Het wordt tijd om aan de leden te verantwoorden wat de Holbach Vereniging nastreeft. Tot hiertoe hebben we ons beperkt tot het bijeenbrengen van een aantal elementen, onder de vorm van vertalingen, besprekingen en heruitgaven van belangrijke teksten uit de 18de eeuw. Een aantal leden maakten zich daarbij verdienstelijk met oorspronkelijke bijdragen. Natuurlijk zetten we de ingeslagen weg verder. We zijn er immers van overtuigd dat het gebrachte materiaal niet alleen het lezen waard is; maar ook, dat het nog kan dienen om een beter inzicht te verkrijgen in de huidige toestand van de wereld, –met de gedachte dat we daar enigszins vat op kunnen hebben– sonst wäre es Alles für die Katze.
Maar er is meer. Het uiteindelijk doel is een antwoord te vinden dat iedereen kan aanvaarden en dat een helder inzicht geeft over de aanwezigheid van de mens en de aanwezigheid van alle dingen in het universum. Hiervoor zullen we ons opnieuw moeten kunnen verwonderen, zullen we ons terug aan het denken moeten zetten en –wanneer we menen iets gevonden hebben– de taal moeten vinden om onze ontdekking te verwoorden. Een niet onmogelijke opdracht. Alle dingen in dit heelal dragen in zich het antwoord op die ultieme vraag.
Paus Benedictus, tijdens zijn recent bezoek in München beklaagde zich over de westerse ontkerking en het feit dat de jeugd niet meer gelooft. Ook het feit dat de jeugd te zeer geboeid wordt door wetenschap en technologie en te veel waarde hecht aan de rede stemde hem zeer bedroefd. Moet hij zich dan hierover maar bezinnen; maar ook consequent zijn en de papamobile ophokken en te voet lopen. Nochtans zou hij zich niet te ongerust moeten maken. De Oktoberfeste staan voor de deur en vele aanwezigen auf der Wiese tijdens de homilie hadden hun mooiste plunje –Trachte– aangetrokken. Mischien minder kwantiteit maar gewis meer kwaliteit.
Er geldt ook weer ophokplicht voor het gevogelte. De trekvogels naderen. Men heeft het virus kunnen identificeren –H5N2– maar er zijn al mutanten van het virus bekend. En zo zal het altijd wel zijn zolang men de natuur zelf niet laat begaan, maar het is waarschijnlijk al veel te laat. Hoe kan zich nu nog het evenwicht herstellen, nadat men meerdere eeuwen die natuur geweld heeft aangedaan.
Het zou onwijs zijn op dit ogenblik in dialoog te gaan met de Islam. De gemoederen zijn te verhit. Paus Benedictus XVI heeft tijdens zijn recent bezoek aan de stad Regensburg (Duitsland), nog wat olie (uit Irak) op het vuur gegooid door te refereren naar een uitspraak van een 14de eeuwse Byzantijnse keizer : De moslims verspreiden hun geloof met behulp van het zwaard. Is die dan de kruistochten en de inquisitie vergeten; om niet te spreken van het nazisme dat de steun genoot van de Kerk ? Niet iedereen was het toen daarmee eens, denken we maar aan de schitterende figuur van de protestante theoloog Dietrich Bonhoefer (1906-1945), die door zijn verzet tegen het nazisme, in april 1943 door de Gestapo gevangen werd gezet en kort vóór de bevrijding, op 9 april 1945, op persoonlijk bevel van Hitler, in het concentratiekamp van Flössenburg ter dood werd gebracht. Hij is o.a. bekend om zijn uitspraak :
Een christen moet komen tot een niet-religieuze interpretatie van de Bijbel en leven alsof God niet bestaat (Etsi Deus non daretur). De werkelijkheid mag niet verdeeld worden in twee lagen. Er is slechts één werkelijkheid.

“Tu sais assez quel sentiment vainqueur
Parmi mes passions régne au fond de mon coeur.
Chargé du soin du monde, environné d’alarmes,
Je porte l’encensoir, et le sceptre, et les armes :
Ma vie est un combat, et ma frugalité
Asservit la nature à mon austérité.
J’ai banni loin de moi cette liqueur traîtresse
Qui nourrit des humains la brutale mollesse
Dans les sables brûlants, sur des rochers déserts,
Je supporte avec toi l’inclémence des airs.
L’amour seul me console ; il est ma récompense,
L’objet des mes travaux, l’idole que j’encense,
Le Dieu de Mahomet ; et cette passion
Est égale aux fureurs de mon ambition.
Je préfere en secret Palmire à mes épouses.”Voltaire, extrait de Le Fanatisme, ou Mahomet le prophète, Acte II.
Voltaire is altijd al een gladde aal geweest en het is moeilijk om nu nog te achterhalen wat er werkelijk in zijn innerlijke is omgegaan. We kunnen ons alleen maar steunen op zijn geschriften.
De hierna volgende brief van Voltaire in verband met zijn toneelstuk Le Fanatisme, aan Paus Benedictus XIV (nomen omen est), komt wel enigszins bevreemdend over :
“Très saint Père
Votre sainteté voudra bien pardonner la liberté que prend un des plus humbles, mais l’un des plus grands admirateurs de la vertu, de consacrer au chef de la véritable religion un écrit contre le fondateur d’une religion fausse et barbare.
A qui pourrais-je plus convenablement adresser la satire de la cruauté et des erreurs d’un faux prophète, qu’au vicaire et à l’imitateur d’un Dieu de paix et de vérité !
Que votre sainteté daigne permettre que je mette à ses pieds et le livre et l’auteur. J’ose lui demander sa protection pour l’un, et sa bénédiction pour l’autre. C’est avec ses sentiments d’une profonde vénération que je me prosterne et que je baise vos pieds sacrés (e le baccio I sacri piedi)
Paris, 17 auguste 1745”
Ref : Chefs-d’œuvre dramatiques de Voltaire, Tome I, Paris 1821, Veuve Daro
In dit nieuwe nummer van Le Petit Cuistre begeleiden we James Cook, gezagvoerder van het schip Endeavour, op zijn reis in 1768-69 naar Tahiti, waar hij de opdracht had, op 3 juni 1769, de doorgang van de planeet Venus over het zonsoppervlak te gaan waarnemen. We vervolgen tevens onze reis naar Berezov. Er wordt ook een begin gemaakt met het onderzoek naar de ware aard van de natuur. Tenslotte brengen we een korte hulde aan Jef Vanvinckenroye, lid van onze vereniging en een bekend organist, die plotseling van ons is heengegaan.
Het tuinfeest kende ditmaal een matige opkomst. Er waren een uitzonderlijk hoog aantal verontschuldigingen. Het natte weer had er zeker wel iets mee te maken, want één van de terechte redenen was dat hun dak lekte en dringend moest worden hersteld. Gelukkig waren we met voldoende belangstellenden die konden genieten van de voorstelling van een werk van Voltaire door André Hadermann en Bob Cools. Ook de “Dialogue sur le commerce des bleds” werd voortgezet met een uittreksel uit het het tweede dialoog uit het werk van Galiani (Henri en Theo). We danken hen allen zeer hartelijk daarvoor.
De voorzitter.
Eind 1767 overwoog de Royal Society of London het oudste wetenschappelijk genootschap van het Verenigd Koninkrijk, of het verantwoord zou zijn een aantal sterrenkundigen te sturen naar de Stille Oceaan, om er in Juni 1769 op een geschikte plaats de overgang van de planeet Venus over het zonsoppervlak te gaan waarnemen. Wat de plaats van de waarneming zelf betrof, dacht men aan de eilanden Marquesas de Mencoça, Amsterdan of Rotterdam, die volgens het geleerde genootschap hiervoor het meest geschikt zouden zijn. In Februari van het jaar daarop overhandigde de Royal Society een schriftelijk verzoek aan de Koning, opdat die het bevel zou uitvaardigen, een schip met bemanning en wetenschappers uit te sturen naar een van de hogergenoemde eilanden, met het doel er het hemels verschijnsel waar te nemen. Het verzoek werd door de koning gunstig ontvangen en de voorbereiding voor het gereedmaken van een schip en zijn bemanning kon een aanvang nemen.
Het gezag over de Endeavour, een schip van driehonderdzeventig ton, werd toevertrouwd aan luitenant ter zee James Cook (1728-1779) die bekend stond voor zijn uitmuntende kennis van de navigatie en de cartografie, maar ook voor zijn sterrenkundige bekwaamheden. Zijn benoeming tot gezagvoerder van de expeditie werd voorgedragen door de sterrenkundige Charles Green (1735-1771) die hem op zijn reis naar de Stille Oceaan zou vergezellen. De daaropvolgende gebeurtenissen zouden aantonen dat men geen betere keuze had kunnen maken.

Ondertussen was Wallis, die in 1766 op ontdekkingstocht was gestuurd naar de Zuidzee teruggekeerd van zijn reis. Die had een betere plaats gevonden voor de waarneming van het veschijnsel, nl. het eiland Tahiti. De Royal Society besloot daarop dat de waarnemingen op dit eiland moesten plaatsvinden. De sterrenkundigen zouden vergezeld worden door de botanici Banks en Solander. Joseph Banks (1750-1820), die de Atlantische Oceaan al had bevaren, zou na zijn terugkeer uit Tahiti voorzitter worden van de Royal Society :
“En ſortant de l’univerſité d’Oxford, en 1763, Banks traverſa la mer Atlantique, & viſita les côtes de Terre-Neuve & de Labrador. Les dangers, les difficultés & les déſagrémens des longs voyages, ſont plus pénibles encore dans la réalité qu’on ne s’y attend ; cependant M. Banks revint de ſa première expédition ſans être découragé, & lorſqu’il vit qu’on équipait l’Endeavour pour un voyage dans les mers du Sud, afin d’y obſerver le paſſage de Vénus ſur le diſque du ſoleil, & entreprendre enſuite de nouvelles découvertes, il réſolut de s’embarquer dans cette expédition.”
(de la Harpe 1780, Histoire Générale des Voyages, Tome 19, p. 213)
Daniël Solander (1733-1782) kwam uit Zweden en was een leerling geweest van de befaamde plantkundige uit Uppsala, Carl Linnaeus (1707-1778). Die had Solander een aantal aanbevelingsbrieven meegegeven die daardoor een plaats bekwam aan het British Museum. Banks was nadien zeer verheugd dat hij de Zweed als metgezel kon kiezen op zijn reis met de Endeavour.
Het logboek van Cook bevat een getrouw verslag van de gebeurtenissen onderweg en een nauwgezette beschrijving van de toestand van de havens die ze hadden bezocht, om er proviand op te slaan en dergelijke dingen meer. Ook de beschrijving van baaien en kapen wordt er in vermeld, met hun geografische gegevens van lengte en breedte, de diepte van het water in de buurt van de kusten, de zogenaamde magnetische afwijking van de naald van het compas en nog vele andere gegevens die van belang zijn voor de navigatie.
“Mais on a trouvé dans les papiers de M. Banks, un grand nombre de faits & d’obſervations que le capitaine Cook n’avait pas recueillis, la deſcription des pays & de leurs productions, les mœurs, les coutumes, la religion, la police & le langage des peuples, développés avec plus d’étendue que ne pouvait le faire un officier de marine, dont la principale attention ſe tourne naturellement vers d’autres objets.”
(de La Harpe, id., p. 214-215)
Op 26 augustus 1768 vertrekt de Endeavour vanuit de haven van Plymouth. Via Madeira, Rio de Janeiro en de straat van Le Maire bereikt het schip op 15 januari 1769, het meest zuidelijke punt van het Zuid-Amerikaanse continent, Vuurland (Patagonië). De zeevaarder Bougainville was hier al eerder geweest. Cook wil er zich van gewissen of de Patagoniërs wel zo vriendelijk en gastvrij zijn als de beroemde zeevaarder in zijn logboek heeft vermeld. Een onderhoud met een aantal Patagoniërs bevestigt Bougainville’s opvattingen.

De dag daarop zullen een aantal bemanningsleden van de Endeavour een avontuur beleven dat Cook als volgt samenvat: “une aventure très-singulière, & qui prouve que si la raison a quelque puissance sur nos sens, ceux-ci à leur tour exercent un pouvoir que la raison la plus exercée ne saurait vaincre.”
We wensen hier het volledige verslag op te nemen, dat naar alle waarschijnlijk door Banks zelf werd geschreven, omdat die er bijkbaar de hoofdrol in heeft gespeeld:
“Le 16, de grand matin, MM. Banks & Solander, accompagnés du chirugien M. Monkhouſe, de M. Green l’aſtronome, de leurs gens & de deux matelots, pour les aider à porter leur équipage, partirent du vaiſſeau dans la vue de pénétrer des terres auſſi loin qu’ils le pourraient, & de s’en revenir le ſoir. La montagne vue à une certaine diſtance, ſemblait être formée d’une partie de bois, d’une plaine, & plus haut d’un rocher entièrement pelé. M. Banks voulait traverſer le bois, dans l’eſpérance de trouver au-delà de quoi ſe dédommager des peines qu’il ſe donnerait, & de cueillir des plantes nouvelles ſur ces montagnes, où aucun botaniſte n’avait encore pénétré. Ils entrèrent dans le bois par une partie du rivage, ſablonneuſe & ſituée à l’oueſt de l’endroit où nous faiſions de l’eau, & ils continuèrent à monter juſqu’à trois heures après midi, ſans trouver aucun ſentier, & ſans pouvoir arriver à la vue du terrein qu’ils voulaient viſiter. Bientôt après ils parvinrent à l’endroit qu’ils avaient pris pour une plaine, ils furent très-mortifiés de reconnaître que c’était un terrein marécageux, couvert de petis buiſſons de bouleaux d’environ trois pieds de haut, ſi bien entrelacés les uns dans les autres, qu’il était impoſſible de les écarter pour s’y frayer un paſſage. Ils étaient obligés de lever la jambe à chaque pas, & ils enfonçaient dans la vaſe juſqu’à la cheville du pied. Pour aggraver la peine & la difficulté d’un pareil voyage, le tems, qui juſqu’alors avait été auſſi beau que dans nos jours de Mai, devint nébuleux & froid, avec des bouffées d’un vent très-piquant, accompagné de neige. Malgré leur fatigue, ils allèrent en avant avec courage ; ils croyaient avoir paſſé le plus mauvais chemin, & n’être plus éloignés qu d’un mile du rocher qu’ils avaient apperçu. Ils étaient à peu-près aux deux tiers de ce bois marécageux, lorſque M. Buchan, un des deſſinateurs de M. Banks, fut ſaiſi d’un accés d’épilepſie. Toute la compagnie fut obligée de faire halte, parce qu’il était impoſſible de ſe traîner plus loin ; on alluma du feu, & ceux qui étaient les plus fatigués furent laiſſés derrière, pour prendre ſoin du malade. M.M. Banks & Solander, M. Green & M. Monkhouſe continuèrent leur route, & dans peu ils parvinrent au ſommet de la montagne. Comme botaniſtes ils eurent de quoi ſatiſfaire leur attente ; ils trouvèrent beaucoup de plantes qui ſont auſſi différentes de celles qui croiſſent dans les montagnes d’Europe, que celles-ci le ſont des productions de nos plaines.
Le froid était devenu très-vif, la neige tombait en plus grande abondance, & le jour était ſi fort avancé, qu’il n’était plus poſſible de retourner au vaiſſeau avant le lendemain. C’était un parti bien déſagréable & bien dangereux que de paſſer la nuit ſur cette montagne & dans ce climat. Ils y furent pourtant contraints, & ils prirent pour cela toutes les précautions qui dépendaient d’eux. MM. Banks & Solander s’occupèrent alors à raſſembler des plantes & à profiter d’une occaſion qu’ils avaient achetée par tant de dangers ; pendant ce tems ils renvoyèrent M. Green & M. Monkhouſe vers M. Buchan & les perſonnes qui étaient reſtées avec lui. Ils fixèrent pour rendez-vous une hauteur par laquelle ils ſe propoſèrent de paſſer pour retourner au bois par un meilleur chemin, en traverſant le marais qui ne leur paraiſſait pas avoir plus d’un demi-mille de largeur, & au ſortir duquel ils ſe mettaient à l’abri dans le bois où ils pourraient bâtir une hutte & allumer du feu. Comme ils n’avaient rien à faire qu’à deſcendre la colline, il leur ſemblait facile d’accomplir ce projet. La compagnie ſe raſſembla au rendez-vous, & quoiqu’on ſouffrît du froid, tous étaient alertes & bien portans ; M. Buchan lui-même ayant recouvré ſes forces au delà de ce qu’on pouvait eſpérer. Il était près de huit heures du ſoir, mais il faiſait encore aſſez de jour, & on ſe mit en marche pour traverſer la vallée. M. Banks prit ſur lui de faire l’arrière-garde de ſa troupe, pour empêcher qu’il ne reſtât des traîneurs. On verra bientôt que cette précaution n’était pas inutile. Le docteur Solander, qui avait traverſé plus d’une fois les montagnes de la Norwège, ſavait bien qu’un grand froid, ſur-tout quand il eſt joint à la fatigue, produit dans les membres une ſtupeur & un engourdiſſement preſque inſurmontables. Il conjura ſes compagnons de ne point s’arrêter, quelque peine qu’il en pût coûter, & quelque ſoulagement qu’ils eſpéraſſent dans le repos. « Quiconque s’aſſéiera, leur dit-il, s’endormira, & celui qui s’endormira ne ſe réveillera plus. » Après cet avis qui les alarma, il allèrent en avant ; ils étaient toujours ſur le rocher & n’avaient pas encore pu arriver juſqu’au marais, lorſque le froid devint ſi vif, qu’il produiſit les effets qu’on leur avait fait redouter. Le docteur Solander fut le premier qui ne put réſiſter à ce beſoin de ſommeil contre lequel il s’était efforcé de prémunir ſes compagnons ; il demanda qu’on le laiſſât ſe coucher. M. Banks lui fit des prières & des remontrances inutiles. Il s’étendit ſur la terre couverte de neige, & ce fut avec une peine extrême que ſon ami le tint éveillé. Richmond, un des noirs de M. Banks, qui avait auſſi ſouffert du froid, commença à reſter derrière les autres. M. Banks envoya en avant cinq perſonnes, parmi leſquelles était M. Buchan, pour préparer du feu au premier endroit qu’ils trouveraient convenable, & lui-même avec quatre autres demeura avec le docteur & Richmond, qu’on fit marcher partie de gré & partie de force : mais lorſqu’ils eurent traverſé la plus grande partie du marais, ils déclarérent qu’ils n’iraient pas plus loin. M. Banks eut encore recours aux prières & aux inſtances ; tout fut ſans effet : quand on diſait à Richmond que s’il s’arrêtait, il mourrait bientôt de froid, il répondait qu’il déſirait rien autre choſe que de ſe repoſer & de mourir. Le docteur ne renonçait pas ſi formellement à la vie : il diſait qu’il voulait bien aller, mais qu’il lui fallait auparavant prendre un inſtant de ſommeil, quoiqu’il eût averti tout le monde, que s’endormir & périr était la même choſe. M. Banks & les autres ſe trouvant dans l’impoſſibilité de les faire avancer, les laiſſèrent ſe coucher ſoutenus en partie ſur les brouſſailles, & l’un & l’autre tombèrent tout de ſuite dans un ſommeil profond.
Bientôt après, quelques-uns de ceux qui avaient été envoyés en avant, revinrent avec la bonne nouvelle que le feu était allumé à un quart de mille de là. M. Banks alors s’occupa d’éveiller le docteur Solander, & heureuſement il y réuſſit ; mais quoiqu’il n’eût dormi que cinq minutes, il avait preſque perdu l’uſage de ſes membres, & tous ſes muſcles étaient ſi contractés, que ſes ſouliers tombaient de ſes pieds : il conſentit cependant à marcher avec les ſecours qu’on pourrait lui donner ; mais tous les efforts furent inutiles pour faire relever le pauvre Richmond. Après avoir tenté ſans ſuccès de le mettre en mouvement, M. Banks laiſſa auprès de lui ſon autre noir & un matelot, qui ſemblaient avoir moins ſouffert du froid que les autres, leur promettant de les remplacer promptement par deux autres hommes qui ſe ſeraient ſuffiſamment réchauffés ; il parvint enfin avec beaucoup de peine à faire arriver le docteur auprès du feu. Il envoya enſuite deux de ſes gens qui s’étaient repoſés & réchauffés, eſpérant qu’ils pourraient, avec le ſecours de ceux qui étaient derrière, rapporter Richmond, quand même il ſerait impoſſible de le réveiller. Environ une demi-heure après, il eut le chagrin de voir ſes deux hommes revenir ſeuls ; ils dirent qu’ils avaient parcouru tous les environs de l’endroit où l’on avait laiſſé Richmond, qu’ils n’y avaient trouvé perſonne, & que, bien qu’ils euſſent crié à pluſieurs repriſes, on ne leur avait point répondu. Ce récit fut une cauſe d’étonnement & de chagrin, particulièrement pour Mr. Banks, qui ne pouvait concevoir comment cela était arrivé. Cependant on ſe ſouvint qu’une bouteille de rum, qui faiſait toute la proviſion de la compagnie, était demeurée dans l’havre-ſac d’un des abſens, & on conjectura que le noir & le matelot, qu’on avait laiſſés avec Richmond, s’étaient ſervis de ce moyen pour ſe tenir en haleine, & que tous trois en ayant bu un peu trop, s’étaient écartés de l’endroit où on les avaient laiſſés, au lieu d’atttendre les ſecours & les guides qu’on leur avait promis. Ses entrefaites, la neige ayant recommencé à tomber & duré deux heures entières, on déſeſpéra de revoir ces malheureux, au moins vivans. Mais vers minuit, à la grande ſatiſfaction de ceux qui étaient autour du feu, on entendit des cris. M. Banks & quatre autres ſe détachèrent ſur le champ, & trouvèrent le matelot n’ayant que la force qu’il lui fallait pour ſe ſoutenir en chancelant, & pour demander qu’on l’aidât. M. Banks l’envoya tout de ſuite auprès du feu, & à l’aide des renſeignements qu’on put tirer de lui, on ſe remit à la recherche des deux autres qu’on retrouva bientôt après. Richmond était debout, mais ne puvant mettre un pied devant l’autre. Son compagnon était étendu ſur la terre, auſſi inſenſible qu’une pierre ; on fit venir tous ceux qui étaient auprès du feu, & on eſſaya d’y porter ces deux hommes ; tous les efforts furent inutiles ; la nuit était extrèmement noire ; la neige était très-haute, & il leur était très-difficile de ſe faire un chemin à travers les brouſſailles & ſur un terrein marécageux où chacun d’eux faiſait des chûtes à tous les pas. Le ſeul expédient qu’ils imaginèrent fut de faire du feu ſur le lieu même ; mais la neige qui était ſur terre, celle qui tombait encore du ciel & celle que les arbres laiſſaient tomber à gros flocons, les mettait dans l’impoſſibilité d’allumer du feu dans ce nouvel endroit ou d’y en porter de celui qu’ils avaient allumé dans le bois. Ils furent donc réduits à la triſte néceſſité d’abandonner ces malheureux à leur deſtinée, après leur avoir fait un lit de petites branches d’arbres, & les en avoir couverts juſqu’à une hauteur aſſez conſidérable.
Après être demeurés ainſi expoſés à la neige & au froid pendant une heure & demie, quelques-uns de ceux qui n’avaient pas encore été ſaiſis du froid, commencèrent à perdre le ſentiment. Entr’autres, Briſcoe, un des domeſtiques de M. Banks, ſe trouva ſi mal, qu’on crut qu’il mourrait avant qu’on pût l’approcher du feu.
A la fin cependant ils arrivèrent au feu, & paſſèrent la nuit dans une ſituation qui, quoique terrible en elle-même, l’était encore davantage par le ſouvenir de ce qui s’était paſſé & par l’incertitude de ce qui les attendait. De douze hommes qui étaient partis le matin pleins de vigeur & de ſanté, deux étaient regardés comme morts, un autre était ſi mal qu’on doutait beaucoup qu’il pût revoir le lendemain, & un quatrième, M. Buchan, était menacé de retomber dan ſon accés par la nouvelle fatigue qu’il avait eſſuyée pendant cette fâcheuſe nuit. Ils étaient éloignés du vaiſſeau d’une journée de chemin, il leur fallait traverſer des bois inconnus dans leſquels ils pouvaient craindre de s’égarer & d’être ſurpris par la nuit ſuivante. Comme ils ne s’étaient préparés qu’à un voyage de huit ou dix heures, il ne leur reſtait pour proviſion qu’une eſpèce de vautour qu’ils avaient tué en ſe mettant en marche, & qui, partagé également, ne pouvait fournir à chacun d’eux que quelques bouchées. Ils ne ſavaient comment ils pourraient ſoutenir le froid, ſi la neige continuait ; ils jugeaient de la dureté de ce climat par une ſeule obſervation, c’eſt qu’ils étaient alors au milieu de l’été ; le 21 décembre étant le plus long jour de cettee partie du monde ; & tout devait leur faire craindre les plus grandes extrémités du froid, lorſqu’ils étaient témoins d’un phénomène qu’on ne voit pas même en Norwège & en Laponie dans la même ſaiſon de l’année.
La pointe du jour commençant à paraître, en jettant les yeux de tous côtés, ils ne virent rien que de la neige qui leur paraiſſait auſſi épaiſſe ſur les arbres que ſur le terrein, & de nouvelles bouffées ſe ſuccédant continuellement avec la plus grande violence, il leur fut impoſſible de ſe mettre en marche. Ils ignoraient combien cette ſituation pouvait durer, & ils avaient trop de raiſons de craindre de ne pouvoir ſortir de cette horrible forêt ; & d’y périr de faim & de froid.
Ils avaient ſouffert tout ce qu’on peut imaginer de l’horreur d’une pareille ſituation, lorſqu’à ſix heures du matin ils conçurent quelques eſpérances de ſalut, en diſtinguant le lieu du lever du ſoleil, au travers des nuages qui commençaient à devenir un peu moins épais & à ſe diſſiper. Leur premier ſoin fut de voir ſi les pauvres malheureux, qu’ils avaient laiſſés enſevelis ſous des branches d’arbres, vivaient encore. Trois de la compagnie furent dépêchés pour cela, & revinrent bientôt avec la triſte nouvelle qu’ils étaient morts.
Quoique le ciel ſe nettoyât toujours davantage, la neige continuait à tomber avec tant d’abondance, qu’ils n’oſaient ſe haſarder à reprendre leur route vers le vaiſſeau ; mais, ſur les huit heures, une petite briſe s’éleva, qui, fortifiée de l’action du ſoleil, acheva d’éclaicir le temps, & bientôt aprés ils virent la neige tomber des arbres en gros flocons ; ſigne certain de l’approche d’un dégel. Ils examinèrent alors avec plus d’attention l’état de leurs malades. Briſcoe était encore très-mal, mais il dit qu’il ſe croyait en état de marcher. M. Buchan était beaucoup mieux que ni lui, ni ſes compagnons n’euſſent oſé l’eſpérer. Ils étaient cependant preſſés par la faim, qui, après un ſi long jeûne, l’emporta ſur toutes les autres craintes. Avant de partir, il fut convenu unanimement qu’on mangerait le vautour ; il fut plumé, & comme on jugea qu’il ſerait plus aiſé de le partager avant qu’il fût cuit, on en fit dix portions, que chacun accomoda à ſa fantaiſie. Après ce repas qui fournit à chacun environ trois bouchées, ils ſe préparent à partir ; mais il était dix heures avant que la neige fût aſſez fondue pour laiſſer le chemin praticable. Après une marche d’environ huit heures, ils furent agréablement ſurpris de ſe trouver ſur le rivage, & beaucoup plus près du vaiſſeau qu’ils ne pouvaient s’y attendre. En revoyant les traces du chemin qu’ils avaient fait en partant du navire, ils s’apperçurent qu’au lieu de monter la montagne en ligne droite, ce qui les aurait fait pénétrer dans le pays, ils aient décrit un cercle autour d’elle. Quand ils furent à bord, ils ſe félicitèrent les uns les autres de leur retour, avec une joie qu’on ne peut ſentir qu’après avoir été expoſé à un danger ſemblable, & dont je pris bien auſſi ma part, après toutes les inquiétudes que j’avais ſenties en les voyant pas revenir le même jour.
Cook fait ici une remarque très-philoſophique ſur les habitans de cette pointe méridionale du continent Amériquain. Ces hommes, dit-il, les plus miſérables & les plus ſtupides des créatures humaines, le rebut de la nature, nés pour conſumer leur vie à errer dans les déſerts affreux, où nous avons vu deux Européens périr de froid au milieu de l’été, ſans autre habitation qu’une malheureuſe hutte formée de quelques bâtons & d’un peu d’herbes ſéches, où le vent, la neige & la pluie pénètrent de toutes parts, preſque nuds, deſtitués même des commodités que peut fournir l’art le plus groſſier, privés de tout moyen de préparer leur nourriture ; ces hommes, dis-je; étaient contens ; ils ſemblaient ne deſirer rien au-delà de ce qu’ils poſſédent. Rien de ce que nous leur offrions ne leur paraiſſait agréable, à l’exception des grains de verre & de quelques ornemens ſuperflus. Nous n’avons pas pu ſavoir ce qu’ils ſouffrent pendant la rigueur de leur hiver ; mais il eſt certain qu’ils ne ſont affectés douloureuſement de la privation d’aucune des commodités ſans nombre que nous mettons au rang des choſes de première néceſſité. Comme ils ont peu de déſirs, il eſt probable qu’ils les ſatiſfont tous. Il n’eſt pas aiſé de déterminer ce qu’ils gagnent à être exempts du travail, de l’inquiétude & des ſoins que nous coûtent nos efforts continuels pour ſatiſfaire cette multitude infinie de deſirs divers, que l’habitude d’une vie artificielle a fait naître dans nos cœurs ; mais peut-être cela ſeul compenſe-t-il tous les avantages de leur ſituation, & tient égale entre eux & nous la balance du bien & du mal, qui ſont l’un & l’autre le partage de l’humanité.”
Nadat het schip voldoende hout en drinkbaar water heeft opgeslagen wordt, op 22 januari (1769), de reis naar Otahiti (Tahiti) voortgezet. Ze bereiken het eiland op 11 maart. Cook, vergezeld van een aantal bemanningsleden, zet meteen voet aan wal. Ze worden verwelkomd door een groot aantal bewoners van het eiland, die duidelijk laten blijken dat de reizigers welkom zijn:
“Pluſieurs centaines d’habitans nous reçurent à la deſcente du bateau : ils annonçaient au moins par leurs regards, que nous étions les biens venus, quoiqu’ils fuſſent tellement intimidés, que le premier qui s’approcha de nous, ſe proſterna ſi bas, qu’il étoit preſque rampant ſur ſes mains & ſur ſes genoux. C’eſt une choſe remarquable que cet Indien, ainſi que ceux qui étoient venus dans les pirogues, nous préſentèrent le même ſymbole de paix, qu’on ſait avoir été en uſage parmi les anciennes & puiſſantes nations de l’hémiſphère ſeptentrional, la branche verte d’un arbre.”
(de La Harpe, id., p. 229)

Tijdens een bezoek bij de gezagsdragers van het eiland, enkele dagen later, worden er wederzijds geschenken uitgereikt:
“Dès que nous fûmes aſſis, Tootahah fit apporter un coq & une poule qu’il préſenta à M. Banks & à moi ; nous acceptâmes le préſent, qui fut ſuivi bientôt après d’une pièce d’étoffe parfumée à leur manière, & dont ils eurent grand ſoin de nous faire remarquer l’odeur, qui n’était point déſagréable. La pièce que reçut M. Banks, avait onze verges de long & deux de large ; il donna en retour une cravate de ſoie garnie de dentelles & un mouchoir de poche. Tootahah ſe revêtit ſur le champ de cette nouvelle parure, avec un air de complaiſance & de ſatiſfaction, qu’il n’eſt poſſible de décrire”
(de La Harpe, id., p. 232-233)
Vooraleer onze bijdrage verder te zetten, eerst nog deze bemerking: de text die we hier gebruiken volgt de oorspronkelijke samenvatting van het logboek van James Cook, door de la Harpe (1780, A Paris, Hôtel de Thou, Rue des Poitevins). In 1834 verscheen er een nieuwe uitgave van de la Harpe’s werk, door M. le Baron de Roujoux (A Lyon, Chez M. P. Rusand), die er weliswaar een aantal nuttige aanpassingen aan toevoegde, maar het ook grotendeels verminkte waar hij meende dat de goede zeden in het gedrang kwamen.
Zo hoeven we ons niet te verwonderen dat de volgende passage in de la Harpe’s bewerking in deze van de Roujoux ontbreekt:
“Mais il eſt temps de parler des femmes. Après ces préſens reçus & donnés, les femmes nous accompagnèrent à pluſieurs grandes maiſons, que nous parcourûmes avec beaucoup de liberté ; elles nous firent toutes ſortes de politeſſes, dont il nous était facile de profiter : elles ne paraiſſaient avoir aucune eſpèce de ſcrupule, qui nous empêchat de jouir des plaiſirs qu’elles nous offraient. Excepté le toit, les maiſons, comme je l’ai dit, ſont ouvertes par-tout, & ne préſentent aucun lieu retiré ; mais les femmes, en nous montrant ſouvent les nattes étendues ſur la terre, en s’y aſſéyant quelquefois, & en nous attirant vers elles, ne nous laiſſèrent aucun lieu de douter qu’elles ne s’embarraſſaſſent beaucoup moins que nous d’être apperçues.”
De uitgave van het werk van de Roujoux (30 volumen, 1832-1834) draagt de ondertitel: A l’usage des Maisons d’Education; enkele delen ervan werden gedrukt in Parijs: A la Librairie Ecclésiastique.
Hoger vernoemde passage bevestigt de bevindingen van de zeevaarder Samuel Wallis (1720-1795) die al eerder in 1766 het eiland had bezocht:
“Le ſéjour d’Otahiti fut très-ſalutaire à tout l’équipage, & au-delà de ce que nous en attendions ; car en quittant l’île nous n’avions pas un ſeul malade à bord, excepté mes deux lieutenants & moi, & même nous entrions en convaleſcence, quoique nous fuſſions encore bien faibles. Il eſt certain qu’aucun de nos gens n’y contracta la maladie vénérienne ; comme ils eurent commerce avec un grand nombre de femmes, il eſt extrêmement probable qu’elle n’étoit pas encore répandue dans cette île.”
(de La Harpe, id., p. 132)
Ook de ontdekkingsreiziger Bougainville (1729-1811) had in datzelfde jaar (1766) het eiland bezocht. Zijn libertijnse ervaringen inspireerden Dénis Diderot tot het schrijven van het “Supplément au voyage de Bougainville” (1770) en dat we hebben kunnen appreciëren tijdens een schitterende voorstelling ervan door onze leden André Haderman (l’Abbé) en Bob Cools (Orou), op het IV-de tuinfeest van de Holbach Vereniging (27 Augustus 2005).
Vervolgen we nu het verhaal van de gebeurtenissen op Tahiti zoals de La Harpe dat heeft opgeschreven in zijn beroemde werk “Abrégé de l’Histoire Générale des Voyages”, 1780, Tome 19, 20 en 21. Verwijlen we nog eventjes bij de Tahitiaanse schoonheden.
Kort daarop brengen ze een bezoek aan een ander dorpshoofd die zich Toubouraï Tamaïdé noemt:
“Pendant cette viſite, une femme de notre hôte, appellée Tomio, fit à M. Banks l’honneur de ſe placer près de lui ſur la même natte. Tomio n’était pas dans la première fleur de l’âge, & elle ne nous parut point avoir jamais été remarquable par ſa beauté : c’eſt pour cela, je penſe, que M. Banks ne lui fit pas un accueil bien flatteur. Cette femme eſſuya une autre mortification : ſans faire attention à la dignité de ſa compagne, M. Banks voyant parmi la foule une jolie petite fille, il lui fit ſigne de venir à lui, la jeune fille ſe fit un peu preſſer, & vint enfin s’aſſeoir de l’autre côté de M. Banks ; il la chargea de petits préſens & de toutes les brillantes bagatelles qui pouvaient lui faire plaiſir. La princeſſe, quoique mortifiée de la préférence qu’on accordait à ſa rivale, ne ceſſa pourtant pas ſes attentions à l’égard de M. Banks ; elle lui donnait le lait des cocos & toutes les friandiſes qui étaient à ſa portée”
(de La Harpe, id., p. 234) Red: Niet te verwonderen dat deze passage eveneens ontbreekt in Roujoux’ aanpassing van de tekst van de la Harpe.
Cook vervolgt zijn verhaal met de bemerking dat het zeker interessant zou geweest zijn had men kunnen ervaren hoe Banks zich uit die malle situatie zou gered hebben; maar daaraan kwam onverwachts een einde, als Solander en Monkhouse zich bij het dorpshoofd gingen beklagen, dat ze bestolen waren Banks boeit zich erg op –Red: misschien neemt hij de gelegenheid wel te baat om aan de avances van de princes te ontsnappen– en grijpt naar zijn geweer en neemt een dreigende houding aan. Het dorpshoofd neemt de beschuldiging zeer ter harte, grijpt Banks bij de hand en voert hem naar een afgelegen gedeelte in de woning, waar een grote hoeveelheid stoffen zijn uitgestald. Banks mag er zoveel van kiezen als hij maar wil. Maar Banks gaat hierop niet in. Gelukkig worden de gestolen voorwerpen –waaronder een astronomisch kijkertje kort daarop teruggevonden– en herstelt zich de vrede.

Een belangrijke opdracht van James Cook was om in Tahiti de doorgang van Venus over het zonsoppervlak te gaan waarnemen:
“Le premier de mai, dans l’après-midi, nous dreſſâmes notre obſervatoire, & nous portâmes à terre, pour la première fois, un quart de nonante & quelques autres inſtrumens. Le lendemain au matin, 2, ſur les neuf heures, j’allai à terre avec M. Green, pour placer notre quart de nonante ; il n’eſt pas poſſible d’exprimer la ſurpriſe & le chagrin que nous reſſentîmes en ne le trouvant pas. Il avait été dépoſé dans une tente réſervée pour ma demeure ; & perſonne n’y avait couché, parce que j’avais paſſé la nuit à bord du vaiſſeau. On ne l’avait jamais ſorti de ſon étui qui avait dix-huit pouces en quarré ; le tout formait un volume d’un poids aſſez conſidérable. Une ſentinelle avait fait la garde pendant toute la nuit, à ſept ou huit pas de la porte de la tente, & il ne nous manquait aucun autre inſtrument. Nous ſoupçonnâmes d’abord qu’il avait été volé par quelque homme de l’équipage, qui, en voyant un étui dont il ne ſavait pas le contenu, aurait penſé qu’il renfermait des clous ou quelque autre marchandiſe dont il pouvait commercer avec les naturels du pays. On offrit une grande récompenſe à quiconque pourrait le découvrir ; ſans cet inſtrument nous ne pouvions pas remplir l’objet qui était le but principal de notre voyage. Cependant les recherches que nous fîmes ne ſe bornèrent pas au fort & aux endroits voiſins, & comme l’étui avait peut-être été rapporté au vaiſſeau, ſi l’un des hommes de l’équipage était le voleur, nous envoyâmes ſur-tout à bord pour y faire avec grand ſoin des perquiſitions ; tous les députés revinrent ſans rapporter aucune nouvelle du quart de nonante. M. Banks qui, dans de pareilles occaſions, ne craignait ni la peine, ni les dangers, & qui avait plus d’influence ſur les Indiens qu’aucun de nous, réſolut d’aller le chercher lui-même dans les bois : il eſpérait que s’il avait été volé par les Otahitiens, il le trouverait ſûrement dans l’endroit ils auraient ouvert l’étui, parce qu’ils auraient vu alors que cet inſtrument ne pouvait leur être utile en aucune manière ; ou que, ſi ce moyen ne lui réuſſiſſait pas, il le recouvrerait du moins par l’aſcendant qu’il avait acquis ſur les chefs.
Il ſe mit en route accompagné d’un officier & de M. Green ; en traverſant la rivière, ils rencontrèrent Toubouraï-Tamaïdé qui, avec trois morceaux de paille, leur montrait ſur la main la figure d’un triangle. M. Banks connut alors que c’étaient les Indiens qui avaient volé le quart de nonante, & qu’ils n’étaient pas diſpoſés à rendre ce qu’ils avaient pris, quoiqu’ils euſſent ouvert la boite. Il ne perdit point de temps, & il fit entendre à Toubouraï-Tamaïdé qu’il voulait aller tout de ſuite avec lui à l’endroit où l’inſtrument avait été porté. L’Otahitien y conſentit : ils tirèrent du côté de l’oueſt, & le chef s’informait du voleur dans toutes les maiſons par où ils paſſaient ; les Indiens lui dirent de quel côté il avait tourné ſes pas, & combien il y a de temps qu’ils l’avaient vu”
(de La Harpe, id., p. 268-270)
Uiteindelijk zullen Cook, Banks en Green terug in het bezit geraken van het waardevolle instrument zonder hetwelk zij niet in staat zouden zijn de waarnemingen van de doorgang van Venus over het zonsoppervlak met de gewenste nauwkeurigheid uit te voeren. De terugvordering van het kwadrant was echter niet zonder kleerscheuren verlopen, want Banks had hiervoor een detachement soldaten moeten opvorderen bij Cook. Ze voelden zich met hun drietjes toch maar erg onbeschermd in het onbekende land. Jammer genoeg wordt, door een misverstand, het opperhoofd Tootahah gevangen gezet. De inboorlingen vrezen zelfs voor zijn leven. Gelukkig dat Banks, door zijn gezag –en bewust dat zij voor het inslaan van proviand, voor het veilig voortzetten van hun reis, van de Tahitianen afhankelijk zijn– de gemoederen kan bedaren zodat alles weer in de plooitjes valt. Daarop worden grote feestelijkheden gehouden.
De dag van de doorgang nadert:
“Comme le jour où nous devions faire nos obſervations aſtronomiques approchait, je réſolus en conſéquence de quelques idées que m’avait donné le lord Morton, d’envoyer deux détachemens, afin d’obſerver le paſſage de Vénus dans différens endroits, eſpérant que, ſi nous ne réuſſiſſons pas à Otahiti, nous aurions ailleurs un meilleur ſuccès. Nous nous occupâmes donc à préparer nos inſtrumens & à montrer l’uſage qu’il en fallait faire à ceux de nos officiers, que je me propoſais d’envoyer dehors.
Le premier juin, deux jours avant le paſſage de Vénus, je fis partir pour Imao (Red: een eiland in de buurt van Tahiti), dans la grande chaloupe, M. Gore, & MM. Monkhouſe & Sporing, à qui M. Green avait donné des inſtrumens convenables. M. Banks jugea à propos d’aller avec eux, & il fut accompagné de Toubouraï-Tamaïdé, de Tomio & de pluſieurs naturels du pays. Dès le grand matin du 3, j’envoyai M. Hicks avec MM. Clerck & Peterſgill, nos contre-maîtres, & M. Saunders, un des officiers de la poupe, dans la pinaſſe, à l’eſt d’Otahiti afin d’y choiſir, à quelque diſtance de notre principal obſervatoire, un lieu convenable où ils puſſent employer les inſtrumens qu’ils avaient auſſi emportés pour le même deſſein.
Malgré toute la célérité qu’on mit pour équiper la chaloupe, elle ne fut prête que dans l’aprês-midi ; nos gens qui étaient à bord, après avoir ramé la plus grande partie de la nuit, l’amenèrent enfin au-deſſous de la terre d’Imao. A la pointe du jour du 2, ils virent une pirogue qu’ils appellèrent. Les Indiens qu’elle avait à bord, leur montrèrent un paſſage à travers le récif ; ils entrèrent & ils choiſirent bientôt après, pour lieu de leur obſervatoire, un rocher de corail, qui s’élevait hors de l’eau à environ cent cinquante verges de la côte ; ce rocher en avait quatre-vingt de longueur, & de vingt de large ; on trouvait au milieu un lit de ſable blanc aſſez étendu pour y placer les tentes. M. Gore & ſes compagnons commencèrent à les dreſſer & à faire les autres préparatifs néceſſaires pour l’opération importante le lendemain. Sur ces entrefaites, M. Banks, ſuivi des inſulaires d’Otahiti & des autres Indiens qu’ils avaient rencontrés dans la pirogue, alla dans l’intérieur de l’île pour y acheter des proviſions ; il s’en procura effectivement une quantité ſuffiſante avant la nuit. Lorſqu’il revint au rocher, il trouva l’obſervatoire en ordre, & les téleſcopes fixés & éprouvés. La ſoirée fut très-belle ; cependant l’inquiétitude ne leur permit pas de prendre beaucoup de repos pendant la nuit : chacun faiſant la garde à ſon tour, l’eſpace d’une demi-heure, & il allait ſatiſfaire l’impatience des autres, & il leur rapportait la ſituation du temps ; quelquefois il encourageait leur eſpérance en diſant que le ciel était ſerein, & d’autrefois il les alarmait en leur annonçant qu’il était couvert.
Ils furent debout dès la pointe du jour du 3 (red: juin), & ils eurent la ſatiſfaction de voir le ſoleil ſe lever ſans nuage. M. Banks ſouhaitant alors un heureux ſuccès à nos obſervateurs, M. Gore & M. Monkhouſe, retourna une ſeconde fois dans l’ile pour en examiner les productions & y acheter des rafraîchiſſemens. Pour faire ſes échanges avec les naturels du pays, il ſe plaça ſous un arbre ; afin de n’être pas pouſſé par la foule, il traça autour de lui un cercle, danſ lequel il ne leur permit pas d’entrer.
Sur les huit heures, il apperçut deux pirogues qui voguaient vers l’endroit où il était, & les Inſulaires lui firent entendre qu’elles appartenaient à Tarrao, roi de l’île, qui venait lui rendre viſite. Dès que les pirogues s’approchèrent de la côte, le peuple ſe rangea en haie depuis le rivage juſqu’au lieu du marché, & ſa majeſté débarqua avec ſa ſœur, nommée Nuna. Comme ils s’avançaient vers l’arbre, ſous lequel était M. Banks, il alla à leur rencontre, & il les introduiſit en grande cérémonie dans le cercle dont il avait écarté les autres Inſulaireſ. C’eſt la coutume de ces peuples de s’aſſeoir pendant leurs conférences ; M. Banks développa une eſpèce de turban d’étoffe de l’Inde, qu’il portait ſur ſa tête en place de chapeau, il l’étendit à terre, & ils s’aſſirent tous enſemble. On apporta alors le préſent royal, qui était compoſé d’un chien, d’un cochon, de quelques fruits-à-pain, de noix de cocos & d’autres choſes pareilles. M. Banks envoya un bateau à l’obſervatoire pour y porter ce préſent ; les meſſagers revinrent avec une hache, une chemiſe & des verroteries qu’il offrit à ſa majeſté, qui les reçut avec beaucoup de ſatiſfaction.
Pendant cet intervalle, Toubouraï-Tamaïdé & Tomio arrivèrent de l’obſervatoire ; Tomio dit qu’elle était parente de Tarrao : elle lui fit préſent d’un grand clou, & donna en même-temps une chemiſe à Nuna.
Après le premier contact intérieur de Vénus avec le ſoleil, M Banks, retourna à l’observatoire, emmenant avec lui Tarrao, Nuna & et quelques-uns des principaux perſonnages de leur ſuite, parmi leſquels il y avait trois jeunes femmes très belles.”
(de La Harpe, id., p. 307-311)

Banks toont hen het Venusschijfje op het zonsoppervlak: zie de figuurtjes hierboven met de schuine lijnen de zonnerand en het zwarte schijfje de planeet Venus –in fig. 1 verschijnt Venus aan de zonnerand (zg. 1-st kontakt), in fig. 2 is de planeet volledig op het zonsoppervlak getreden (zg. 2-de kontakt) en vertoont het druppeleffect, in fig. 3 tenslotte is het schijfje volledig los van de zonnerand; tenslotte vertonen fig 4, 5 en 6 een meer gevorderde faze van het verschijnsel. Cook verduidelijkt hen ook waarom ze hun land verlaten hebben om op Tahiti (en het eiland waarop ze zich bevinden) het verschijnsel waar te nemen en waarom de waarnemingen zo belangrijk zijn voor de wetenschap.
Nadien bezoekt het hele gezelschap Imao. Banks gebruikt de gelegenheid om kennis te vergaren over de verschillende gewassen op het eiland. De volgende dag worden de tenten afgebroken en keren ze terug naar Tahiti.
Cook vervolgt zijn verhaal:
“L’obſervation fut faite avec un égal ſuccés au fort (Tahiti), & par les perſonnes que j’avais envoyées à l’eſt de l’île ; depuis le lever du ſoleil juſqu’à ſon coucher, il n’y eut pas un ſeul nuage au ciel, & nous obſervâmes, M. Green, le docteur Solander & moi, tout le paſſage de Vénus avec la plus grande facilité. Le téleſcope de M. Green & le mien étaient de la même force, & celui du docteur Solander était plus grand. Nous vîmes tout, autour la planète, un brouillard nébuleux (Red: druppeleffect), qui rendait moins diſtincts les temps des contacts, & ſur-tout des contacts intérieurs ; ce qui nous fit différer les uns les autres dans nos obſervations plus qu’on ne devait l’attendre.”
Eric W. Elst.
De poolhoogte (breedtegraad) is er gelijk aan die van de stad St. Petersburg, met andere woorden, Delisle en Koenigsfeldt bevinden zich op de breedtegraad van 60° noorderbreedte; weliswaar een heel eind verwijderd in oostelijke richting van Petersburg. De zon verdwijnt er omstreeks kwart na negen onder de horizon, maar de schemering duurt de hele nacht en het is er zo helder dat men zonder kaarslicht of olielamp kan lezen, schrijven en zelfs berekeningen maken, alsof het volle dag zou zijn.
Op 12 juni bevinden ze zich nabij het gehucht Philinskoi-Pogost, dat ook al op diezelfde breedtegraad is gelegen. Ze verwachten dus dat de zon er omstreeks kwart vóór drie zal opkomen; maar hun uurwerken vertonen een achterstand van een negental minuten, omdat ze die geregeld hebben met behulp van de waarnemingen die ze hebben uitgevoerd in Samarowskoi-Jam.
Vanop hun boot op de Yrtish bemerken ze een groot aantal Talnick-bomen (populieren) die mooi in rijen geordend op de oever staan. Het dorpje zelf bevindt zich op een heuvel. Het prachtige landschap nodigt hen uit om met een sloep naar de oever te varen en er een bezoek te brengen aan het dorpje. De heuvel blijkt samengesteld te zijn uit vette aarde en meerdere soorten gesteenten en is zo steil dat het wel lijkt dat die loodrecht op de oever staat. Ze bezoeken in een joert een aantal Ostiaks die wel Russen zouden kunnen zijn, in ieder geval wat hun kleding betreft. Een van hen schenkt Koenigsfeldt een drietal levende sterlets (steur) en een mutsje gemaakt uit pluimen van de wilde eend. Na zelf een aantal bogen en enkel andere gebruiksvoorwerpen van hen gekocht te hebben varen ze met hun sloep terug de Yrtish op en gaan aan boord van hun schip. De reis wordt voortgezet. Kort daarop kruisen ze een schip waarop zich een Russische priester bevindt met een lange grijze baard. Die staat dicht bij de reling en houdt een dik boek onder zijn arm. Hij heeft het gezicht naar de kerk van Pogost gekeerd, waarvan men nog de punt kan ontwaren. Hij bidt met bulderende stem terwijl een hevige regenvlaag over zijn hoofd, zijn baard, zijn kleding en zijn boek gutst. Het schip dat op weg is naar Surgut heeft ook nog een Russisch edelman en een tweetal soldaten uit Tobolsk aan boord.
Tijdens de nacht van 13 mei, dank zij een gunstige noorderwind, vorderen onze geleerden zo snel, dat ze de volgende morgen al, omstreeks negen uur, voorbij Zorna-Jarcka varen. Het plaatsje ligt op een berg en is zeer mooi. Ook hier is de oever begroeid met lichtgroene populieren (Talnick). Vanaf deze plaats op de Yrtish wordt er graan gezaaid, waaruit tarwebrood met een uitstekende smaak wordt gemaakt. Om acht uur s’ avonds bereiken ze het stadje Demianskoi-Jam, dat ze al op de heenreis hadden bezocht. Het stadje ligt ook al op een heuvel en men geraakt er via een smalle en steile weg.
Priester Antoine, de aalmoezenier van de groep, celebreert er de vespers in één van de twee kerken. Hij bidt voor de Keizerin en de Keizerlijke Familie en voor een veilige terugtocht van onze reizigers. Alle expeditieleden, zowel de Russen als de vreemdelingen nemen deel aan de ceremonie; en met des te meer enthousiasme, daar het sinds Berezov geleden is dat ze nog in een kerk zijn geweest. In het stadje is er van alles voldoende. Men vindt er brood, melk, kippen, eieren, schapenvlees, vis enz.
De volgende dag, om twee uur in de namiddag, zetten ze hun reis verder. Op een afstand van een halve verst van het stadje werpt de Demianska zich in de Yrtish. De monding van het riviertje is tachtig vadem breed (Red : 1 vadem = 2 meter). Het stroomt zuid-oostelijk van Demianskoi voorbij de stad met in de buurt een klein meertje dat zich ook in de Yrtish werpt. Het water van de Demianska is donker van kleur maar helderder dan dat van de troebele en melkachtige Yrtish. De samen-vloeiïng herkent men aan een zwarte streep die zich langzaam in de Yrtish oplost. Omstreeks vier uur, op een afstand van 15 verst, kunnen de reizigers Damianskoi-Jam niet meer zien. Nadat ze door een bocht van de Yrtish zijn geraakt komen ze voorbij het dorpje Kakui dat zich op een riviertje bevindt. Koenigsfelt bemerkt op de linkeroever van het riviertje, verspreid over een afstand van 15 vadem, een groot aantal kleine gaatjes, van de grootte van een roebel. Het blijken de nestjes te zijn van een kleine soort vogeltjes die men Streschy noemt. Ze zijn grijsachtig van kleur en ongeveer half zo groot als onze zwaluwen. Ze bewegen zich met buitengewoon hoge snelheid en zijn zeer mensenschuw. Men ziet er wel vijf- tot zeshonderd door elkaar dwarrelen; in de buurt van hun nesten, erin en eruit, altijd maar in beweging, zoals een muggenzwerm

Op 17 mei om 10 uur ‘s avond zien ze op de rivier een vlottend eiland, van 6 vadem omtrek. De nieuwsgierigheid van de geodesisten van de groep wordt er door geprikkeld en ze verlangen het eilandje van dichtbij te onderzoeken. De dikte blijkt ongeveer anderhalve vadem te zijn. Zulke eilandjes zijn grote kluiten die van vooruitstekende punten van de oever door de Yrtish werden afgerukt. De rivier stroomt er snel in dit gebied en vreet aan haar oevers. Zijn snelheid is hier trouwens even groot als die van bij de samenvloeiïng met de Ob, uit reden dat men de Tobol nadert die zich op een afstand van 2 verst van Tobolsk met grote omstuimigheid in de Yrtish werpt.
Op 18 mei zien ze nog een tweetal van die drijvende eilandjes. Een ervan, met een vijftal boompjes en een grote balk erop, is tegenaan de oever van de Yrtish blijken steken; het andere, met wat kleinere boompjes, dobbert rustig verder op de rivier. Zo’n eilandje kan wel twintig tot dertig personen bevatten en die over een afstand van 1000 verst vervoeren, zonder dat ze moeten vrezen, dat het eiland zich oplost in het water. De stevigheid van die eilandjes blijkt door een soort mortel tot stand te zijn gekomen, tufsteen, wat. de oeverbewoners van de Yrtish turadra noemen.
Het eilandje is bedekt met een dikke laag mos en aan elkaar geklit door een groot aantal kleine takjes, die, zelfs met een hakmes, moeilijk uit elkaar te halen zijn. Onder het mos bevindt zich een dikke laag zwarte en vaste aarde. Er is nog een andere wijze hoe zulke eilandjes kunnen ontstaan : het zijn ook wel eens slijkerige stukken van een Jar. Een Jar is een zandheuveltje, met wat boompjes en struikgewas erop, aan de oever van een rivier. Men neemt aan dat zo’n heuveltje in de rivier kan terechtkomen. De zwaartekracht zorgt er voor, als het heuveltje omgekeerd in het water plonst, het wordt opgericht met het gewas naar boven, zodat de boompjes en het struik-gewas verder kunnen gedijen. De wind en de stroming van de rivier drijven het heuveltje voort totdat het ergens, aan een vooruitspringend punt van de oever, blijft haperen en er zich aan hecht. Dat is ook de reden waarom de geleerden zich dikwijls verwonderden, dat zij op de heenreis bij een of ander dorp een aantal eilandjes zagen, die zij bij hun terugkeer niet meer vonden.
De volgende morgen komen ze voorbij aan de Joerten van Jesaulski, waar ze hun eerste Tataren ontmoeten. Na het middageten bemerkt Koenigsfeldt op de takken van een Talnickboom een aantal geel-rode cocons, waarin hij mooie donkerblauwe rupsen aantreft, van enkele cm lang. Op 20 juni naderen ze het laatste Russische stadje, Stenkina, vooraleer het land van de Tataren te betreden. Koenigsfeldt wil er heen. Het is er extreem warm en de talrijke muggenzwermen, die hen al veel last hebben bezorgd worden nu in hun gelederen versterkt door een ander soort van mug van de grootte van een spin, maar wat langwerpiger van vorm Ze steken vreselijk. Enkele seconden nadien vormt er zich op de plaats waar men gestoken is een zeer pijnlijk gezwel, van de grootte van een dukaat. Het volgende moment kleurt het zich violet en nadien geel. De Russen noemen het insect Obidy.

Na ongeveer een verst gestapt te hebben komen ze aan een klein riviertje, tien tot twaalf vadem breed. Ze moeten er over heen, met een bootje (Chap) dat uit één stuk is gemaakt en dat slechts twee personen kan vervoeren. De bootsman die hen volgt draagt het op zijn rug. In het dorpje vinden ze allerlei verse eetwaren, waarna ze hun tocht verder zetten. Om de riviertjes te vermijden lopen ze in oostlijke richting doorheen een bos. Ze zijn wat uit elkaar geraakt als ze plotseling opgeschrikt worden door luid geschreeuw. Koenigsfeldt meent dat iemand uit de groep door een wild beest wordt aangevallen en stuurt er onmiddellijk een soldaat op af. Men roept hem dat men op een groot serpent is gestoten. Hij loopt er dadelijk heen. Een enorme slang kruipt er door het gras en maakt een afschuwelijk sissend geluid. De rug is email-blauw gekleurd, de buik donker goud-geel met zwarte vlekken Het dier is ongeveer zes voet lang en twee tot twee en half duim dik. Men heeft geen wapens bij zich en het dier kan rustig ontsnappen. Wanneer iedereen weer veilig aan boord is geraakt wordt met de roeispanen nog een afstand van 3 verst afgelegd en bereiken ze de zomer-joerten van de Karimski-Tataren.
Ze komen omstreeks 7 uur ‘s avonds aan. Het is vrijdag, wat een zondag is voor de Tataren, zodat de geleerden in de gelegenheid komen om de religieuze gebruiken van de Tataren te leren kennen. Het eerste wat ze zien is een feest dat aan de gang is bij een rijke Tataar. In de hal van zijn huis hebben een vijftal vrouwen post gevat. Ze zijn met blauwe met bloemen versierde wollen kleding getooid. Op het hoofd dragen ze gekleurde mutsjes. De hal heeft de vorm van een amphitheater. De vrouwen komen naar de reizigers en kijken hen nieuwsgierig aan, die hen op hun beurt attentvol begroeten. Tataarse vrouwen dragen onder hun gewaad lange broeken die tot op de enkels vallen. De mutsen van de mannen zijn voorzien met een groen of purper halsstuk. Ze zullen zich voor niemand hun muts afzetten. In de woning zelf heeft iedereen plaats genomen en mannen en vrouwen roken er gezellig een pijpje dat uit koper is vervaardigd. Ze slurpen ook aan een soort drank die uit haver wordt gewonnen en waaraan ze een beetje jenever hebben toegevoegd, hetgeen volgens hen maar een geringe inbreuk betekent op de Wet van Mohammed, die ze allen belijden.
Nadat de zon is ondergegaan begint het gebed. Een Tataarse priester begeeft zich naar de Yrtish en knielt er neer, het gelaat naar het Zuiden gekeerd. Dan richt hij zich weer op en murmelt een aantal gebeden. Opnieuw knielt hij neer, werpt zich met zijn gezicht op de grond en blijft zo een tijdje in die houding. Een andere Tataar vervoegt de priester en gaat tot aan de oever van de Yrtish, ontdoet zich van zijn lange broek, wast achterwerk, handen en gezicht en plaatst zich naast de priester om samen te bidden. Ze werpen hun muiltjes van zich weg en blijven geknield tegenover elkaar zitten, de ene gekeerd naar het Noorden, de andere naar het Zuiden; de ene met gestrekte armen, de andere met de armen ten hemel gericht. Het gebed duurt ongeveer een half uur en wordt met veel overgave uitgevoerd, zonder dat ze zich iets van de vreemdelingen aantrekken. De Priester prevelt regelmatig: Jechowa Ellai, een formule die naar de Griekse ritus verwijst. Ook wel eens: Kyrie eleison mou, waarop de andere antwoordt: Usnir of Amen. De vrouwen die niet toegelaten zijn in de moskee of in om het even welke andere gebedsplaats voeren op datzelfde ogenblik bij hen thuis de gebeden uit. Nadat de gebedsstonde ten einde is worden de reizigers vergast op tee en nadien beleefd weggestuurd.
Tataarse vrouwen huwen als ze dertien jaar oud zijn. Zovlug een meisje geboren is krijgt het een naam. Jongens worden gewoonlijk besneden op vijfjarige leeftijd, maar de besnijdenis kan ook wel uitgesteld worden tot de leeftijd van vijftien jaar. Sterft een kind vóór het die leeftijd heeft bereikt dan geloven de Tataren dat het kind gered is. Na die leeftijd leeft een onbesneden kind in staat van zonde en krijgt het geen toegang tot het Paradijs van Mohammed. Tataren zijn in het algemeen zeer gastvrij en zeer humaan; maar de meeste beschaafde Tataren vindt men in Tobolsk.
Vertaling naar het Nederlands door Eric W. Elst.
Foto's door Robby De Smet, Kristina Leterme, Ilias de Jager, Marquis.
De natuur heeft de mens altijd al geboeid. Dat hoeft niemand te verwonderen, want we zijn allen uit haar ontstaan en we blijven er ons hele leven mee in aanraking. We mogen aannemen dat dit de reden is geweest waarom de mens meer heeft willen te weten komen over haar en dat hij zich gedachten heeft gemaakt over haar ontstaan en over haar werking op hemzelf. Die overwegingen hebben aanleiding gegeven tot het opstellen van verklaringen, waarvan echter de grond ontbrak om die verklaringen te staven.
De eer komt de Grieken toe dat zij de eersten waren die zich hebben vrijgemaakt van de fantasieën die eerder over de natuur, haar ontstaan en haar evolutie, waren gemaakt. De zogenaamde Ionische natuurfilosofen (Thales, Parmenides, Empedocles…) beseften maar al te goed dat men niets zinnigs over de natuur kan schrijven, zolang men haar niet grondig heeft waargenomen. De benaming van haar discipline, natuurfilosofie, houdt een waarschuwing in, dat men de natuur moet bestuderen omwille van de natuur zelf, en niet met de bedoeling van haar eventueel ten dienste te stellen van de mensheid. De natuur heeft haar intrinsieke waarde en mag niet zonder meer aan de mens onderworpen worden. We hoeven hier niet te verwijzen naar zg. geopenbaarde waarheden, waar met de natuur totaal geen rekening wordt gehouden.
De komst van de exacte wetenschap was niet tegen te houden (Apollonius, Pappos, Asklepios, Hipparchos…). De mens blijkt begaafd te zijn met ratio. Natuurkundige fenomenen werden onderzocht en er werd een verklaring voor gegeven. De goden die tot dan toe de natuur hadden beheersd verdwenen van het toneel. Met Aristoteles kwam het opnieuw tot een stilstand. Niet dat Aristoteles zelf geen belangrijk geleerde was, maar zijn inzichten werden geïnstitutionaliseerd. Evolutie van zijn gedachtegoed -en dat van anderen- was nu niet meer mogelijk. Geleerden en filosofen die eeuwen later nog door waarneming en door studie tot enig inzicht waren gekomen, bv. in de werking van het heelal, kwamen op de brandstapel terecht (Bruno) of kregen levenslang huisarrest (Galileï). Natuurlijk kan men geen geleerde volledig fnuiken in zijn gedachten. De wetenschap -in het Westen- vorderde gestaag verder.
Doordat de wetenschap geen kans meer zag zich vrij te ontwikkelen t.o.v. de geïnstitutionaliseerde waarheden moest ze zelf zich institutionaliseren. Hiervoor werden systemen uitgedacht (Descartes, Leibnitz, later Newton…), waarin het wetenschappelijke gedachtegoed kon ontwikkeld worden. Die ontwikkeling was nu afhankelijk geworden van het gebruikte systeem, maar kon tegelijkertijd niet meer in tegenspraak gebracht worden met waarheden die gevonden waren in een ander systeem -zoals men een taalfout niet kan beoordelen met behulp van een grammatica van een andere taal-. De systemen waren perfect verifieerbaar, onderlinge tegenspraken konden teruggevoerd worden op de eigenheid van de systemen. Elke gevonden waarheid was afhankelijk van het betreffende systeem.
Zolang men zich bijvoorbeeld, in het gesloten kader van de zwaartekracht-theorie van Newton bewoog, kon elke uitspraak in dat stelsel op haar waarheidsgehalte onderzocht worden. Het waarom van de wetten van Kepler werd verklaard, de maanbeweging mathematisch beschreven en de storingen van de kleinere planeten, door de grote planeten van het zonnestelsel, berekend. Tot dat Einstein een nieuw systeem ontwikkelde.
Dat alles herstelde weliswaar de rust in het kamp van de geïnstitutionalïseerde waarheid (Aristoteles, Thomas van Aquino). Een afwijking met de geopenbaarde waarheid kon nu teruggevoerd worden op het systeem zelf.
De Traité van Condillac begint met de volgende aanhef (Chap. I, p. 1):
“Un systême n’est autre chose que la disposition des différentes parties d’un art ou d’une science dans un ordre où elles se soutiennent toutes mutuellement, et où les dernières s’expliquent par les premières. Celles qui rendent raison des autres, s’appellent principes et le systême est d’autant plus parfait, que les principes sont en plus petit nombre : il est même à souhaiter qu’on les réduise à un seul…”
Voor alle zekerheid een vertaling hiervan :
Een systeem is de ordening van de verschillende delen van een kunst of wetenschap die op elkaar steunen en die uit elkaar voortvloeien. Zij die reken-schap afleggen aan de anderen noemt men de beginselen van het systeem. Een systeem is des te meer volmaakt naarmate het minder beginselen telt. Het is zelfs te wensen dat het gehele systeem zich herleidt tot één enkel beginsel…
Als voorbeeld geven we hier het stelsel (Elementen, Stoïcheia) van Euklides, dat een aantal grondbeginselen (5 axioma’s) bevat, waaruit de euklidische meetkunde volgt (130 definities en 465 stellingen). Die meetkunde is consistent (zinnig en zonder onderlinge tegenspraken). Het blijkt echter, wanneer men één van haar axioma’s terzijde legt, dit stelsel -dus volmaakter volgens Condillac- dit tevens tot een zinnige meetkunde leidt (Bolai, Lobachevsky, de meetkunde van de gekromde ruimte). Einstein zou voor zijn algemene relativiteitstheorie geen toepassing gevonden hebben, als die meetkunde er niet was geweest.
Filosofen houden rekening met het bestaan van een drietal soorten systemen :
In de korte periode van 1760 tot omstreeks 1770 verschenen er een aantal werken met een gemeenschappellijk tema : De filosofie van de Natuur… Hierin werd getracht het geheel van natuurverschijnselen bij middel van één enkel beginsel te verklaren. We kennen Holbach’s Systême de la Nature (1770), waarin hij een aantal natuurkundige beginselen voorstelt (Deel I, Hoofdstukken 1-6), waarmee hij niet alleen de natuurfenomenen verklaart, maar tevens het morele gedrag van de mens (volgende hoofdstukken van Deel I en de hoofdstukken van Deel II). De ondertitel van het werk luidt trouwens : “Des Loix du Monde Phyſique & du Monde Moral”.

Maar er was ook het werk De la Philosophie de la Nature (1769) van Delisle de Sales (1741-1816) waaruit we de volgende paragraaf ontlenen :
“Il a été un tems où le philoſophe qui auroit agité cette queſtion (Si l’homme eſt dans la Nature le ſeul être ſenſible) pouvoit s’attendre à être traité d’inſenſé par l’homme froid qui raiſonne & d’impie par les têtes brûlées qui perſécutent ; on croyoit alors que le Pantateuque étoit un traité d’aſtronomie ; on brûloit ceux qui faiſoient un pacte avec le diable, & on puniſſoit Galilée d’avoir été Phyſicien.
Ce ſiècle n’eſt plus ; la Philoſophie a changé la face de l’Europe ; elle a rendu à l’entendement humain toute ſon élaſticité ; les bons eſprits ont appris à étudier la Nature & le fanatiſme ne nuit plus qu’à lui-même. J’ai toujurs cru que cette idée que l’homme ſeul eſt ſenſible, étoit née primitivement dans la tête d’un deſpote ; c’étoit un moyen bien ſimple de s’établir le roi de la Nature, que de prouver que preſque tous les êtres animés étoient des machines. Voyez la gradation de penſées qui s’obſerve dans le cerveau d’un Sultan ; les plantes ne ſentent pas, car mes œillets ne ſe plaignent pas plus quand je les coupe, que quand je les place ſur le ſein de mes Georgiennes ; les animaux ne ſont pas plus ſenſibles que les plantes, car le prophete ne nous a pas défendu de nous jouer de leur vie, & j’ai droit de crever vingt chevaux pour avoir le plaiſir de mettre une biche aux abois. Bientôt il dira : mes ſujets ne ſentent pas, car je les extermine avec encore plus de facilité : de plus quel rapport y a-t-il entre des eſclaves & un Sultan ?
Quelle que ſoit l’origine de ce principe barbare, il s’eſt répandu avec la plus grande facilité, ſoit parce qu’il flatte la vanité humaine; ſoit parce qu’étant une erreur, il épargne à l’eſprit la peine de l’examen. Au reſte, il n’eſt point aiſé de réfuter d’une manière triomphante ce blaſphême contre la Nature; il faudroit pour cela être éclairé ſur les dernieres limites de la matiere…”
(Delisle de Sales, de la Philosophie de la Nature, 1770, A Amsterdam, tome second, p. 459- 461).
De Franse naturalist Jean Baptiste Robinet (1735-1820), in zijn werk “De la Nature” (vijf delen, 1761-1768), is zich van zijn moeilijke taak bewust :
“Traitant une matiere auſſi difficile & auſſi délicate, ayant preſque tout contre moi, la raiſon exceptée, il n’étoit pas queſtion d’effleurer légérement mon ſujet, il falloit au contraire l’enviſager ſous toutes les faces, en approfondir tous les points, répondre à tout, ou tout prévenir, autant que je le pouvois, montrer au moins que je n’avançois rien indiſcrétement, ſans l’examen le plus réfléchi, le plus détaillé, le plus droit. Il y a des hommes que le préjugé aveugle au point qu’il faut, pour les éclairer, les plonger dans un fleuve de lumieres.”
(J. B. Robinet, De la Nature, 1773, Tome Second, Préface, p. X).
Charles Bonnet (1720-1793) was een Zwitsers naturalist. Hij werd geboren in Genève, uit een Franse familie, die in de 16-eeuw uit Frankrijk verdreven was geworden, als gevolg van religieuze onverdraagzaamheid. Zijn twee belangrijkste werken zijn de “Traité d’insectologie” (1745) en de “Contemplation de la Nature” (1764-1765). Een zeer oorspronkelijk werk is het “Recherches sur l’usage des feuilles dans les plantes” (1754). Hierin toonde hij aan, dat planten begaafd zijn met het vermogen te onderscheiden en te voelen.

In de Préface van zijn “Contemplation de la Nature” schrijft hij het volgende :
“De vrais Philoſophes nous ont tracé dans leurs Ecrits immortels les Règles de l’Art d’obſerver & d’expérimenter. Il nous ont donné à la fois l’exemple & le précepte. Ils nous ont montré avec quelle ſage circonſpection l’on doit uſer des Méthodes hypothétiques, & combien l’on doit s’attacher à l’étude des Faits. Ils ont dit ſur tout cela des choſes admirables, qu’on ne peut trop méditer. Des Ecrivains, qui ne ſont point engagés par état à creuſer les matières de Phyſique & d’Hiſtoire naturelle, ſe ſaiſiſſent de ces Maximes philoſophiques, les tournent & les retournent, les repêtent avec complaiſance, & n’en font pas toujours une application éxacte. Ils ſavent en géneral, que les Philoſophes s’égarent ſouvent dans la Région des Conjectures, & qu’il n’y a de certain que les Faits qui ont été bien vûs & revûs. Ils ſe déclarent donc indiſtinctement contre toutes ſortes de Conjectures.
Le grand Newton s’est abſtenu de chercher la cauſe de la peſanteur ; un Phyſicien eſtimable eſſaye modeſtement de l’expliquer ; il recourt à une Hypothèſe ingénieuſe, qui faiſait heureuſement aux Phénomènes, & qu’il ne donne neanmoins que pour ce qu’elle eſt : nos zèles Ecrivains lui font auſſi-tôt ſon procès, le condamnent ſans l’entendre, louent à perte d’haleine la réſerve de Newton, qu’ils n’entendent pas mieux, & finiſſent par déclamer contre l’Eſprit de Syſtème.”
(C. Bonnet, Comtemplation de La Nature, 1769, Tome premier, Préface, p.V-VI).

Bij wijze van besluit van deze bijdrage refereren we naar het volgende uittreksel uit het werk van Bonnet, dat een goed idee geeft hoe hij te werk gaat bij zijn onderzoek naar de ware aard van het verschijnsel Natuur (het betreft hier de studie van de overeenkomst die er bestaat tussen plant en dier) :
“Une Graîne féconde eſt un Corps organiſé, qui ſous diverſes Enveloppes, plus ou moins épaiſſes, & plus on moins nombreuſes, contient une Plante en raccourci.
Une ſubſtance blanchâtre, délicate & ſpongieuſe remplit la capacité de la Graîne. De petits Vaiſſeaux qui partent du Germe, parcourent cette ſubſtance en ſe diviſant & ſe ſous-diviſant ſans ceſſe.
Miſe en terre, humectée, échauffée juſqu’à un certain point, la Graîne commence à germer. L’humidité qui a pénétré ſes Enveloppes, diſſout la ſubſtance ſpongieuſe ou farineuſe, & ſe mèle avec elle. Il ſe forme de ce mélange une eſpèce de Lait, qui, porté par les petits Vaiſſeaux à l’Embrion (Red: vruchtbeginsel), lui fournit une nourriture proportionnée à ſon extrème délicateſſe.
La Radicule commence ainſi à ſe développer. Elle groſſit, & s’étend de jour en jour. Biêntôt elle ſe trouve trop reſſerrée. Elle fait effort pour ſortir. Un petit trou, ménagé à la ſurface extérieure de la Graîne, facilite cette ſortie. La radicule s’enfonce en terre inſenſiblement, & y puiſe des nourritures plus fortes & plus abondantes.
La petite Tige, cachée juſques-là ſous les Enveloppes de la Graîne, ſe montre à ſon tour. Les tégumens (Red: tégument: bekleedsel) s’ouvrent pour lui laiſſer un libre paſſage. Fortifiée par les nouveaux ſucs qu’elle reçoit, elle perce la terre, & s’élève dans l’air.
Un Oeuf fécond eſt un Corps organiſé, qui ſous diverſes Enveloppes, plus ou moins fortes, & plus ou moins nombreuſes, renferme un Animal en petit.
Une matière fluïde, ſucculente & gélatineuſe remplit la capacité de l’Oeuf. Des Vaiſſeaux infiniment déliés ſe ramifient dans cette matière, & aboutiſſent au Germe par différens Rameaux.
ECHAUFFÉ d’une manière convenable, ſoit par la ſeule nature, ſoit par le ſecours de l’Art, l’intérieur de l’Oeuf commence à s’animer. Excitée par une chaleur, la matière qui environne le Germe, s’inſinue dans les petites Ramifications, d’où elle paſſe dans le Coeur, dont elle augmente le mouvement, l’Animal devient ainſi un Etre vivant. Il croît & ſe fortifie chaque jour par l’affluence de noveaux ſucs plus nourriſſans & plus travaillés.
ENFIN, lorſque ces ſucs ſont épuiſés, l’Animal a pris tout l’accroiſſement qu’il pouvoit recevoir dans l’Oeuf. Il s’y trouve logé trop à l’étroit. Cet Oeuf eſt devenu pour lui une priſon: il cherche à ſe mettre en liberté. La Nature lui en a facilité les moyens, ſoit en le muniſſant d’inſtrumens propres à percer, ou à déchirer les Enveloppes qui les renferment, ſoit en donnant à l’Oeuf une ſtructure qui favoriſe ſes efforts. L’Animal paroît au jour, & jouït d’une nouvelle vie.”
(C. Bonnet, Contemplation de la Nature, 1769, X, p. 51-53)
Eric W. Elst.

Het zou mijn derde begrafenis worden, in de korte tijdspanne van minder dan 2 weken. Tijdens de koffie na de eerste begrafenis, van de levensgezel Wiske van onze goede vriend Staf Beeckmans, die haar jarenlang zo trouw had verzorgd, ontmoette ik opnieuw –het was al een tijdje geleden– Joske en Herman Buskens. Allen waren weer wat ouder geworden; maar dat is nu eenmaal de normale gang van het leven. Joske vertelde me, dat het nu al haar derde begrafenis was in minder dan een halfjaar. Mijn tijdschema was dus heel wat sneller. Angstwekkend. Zij vertelde me ook dat Mev. Van den Briel, 90 jaar, dood voor haar televisietoestel was gevonden. Dan maak je natuurlijk de opmerking, in de algemene vrolijke therapeutische stemming die er altijd heerst na een begrafenis –zie bv. de beroemde begrafenisscene in Tati’s film Les Vacances de Mr. Hulot : Het was zeker een slecht programma op de TV.

Enkele dagen later telefoneerde mijn vriend Roger, die jaren lang mijn beste collega was geweest op de sterrenwacht van Ukkel –de tasjes koffie die we samen hebben gedronken zijn ontelbaar–, met het droeve nieuws dat zijn moeder, ook al 90 jaar, overleden was. Ze zat dood voor haar televisie. Dat zet je natuurlijk aan het denken. Maar bij negentig jaar denk je ook altijd, dat is een mooie leeftijd;wat niet wil zeggen dat er geen droefheid zou zijn.
Maar als het droeve nieuws je beste vriend betreft, die je jarenlang hebt gekend, die je ontzettend hebt bewonderd als mens en organist, dan ligt dat toch wel wat anders. Organist Jef Vanvinckenroye, onze vriend van vele jaren, was in Marseille overleden. Jef had me nog een tijdlang orgelles gegeven, zodat ik volgens de regels Buxtehude’s Wie schön leuchtet der Morgenstern ten gehore kon brengen. Samen hadden we zelfs eens een recital gegeven op het schitterende 18de-eeuwse orgel van de St. Laurentius-kerk van Hove, ter ere van Brian Marsden, de directeur van het Minor Planet Center, die een bezoek aan Antwerpen had gebracht. Brian zei me na het recital, dat het moedig van me was geweest me met een professioneel organist te meten, wellicht een kleine verwijzing, dat ik nog heel wat had te leren van de goddelijke orgelkunst, maar zeker wel, dat Jef als een briljant organist was herkend geworden (Brian was hehoorlijk op de hoogte van orgelmuziek. Natuurlijk als je met zulk een bravoure Widor’s Toccata uit de V-de Symfonie speelde, dan hoefde niemand nog commentaar uit te brengen. Ik had later het genoegen één van mijn planetaire ontdekkingen aan de hemel te plaatsen met de benaming, Vanvinckenroye, ter ere van heel de muzikale familie, vader incluis en 2 zijn broers Herman en Johan. Het was geen probleem geweest, met Brian als secretaris van het SBNC, om het voorstel te doen aanvaarden, door de 6 internationale leden van het betreffende comité.
Eric W. Elst.
