die elkaar ooit eens hebben ontmoet gelijkgesteld wordt aan 1 (Van Bendegem, Knack 3 november 2004, p. 105). Jean Paul Van Bendegem, hoogleraar logica en wetenschaps-filosofie aan de Vrije Universiteit Brussel, geeft het volgende voorbeeld :

“Mijn afstand tot de paus is hoogstens drie : ik heb Leo Apostel gekend (afstand één), hij heeft ooit de Solvay-prijs uit de handen van koning Boudewijn ontvangen (afstand twee) en onze overleden vorst heeft zeker met mijn Vatikaanse naamgenoot gesproken (afstand drie)..”

De afstand van de voorzitter van de Holbach Vereniging tot de paus is eveneens gelijk aan drie, want die heeft een aantal jaren de kosmologie-groep, in het project Wereldbeelden, van de wetenschaps-filosoof Leo Apostel geleid. De afstand van de voorzitter tot de paus is zelfs nog kleiner en gelijk aan twee, want die heeft in april 2004 de aartsbisshop van Agrigento (Sicilië) ontmoet; en we mogen wel aannemen dat de aartsbisshop in Rome is geweest. Trouwens de voorzitter heeft ook wel eens koning Boudewijn de hand gedrukt, tijdens een bezoek van de vorst aan de sterrenwacht te Ukkel, zodat de afstand van de voorzitter tot de heilige stoel wel schrikwekkend klein wordt. Hij was er zichzelf niet bewust van. Hetzelfde geldt waarschijnlijk ook wel voor vele andere mensen. Maar zou het dan wel eens kunnen zijn, dat ook de keten van oorzaken en gevolgen heel wat korter is dan we zelf vermoeden ?

Om het afstandsfenomeen van gemiddeld zes personen te verklaren verwijst Van Bendegem naar het boek Small Worlds van Duncan J. Watts (Princeton University Press, 1999). Voorwaarde voor een gemiddelde afstand van 6 is de aanwezigheid van een geordende structuur, aangevuld met een aantal zuiver toevalligheden –een aantal mensen kennen elkaar, waarvan men niet zou denken dat zij ooit iets met elkaar te maken hadden–. Wat nu met de gemiddelde lengte van de keten van oorzaken en gevolgen ? Het zou wel eens kunnen zijn dat die heel wat korter is dan men zou willen geloven en dat een gelijkaardig magisch getal het aantal oorzaken en gevolgen op aarde drastisch beperkt.

“2a : Sur quel fondement l’auteur envisage-t-il les attractions & répulsions dans la nature, comme des qualitiés inhérentes à la matiere ? Le grand , le sage Newton, comme s’il prévoyoit l’abus qu’on feroit de son systême, nous avertit, en plusieurs endroits, qu’il ne se sert des mots d’attraction & de répulsion, que pour désigner des faits dont on peut partir pour expliquer d’autres faits. Il dit qu’il est fort probable que ces faits sont des effects d’une impulsion réelle, causée par quelque matiere subtile, mais qu’il se sert du mot d’attraction, faute de connoître les ressorts cachés de la nature.” (Réflexions 1773, p.22)

Het betreft hier het onderscheid tussen twee werelden : de reële werkelijk bestaande en bestudeerbare wereld en de door de natuurkunde niet vatbare metafysische wereld. Plato meende dat de waarneming ons uitsluitend afbeeldingen van de werkelijkheid verschaft. Schopenhauer (1788-1860) in zijn “Der Welt als Wille and Vorstellung” (1819) geeft Plato's visie als volgt weer :

“So lange wir nun auf ihre Wahrnehmung beschränkt sind, gleichen wir Menschen, die in einer finstern Höhle so fest gebunden sässen, daß sie auch den Kopf nicht drehen könnten, und nichts sähen, als beim Lichte eines hinter ihnen brennenden Feuer, an der Wand ihnen gegenüber, die Schattenbilder wirklicher Dinge, welche zwischen ihnen und dem Feuer vorübergeführt würden, und auch sogar von einander, ja, jeder von sich selbst, eben nur die Schatten auf jener Wand. Ihre Weisheit aber wäre, die aus Erfahrung erlernte Reihenfolge jener Schatten vorher zu sagen. Was nun hingegen allein wahrhaft Seiende genannt werden kann, weil es immer ist, aber nie wird, noch vergeht : das sind die realen Urbilder jener Schattenbilder : es sind die ewigen Ideeen, die Urformen aller Dinge.” (Schopenhauer, Die Welt als Wille und Vorstellung, 1997, p. 262, Könemann Verlagsgesellschaft mbH)

Schopenhauer verwijst naar Kants “Kritik der reinen Vernunft” (1781) die de directe waarneming der dingen als verschijningsvormen in tijd, ruimte en oorzakelijkheid van de werkelijke dingen beschouwt :

“Kant (1724-1804) hat, um diese Formen (Plato) zu verneinen, sie unmittelbar selbst in abstracten Ausdrücken gefasst und geradezu Zeit, Raum and Kausalität, als blosse Formen der Erscheinung, dem Ding an sich angesprochen.” (Schopenhauer, idem, p. 263)

Schopenhauer geeft ter vergelijking van beide opvattingen een voorbeeld : Es stehe ein Thier vor uns, in voller Lebensthätigkeit. Platon wird sagen :

“Dieses Thier hat keine wahrhafte Existenz, sonders nur eine scheinbare, ein beständiges werden, ein relatives Dasein, welches ebenso wohl ein Nichtseyn, als ein Seyn heissen kann. Wahrhaft seiend ist allein die Idee, die sich in jenem Thier abbildet, oder das Thier an sich selbst welches von nichts abhängig, sondern an und für sich ist, nichts geworden, nichts endend, sondern immer auf gleiche Weise.”

Kant würde sagen :

“Dieses Thier ist eine Erscheinung in Zeit, Raum und Kausalität, welche sämmtlich die in unserm Erkentnissvermögen liegende Bedingungen a priori des Möglichkeiten der Erfahrung sind, nicht bestimmungen des Dinges an sich. Daher ist diese Thier, wie wir es zu dieser Zeit bestimmten Zeit, an diesem gegebenen Ort, als ein im Zusammenhang des Erfahrung, d.h. an der Kette von Ursachen und Wirkungen, gewordenes und ebenso nothwendig vergängliches Individuum wahrnehmen, kein Ding an sich, sondern eine nur in Beziehung auf unsere Erkenntniss gültige Erscheinung.”

Duidelijk het zelfde woordgebruik als Holbach. De betreffende zin eindigt echter als volgt :

“Um er nach dem, was es sich seyn mag, folglich unabhängig von allen in der Zeit, Raum und Kausalität liegenden Bestimmugen zu erkennen, wäre eine ander Arkenntnissweise, als die uns allein mögliche, durch Sinne und Verstand, erfordert.” (Schopenhauer, idem, p. 264)

M.a.w : de kennis van het Ding an sich vereist een andere benaderingswijze dan deze die zich steunt op waarneming en beredenering.

“2b : L’auteur met le comble à l’abus du Newtoniannisme. Il range dans la même classe l’attraction & la répulsion des physiciens, avec l’amitié & l’aversion des moralistes. Comme les grands corps se forment par la réunion des molécules qui s’attirent réciproquement, de même les mariages, les familles les sociétés, se forment par des hommes que leurs besoins attirent & portent à s’unir ensemble.” (Réflexions, 1773, p. 23)

Holland is blijkbaar niet te spreken over de vergelijking die Holbach maakt tussen het naturkundige gedrag van de stoffelijke objecten en het morele gedrag van de levende wezens :

“De telles inepties sont pardonnables dans un poëme, ou dans une déclamation de college; mais elles font rire le lecteur qui les trouve dans les écrits d’un philosophe.” (Réflexions, 1773, p. 23)

Het is vreemd dat de protestant Holland hier alles zo letterlijk opvat, op een ogenblik dat men een begin maakt de religieuse geschriften meer symbolisch te interpreteren. Niet dat je dan zinvollere ideeën verkrijgt –zie bv. de beide pamfletten (1720) van Thomas Woolston (1669-1733) of “Het Testament” van Jean Meslier (1664-1728), waarin deze de zg. allegorische interpretatie van de Bijbel nog dwazer vindt als de letterlijke–, maar het gewicht van de uitspraak wordt verlegd naar het gebied van psychologie (het geestelijke) en daardoor minder vatbaar voor kritiek. Het is zeker Holbach er niet om te doen zijn uitspraken te vrijwaren voor kritiek. Hij wil slechts op een parallelliteit wijzen die tussen natuurkundige wetten (stoffelijke wereld) en analoge vormen in het gebied van de moraal bestaat. Aantrekking tussen stoffelijke objekten als gevolg van de zwaartekracht en aantrekking tussen mensen als gevolg van morele (psychogische) krachten. Holbach betoont echter wel dat beide vormen natuurwetten zijn.

“2c : L’auteur n’est pas moins curieux, quand il compare la force d’inertie avec l’amour de soi.” (Réflexions, 1773, p. 24)

Ditmaal –compare– een correct woordgebruik van Holand in verband met zijn kritiek op Holbach's 4-de hoofdstuk. Holbach vergelijkt de stoffelijke –newtoniaanse– trage kracht (inertie) met de morele eigenliefde. Natuurlijk heeft Newton nooit geschreven dat “la force d’inertie est une tendance des corps à conserver leur existence. Il donne le nom d’inertie à cette propriété de la matiere, suivant laquelle elle est indifférente au mouvement & au repos, ou, suivant laquelle un corps persévere dans son état de repos ou de mouvement, jusqu’à ce qu’une cause extériere le force à en sortir.” (Réflexions, 1773, p. 24)

Wanneer men een lichaam in beweging wil zetten ondervindt men een weerstand –hoe zwaarder het lichaam des te grote de weerstand = trage kracht. Einstein, in de 20-ste eeuw, toonde aan dat trage kracht en zwaartekracht identisch zijn; maar dat is een ander verhaal. Eigenliefde is een moreel streven om in zijn toestand te volharden. Men laat zich moeilijk door anderen bewegen. Is het dan zo absurd van Holbach hierin een parallelliteit te vinden met de trage kracht van de stoffelijke wereld ?

Eric W. Elst.

Naar Inhoudstafel van Le Petit Cuistre 2004 Nr 3

Naar Inhoudstafel van Systeem van de Natuur

Samenvatting van Systeem van de Natuur Deel I, Hoofdstuk VI

De mens neemt een plaats in tussen de schepsels waaruit de natuur is opgebouwd. Zijn eigenheid, waardoor hij verschilt van de andere wezens, bewerkt dat hij op onderscheidenlijke wijze wordt onderworpen aan enerzijds zichtbare en eenvoudige  bewegingen en anderzijds aan verborgen en meer komplexe bewegingen. Heel zijn leven is immers niets meer dan een lange reeks van met elkaar verbonden noodzakelijke bewegingen die van inwendige en van uitwendige aard zijn. Inwendige bewegingen zijn bijvoorbeeld de bloedsomloop en de bewegingen van de spieren, zenuwpezen en beenderen : in één woord, de bewegingen van de vaste en vloeibare stoffen waaruit het lichaam is opgebouwd. Uitwendige bewegingen zijn “oorzaken” die van buitenaf op hem inwerken en het lichaam op verschillende wijzen beïnvloeden, zoals de druk en temperatuur van de omringende lucht, de energie van de voedingsstoffen die hij tot zich neemt en de werking van de objecten op zijn zintuigen. Dit heeft voor gevolg dat zijn lichaam voordurend aan veranderingen onderhevig is (I, VI, 103-104).

“Quelques merveilleuses, quelques cachées, quelques compliquées que paroissent ou que soient les façons d’agir tant visibles qu’intérieures de la machine humaine, si nous les examinons de près, nous verrons que toutes ses opérations, ses mouvemens, ses changemens, ses différens états, ses révolutions sont réglés constamment par les mêmes loix que la nature prescrit à tous les êtres qu’elle fait naitre, qu’elle développe, qu’elle enrichit de facultés, qu’elle accroit, qu’elle conserve pendant un tems, et qu’elle finit par détruire ou décomposer en leur faisant changer de forme.” (I,VI,104)

In het begin is de mens slechts een klein amorf stipje, waarvan de beweeglijkheid aan de waarneming ontsnapt. Niets wijst er op dat dit minuscule deeltje gevoel, intelligentie, gedachten, kracht of redelijkheid zou bezitten. Nadat het zich heeft vastgehecht aan de baarmoederwand begint het zich te ontwikkelen. Door de toevoer en opname van stoffen die verenigbaar zijn met dit primitieve wezen neemt het gestadig in volume toe. Ook nadat het nieuwe wezen de baarmoeder heeft verlaten groeit het verder. De bewegingen worden betekenisvoller en het hele wezen is gevoelig geworden voor indrukken. Met andere woorden, het onooglijke punt is een levende en denkende massa geworden dat de typische kenmerken vertoont die eigen zijn aan het menselijk ras.

“Ces matieres, du genre de celles que nous jugeons inertes, insensibles, inanimées, néanmoins sont parvenues à former un tout agissant, vivant, sentant, jugeant, raisonnant, voulant, déliberant, choississant, capable de travailler plus ou moins efficacement à sa propre conservation, c’est-à-dire au maintien de l’harmonie dans sa propre existence.” (I,VI,105)

Alle veranderingen waaraan de mens gedurende zijn leven onderworpen is, hetzij door de werking van lichamen van buitenaf ofwel door inwendige oorzaken, beïnvloeden zijn wezen gunstig of ongunstig, laten zijn gestel in ordelijke toestand of brengen het in wanorde. Door zijn natuur is hij genoodzaakt veranderingen die hem schade berokkenen te ontwijken. Veranderingen daarentegen die hem gelukkig maken worden het object van zijn verlangens. Een bron van vergissingen is het feit dat de mens heeft gemeend dat hijzelf de oorzaak is van zijn veranderingen en verlangens. Daardoor stelde hij zich buiten de algemene wetten van de natuur. Had hij zichzelf echter aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen, dan zou hij ingezien hebben, dat geen enkele verandering spontaan ontstaat, maar altijd het gevolg is van een aantal oorzaken waarop hijzelf geen vat heeft.

“Il eût trouvé que sa naissance dépend de causes entièrement hors de son pouvoir, que c’est sans son aveu qu’il entre dans un système où il occupe une place ; que depuis le moment où il naît jusqu’à celui où il meurt il est continuellement modifié par des causes qui, malgré lui, influent sur sa machine, modifient son être, et disposent de sa conduite. (I,VI,106)
… En un mot, tout auroit dû convaincre l’homme qu’il est dans chaque instant de sa durée un instrument passif entre les mains de la nécessité.” (I,VI,107)

In een wereld waar alles met elkaar in betrekking staat, waarin alle gebeurtenissen met elkaar verketend zijn, is er geen plaats voor een  onafhankelijke en afgeschermde kracht. De onophoudelijke werking van de natuur op de mens bepaalt elk punt van de lijn die hij tijdens zijn bestaan beschrijft. De natuur stelt de bouwelementen ter beschikking waaruit de mens is samengesteld en wordt daardoor verantwoordelijk voor zijn geaardheid, zijn verlangens en zijn bijzondere wijze van handelen. Gedurende de tijd dat hij gedwongen zijn taak volbrengt waakt zij over zijn ontwikkeling en behoud. De voorwerpen die hij op zijn weg vindt en de gebeurtenissen die noodzakelijk intreden kunnen zijn lot in gunstige of ongunstige zin  beïnvloeden. De natuur geeft de mens nochtans het gevoel dat hij in staat zou zijn een keuze te maken uit de voorwerpen en middelen die het meest geschikt zijn voor zijn behoud. Aan het einde van zijn reis vernietigt de natuur echter zijn leven, en aan deze algemene en vaste wet ontkomt geen enkel wezen.

“C’est ainsi que le mouvement fait naître, le soutient quelque tems et détruit, ou l’oblige de rentrer dans le sein d’une nature, qui bientôt le reproduira épars sous une infinité de formes nouvelles, dont chacune de ses parties parcourera de même les différens périodes aussi nécessairement que le tout avoit parcouru ceux de son existence précédente.” (I,VI,107-108)

Het hoeft ons niet te verwonderen dat de mens de meest vreemdsoortige hypothesen heeft uitgedacht om de werking van zijn lichaam te verklaren. Zo heeft hij gemeend dat het lichaam een bewegingsmechanisme bevatte dat de noodzakelijke impulsen verleende om de verschillende gedeelten in beweging te brengen. Hoe was het immers te begrijpen dat een vluchtig idee, een onopgemerkte gedachte, hem zo uit het evenwicht kon brengen ? Alleen het bestaan van een substantie die zich onderscheidde van zijn lichaam en die gedreven werd door een verborgen kracht kon hier verantwoordelijk voor zijn. Dit gaf aanleiding tot het ontstaan van begrippen zoals “geest”, “onstoffelijkheid” en “onvergankelijkheid”; en nog vele andere vage woorden die men uitvond om de eigenschappen aan te duiden van de onbekende substantie waaraan de mens het gedrag van zijn lichaam toeschreef.

“Pour couronner les conjectures harsardées que l’on avoit faites sur cette force, motrice, on supposa que différentes de tous les autres êtres et du corps qui lui servoit d’enveloppe, elle ne devoit point comme eux subir de dissolution; que sa parfaite simplicité l’empêchoit de pouvoir se décomposer et changer de formes, en un mot qu’elle étoit par son essence exempte des révolutions auxquelles on voyoit le corps sujet, ainsi que tous les êtres composés dont la nature est remplie.” (I,VI,110)

De mens beschouwde zich daardoor als opgebouwd uit twee van elkaar onafhankelijke substanties. De eerste substantie, het lichaam, werd duidelijk beïnvloed door de overige materiële lichamen, terwijl de tweede substantie, de geest, doordat die zo ijl van samenstelling was, geen uiterlijke werking ondervond; maar wel verantwoordelijk moest geacht worden voor de bewegingen van het materiële lichaam, waarmee het op een zo wonderbaarlijke wijze mee verbonden was. De vermogens van de eerste substantie werden lichamelijk, materieel of natuurkundig genoemd, terwijl de vermogens van de geest met geestelijk en verstandelijk werden aangeduid. Dit onderscheid in substantie dat door de meeste filosofen wordt erkend, steunt echter op inhoudsloze veronderstellingen. De mens heeft altijd wel een wijze gevonden om zijn onwetendheid te omzeilen door woorden in de plaats te stellen van onbegrepen fenomenen.

“C’est ainsi que des spéculateurs en créant des mots et en multipliant les êtres, n’ont fait que se plonger dans des embarras plus grands que ceux qu’ils vouloient éviter, et mettre des obstacles aux progrès des connoisances.” (I,VI,111)

Zovlug dus de feiten ontbraken greep de mens naar waanbeelden, die weldra tot werkelijkheden werden verheven. Zonder ervaringsgegevens sloeg de verbeelding van de mens op hol en kwam hij in een labyrinth terecht van een ideële en geestelijke wereld, waaraan hij zelf aan de basis lag. Het zou nauwelijks nog mogelijk zijn om de weg terug te vinden die de ervaring hem had getoond.
Wanneer men ons zou vragen waar de mens vandaan komt dan zouden we antwoorden dat de ervaring ons niet in de mogelijkheid stelt hierop een antwoord te geven. We hechten trouwens weinig belang aan die vraag. Het volstaat te weten dat de mens bestaat en dat we een verklaring kunnen geven hoe zijn gestel werkt. Men zou zich nu kunnen afvragen of de mens eeuwig heeft bestaan. De materie is onvergankelijk en noodzakelijk. De verbindingen en vormen zijn echter van een voorbijgaande en toevallige aard. De mens is ook niets meer dan een hoeveelheid samengestelde materie, waarvan de vorm op ieder ogenblik verandert. De veronderstelling dat de mens "in de tijd" zou zijn ontstaan is goed verdedigbaar. Hij is dan een voortbrengsel van deze aarde, wel te verstaan, na het ontstaan van de aarde zelf. Het “ontstaan van leven" is een essentiële eigenschap van dit heelal die dit verwezenlijkt door gebruik te maken van de soorten materie waarover ze beschikt. Wat niet essentieel is zijn de verschillende verbindingen en vormen die dit heelal "bevolken". De materie waaruit onze aarde is opgebouwd heeft al van "oudsher" bestaan. Nochtans heeft de aarde niet altijd dezelfde vorm en eigenschappen gehad die ze thans bezit. Het is mogelijk dat ze een gedeelte is dat zich losgerukt heeft van een ander hemellichaam. Zouden de vlekken die we op de zon waarnemen hiervan niet het gevolg kunnen zijn ? Onze planeet zou echter ook een uitgedoofde komeet kunnen geweest zijn, op een totaal andere plaats van de ruimte. Dit zou zeker geleid hebben tot het ontstaan van een geheel andere soort wezens dan die we thans kennen. Wat men hiervan ook moge denken, planten, dieren en mensen mogen beschouwd worden als typische voortbrengsels van deze aarde, in een toestand waarin zij zich op dit ogenblik bevindt. Moest hierin verandering komen dan zullen de voortbrengselen ook veranderingen ondergaan. Deze veronderstelling wordt gesteund door het feit dat het klimaat bepalend is voor het soort van gewassen, dieren en mensen. Zo huist de olifant in uiterst droge streken, het rendier echter in het hoge en koude Noorden. Indië is bij uitstek het land van de diamant, maar ananas groeit in Amerika in open lucht en zou slechts in onze streken gedijen, als de zon hier even hevig zou schijnen. Afhankelijk van de stand van de zon ten opzichte van het aardoppervlak verschillen mensen van kleur, lengte, lichaamsbouw, kracht, vlijt, moed en verstand.

“L’on peut donc conjecturer avec assez de fondement que, si par quelqu’accident notre globe venoit à se déplacer, toutes ses productions seroient forcées de changer, vu que les causes n’étant plus les mêmes ou n’agissant plus de même façon, les effets devroient nécessairement changer.” (I,VI,114)

Om zich te kunnen handhaven moeten de wezens onderling zich kunnen coördineren met het geheel waaruit ze zijn ontstaan. Die mogelijkheid tot coördinatie noemen we de plaatselijke orde van het heelal. Ontbreekt die “coördinatie” dan verkeert het heelal plaatselijk in wanorde. Indien men een mens naar de planeet Saturnus zou verplaatsen, dan mag men er zeker van zijn dat zijn longen zullen openbarsten, als gevolg van de geringe luchtdruk die er op die planeet heerst. Door de hevige kou zullen tevens zijn ledematen bevriezen en hij is gedoemd om een geweldadige dood te sterven, omdat hij er niet de elementen vindt die met zijn aards gestel overeenkomen. Verplaats diezelfde mens naar de planeet Mercurius en de hevige hitte zal hem weldra verzengen.

“Quoiqu’il en soit, si l’on nous oblige de remonter par l’imagination à l’origine des choses et au berceau du genre humain, nous dirons qu’il est probable que l’homme fut une suite nécessaire du débrouillement de notre globe, ou l’un des résultats des qualités, des propriétés, de l’énergie dont il fut susceptible dans sa position présente ; qu’il naquit mâle et femelle; que son existence est coordonnée avec celle de de notre globe; que tant que cette co-ordination subsistera, l’espece humaine se conservera, se propagera d’après l’impulsion et les loix primitives qui l’ont jadis fait éclore.” (I,VI,116)

Daarom ook mogen we aannemen dat de soorten voortdurend aan verandering onderhevig zijn. Het is echter onmogelijk te weten hoe hun verleden was en hoe hun toekomst zal zijn. Aan hen die menen dat de natuur geen nieuwe wezens meer zou voortbrengen antwoorden we :

“Waarom zou op dit ogenblik de natuur er niet mee bezig zijn in zijn ontzaglijk groot laboratorium de elementen te verzamelen die moeten leiden tot het ontstaan van nieuwe geslachten, voortbrengselen die niets gemeen meer hebben met de thans bestaande wezens ? Is het zo moeilijk zich in te beelden dat er op een dag geen paarden, vissen en vogels meer zullen zijn ? Zou de natuur zonder de aanwezigheid van die wezens dan ophouden te bestaan ? Verandert niet alles om ons heen ? Zijn we zelf niet voortdurend aan verandering onderhevig ? Is het dan ook niet vanzelfsprekend dat het heelal ooit anders is geweest dan zoals we het thans kennen ?”

Comment donc prétendre deviner ce que la succession infinie de destructions et de reproductions, des combinaisons et des dissolutions, de métamorphoses, de changemens, de transpositions pourra par la suite amener ?

“Des soleils s’éteignent et s’encroûtent, des planettes périssent et se dispersent dans les plaines des airs ; d’autres soleils s’allument, des nouvelles planettes se forment pour faire leurs révolutions ou pour d’écrire de nouvelles routes, et l’homme, portion infiniment petite d’un globe, qui n’est lui-même qu’un point interceptible dans l’immensité, croit que c’est pour lui que l’univers est fait, s’imagine qu’il doit être le confident de la nature, se flatte d’être éternel, se dit le Roi de l’univers !” (I,VI,117-118)

“O mens, zult ge dan nooit begrijpen dat ge vergankelijk zijt ? In het heelal is alles aan verandering onderhevig en toch meent ge dat uw soort nooit van de aarde zal verdwijnen. De algemene wetten van de natuur zouden niet van toepassing op u zijn en ge gelooft dat alles voor u werd ontworpen. Het is voldoende dat slechts één enkel atoom zich verplaatst om u te doen verdwijnen, om u te onttronen en van het verstand te beroven waarop ge zo fier zijt ! De mens weet niets over zijn oorsprong en het is hem niet gegeven om tot de essentie van de dingen door te dringen of op te klimmen tot de eerste beginselen; maar hij is redelijk en eerlijk genoeg om toe te geven dat hij niet alles kan kennen en dat hij zijn onzekerheden niet mag vervangen door zinledige woorden en absurde veronderstellingen.”

Eric W. Elst.

Naar Inhoudstafel van Le Petit Cuistre 2002 Nr 1

Naar Inhoudstafel van Systeem van de Natuur