Au lieu d'observer les choses que nous voulions connaître, nous avons voulu les imaginer. De supposition fausse en supposition fausse, nous nous sommes égarés parmi une multitude d'erreurs; et ces erreurs étant devenues préjugés, nous les avons prises par cette raison pour les principes; nous nous sommes donc égarés de plus en plus. alors nous n'avons su raisonner que d'après les mauvaises habitudes que nous avions contractées. L'art d'abuser des mots sans les bien entendre a été pour nous l'art de raisonner…
Abbé Condillac.

Jaargang 5 Le Petit Cuistre Nr 2

Verschenen op juni 2006 - Inhoudstafel :

Woord Vooraf

amusement_philo01.jpg

Er zijn zovele vreselijke dingen gedurende deze laatste maanden gebeurd, dat het practisch een onmogelijkheid wordt om die allen in deze rubriek te archiveren. Maar enkele gebeurtenissen willen we wel in herinnering houden, met de zekerheid wanneer dit nummer van Le petit Cuistre op het Web geplaatst wordt –door onze homepage-wachter Marquis–, niet vergeten zullen worden. Niemand zal nadien kunnen zeggen : Wir haben es nicht gewüsst.

Vooreerst het dierenleed van dolfijnen en walvissen. De Theems-walvis (begin januari 2006) die zich verdwaald had op de Theems en tevergeefs probeerde zijn weg terug naar open zee te vinden –als het ware verhinderd door het klungelige gedoe om de vis in een net op een vrachtschip te hijsen– is uiteindelijk aan extreme stress gestorven (hoe zou je zelf zijn, als je verdwaald bent en eenieder probeert je ergens te brengen waar je niet heen wil !). Meent men nu nog altijd dat dieren gevoelloos zijn ? De Holbach Vereniging, die een orgineel exemplaar uit 1766 bezit van Condillacs “Traité des Animaux” (zie Le Petit Cuistre #6), heeft onlangs tevens een exemplaar kunnen verwerven van het “Amusement philosophique sur le langage des Bêtes” (Guillaume Hyacinthe Bougeant, 1739). Beide schrijvers hebben zich ingezet om de cartesiaanse gedachte, dat het dier geen geestelijke activiteit kent –en dus niet vatbaar is voor taal, stress en pijn– uit de weg te ruimen.

bruinvissen.jpg
Bruinvissen (zeezoogdieren) verdronken in “warrelnetten”
aan onze Belgische kust (foto: Natuurpunt, 1-06-06)

Begin maart spoelde een dode bultrug (walvis) aan op het strand van Nieuwpoort. Volgens de wetenschappers is het erg uitzonderlijk dat een bultrug aanspoelt aan de Belgische kust. De laatste keer dateert dat van 1751. Een week daarvoor waren er maar liefst veertig gestreepte dolfijnen omgekomen aan de Australische kust, nadat ze zich op het strand hadden geworpen. Volgens diezelfde wetenschappers is zo'n massale zelfmoordactie een zeldzame gebeurtenis. Vraagt dan daar niemand naar de oorzaak van dit verschijnsel ?

Het bleef niet bij dierenleed maar ook veel mensenleed kenmerkte de voorbij periode. Wat konden we meer doen dan te gaan betogen op 26 mei j.l., tegen de aggressie van de voorgaande weken. Zeker zinvol dus om in dit nummer van Le petit Cuistre een bijdrage in te sluiten over de filosofische werk van Sigmund Freud, waarvan we dit jaar de 150-ste verjaardag van zijn geboorte vieren. Sigmund Freud heeft in zijn “Unbehagen in der Kultur” (1935) een aantal antwoorden gegeven waarom we niet zo bijzonder gelukkig zijn in onze maatschappij. De betreffende bijdrage werd ontleend uit het boek van de voorzitter : “Van de God of Abraham geen spoor te bekennen” (1995).

We verwelkommen in dit nummer een nieuwe sympathisant van de Holbach Vereniging : Peter Bridges, met een boeiend relaas over de 18-eeuwse botanist en ondekker, Georg Steller. Le Marquis heeft zich de moeite getroost om een belangririjk pamflet van Condorcet over het despotisme voor Le Petit Cuistre in leesbare voorm te stellen –omvorming van gescande tekst naar editeerbare tekst. Tenslotte wordt de Reis naar Berezov voortgezet en de vertaling naar het nederlands van de “Lettre sur les Aveugles” (Diderot) vervolgd.

De voorzitter.

Naar Inhoudstafel

Buffon en “Les Époques de la Nature” (1778)

Georges-Louis Leclerc, comte de Buffon, toont reeds als kind een grote voorliefde voor de studie van de wiskunde. Hij zal trouwens, onafhankelijk van Newton, de formule van het binomium ontdekken :

(a + b)2 = a2 + 2ab + b2

Hij beseft echter dat een loopbaan in de wiskunde voor hem niet is weggelegd en wijdt zich, na zijn studie van de rechtswetenschappen aan de Universiteit van Dijon (op verzoek van zijn vader), hoofdzakelijk aan de studie van de natuurwetenschappen. Zijn interesse gaat immers voornamelijk uit naar dierkunde en plantkunde. Hiervoor volgt hij cursussen zoölogie en botanica aan de Faculteit Geneeskunde. In Parijs brengt Voltaire hem in contact met een aantal vooraanstaande geleerden. Buffon had diens vriendin Madame du Châtelet meermaals bijge-staan bij het op schrift stellen van de “Élémens de la philosophie Newtonienne” (1737), een compilatie van het filosofische en wetenschappelijke werk van Newton.

Buffon03.jpg
Georges-Louis Leclerc, comte de Buffon (1707-1788)

Maar men moest toen niet aan een wetenschappelijke carrière denken als men geen lid was van de Academie. In 1739 bericht hij er over zijn onderzoekingen en resultaten op het gebied van de sylviculture (bosbouw). Men biedt hem onmiddellijk een plaats aan als botanicus en wordt hij op 26-jarige leeftijd lid van de Academie van Wetenschappen. Nog in hetzelfde jaar (1739) bevordert men hem tot Intendant du Jardin & du Cabinet du Roi (Jardin des Plantes, Parijs). Hij zet zich onmiddellijk in om de tuin aanzienlijk uit te breiden en laat hij er bijvoorbeeld allerhande nieuwe (in Parijs ongekende) boom-soorten aanplanten. Beroemd wordt hij door zijn volumineus werk “Histoire naturelle”, (36 delen), waaraan hij de rest van zijn leven zal werken en waarvan het eerste deel in 1749 verschijnt. Al is Buffon in de ware zin van het woord misschien geen echte geleerde, dan heeft hij toch door zijn “Histoire naturelle” een enorme verspreiding teweeggebracht van de toenmalige kennis van de natuurwetenschappen. Nu nog verwijt men hem zijn vele foutieve theoriën, zoals bijvoorbeeld de planetentheorie waarin hij de planeten in het zonnestelsel laat ontstaan door een botsing van een komeet met de zon. Daardoor zou zich materie afgescheurd hebben van het zonnelichaam, dat terecht kwam op welbepaalde afstanden (Wet van Titius-Boode) in het zonnestelsel, materie die zich vervolgens verdicht heeft tot planetenlichamen. Thans weet men dat de zon zelf de oorzaak was voor het wegslingeren van de materie. Maar is dat nu zo belangrijk? Buffon heeft zich (225 jaar geleden!) vergist in de oorzaak maar niet in de gevolgen.

Maar ook tijdens zijn leven heeft men hem hard aangepakt. De Sorbonne, met name de theologische faculteit, die niet gelukkig was met zijn evolutietheorie van de aarde, die in tegenspraak was met het boek Genesis, ondernam een waarachtig offensief tegen de Histoire en wilde dat het werk in zijn geheel zou worden verbrand. Buffon, die de volledige steun genoot van Madame de Pompadour (en dus ook van de Koning), bekommerde zich niet om de aanvallen van de clerus, maar had wel problemen met zijn collegas. Vooral Réaumur die geen voorstander was van zijn spontane generatie-theorie zou het hem zeer moeilijk maken. Hadden de lieve collegas zich meer tegen de onzinnige theoriën van de theologen met hun bijbel verzet, dan zag de wereld er misschien vandaag wel anders uit.

In het voorwoord van de “Statique des végétaux” (een werk van de Engelse naturalist Stephen Hales dat hij had vertaald en uitgegeven, schrijft Buffon het volgende:

C’eſt par des expériences fines, raiſonnées et ſuivies, que l’on force la nature à découvrir ſon ſecret ; toutes les autres méthodes n’ont jamais réuſſi… Les recueils d’expériences et d’obſervations ſont donc les ſeuls livres qui puiſſent augmenter nos connaiſſances.

Zeker geen woorden van een metaphysicus. Ook zeker geen metaphysica in zijn beroemde werk “Les Époques de la Nature” (1778), een supplement bij de Histoire, waarin hij de geschiedenis beschrijft van de verschillende tijdperken van de aarde :

Comme dans l’Hiſtoire civile, on conſulte les titres, on recherche les médailles, on déchiffre les inſcriptions antiques, pour déterminer les époques des révolutions humaines, & conſtater les dates des évènemens moraux ; de même dans l’Hiſtoire Naturelle, il faut fouiller les archives du monde, tirer des entrailles de la terre les vieux monumens, recueillir leurs débris, & raſſembler en un corps de preuves tous les indices des changemens phyſiques, qui peuvent nous faire remonter aux différens âges de la Nature. C’eſt le ſeul moyen de fixer quelques points dans l’immenſité de l’eſpace, & de placer un certain nombre de pierres numéraires ſur la route éternelle du temps. Le paſſé eſt comme la diſtance ; notre vue y décroît & s’y perdroit de même, ſi l’Hiſtoire & la Chronologie n’euſſent placé des fanaux, des flambeaux aux points les plus obſcurs ; mais malgré ces lumières de la tradition écrite, ſi l’on remonte à quelques ſiècles, que d’incertitudes dans les faits ! que d’erreurs ſur les cauſes des événemens ! & quelle obſcurité profonde n’environne pas les temps antérieurs à cette tradition ! D’ailleurs elle ne nous a tranſmis que les geſtes de quelques Nations, c’eſt-à-dire, les actes d’une très-petite partie du genre humain ; tout le reſte des hommes eſt demeuré nul pour nous, nul pour la poſtérité ; ils ne ſont ſortis de leur néant que pour paſſer comme des ombres qui ne laissent point de traces ; & plût au Ciel que le nom de tous ces prétendus Héros, dont on a célébré les crimes ou la gloire ſanguinaire, fût également enſéveli dans la nuit de l’oubli !

(Les Époques de la Nature, 1778, p. 1 à 3)

Een schitterende tekst! Men verwondere zich dus niet dat Buffon in 1753 tevens verkozen werd tot lid van de Académie française (Red : Academie die belangrijke schrijvers en taalkundigen groepeert). De schrijver vervolgt :

Ainſi l’Hiſtoire civile, bornée d’un côté par les ténébres d’un temps aſſez voiſin du nôtre, ne s’étend de l’autre, qu’aux petites portions de terre qu’ont occupées succeſſivement les peuples ſoigneux de leur mémoire. Au lieu que l’Hiſtoire Naturelle embraſſe également tous les eſpaces, tous les temps, & n’a d’autres limites que celles de l’Univers.

La Nature étant contemporaine de la matière, de l’eſpace & du temps, ſon histoire eſt celle de toutes les ſubſtances, de tous les lieux, de tous les âges : & quoiqu’il paroiſſe à la première vue que ſes grands ouvrages ne s’altèrent ni ne changent, & que dans ſes productions, même les plus fragiles & les plus paſſagères, elle ſe montre toujours & conſtamment la même, puiſqu’à chaque inſtant ſes premiers modèles reparoiſſent à nos yeux ſous de nouvelles repréſentations ; cependant, en l’obſervant de près, on s’apercevra que ſon cours n’eſt pas abſolument uniforme ; on reconnoîtra qu’elle admet des variations ſenſibles, qu’elle reçoit des altérations ſucceſſives, qu’elle ſe prête même à des combinaiſons nouvelles, à des mutations de matière & de forme ; qu’enfin, autant elle paroît fixe dans ſon tout, autant elle eſt variable dans chacune de ſes parties ; & si nous l’embraſſons dans toute ſon étendue, nous ne pourrons douter qu’elle ne ſoit aujourd’hui très-différente de ce qu’elle étoit au commencement & de ce qu’elle eſt devenue dans la succeſſion des temps : ce ſont ces changemens divers que nous appelons ſes époques. La Nature s’eſt trouvée dans différens états ; la ſurface de la terre a pris succeſſivement des formes différentes ; les cieux même ont varié, & toutes les choses de l’Univers phyſique ſont comme celles du monde moral, dans un mouvement continuel de variations succeſſives. Par exemple, l’état dans lequel nous voyons aujourd’hui la Nature, eſt autant notre ouvrage que le ſien ; nous avons ſu la tempérer, la modifier, la plier à nos beſoins, à nos deſirs ; nous avons ſondé, cultivé, fécondé la terre : l’aſpect, ſous lequel elle ſe préſente eſt donc bien différent de celui des temps antérieurs à l’invention des arts. L’âge d’or de la morale, ou plutôt de la fable, n’étoit que l’âge de fer de la phyſique & de la vérité. L’Homme de ce temps encore à demi-ſauvage, diſperſé, peu nombreux, ne ſentoit pas ſa puiſſance, ne connoiſſoit pas ſa vraie richeſſe ; le tréſor de ſes lumières étoit enfoui ; il ignoroit la force des volontés unies, & ne ſe doutoit pas que, par la ſocièté & par des travaux ſuivis & concertés, il viendroit à bout d’imprimer ſes idées ſur la face entière de l’Univers.

Auſſi faut-il aller chercher & voir la Nature dans ces régions nouvellement découvertes, dans ces contrées de tout temps inhabitées, pour ſe former une idée de ſon état ancien ; & cet ancien état eſt encore bien moderne en comparaiſon de celui où nos continens terreſtres étoient couverts par les eaux, où les poiſſons habitoient ſur nos plaines, où nos montagnes formoient les écueils des mers : Combien de changemens & de différens états ont dû ſe ſuccéder depuis ces temps antiques (qui cependant n’étoient pas les premiers) juſqu’aux âges de l’Histoire ! Que de choſes enſévelies ! combien d’évènemens entièrement oubliés ! que de révolutions antérieures à la mémoire des hommes ! Il a fallu une très-longue ſuite d’obſervations ; il a fallu trente ſiècles de culture à l’eſprit humain, ſeulement pour reconnoître l’état préſent des choses. La Terre n’eſt pas encore entièrement découverte ; ce n’eſt que depuis peu qu’on a déterminé ſa figure ; ce n’eſt que de nos jours qu’on s’eſt élevé à la théorie de ſa forme intérieure, & qu’on a démontré l’ordre & la diſpoſition des matières dont elle est compoſée : ce n’eſt donc que de cet inſtant où l’on peut commencer à comparer la Nature avec elle-même, & remonter de ſon état actuel & connu à quelques époques d’un état plus ancien.

Mais comme il s’agit ici de percer la nuit des temps ; de reconnoître par l’inſpection des choſes actuelles l’ancienne exiſtence des choſes anéanties, & de remonter par la ſeule force des faits ſubſiſtans à la vérité hiſtoriques des faits enſévelis ; comme il s’agit, en un mot, de juger, non-ſeulement le paſſé moderne, mais le paſſé le plus ancien, par le ſeul préſent, & que, pour nous élever juſqu’à ce point de vue, nous avons beſoin de toutes nos forces réunies, nous emploîrons trois grands moyens : 1.° Les faits qui peuvent nous rapprocher de l’origine de la Nature ; 2.° les monumens qu’on doit regarder comme les témoins de ſes premiers âges ; 3.° les traditions qui peuvent nous donner quelqu’idée des âges ſubſéquens, après quoi, nous tâcherons de lier le tout par des analogies, & de former une chaîne qui, du ſommet de l’échelle du temps, deſcendra juſqu’à nous.

(Les Époques de la Nature, 1778, p. 3 à 7)

In Genesis lezen we dat de aarde door de vloed volledig bedekt werd met water. Buffon geeft een mooie en interessante verklaring voor het fenomeen :

A la date de trente ou trente-cinq mille ans de la formation des planètes, la Terre ſe trouvoit aſſez attiédie pour recevoir les eaux ſans les rejetter en vapeurs. Le cahos de l’atmoſphère avoit commencé de ſe débrouiller : non-ſeulement les eaux, mais toutes les matières volatiles que la trop grande chaleur y tenoit reléguées & ſuſpendues, tombèrent ſucceſſivement ; elles remplirent toutes les profondeurs, couvrirent toutes les plaines, tous les intervalles qui ſe trouvoient entre les éminences de la ſurface du globe, & même elles ſurmontèrent toutes celles qui n’étoient pas exceſſivement élevées. On a des preuves évidentes que les mers ont couvert le continent de l’Europe juſqu’à quinze cents toiſes au-deſſus du niveau de la mer actuelle, puiſqu’on trouve des coquilles & d’autres productions marines dans les Alpes & dans les Pyrénées juſqu’à cette même hauteur. On a les mêmes preuves pour les continens de l’Aſie & de l’Afrique, & même dans celui de l’Amérique, où les montagnes ſont plus élévées qu’en Europe, on a trouvé des coquilles marines à plus de deux mille toiſes de hauteur au-deſſus du niveau de la mer du Sud.

(Les Époques de la Nature, Troisième Époque, 1778, p.132 & 133)

We zullen deze tekst in het volgende nummer van Le Petit Cuistre bespreken.

Eric W. Elst.

carte_Langres01.jpg
De beroemde kaart van Langres uit “Les Époques de la Nature” (Buffon, Tome 12, 1778).

Naar Inhoudstafel

Jays, Films, and Georg Steller

PeterBridges01.jpg
Peter Bridges




Peter Bridges (1950) studeerde aan het Dartmouth College en de Columbia Universiteit. Gedurende meer dan 30 jaar was hij diplomaat, achtereenvolgens in Washington, Panama, Praag, Moscou, Rome en Mogadishu. Als schrijver werd hij bekend door zijn roman Safirka (2000), een overzicht van zijn belevenissen als Amerikaans ambassadeur in Somalia. Zijn John Moncure Daniel (2002) is het boeiend verhaal van een diplomaat die de eerste uitgever van de Confederatie werd.

This article was first publised in the California Literary Review. Thanks a lot.




Jack Aubrey, co-hero of twenty sea novels by Patrick O'Brian, was played admirably by Russell Crowe in the 2003 film Master and Commander. Aubrey's sidekick, the naval surgeon and naturalist Stephen Maturin, was another fine actor, Paul Bettany. Many who saw the film hope for another chance to see Aubrey and Maturin on the screen -perhaps this time with Keira Knightley, who lost out when in the end Master and Commander was made all male, sans maidens or consorts.

O'Brian based Aubrey on a Royal Navy captain of two centuries ago, Thomas Cochrane. Lord Cochrane's exploits were at least as great as those of the fictitious Aubrey, and hardly less than those of Britain's greatest naval hero, Lord Nelson. But while O'Brian admitted that Cochrane was the inspiration for Aubrey, he did not tell us before he died in 2000 whether he had a real-life model for Maturin.

The answer, I think, lies in the handsome bird that I see now beyond our sun room window. It is busy at the feeder in our yard deep in snow, in Crested Butte, high in Colorado's Elk Mountains. The bird is big and midnight-blue, with a head and pointed crest that are almost black. It is a Steller's jay, Cyanocitta stelleri. Georg Wilhelm Steller, for whom the bird is named, was a man of interest to Patrick O'Brian, particularly after O'Brian had read Steller's journals. There is little question that O'Brian had Steller in mind as he shaped the figure of Stephen Maturin –although it is said that the polymath Maturin also owes much to O'Brian’s proud view of his own attainments–.

Steller led a life no less adventurous than his fictional counterpart Maturin. (Let us speak no more of the movie Maturin. As Michael J. Lewis wrote in Commentary, in the film a rich literary creation was reduced to a stock figure.) Like Maturin, Steller's real-life commander kept him from accomplishing all he sought to do as a naturalist; but Steller nevertheless ranged far in a relatively short life. So does his jay. Steller's jays are found from Alaska and British Columbia south to Mexico, in both lowlands and highlands; here in the Elk Mountains we are nine thousand feet above sea level. These jays remain here in the summer but they are shy in the summer woods, unlike their cousins the gray jays who follow summer hikers, hoping for part of a sandwich, and steal french fries from skiers' unguarded plates outside the Paradise hut on Mt. Crested Butte. Jays have enemies, including hawks. One bird watcher in New Mexico recently observed a Steller's jay that had learned to mimic the call of the goshawk, apparently to convince real goshawks that the local jay-hunting license was already taken.

A Steller's jay in British Columbia has been heard to do a good imitation of an eagle. Stephen Maturin would have liked that. But who was this real Maturin? Steller, like Maturin, was both a naval doctor and a naturalist, but unlike Maturin he was not an intelligence agent. Nor was he half-Irish and half-Catalan, like Maturin. Steller was a German who went to Russia –and Patrick O'Brian was no Irishman himself, but the grandson of a German furrier named Russ who moved to England.

Georg Wilhelm Steller was born near Nuremberg in 1709, son of a Lutheran choirmaster. He took degrees from two German universities and then moved to Russia to join the staff of the Imperial Academy of Sciences in St. Petersburg, the capital that Tsar Peter the Great had begun building three decades earlier. Just as the Irish patriot Stephen Maturin becomes a faithful servant of the British crown, so Steller the German became a hardworking subject of the Tsars.

In 1725, a dozen years before Steller came to Russia and shortly before the great Tsar died, Peter had commissioned Vitus Bering, a Dane in Russia's naval service, to lead a voyage to the North Pacific and look for a land bridge to America. Bering proved that water divided Siberia from America, but he failed to sight the North American continent. After Bering finally returned to St. Petersburg in 1730, Peter's successor the Tsaritsa Anna ordered him to undertake a second voyage. He was to take a good look at unknown Northwest America, and bring it under Russian control. Soon after Steller reached Russia he was named to the academic section of Bering's new expedition.

In January 1738, Steller set out from St. Petersburg on a five-thousand mile journey across European Russia and Siberia to Kamchatka on the Pacific Ocean. His assignment was to study plants, animals and minerals in the empire's eastern reaches, and then continue his studies on a voyage south to Japan.

His young German wife, whom he had met and married in St. Petersburg, had promised to go with him to the Pacific but she turned back at Moscow. Alas, they would never meet again.

Steller kept busy on his long way east, beginning with notes on plants he observed in and around Moscow. When he finally reached Irkutsk, in the heart of Siberia, he was unable for several months to arrange transport to the Pacific, so he crossed Lake Baikal in the summer of 1739 to investigate the mountains beyond. The results were impressive: a ninety-page list of Flora Ircutiensi that includes 1,100 Siberian plants, and a collection of over 500 different seeds; lists of 60 species of birds and a hundred insects unknown to earlier naturalists; papers on the minerals, the topography, and the aboriginal languages of the region. When he finally secured transport eastward he began what became a twenty-page list of other plants he found on his further way toward the Pacific. In August 1740, two and a half years after he had left St. Petersburg, Steller reached the little place called Okhotsk, Russia's first port on the Pacific.

There he met Vitus Bering, who was making preparations to sail for America the following year from the eastern coast of the Kamchatka peninsula, a thousand miles beyond Okhotsk. That autumn Steller sailed to Bolsheretsk, on the west coast of Kamchatka, from which he was to continue south to the Kurile Islands and Japan. At Bolsheretsk, though, he received a letter from Bering asking Steller to meet him at Avacha Bay, the expedition's intended point of departure on Kamchatka's eastern coast.

Steller traveled across Kamchatka by dogsled, through a winter wilderness where ten-thousand-foot volcanoes thrust into the icy sky, and reached Bering at Avacha Bay in February 1741. More than two centuries later, this became a major base for Soviet nuclear submarines. In 1741 there was only a small Russian settlement on the bay, where Bering was preparing to sail into the Pacific on two 80-foot brigs, the St. Peter and St. Paul--which later provided the name for the sprawling, ugly city of Petropavlovsk that stands on the site today. Thousands of men across the empire had been involved in supporting the expedition, but each of the two ships would carry a crew of just 75 men. Bering wanted Steller to accompany him, as physician and scientist. He had had to send the ship's doctor back to Moscow, and at sixty Bering wanted a medical man on board. He assured Steller that he would take full responsibility for the change in Steller's orders; he would formally be assigned as the mineralogist, since they hoped to find precious metals in America. Steller agreed. Bering offered him a bunk in his own cabin.

Georg Steller, we can see from his writings, was a stubborn and single-minded man devoted to what he considered his duty as a naturalist. He soon found himself criticizing –but only silently, in his journal– many of the preparations for the voyage. After a tense winter ended, the two ships of the expedition set sail from Kamchatka in June 1741.

Steller was with Bering on the St. Peter, whose first officer was another Scandinavian in the Russian service, Sven Waxell, a Swede.

It seems probable that no other Europeans had ever sailed the part of the Pacific into which they were sailing, yet there were maps drawn by German cartographers that showed something out there called Company Land, supposedly sighted by mariners of the Dutch East Indies Company. A Spanish captain named Juan de Gama had also claimed to find land in this area. Bering initially headed southeast toward these mythical places, but after a week he gave up the search and changed his course to northeast. Things turned bad. The two ships separated in a storm, and were never reunited. On board the St. Peter the provisions lacked Vitamin C, and soon scurvy was attacking the crew and Vitus Bering as well.

Steller tried to convince Bering and the other ship's officers that if they sailed due north they would soon sight land. He pointed out floating seaweed, of a coastal species; floating masses of marine grass, that he knew grew only along coasts; seals and sea otters, that never wandered far out to sea. Steller was right. If the ship had turned north, they would have come to the Aleutians, although not so soon as he thought. Bering and his lieutenants would not listen, and the ship maintained a course eastward.

After weeks at sea, on July 16, 1741 the St. Peter first sighted the coast of mainland America, with high mountains behind. It was southeastern Alaska. On the feast day of St. Elias, Bering named the highest peak in sight Mount St. Elias. At 18,000 feet, this is the third-highest peak in North America, and it remained unclimbed until 1897, when the great Italian explorer Luigi Amedeo, Duke of the Abruzzi, reached the summit after American expeditions had failed. turning west, the St. Peter anchored off the heavily wooded shore of what we now call Kayak Island, on July 20. A ship's officer was to go ashore; Steller asked Bering for permission to go with him. Bering said No, just as Jack Aubrey often forbids Stephen Maturin from going on strange shores to naturalize. But now the real-life naturalist publicly displayed a difference with his commander quite different from Maturin's private disagreements with Aubrey. Steller was desperate. He went up to Bering and before the entire crew he swore, in what Steller's 1936 biographer Leonhard Stejneger called the choicest words of his scorching vocabulary, that he would report Bering to both the Governing Senate and the Admiralty in St. Petersburg if the commander did not let him go ashore

cyanocita_stelleri.jpg
Steller's jay – Cyanocita stelleri

It is much to Bering's credit that he did not slap Steller in irons but rather laughed at him--and agreed to let him go, for a brief visit. In just six hours on the island Steller, accompanied by a Cossack, had amazing success. He found recent traces of humans, collected 143 plant species including a delicious fruit (the black raspberry), and sighted ten new species of birds –including a new, dark-blue kind of jay–.

Steller sent a message out to the ship that he needed a few more hours on the island, and several more men to help him in his investigations. Bering now reached the limit of his patience; he sent back word that if Steller did not immediately return to the St. Peter they would leave him stranded. He returned. Some of the plants he had collected might, he thought, be good for the sailors' scurvy. The sailors would not eat them.

In these northern waters Georg Steller soon discovered a large and plentiful aquatic mammal that we know today as the Steller sea lion. This sea lion, the largest of the so-called eared seals, still exists, but has been listed as an endangered species since 1990. Once it was hunted rapaciously for skins and meat; today hunting has almost stopped, but its numbers have nevertheless declined 70 percent in recent decades. Another, bigger sea mammal that Steller was to discover suffered, as we shall see, a worse fate.

One smallish fur-bearing creature that Steller reported sighting at sea has never been seen since then. It was a playful animal with a head like a dog and a fat hairy body, and it cavorted around the ship for two hours. Steller called it a sea ape; he thought it must be an oceangoing primate. Today's cryptozoologists keep Steller's sea ape in their list of mysterious mammals, along with the Asian yeti and American Bigfoot. Most people think it must have been a monk seal. (One recalls Aubrey calling Maturin on deck to see a mermaid off Mauritius: not a seal but, apparently, a small manatee.) As the summer of 1741 neared its end in the North Pacific, provisions were short on the St. Peter and the scurvy was getting worse. Bering decided to sail back to the Russian Empire. Toward the end of August the westbound ship sighted islands near the southwestern end of the Alaska Peninsula, known today as the Shumagin Islands for a sailor who died there of scurvy. They anchored off what seemed an uninhabited shore, and then were surprised to see two small sealskin boats, each with a single paddler, coming out to the ship. Nearing the Russian vessel, the two men began what Steller later described as a long oration in high-pitched voices. There were other people, on the shore, and they too were calling out. The paddlers pointed to the shore; they did not seem unfriendly. Lieutenant Waxell, Steller, and several sailors took a boat to land and had their first encounter with Americans, nine Aleuts. The meeting was friendly, but the Aleuts refused the presents Waxell offered them; when he offered an Aleut elder a drink of brandy, the elder spat out the fiery stuff. Later, the two sides did exchange gifts, including an Aleut bone visor which today is in the Museum of Peter the Great in St. Petersburg. On the island Steller gathered some grass which, he suspected, might help his commander, who was by now so weak from scurvy that he could scarcely walk. The grass was Cochlearia officinalis –what we now call scurvy grass– and it did the trick. Soon Bering was able to walk out on deck, saying he felt as vigorous as he had at the beginning of the voyage.

It was probably the first time in history that anyone successfully treated shipboard scurvy. Several decades later, Royal Navy doctors were still trying to treat scurvy by letting blood from sick sailors. Not Maturin, though; at one point in the novel Desolation Island he discovers a yellow viscous cabbage on the island (after finding fifty-three new kinds of lichen) which he somehow knows can serve as an antiscorbutic.

stellerseacow.jpg
Steller's sea cow - Extinct by 1768

Steller was not only a naturalist and a successful physician, but something of an ethnographer. He noted in his journal that these Alaskans were similar in several ways to the Chukchi and Kamchadal people of eastern Siberia; he was probably the first scientist to conclude that, as he wrote, …the Americans originated in Asia.

The next person to reach this conclusion was the intrepid American John Ledyard, who in 1788, almost a half-century after Steller, traveled overland to Siberia. Ledyard had accompanied Captain James Cook on his last Pacific voyage, and he and shipmates had coasted Alaska after Cook's death in Hawaii. Ledyard never saw Steller's journal, but after he had come out of Russia he reported to Thomas Jefferson that he saw similarities between native Siberians and native Americans; that I am satisfied myself that America was peopled from Asia. Few then agreed with Steller's and Ledyard's idea; it was not until the twentieth century that this view was generally accepted, thanks to the work of the Smithsonian anthropologist Ales Hrdlicka.

From the Shumagin Islands the St. Peter sailed west for Kamchatka. The brief summer had ended and the weather turned foul. For two months the St. Peter fought its way westward against headwinds. On November 5 they sighted land, but it was not Kamchatka as they hoped, only a long island. Sailors were dying and they could sail no farther. The party went ashore, and successive storms badly damaged the ship and drove it high on the beach. Vitus Bering died a month later, and altogether half his crew perished. (One thinks of O'Brian's Aubrey and Maturin, whose ship Diane is wrecked in a milder clime, on a desert island in the South China Sea.)

Waxell the lieutenant assumed command after Bering's death, but he, too, had scurvy. Morale was low. There were voracious foxes, that not only fed on the bodies of dead sailors but attacked sick men who were still alive but lying helpless. Steller took on a leading role, helping the survivors to build shelters, and to fish and hunt.

There was much to hunt: seals, sea otters, and huge placid creatures that grazed in vast herds in the seaweed beds offshore. They were manatees, but of a kind far larger than the manatees we know from Florida and elsewhere. The Florida mammal may reach nine feet in length and weigh 1200 pounds; this northern creature was up to thirty feet long and weighed at least several tons. We know of it now as Steller's sea cow. It had no fear of humans, and was easy to shoot; its meat was good. With this and other fresh food to eat, including plants that Steller gathered, the surviving men on the island began to put on weight and recover from their scurvy.

Steller continued to add to his list of new bird species that already included, as noted, his striking jay. He was amazed to find that the island harbored a flightless cormorant. It was big and meaty, it was given the name Phalacrocorax perspicillatus, and it was hunted to extinction by 1850. (Maturin, as we recall from the film, also discovers a flightless cormorant, in the Galapagos Islands. That species, Nannopterum harrisi, really exists, but is now endangered.) Steller's thirty-page bird list from the voyage includes a magnificent black-brown eagle with white shoulders and thighs, which we know as Steller's sea eagle –and which inhabits Siberia and northern Japan but not America– and the Steller's eider, the smallest of the four eider ducks.

The three shipwrights on the St. Peter all died of scurvy. Among the survivors was a simple Siberian carpenter named Savva Starodubtsov, who managed to build a small vessel from the ship's wreckage (as Aubrey's crew did after the wreck of the Diane). In August 1742 Georg Steller and the other survivors sailed from their island, later named Bering Island for their departed commander. They soon sighted Kamchatka, only a hundred miles from the island, and without incident sailed down the coast to the settlement at Petropavlovsk. What of their companion vessel, the St. Paul ? It had returned safely.

Waxell, Steller, and Bering's ragged crew brought with them some barrels of the tasty meat from Steller's sea cows. Soon hunters were going off to Bering Island and other places eastward for the pelts of sea otters and fur seals, and for meat from the sea cows. The sea otter and the fur seal survived, though heavily hunted. Steller's sea cow was extinct by 1768, as Patrick O'Brian notes in one of his novels. There is a single huge skeleton in the Smithsonian Museum of Natural History in Washington. I saw it years ago and wondered who Steller might be, long before I first saw his jay in the Colorado mountains.

Steller spent almost two years back at Bolsheretsk in Kamchatka, long enough for him to make a trip to the interior of Kamchatka and another south to the Kurile Islands, the closest he ever got to Japan, his original destination. He was surprised one day at Bolsheretsk by the arrival of four Cossacks who, after misinterpreting an order, had come from a distant outpost bringing seventeen Kamchadals in chains. There was no reason to hold them and Steller ordered them freed. (One thinks of Maturin and his man Padeen, whom he rescues from cruel treatment in Australia.) Soon afterward, in the summer of 1744, Steller received orders to return to St. Petersburg and started on the long journey westward. At Irkutsk he was confronted with charges that he had wrongly released the prisoners. The governor accepted his explanation, and Steller continued on his way. He crossed the Urals and was in European Russia; Moscow was just eight hundred miles away.

And then, incredibly, he was ordered back to Irkutsk, on the same charges about the prisoners. In Tsarist Russia one obeyed orders. Steller retraced his steps for two thousand miles, only to learn at Irkutsk that the authorities in St. Petersburg had fully exonerated him after receiving the governor's report. He resumed his way westward, but never reached European Russia. He was exhausted, and died of a fever at Tyumen in western Siberia in November 1746. He was just 37 years old.

Now in my sun room I look out at Steller's noble jay, pecking at bird-seed in the Colorado cold. I tell myself that perhaps somehow there still lives on, in this wild bird, the spirit of that great naturalist and traveler. He was one of the first to help bridge the gap between Russia and North America, though he never saw more than the stormy edges of Alaska.

Who knows how much more Georg Steller might have seen, had he lived longer? We know that he wanted to go on exploring; in particular, to explore deserts. Only sixty years after his birth, Russian fur hunters were sailing as far south as California, at a time when the Spanish were just beginning to establish missions along the California coast. I can imagine a sturdy middle-aged Steller landing on that coast, and making his way east with a small party toward the deserts of Nevada and the Rocky Mountains beyond. He would, to be sure, never have made it as far as Crested Butte and the continental divide just beyond us to the east. Or would he? We are not seven hundred miles from the California coast, and Steller once managed to cross five thousand miles of Siberia. More stuff for movies, maybe.

In any case we can admire his jay, and revere his memory. O.W. Frost wrote some years ago, in an introduction to Steller's journals, that he had anticipated Henry David Thoreau and John Muir by over a century in his self-sufficiency, love of nature, and zest for science. He proved both his medical skill and his kindness, in caring for his commander and his comrades. He was also a careful observer, and many hundred pages of his meticulous work survive--as do his jay, his eider, his eagle, and his sea lion.

There are three Steller's jays now at our feeder in the sun. There were three yesterday, too; one lacks a mate. I think again of the intrepid but lonely naturalist. The temperature is twelve below zero, Fahrenheit. I will put out more seeds.

Peter Bridges.

Naar Inhoudstafel

Berekening van de doorgang van Mercurius

doorgang_Mercurius1940.jpg
Een grafische voorstelling van de berekening van Danjon voor de doorgang van Mercurius in 1940
(200 jaar na deze in Berezow).


Ref : André Danjon, Astronomie Générale (1959) : p.338.

In verband met de waarnemingen van Joseph-Nicolas Delisle die naar Berezov in Siberië was getrokken, om er de doorgang van de planeet Mercurius over het zonsoppervlak waar te nemen lezen we in de “Astronomie”, Paris 1771, Tome second, p. 580 van Jerôme de la Lande, het volgende :

Le 9e paſſage (de Mercure) eſt celui du 2 Mai 1740, obſervé ſeulement à Cambridge dans la nouvelle Angleterre, par M. Wintrop ; l’obſervation ſe trouve dans les tranſactions philoſophiques, elle ſervit à M. de l’Iſle (Deliſle) en 1752 à prédire le paſſage de 1753, en lui apprenant qu’il falloit ajouter 1’ 23” à la longitude héliocentrique de Mercure, tirée des tables de M. Halley ; c’étoit le second paſſage qu’on eût vu dans le nœud deſcendant. M. De l’Iſle étoit allé exprès de Pétersbourg à Bereſow, en Sibérie ; pour y faire cette obſervation, mais les nuages ſe diſſipèrent une heure trop tard, & il manqua l’objet de ce pénible voyage.

In de vertaling van de reis van Delisle en Koenigsfeldt naar Berezov (Zie Le Petit Cuistre #13 - 21 maart 2006) werd vermeld dat de doorgang van Mercurius in Berezov plaats greep op 22 april 1740. Dit verschil in tijd is een gevolg van het feit dat in Rusland de Juliaanse (en niet de Gregoriaanse) kalender in voege was.

Naar Inhoudstafel

Reis naar Beresov (1740) Delisle en Koenigsfeld – 1-ste vervolg

Omstreeks middernacht komen Delisle en Koenigsfeldt terug van hun uitstap naar Schorkaskoy-Pogost. Het is bijna zo licht als op volle dag ; op deze geografische breedte verdwijnt de zon immers nauwelijks onder de horizon.

De volgende dag kruisen ze een boot die beladen is met handelswaren uit Tobolsk. Op de boot bevindt zich de vrouw van de geodeet Kasimirov. Ze gaat haar man bezoeken in Berezov. Omstreeks het middaguur kunnen ze vanop een afstand van vijftien verst, op de westelijke oever van de Ob-rivier, het klooster Ketskoi-Monastir onderscheiden. Het is windstil en Koenigsfeld en nog enkele anderen maken hiervan gebruik om er met de sloep naartoe te roeien. Ze worden er door de prior vriendelijk onthaald en kopen van hem meerdere pelzen, waaronder een aantal zibelinen-pelsjes. De man begeleidt hen nadien naar de boot een vaart en eindje mee, tot aan een mys, een soort kaap, die de Ob er heeft gevomd en waar ze omheen moeten. Dat verplicht hen de boot met koorden een stuk voort te trekken. Ze bevinden zich nu honderd zeventig verst van Berezov.

Om tien uur ‘s avond komen ze aan de jurten van Kurmusuganski voorbij. In maart, op de heenreis naar Berezov hadden ze er van de Ostiaks pantoffels, pijlen en bogen, en nog een aantal andere benodigdheden gekocht. Die bewoners zijn er nu niet, want die zijn vertrokken naar de zomerjurten, op jacht in de naburige wouden en op visvangst op de Ob. Omstreeks middernacht krijgen ze het bezoek van enkele van hen in hun bootjes. Ze bieden de reizigers verschillende soorten levende vissen aan. Een aantal bacun-vissen worden van hen gekocht.

Koenigsfeld vermeldt hier dat de Ob op 3 verst van Ketskoi-Monastir, in het midden van de stroom, bezaaid is met kleine eilandjes. Die komen niet voor op de kaart die ze in Tobolsk hebben gekregen. Enkele van die eilandjes zijn volmaakt rond van vorm met een omtrek van ongeveer 5 verst. Één ervan is bedekt met Talnik-bomen. Het uitbundige groen van het gebladerte maakt op de reizigers een sterke indruk. Koeningfeld beleeft er veel genoegen in en stelt het eiland voor als één grote grasmat van 3 verst lang. Zo slaagt de Natuur erin in onbergzame landen en op plekken waar men niets bijzonders verwacht mooie landschappen te creëren, die in pracht huns gelijke niet vinden in onze landen.

Gedurende de nacht van 28 mei, in de buurt van de grote Jar, nadert het schip te dicht de sterk afhellende oever en loopt het op een klip. De schok die men hierbij ervaart doet eenieder bevreesd opkijken. De Kozakken slagen er echter snel in, met lange stokken, voorzien van haken, het schip los te rukken van de klip. Op 29 mei komen ze voorbij de monding van een brede rivier, de Wochlin, die vanuit het noorden door het land der Ostiaks stroomt en zich hier in de Ob werpt. Voorheen waren ze een klein eilandje voorbijgevaren met een drietal jurten die de Ostiaks in de zomer gebruiken voor de visvangst. Koenigsfeld is er met een sloep heengeroeid om er van de Ostiaks wat kleding en vishuiden te kopen. In de namiddag wordt het plotseling zeer koud ; een schrale noorderwind verplicht eenieder pelskleding op te zoeken. Maar ook de volgende dag, alhoewel het practisch windstil is, wordt het ondragelijk koud.

Men vaart nu pal in oostelijke richting. Niettegenstaande de sterke stroming van de rivier vordert men maar heel langzaam. Op 30 mei, omstreeks acht uur ‘s morgens, zijn ze in de buurt van Kalpatzki. Het voorgebergte strekt zich uit over een afstand van 7 verst en is bedekt met hoge bomen. Die hadden ze al, vanop grote afstand (35 verst), als een blauwe schijn aan de horizon ontwaard. Ook nabij de samenvloeiïing van de Irtish met de Ob is het voorgebergte, dat zich hier in noord-oostelijke richting uitstrekt, met veel hoge bomen bedekt.

jurten_Trojetski.jpg
De jurten van Trojetski.jpg

Het mooie weer nodigt de sterrenkundigen uit om, met een viertal soldaten, een uitstap met een sloep te ondernemen naar de jurten van Trojetski. Die bevinden zich op een afstand van 25 verst in westelijke richting. De boot zal op hen wachten. In de buurt van die jurten, op de oever van een zijriviertje van de Ob, bevindt zich een kerkje. De priester van het plaatsje ontvangt hen met veel genegenheid en schenkt hen een aantal sterlets en wat melk. Door het vallen van de avond kunnen de sterrenkundigen niet lang genieten van het gezang van de vogels, dat in deze streken buitengewoon mooi en zeer afwisselend klinkt. Koenigsfeld, die een jachtgeweer bij zich heeft, vergenoegt er zich mee aan aantal vogels af te schieten, omwille van het kleurrijk gevederte. De uiteinden van die veren zijn van een intens groene kleur, de veren zelf safier-blauw en helrood. Hij doodt ook nog enkele wilde eenden, een kleinere soort die de Ostiaks Loohe noemen. Vleugels en rug zijn van een intens glazuur-blauwe kleur. De buik is roodachtig. Boven op de kop onderscheidt men een ovale blauwe vlek en op de hals, links en rechts, een rode stip. Vanaf de nek tot aan de onderbuik loopt een potlooddunne zilveren streep die aan het geheel een bijzonder mooi effect verleent.

De westelijke oever van de Ob is er vlak en bedekt met dicht bij elkaar staande hoge bomen, waartussen men af en toe een hoge ceder bemerkt. De reizigers gaan terug aan boord van hun schip omstreeks 3 uur ’s morgens en zetten de reis onmiddellijk verder ; maar dat gebeurt maar stapvoets, want de wind waait nu uit tegengestelde richting. Op een 25-tal verst van de monding van de Irtish in de Ob geraken ze in een stroomversnelling, de Irtish stroomt er met grote snelheid. De wind is ondertussen in sterkte toegenomen en het schip wordt de speelbal van de golven. Om nog niet meer achteruit gedreven te worden zijn ze verplicht het anker uit te werpen… Na een acht- tot negental uur gewacht te hebben is de wind voldoende in kracht afgenomen en kan het anker opnieuw gelicht worden. De tocht wordt nu verder gezet met de hulp van roeispanen. De loods vreest echter dat ze door de kracht van de stroming de monding met de Irtish zullen missen. Maar een viertal Ostiaks die ze uit Trojetski hebben meegebracht hebben veel ervaring met de toestand van de rivier en met hun kano’s leiden ze de boot tot in de monding van de Irtish. Elk jaar opnieuw, tijdens het smelten van de sneeuw en het ijs, verlegt de rivier zijn bedding. Nadien weet men niet meer waar zich de vaargeul bevindt. Het ene jaar kan de rivier zich in noord-oostlijke richting hebben verplaatst, het andere jaar in noord-westelijke richting, of gewoonweg zijn oorspronkelijke bedding behouden, pal in noordelijke richting… De Irtish verkruimelt daarbij één van de oevers en vult tegelijkertijd de andere oever op met het afgebroken materiaal. Door die jaarlijkse veranderingen zijn de loodsen zeer verveeld wanneer ze vanuit de Ob de Irtish moeten opvaren.

cederappel.jpg
Een cederappel

Diezelfde dag heeft een soldaat van de bemanning een drietal cedervruchten weten te bemachtigen en die geeft hij nu aan Koenigsfeld. Hij heeft er zeer hoog voor in een cederboom moeten klimmen. Voor het risico, dat hij heeft genomen, wordt hij bedankt met een maatje jenever, waarmee hij erg tevreden is. Een cederappel meet ongeveer een tien- tot twaalftal lijnen (oude Franse maat) en dikwijls zelfs nog meer. De pitten die de vrucht bevat zijn als koffiebonen met echter een aangenamere smaak als die van amandelen.

‘s Avonds worden de reizigers gehinderd door zwermen kleine vliegjes. Die zijn zo talrijk dat de lucht er als het ware mee verduisterd wordt om er zich van te verlossen branden ze buskruit. Diezelfde nacht varen ze voorbij een mooi eiland van een vierhonderdtal voet omtrek. De oever is er zeer drassig. Het eiland is bedekt met prachtige bomen die zich weerspiegelen in het wateroppervlak, een wonderlijk schouwsepl voor het oog.

De eerste Juni in de namiddag varen ze een riviertje op dat in verbinding met de Irtish staat. Van hieruit zien ze de samenvloeiïng van de Irtish met de Ob als één grote wateroppervlak. Met de telescoop echter zien ze goed de westelijke oever van de de Ob en de monding van de Irtish in de Ob. De linkeroever van het riviertje –waarop ze varen– is begroeid met vele Talnikbomen, die door de schoonheid van het gebladerte een lust voor het oog zijn. De rechteroever is bedekt met zeer hoog kruidgewas met daartussen een aantal bomen. Hoewel het riviertje niet breder is dan de Kleine Neva in St. Petersburg komt het de reizigers voor dat zij één van de mooiste waterwegen op aarde bevaren.

Gedurende de nacht van 2 Juni verlaten ze het riviertje en komen opnieuw terecht op de Irtish. Om acht uur ‘s morgens bemerken ze op een afstand van vijf verst het Samarov-gebergte. De voet van het gebergte kunnen ze echter niet onderscheiden doordat het voorgebergte van de Irtish het gezicht daarvan belet. Diezelfde dag, omstreeks het middaguur, bereiken ze het stadje Samarowski-Jam, waar ze er opnieuw Mr. Fisher ontmoeten, op weg via de Ob om er de geleerden Gmelin en Muller te vervoegen.

In de namiddag brengen Delisle en Koenigsfeld hun sterrenkundige instrumenten van boord. Nadien zoeken ze een geschikte plaats op een berg in de buurt van het stadje, om er een sterrenwacht op te richten. Diezelfde avond al meet Delisle enkele hoogten van de zon. De volgende morgen zetten de twee geleerden hun waarnemingen voort en bepalen tevens de ware tijd van het stadje (op het middaguur). Op 3 Juni wordt opnieuw de hoogte van de zon gemeten (37° 25′ 30″). Door berekening volgt hieruit een poolhoogte gelijk aan 60° 56′ 15″, wat tevens de noordelijke breedte weergeeft van Samarovski-Jam. Ze hadden ook nog graag, omstreeks middernacht, de hoogte van de ster Arcturus willen meten ; maar de hemel was bedekt met wolken en het zag er duidelijk naar uit dat het ging regenen. Er werd dus afgezien van die belangrijke meting. Ze besluiten de volgende dag (4 Juni) hun reis voort te zetten. Het instrumentarium wordt terug aan boord gebracht en er worden ook nog enkele inkopen gedaan. Nadat ze afscheid hebben genomen van Mr. Fisher, die ook die avond zou vertrekken, gaan ze terug aan boord van hun schip.

Op 6 Juni breekt er een afschuwelijk onweer los. Regenbuien, ijzelvlagen, bliksemschichten en donderslagen wisselen erkaar af. Het onweer duurt de hele dag en nog de nacht daarop. De hemel is bedekt met grote bruine wolken en kleurt de waterspiegel onheilspellend donker. Maar af en toe lijkt het wel of de reizigers op een zee van vuur varen, doordat de bliksem zich op het wateroppervlak weerspiegelt, een schouwspel dat niet te vergelijken is met een onweer boven land. Diezelfde avond kruisen ze een schip dat op weg is naar Tomsk, in noordoostelijke richting. Het vaandel is wit, rood en blauw, de kleuren van de Siberische handelaars.

Twee dagen later, omstreeks zes uur ‘s avonds komen ze in de buurt van de nederzetting Kalpatsky-Jurti en omdat ze zich vlak bij de oever bevinden verlaten ze de boot en maken een wandeling in het groen over een afstand van zowat vier verst. Om bij de jurten te geraken moeten ze een rivier over. Daaroe kunnen ze gebruik maken van een kano van de Ostiaks en ze worden één voor één overgezet. Het bootje is zeer licht en kan zonder moeite door één enkele man meerdere verst ver gedragen worden. Een van de leden van het gezelschap doet het wankele schuitje kantelen en valt in het water. Nog vlak bij de oever trachten de Ostiaks hem uit het water te trekken. De rivier stroomt er echter zeer snel, doordat er meerdere riviertjes samenvloeien, en de arme man wordt wel 15 voet door de stroming verder gesleurd. Het gehele gezelschap bezoekt nadien de nederzetting waar ze zeer vriendelijk worden onthaald door de Ostiaks. Die blijken hier heel wat beschaafder te zijn dan hun stamgenoten op de oevers van de Ob.

Terwijl ze er nog altijd zijn, zien ze plotseling in het westen een reuzegrote grijze oosterse arend, die zich op een jonge wilde eend stort, het arme diertje met zijn goudkleurige klauwen grijpt en er zich mee in de lucht verheft. De geleerden beginnen te roepen en te tieren en in hun handen te klappen, opdat de arend zijn prooi zou loslaten ; maar die trekt er zich niets van aan en vervolgt zijn vlucht boven de Irtish in oostelijke richting. Weldra verliest men de vogel uit het oog. Jonge eenden zijn er zo tam dat het volstaat om de kreet van het volwassen dier na te bootsen om ze te lokken, zodat men ze met de hand kan grijpen.

In de namiddag van 10 Juni zijn de reizigers in de buurt van Seineikowi-Jurti. Ze bemerken er een tweetal bewerkte boomstammen waarop een aantal namen zijn gebeiteld. Het blijken de namen te zijn van personen die hier verdronken zijn, enkele in mei en een aantal in juli 1739. Op die plaats stroomt de Irtish zo snel dat men hem voor een bergrivier zou kunnen houden die zich van één of ander rots naar beneden werpt.

Gedurende de nacht van de volgende dag komen ze voorbij de monding van de Staroi rivier, die in het land van de Ostiaks ontspringt op een dertigtal verst van de Irtish. Anderen menen dat de rivier uit de Irtish is ontstaan en een boog beschrijft van zowat 30 verst lengte en dan weer in de Irtish stroomt. Beide mondingen bevinden zich op een afstand van 5 verst van elkaar. Op de oever van de rivier ziet men nog de ruïnen van een nederzetting die de bewoners hebben verlaten. Ze ondervonden te veel hinder van de wilde dieren die het vee verscheurden, omdat de Ostiaks ze niet meer wilden voerderen met gevogelte en vis.

Vertaling naar het Nederlands door Eric W. Elst.

Naar Inhoudstafel

Condorcet et le Despotisme

Lorsqu’il fait paraître cette brochure, en cette fin d’année 1788, ce n’est pas tant le despotisme de la monarchie absolue que dénonce Condorcet que celui des privilégiés. Le sujet qui passionne les esprits, à ce moment, est la réunion prochaine des États généraux et surtout la forme que celle-ci prendra : celle de 1614, par ordre séparé, qui favorise clergé et noblesse, ou celle qui accorde à tous, Tiers État compris, le vote par tête.

Aussi, Condorcet insiste-t-il bien davantage sur ce qu’il appelle le despotisme indirect, c’est-à-dire celui qu’exercent une ou plusieurs classes de citoyens :

  1. Celui du corps législatif, lorsque la représentation du peuple cesse d’être réelle ou devient trop inégale…
  2. Celui du gouvernement.
  3. Le despotisme du clergé et le pouvoir des prêtres.
  4. Le despotisme judiciaire très-dangereux, s’il existe un très grand nombre de gens attachés aux tribunaux, et ayant le privilège exclusif d’y remplir les fonctions d’avocats, de procureurs.
  5. Celui de l’armée.
  6. Le despotisme des financiers et des banques qui s’exerce lorsque les gouvernements recourent systématiquement aux emprunts.
  7. Celui de la populace, enfin, d’autant plus grand que celle-ci est ignorante et peu instruite.

Il propose plusieurs solutions générales ou particulières. Si celles visant à se protéger du despotisme du gouvernement et du corps législatif ne sont guère convaincantes, ses réflexions sur la liberté de culte comme de n’en suivre aucun, la liberté de la presse, l’éducation publique, sur la forme des tribunaux et des gens ayant le privilège d’y remplir les fonctions, sur la façon dont les gouvernements se mettent sous la dépendance des financiers par des emprunts inconséquents restent actuelles.

Il souligne la nécessité d’une déclaration des droits, bien complète, dont il publiera un projet l’année suivante. Notons (§ XIX) qu’il considère l’inégalité des richesses comme une simple conséquence du droit naturel de propriété, puisque ce droit renferme par conséquent le droit de les accumuler indéfiniment. De même, le droit d’égalité n’est pas blessé, si les propriétaires seuls jouissent du droit de cité, parce qu’eux seuls possèdent le territoire, le suffrage sera donc censitaire. Il se ralliera plus tard au suffrage universel.

II s’oppose aussi (§ XXI) aux impôts indirects, qui, par leur nature, sont inégalement répartis, et ne peuvent exister sans une violation plus ou moins directe de la liberté de la personne et des biens, de même qu’à l'établissement de taxes pour le payement des frais de culte.

Convenons que nous sommes encore loin d’avoir éliminé les inégalités générées par les despotismes indirects encore bien présents au sein des démocraties occidentales.

Marquis.

Naar Inhoudstafel

Idées sur le despotisme à l’usage de ceux qui prononcent ce mot sans l’entendre (1788)

I.

Despotisme vient du mot δεσπότης, qui signifie maître. Il y a despotisme toutes les fois que les hommes ont des maîtres, c’est-à-dire sont soumis à la volonté arbitraire d’autres hommes.

II.

Le despotisme d’un seul homme est un être de raison ; mais le despotisme du petit nombre sur le grand nombre est très-commun, et il a deux causes : la facilité que le petit nombre a de se réunir, et ses richesses, avec lesquelles il peut acheter d’autres forces.

Si on examine l’histoire des pays où l’on s’est imaginé avoir trouvé le despotisme d’un seul, on verra toujours une classe d’hommes ou plusieurs corps qui partagent avec lui sa puissance. En Turquie, les janissaires et la tribu des gens de loi ; à Rome, les gardes prétoriennes et les douze armées établies sur les frontières ; en France, les douze parlements ; en Prusse, l’armée ; en Russie, les régiments des gardes et les grands [1].

III.

Il y a deux sortes de despotisme qu’on pourrait appeler de droit et de fait, si le mot de droit pouvait s’unir à celui de despotisme, mais que j’appellerai despotisme direct et despotisme indirect. Le despotisme direct a lieu dans tous les pays où les représentants des citoyens n’exercent pas le droit négatif le plus étendu, et n’ont pas des moyens suffisants pour faire réformer les lois qu’ils jugent contraires à la raison et à la justice. Le despotisme indirect existe lorsque, malgré le vœu de la loi, la représentation n’est ni égale, ni réelle, ou lorsqu’on est assujetti à une autorité qui n’est pas établie par la loi. Ainsi, en Angleterre, par exemple, on trouvera que le despotisme direct existe, puisque le droit négatif du roi et de la chambre des pairs ne laisse à la nation aucun moyen légal de révoquer une mauvaise loi ; que les représentants du peuple n’ont, pour obtenir cette réforme, que des moyens indirects qui blessent également la raison, la dignité nationale et l’ordre public. Mais l’Angleterre est surtout soumise au despotisme indirect, parce que la chambre des communes qui devrait, par la loi, représenter la nation, ne la représente pas dans la réalité ; qu’elle n’est qu’un corps aristocratique dont quarante ou cinquante personnes, soit ministres, soit pairs, soit membres des communes, dictent les résolutions.

IV.

Ces deux genres de despotisme sont presque toujours réunis. En Turquie, on est soumis au despotisme direct du sultan et du corps des gens de loi, dont il est obligé, au moins par l’usage, de prendre l’avis, et même, dans certains cas, d’obtenir l’autorisation, et qui, ayant d’ailleurs l’autorité d’interpréter les lois civiles, sont les vrais législateurs ; mais le despotisme des janissaires n’est qu’indirect. Ce n’est pas en vertu d’une loi expresse, d’un usage consacré, que le sultan est obligé de céder à leur volonté. Dans certains pays, la populace de la capitale exerce un despotisme indirect ; dans quelques autres, les chefs de la nation se sont mis dans la dépendance des gens à argent ; les opérations du gouvernement dépendent de la facilité d’obtenir d’eux des fonds d’avance ; ils forcent de choisir les ministres qui leur conviennent, et alors le peuple est soumis au despotisme des banquiers.

Tous ces pouvoirs, soit directs, soit indirects, forment dans les divers pays un corps de citoyens dont la volonté arbitraire commande au reste de la nation ; et souvent, au milieu de tant de maîtres, elle ne sait pas à qui elle obéit.

V.

Quelques écrivains, soit de bonne foi, soit parce qu’ils étaient ou espéraient devenir membres de la partie dominante, ont honoré du nom de liberté l’anarchie produite par la discorde entre les divers pouvoirs ; ils ont appelé équilibre l’espèce d’inertie pour le bien encore plus que pour le mal où chacun de ces pouvoirs se trouve réduit par leur résistance mutuelle ; mais il aurait fallu ajouter alors que la nation est le point d’appui qui supporte l’effort des deux puissances opposées.

Pour réfuter cet absurde système, nous nous bornerons à une réflexion : un esclave qui aurait deux maîtres, souvent divisés entre eux, cesserait-il d’être esclave ? Serait-il plus heureux que s’il avait un seul maître ?

VI.

Il est plus facile de libérer une nation du despotisme direct que du despotisme indirect ; elle voit le premier, et elle souffre du second sans le savoir, souvent même en regardant ceux qui l’exercent comme ses protecteurs.

D’ailleurs, les moyens de prévenir le despotisme direct sont bien plus simples. Qu’aucune loi ne puisse être faite, aucun impôt accordé sans le consentement des représentants du peuple ; qu’aucune loi nouvelle qui serait nécessaire pour établir la jouissance des droits naturels de l’homme dans toute leur étendue, aucune réforme des anciennes lois, ne puissent être refusées, si elles sont demandées par les mêmes représentants de la nation ou par un autre corps également représentatif : alors le despotisme direct sera détruit. En Angleterre, comme nous l’avons déjà dit, il n’existe aucun moyen légal d’établir une loi nouvelle, d’en détruire une ancienne ; la nation n’a qu’un moyen indirect, celui d’y forcer par son refus de consentir à d’autres mesures les deux autres parties de la puissance législative ; et c’est un grand vice que toute nation sage aura soin d’éviter dans sa constitution. Ce vice n’existe pas dans les États-Unis : leur puissance législative est divisée en plusieurs corps, mais en plusieurs corps de représentants du peuple, qui, sous une forme plus ou moins compliquée, plus ou moins bonne, ont le pouvoir de changer les lois nuisibles. Ainsi, le despotisme direct existe en Angleterre, et n’existe pas en Amérique.

VII.

Le despotisme indirect peut être celui du corps même législatif, du gouvernement, de certains corps de citoyens, des ministres de la religion, des tribunaux et des gens de loi, de l’armée, des gens d’affaires et de la populace. Nous allons exposer les moyens de prévenir ces différents despotismes.

VIII.

Celui du corps législatif a lieu lorsque la représentation du peuple cesse d’être réelle ou devient trop inégale ; on préviendra ce danger en veillant sur la composition des lois qui prescrivent la forme suivant laquelle on doit élire les représentants, et qui fixent les divisions du territoire auxquelles on attribue le droit d’en élire un ou plusieurs, et en assurant en même temps à la nation un moyen légal de changer ces formes et ces divisions, au bout d’un temps marqué, assez long pour ne pas rendre ces changements trop fréquents, mais assez court pour que le désordre ne puisse faire des progrès qui le rendent difficile à détruire.

IX.

On s’opposera efficacement au despotisme du gouvernement, toutes les fois qu’on rendra indépendantes de sa volonté la réunion et la durée de l’assemblée des représentants de la nation, toutes les fois que les impôts ne pourront être levés que par le consentement de cette assemblée. En Angleterre, où le parlement ne s’assemble que par la volonté du roi, on a cru remédier à ce vice de la constitution en établissant l’usage de n’accorder que pour une année une partie des impôts. Ce moyen ne doit pas être imité ; c’est sur le besoin réel de l’État que les impôts doivent être réglés, et leur durée doit être fixée d’après celle du besoin. Mais on parviendra au même but en faisant dépendre de chaque assemblée représentative, non l’établissement de l’impôt, mais l’ordre de le lever et de le verser dans telle ou telle caisse, d’en ordonner la disposition. Par ce moyen, les opérations de finance auront la consistance nécessaire, sans qu’il puisse en résulter aucune atteinte à la liberté.

X.

Toutes les fois qu’une certaine classe de citoyens possède des privilèges honorifiques ou profitables, qu’elle est appelée exclusivement à certaines places, que ces places sont le seul chemin de toutes les dignités, de tous les emplois importants, il est aisé de voir que cette classe dominera dans le corps représentatif, et que l’égalité de la représentation n’y subsistera que de nom. Ce mal deviendra bien plus sensible, si cette classe de citoyens se recrute continuellement par l’admission de toutes les familles qui se sont enrichies, ou ont pu échapper à l’exclusion prononcée contre la classe inférieure. Le seul remède à ce despotisme est de ne laisser subsister entre les citoyens aucune distinction, ni dans les lois civiles ou criminelles, ni dans la contribution aux charges publiques, ni dans l’admission aux places, aux emplois ; en sorte qu’il n’existe que l’inégalité d’opinion ou de fortune, qui ne sont, dans la réalité, ni moins naturelles, ni plus injustes, ni plus dangereuses (si les lois sont raisonnables), que l’inégalité de talent ou de force. Toute nation où il existe un généalogiste légalement établi, ne peut être une nation libre.

XI.

Le pouvoir des prêtres, qui n’est fondé que sur l’opinion ; et la liberté absolue du culte et de la presse, en est le seul remède. Dans les pays livrés à l’ignorance, ce despotisme est celui des prêtres mêmes ; c’est devant eux que la nation courbe la tête : tel fût leur pouvoir en Europe jusqu’à la fin du seizième siècle, temps où les yeux des laïques commencèrent à s’ouvrir. Chez les nations éclairées, ce despotisme se confond avec celui de la populace. Nulle part, en Europe, excepté peut-être dans quelques républiques suisses, le despotisme du clergé seul n’est à craindre, mais il le devient quand il se réunit à celui des grands ; c’est ce qu’on voit aujourd’hui dans les Pays-Bas, et ce qu’on a vu en France pendant l’assemblée des notables.

Dans les pays où la religion est libre, la division des prêtres en plusieurs sectes diminue leur crédit ; et dans ceux où la presse est libre, ce n’est plus des prêtres seuls que la populace reçoit ses opinions ; d’ailleurs, la crainte de passer pour des sots ou pour des hypocrites empêche les grands de se réunir aux prêtres. On peut objecter l’exemple de l’Angleterre. Mais, 1° en Angleterre, la presse n’est pas libre sur les objets de religion. 2° La liberté de culte n’y est pas établie. 3° L’Angleterre est en général gouvernée par des partis, par des associations de gens accrédités, et ces partis conservent soigneusement le fanatisme comme un instrument dont chacun espère se servir à son tour ; aussi à peine est-il attaqué par un d’eux, que les autres s’empressent de la protéger.

XII.

Le despotisme des tribunaux est le plus odieux de tous, parce qu’ils emploient pour le soutenir et l’exercer l’arme la plus respectable, la loi. Dans tout pays où il existe des tribunaux perpétuels dont les membres ne sont pas élus par les justiciables, et pour un temps seulement ; dans tout pays où la justice civile est réunie à la justice criminelle, il ne peut y avoir de liberté, parce que le concert de ces tribunaux avec le chef de l’armée suffit pour établir le despotisme. Il est bien plus inévitable encore, si ces tribunaux ont quelque part à la puissance législative, s'ils forment un corps entre eux, si leurs membres sont jugés par eux-mêmes. Le chef de l’armée est alors obligé de les ménager, parce que sans eux il ne peut exercer une autorité absolue que par une violence toujours dangereuse. Ils sont en même temps intéressés à flatter ou à soutenir son pouvoir, et par crainte, et parce qu’ils ne peuvent espérer que les citoyens, s’ils étaient libres, consentissent à être soumis au despotisme judiciaire, suite nécessaire de cette forme de tribunaux, parce que ce despotisme pèse sur chaque individu à tous les instants, et s’étend sur toutes les actions, sur tous les intérêts.

Si, par la complication des lois et celle des formes, il existe un très-grand nombre de gens attachés aux tribunaux, et ayant le privilège exclusif d’y remplir les fonctions d’avocats, de procureurs, ou s’il est difficile de les remplacer, parce qu’ils sont instruits d’une routine inconnue aux autres citoyens, la suspension absolue de toute justice, qui peut être également causée par le refus des tribunaux, ou par celui de ces praticiens, donne au despotisme judiciaire une forme très-dangereuse.

Dans les pays où les mœurs sont douces, le despotisme du gouvernement, celui du chef de l’armée ne peut être ni sanglant, ni cruel ; le despotisme judiciaire l’est toujours, parce qu’il peut déployer toute la rigueur des lois, et que les tribunaux ont soin de conserver des lois féroces, même quand les mœurs se sont adoucies.

Puisque l’on connaît les causes de ce despotisme, on en voit aisément les remèdes. Si les juges sont élus à temps par les justiciables, si les tribunaux civils sont séparés des tribunaux criminels, si les juges sont strictement obligés de suivre la lettre de la loi, si des tribunaux d’un autre ordre, également élus, sont institués pour punir les prévarications des juges, si la fonction de défendre les causes devant les tribunaux est absolument libre, si les associations particulières que ceux qui se livrent à cette fonction voudraient former, au lieu d’être favorisées, sont déclarées contraires aux intérêts des citoyens (car il serait injuste de les défendre), alors le despotisme des tribunaux ne sera plus à craindre.

XIII.

Les Européens modernes ont trouvé le moyen de se mettre à l’abri du despotisme de l’armée, en la divisant en régiments, en la distribuant dans un grand nombre de garnisons, en ne donnant point de chefs perpétuels aux divisions formées de plusieurs régiments. Aussi, depuis cette institution, aucune armée n’a-t-elle ni troublé la tranquillité de l’État, ni exercé aucun despotisme, soit sur le prince, chef de l’armée, soit sur les citoyens. Il faut excepter la Russie, où les régiments des gardes ont trop de prépondérance ; et il faudrait peut-être excepter aussi la Prusse, si la garnison de la résidence royale reste très forte, et que le roi ne soit pas un homme de guerre. Le seul moyen d’exposer les États de l’Europe à ce despotisme de l’armée, auquel les autres parties de l’ancien monde sont assujetties, et qui y empêche les progrès de la civilisation, serait de dégoûter les troupes de l’obéissance passive à leurs chefs, obéissance qui ne doit avoir pour bornes que le droit naturel et une loi positive, et d’inspirer aux chefs, aux officiers des corps et, par une suite nécessaire, aux soldats, l’idée qu’ils peuvent se rendre juges de la légitimité des ordres qu’ils reçoivent. L’obéissance passive est dangereuse pour la liberté publique ; le refus arbitraire d’obéissance le deviendrait davantage. Pour éviter à la fois l’un et l’autre de ces maux, il faut régler par une loi les limites du pouvoir militaire, employé à maintenir la tranquillité publique et à soutenir l’exécution des lois, des jugements, des actes du gouvernement. Cette loi existe en Angleterre : c’est une sage institution qu’il faut imiter, en se rappelant surtout qu’imiter n’est pas copier.

XIV.

Les gouvernements de l’Europe ont senti que l’impossibilité de faire la guerre longtemps avec les revenus ordinaires de l’État ou par des impositions extraordinaires, ne leur permettrait pas de se livrer à cette activité inquiète qui, depuis le XVe siècle, est devenue une maladie politique presque générale. On imagina d’abord, pour y suppléer, la vente des charges, des traités de finances portant l’aliénation à temps de certains droits, enfin des emprunts directs. Par ce moyen, on avait les capitaux à sa disposition, et les intérêts étaient payés par des impôts ou par des droits. La ressource des emprunts aurait été très-bornée, si l’on n’avait eu pour les remplir que les capitaux destinés à être placés dans ces emprunts, et surtout elle aurait été très-lente. Mais il se présentait deux ressources : l’une d’emprunter de compagnies de finances dont les membres se chargeaient alors d’avancer l’argent, ou se donnaient des soins pour en trouver dans leurs familles dans leur société, dans les gens d’affaires liés avec eux ; l’autre de vendre l’emprunt à des banquiers ou commerçants en argent, qui le revendaient ensuite ou en faisaient un objet de spéculation. Ces deux ressources s’achetaient ou par un intérêt plus fort, ou dans le premier cas par la cession de quelques droits, une tolérance plus grande de quelques abus, ou même seulement par la solidité des places dont ces emprunts rendaient le remboursement plus difficile. Alors ces ressources n’eurent plus de bornes ; et malheureusement on s’accoutuma peu à peu à les regarder comme certaines, à en faire dépendre le succès des entreprises les plus importantes, et dans des circonstances difficiles, des payements même nécessaires pour acquitter des anciens intérêts, remplir des engagements, faire face aux dépenses publiques. Mais dès lors on se mit dans la dépendance de ceux qui pouvaient faire ces avances ; on fût obligé, dans la législation des impôts ou du commerce, dans les opérations politiques, de ménager leurs intérêts, leurs préjugés, leurs passions ; et il fallut les ajouter aux classes de citoyens qui exercent sur le peuple un véritable despotisme. C’est ainsi qu’en Angleterre ils ont usurpé sur la nation la souveraineté de l’Inde, que jusqu’ici on n’a pu leur enlever ; qu’ils ont fait préférer les plans de M. Pitt, dictés par eux, à ceux de M. Fox et du comte de Stanhope. Combien ne citerait-on pas de ministres dont ils ont précipité la chute, ou qu’ils ont forcé d’employer ? En France, ils obligèrent le gouvernement de priver de sa liberté l’auteur de la Théorie de l’Impôt, et sa naissance, sa fortune, sa réputation personnelle ne purent le mettre à l’abri de leur haine obscure. Ils obligèrent à la banqueroute de 1770 l’abbé Terrai, qui n’imagina que cette ressource pour se délivrer de leur empire, fit beaucoup de mauvaises opérations pour s’y soustraire et finit par s’y soumettre. Celle de 1788 a eu la même cause.

Il n’est que deux moyens pour détruire ce despotisme, qui menace de devenir chaque jour plus dangereux et plus insupportable. Le premier est dans une législation qui, proscrivant toutes les formes vicieuses d’impôts et laissant une liberté entière au commerce, tarirait la source des grandes fortunes de finances et de banque, diminuerait les profits de ce dernier genre de commerce, et les diviserait en un plus grand nombre de mains. Le second est de changer la forme des emprunts, en chargeant, lorsqu’ils ont été consentis par la nation, ou l’assemblée qui la représente, ou celles qui représentent chaque province, de faire elles-mêmes l’emprunt dont elles payeraient les intérêts, qu’elles rembourseraient par des deniers laissés entre leurs mains, sans que la destination en pût être détournée ; de chercher, au lieu d’emprunts chers qui n’ont besoin que d’une demi confiance, des emprunts dont une confiance durable, alors bien fondée, et les avantages de leur forme, seraient la seule séduction ; de joindre à chaque emprunt l’énonciation du véritable taux de l’intérêt, et la preuve que les fonds assignés pour l’acquitter sont réellement suffisants ; de tenir toujours ouverts des emprunts à un taux inférieur à celui des anciens emprunts dont les fonds seront employer à les rembourser ; d’éviter soigneusement toutes les opérations de finances, tous les établissements qui produisent des mouvements d’actions, et par une suite nécessaire, des associations entre les gens d’affaires ; de chercher enfin à dissiper les ténèbres dont ils ont couvert un petit art très peu compliqué, qui n’a d’importance et ne peut devenir dangereux qu’autant qu’il est peu connu.

XV.

Le despotisme de la populace est à craindre dans tous les États où il existe de grandes capitales et de grandes villes de commerce. Mais il est moins un despotisme en lui-même que l’agent d’un autre pouvoir, si on en excepte celui qu’exerce la populace, en forçant à taxer les denrées destinées à sa subsistance et à se conformer à ses préjugés dans les lois sur le commerce de ces denrées. Encore celui-là même n’existe-t-il que par l’utilité qu’espèrent en tirer quelques-uns des autres pouvoirs despotiques qui pèsent sur une nation, ou les différents partis qui partagent ces pouvoirs. Dans les autres circonstances, la populace n’emploie son despotisme que pour soutenir des préjugés religieux, pour maintenir l’autorité de certains corps particuliers qu’elle a pris sous sa protection, ou dont l’existence enrichit une telle ville, pour défendre certaines opinions populaires utiles à quelques classes de citoyens et nuisibles au reste ; enfin, par humeur contre des hommes puissants qu’on a su lui rendre odieux. Quelque dangereux que soit ce despotisme, on ne voit nulle part les autres pouvoirs se concerter pour le détruire ; c’est une ressource que ceux qui sont les plus faibles veulent se ménager. En Angleterre, la chambre des communes aime mieux laisser subsister une foule de lois ridicules et injustes, mais qui seraient protégées par la populace, que des chercher les moyens de détruire cette influence qui corrompt la législation. C’est la populace qui a privé la Hollande de liberté, en rétablissant le stadhouderat en 1777. C’est elle qui, au lieu de corriger l’aristocratie tyrannique du Danemark, y a introduit le despotisme du prince, c’est-à-dire, le despotisme de la cour, des prêtres, des gens de loi ; c’est le despotisme de la populace de Constantinople qui a détruit l’empire grec, autant que le fer des barbares et les querelles théologiques. On sait que ce despotisme est aussi absurde dans ses projets que barbare dans ses moyens, puisqu’il est exercé par la partie de chaque nation la plus ignorante et la plus corrompue après les ambitieux qui s’en servent. Mais qu’est-ce qui rend dangereux la populace d’une grande ville ? C’est la faciliter de la réunir, c’est son ignorance et sa férocité ; c’est donc en attaquant ces trois causes qu’on peut en prévenir les effets.

Il n’y a que deux moyens de prévenir la facilité de réunir la populace : le premier est la liberté entière de l’industrie et du commerce, qui d’abord augmenterait le nombre du peuple en diminuant celui de la populace, affaiblirait l’union particulière des ouvriers attachés à telle ou telle corporation, à tel lieu privilégié, diminuerait enfin l’aversion que la classe la plus pauvre, vexée par les lois des maîtrises, contracte pour la police. Le second moyen serait de diviser chaque grande ville en quartiers, qui pourraient s’assembler pour leurs intérêts communs, suivant une forme régulière, et de faire les dernières subdivisions assez petites. les petites assemblées de citoyens réunis sans distinction de rang ou de profession, sont en général le seul moyen juste et en même temps le plus sûr d’empêcher les associations spontanées de troubler la tranquillité publique.

Pour diminuer l’ignorance, il faut rendre la liberté à la presse, et multiplier des secours bien dirigés d’éducation publique. Ces secours manquent au peuple dans presque tous les pays où, dirigées par les ministres de la religion, les institutions se bornent à faire entrer dans l’esprit du peuple les idées propres à maintenir la puissance sacerdotale. La liberté de la presse est encore un moyen de diminuer l’ignorance et les préjugés du peuple, non en l’instruisant immédiatement, mais en répandant les lumières dans la classe supérieure la plus voisine, et surtout en empêchant les gens intéressés à tromper le peuple, de l’entretenir dans ses préjugés. Il est rare, quand il se soulève, que ce ne soit pas contre ses véritables intérêts ; on en pourrait citer des exemples anciens ou récents. La férocité naît de l’ignorance, de la misère, de la dureté des lois criminelles, de l’insolence des classes privilégiées ; et dès lors, on voit comment la détruire.

XVI.

Ces simples observations suffisent pour montrer combien ceux qui croient qu’ils détruiraient réellement le despotisme en détruisant les ordres arbitraires du gouvernement, sont éloignés de connaître toute l’étendue de ce fléau. En parlant toujours de poids à opposer à ce despotisme, ils oublient que lui-même sert de contrepoids aux autres, et que, pour être conséquents, ils devaient en désirer la conservation.

XVII.

Il ne faut pas confondre le despotisme avec la tyrannie. On doit entendre par ce mot toute violation du droit des hommes, faite par la loi au nom de la puissance publique. Elle peut exister même indépendamment du despotisme. Le despotisme est l'usage ou l'abus d'un pouvoir illégitime, d'un pouvoir qui n'émane point de la nation ou des représentants de la nation ; la tyrannie est la violation d'un droit naturel exercé par un pouvoir légitime ou illégitime.

Supposons dans le XIVe, le XVe, le XVIe, et même le XVIIe siècle, une république très-bien ordonnée, où les représentants du peuple eussent pu également s’opposer à l’établissement des lois nouvelles, et forcer à la réforme des anciennes ; supposons qu’aucun des pouvoirs établis par ces lois n'eût pu ni les violer, ni exercer sur les représentants du peuple une force qui gênât leur liberté, on n’en aurait pas moins fait dans cette république des lois pénales contre les hérétiques ; ce qu’on nomme sacrilège ou blasphème y aurait été mis au rang des crimes capitaux. Dans ces siècles, et même dans celui-ci, on aurait gêné l’industrie et le commerce par des lois prohibitives. On aurait établi des impôts indirects et créé des délits qu’il aurait fallu prévenir par des lois tyranniques. Il n’y eût pas eu de despotisme, la tyrannie eût été à son comble.

XVIII.

Le seul moyen de prévenir la tyrannie, c’est-à-dire, la violation des droits des hommes, est de réunir tous ces droits dans une déclaration, de les y exposer avec clarté dans un grand détail, de publier cette déclaration avec solennité, en y établissant que la puissance législative ne pourra, sous quelque forme qu’elle soit instituée, rien ordonner de contraire à aucun de ces articles.

Il faut en même temps établir une forme légale, d’après laquelle on puisse ajouter à cette déclaration de nouveaux articles, parce que plus les lumières feront de progrès, plus les hommes connaîtront l’étendue de leurs droits, plus ils en sauront distinguer de conséquences évidentes. Or, plus une déclaration des droits sera étendue, plus non-seulement la jouissance de ceux qu’elle renferme sera certaine ; mais plus aussi on verra diminuer le nombre et la complication des lois, et plus on verra disparaître ces dispositions arbitraires qui les défigurent chez toutes les nations ; mais il faut de plus qu’il existe une forme légale pour retrancher des articles de cette déclaration, parce que l’erreur, même en faveur des droits des hommes, peut être nuisible. La forme pour ajouter un article doit être telle, qu’on soit sûr de l’ajouter, pour peu qu’il soit vraisemblable que ce droit soit réel ; mais pour en retrancher un, la forme doit être telle, que l’évidence seule et la nécessité puissent obtenir un vœu en faveur de cette suppression. Sans une telle précaution, quelque forme que l’on donne à la constitution, les citoyens ne seront point à l’abri de la tyrannie ; elle sera établie par un pouvoir légitime, mais elle n’en sera pas moins une tyrannie, comme un jugement injuste n’en est pas moins injuste, quoique rendu suivant les formes légales

XIX.

Les droits naturels de l’homme sont : 1° la sûreté et la liberté se sa personne ; 2° la sûreté et la liberté de ses propriétés ; 3° l’égalité.

Le dernier de ces droits a seul besoin d’être expliqué. L’égalité que le droit naturel exige entre les hommes, exclut toute inégalité qui n'est pas une suite nécessaire de la nature des hommes et des choses, et qui, par conséquent, serait l’ouvrage arbitraire des institutions sociales. Ainsi, par exemple, l’inégalité des richesses n'est pas contraire au droit naturel ; elle est une suite nécessaire du droit de propriété, puisque ce droit renfermant l’usage libre de la propriété, renferme par conséquent le droit de les accumuler indéfiniment. Mais cette inégalité deviendrait contraire au droit naturel, si elle était l’ouvrage d’une loi positive, telle que la loi qui accorde aux aînés une portion plus grande, celle qui établit des substitutions, etc. Ainsi, la supériorité qu’un homme chargé d’une telle fonction a sur ceux qui lui sont subordonnés par la nature de cette fonction, n’est pas contraire au droit naturel, parce qu’elle dérive de la nécessité que certains hommes exercent cette autorité, et que d’autres y obéissent. Mais cette supériorité devient contraire au droit, si on la rend héréditaire, si elle s’étend au-delà de ce qui est nécessaire pour que ces fonctions soient bien exercées. Le droit d’égalité n’est pas blessé, si les propriétaires seuls jouissent du droit de cité, parce qu’eux seuls possèdent le territoire, parce que leur consentement seul donne le droit d’y habiter ; mais il est blessé, si le droit de cité est partagé inégalement entre différentes classes de propriétaires, parce qu’une telle distinction ne naît pas de la nature des choses.

XX.

Les droits naturels de l’homme sont connus en général de tous ceux qui ont l’esprit droit et l’âme élevée, mais peu de gens en embrassent toute l’étendue ; peu se sont élevés à une assez grande hauteur pour apercevoir toutes les conséquences de ces droits.

Une déclaration des droits, bien complète, serait un ouvrage utile au genre humain ; mais on ne trouverait peut-être pas un seul peuple, même parmi ceux qui haïssent le plus la tyrannie, auquel on pût la faire adopter tout entière, tant l’habitude a familiarisé l’homme avec ses chaînes.

XXI.

La première déclaration de droits qui en mérité véritablement le nom, est celle de Virginie, arrêtée le 1er juin 1776 ; et l’auteur de cet ouvrage a des droits à la reconnaissance éternelle du genre humain. Six autres États d'Amérique ont suivi l’exemple de la Virginie.

Mais aucune de ces déclarations de droits ne peut être regardée comme complète : 1° Aucune ne renferme l’énonciation des limites de la puissance souveraine, relativement à la punition des crimes. Or, il est évident que la puissance législative n’a pas le droit d’ériger en crimes des actions qui ne sont pas une lésion directe, immédiate et grave des droits, soit de l’individu, soit de la société.

2° Aucune ne renferme l’énonciation des limites de la puissance législative, ni relativement aux lois civiles, ni relativement aux lois de police.

3° Une seule déclare contraire au droit naturel toute capitation, tout impôt portant sur les pauvres (expression qui annonce des connaissances approfondies de cet objet), mais aucune n’exclut les impôts indirects, qui, par leur nature, sont inégalement répartis, et ne peuvent exister sans une violation plus ou moins directe de la liberté de la personne et des biens, et sans une introduction de délits arbitraires.

4° Si quelques-unes proscrivent tout privilège exclusif, aucune ne place au rang des droits naturels la liberté que doit conserver tout homme de faire de ses forces et de ses biens l’usage qu'il lui plaît, tant qu’il ne nuit pas au droit des hommes ; liberté qui suppose la liberté indéfinie de l’industrie et du commerce.

5° Quelques-unes autorisent l’établissement de taxes pour le payement des frais de culte, applicables, il est vrai, à tel ou tel culte, suivant la volonté du contribuable ; mais toute taxe de cette espèce est contraire au droit des hommes, qui doivent conserver la liberté de ne payer aucun culte, comme de n’en suivre aucun.

6° On y a placé généralement le droit de ne pouvoir être condamné que par un jury unanime. Or, il n’est pas prouvé, 1° que cette unanimité, exigée suivant la forme anglaise, donne une plus grande probabilité de la vérité du jugement qu’une pluralité immédiate de huit, de dix juges. 2° Il n’est pas prouvé non plus que des jurés soient des juges du fait plus dignes de confiance que des hommes choisis par les citoyens parmi ceux qui ont la plus grande réputation de lumières et de probité, et choisis pour remplir cette fonction pendant un espace de temps plus ou moins long.

Le choix entre ces différentes méthodes n’est pas une question de droit, mais une question de raisonnement. La puissance législative doit avoir l’autorité d’établir la forme qui lui paraît la plus propre à maintenir la sûreté personnelle, et l’on doit, dans une déclaration de droits, exclure ce qui leur serait contraire, et non prescrire un choix entre les divers moyens qui les maintiennent également.

Ainsi, par exemple, toute nomination de juges ou jurés autrement que par l’élection des justiciables, toute institution d’un tribunal perpétuel se recrutant lui-même, ou nommé par un corps de citoyens ou par un magistrat suprême, etc., doivent être proscrites par une déclaration de droits.

7° Dans plusieurs de ces déclarations, on exempte du service militaire forcé ceux qui, par raison de conscience, ne se croient pas permis de porter les armes. C’est ici un privilège accordé aux gens qui professent une certaine opinion, et par conséquent une violation du droit général. Le principe qui ferait respecter la conscience particulière dans ce qui serait vraiment du ressort des lois, n’est qu'un encouragement au fanatisme. Il ne serait pas juste de forcer au service un homme dont les soins seraient indispensables à sa famille, et d’en exempter un Quaker ou tel autre sectaire. Mais l’exemption générale de tout service militaire forcé doit faire partie d’une déclaration de droits. L’appel au service doit être libre, et la punition du refus est la honte attachée partout à la poltronnerie. L’opinion prononcerait alors seule sur le motif légitime ou non légitime du refus.

XXII.

Le meilleur moyen d'obtenir une déclaration de droit bien complète serait d'encourager les hommes éclairés à en dresser séparément un modèle. En comparant entre eux ces différents ouvrages, non seulement on jugerait de l'ordre plus ou moins méthodique dans lequel les droits seraient exposés, de la clarté plus ou moins grande du style ; mais on connaîtrait tout ce que ces différents citoyens regardent comme faisant partie des droits de l'homme, et ce serait le moyen le plus sûr de les connaître tous, non pas peut-être dans leur étendue réelle et absolue, mais dans l'étendue où l'état actuel des lumières permet de les porter.

Chaque rédacteur se bornerait à exposer les droits avec des motifs simples, exposés en peu de mots, comme on le voit dans la déclaration de Virginie. Mais, sur les droits qu'on peut regarder comme douteux, ils pourraient, dans des notes séparées, se livrer à des discussions plus étendues.

La difficulté de reconnaître tous les droits de l'homme, de les exposer avec clarté et méthode, n'est pas la seule que représente un ouvrage de ce genre ; il doit être fait de manière qu'en évitant la prolixité et les détails minutieux, chaque droit soit tellement exposé, que toute violation grave de ce droit soit évidente, susceptible d'une démonstration simple, et à la portée de tous les esprits.

Il faudrait encore avoir soin de séparer ce qui est la partie essentielle de chaque article, ce qui énonce le droit, des motifs qui le font regarder comme faisant partie des droits naturels de l'homme. Enfin, cette énonciation devrait être telle, qu'après avoir formé, par la comparaison de ces différentes esquisses, une liste complète de ce qu'on regarde comme faisant partie de ces droits, on pût faire délibérer une grande assemblée par oui ou non sur ceux qu’elle croit devoir être compris dans une déclaration des droits, ou qu'elle juge soit chimériques, soit exagérés.

Il serait à désirer que ces esquisses fussent rendues publiques par la voie de l'impression ; il y aurait en cela un double avantage, celui de les soumettre à la censure de tous les citoyens, et de profiter des lumières qui en peuvent naître, et celui de pouvoir dire qu'on n'a négligé d'examiner aucun des droits qu'un seul des membres de l'État aurait pu vouloir réclamer, puisque ce serait alors (vu cette publicité) par le fait de sa seule volonté, que tel droit qu'il croit réel, n'aurait pas été soumis à la discussion.

Plus une déclaration des droits sera étendue et complète, plus elle sera claire et précise ; plus la nation qui l'aura reconnue, qui y sera attachée par principe, par opinion, sera sûre d'être à l'abri de toute tyrannie ; car toute tyrannie qui attaquerait évidemment un de ces droits, verrait s'élever contre elle une opinion générale.

XXIII.

Un autre avantage d'une déclaration des droits est d'assurer la tranquillité générale : une nation armée de ce bouclier cesse de s'inquiéter de toutes les innovations, n'a plus de prétexte pour s'offenser de celles qui sont utiles, ne se laisse plus si aisément tromper par les défenseurs des abus qu'on veut détruire, ne prend plus pour ses droits des privilèges contraires à ces droits mêmes, des institutions opposées à ses intérêts. N'a-t-on pas vu le peuple des Pays-Bas se soulever pour la conservation de quelques séminaires ou de quelques couvents ? d'autres pays regarder comme faisant partie de leurs franchises, ici la conservation d'une aristocratie tyrannique, là la constitution des tribunaux incompatible avec la jouissance de leurs véritables droits ? Une déclaration des droits est donc à la fois la sauvegarde de la tranquillité comme celle de la liberté publique.

Marie Jean Antoine Nicolas Caritat, Marquis de Condorcet.


  1. Ce n’est pas qu’un conquérant, un grand général, un tel roi ne puisse être réellement le seul maître, comme souvent dans une démocratie un homme par son ascendant sur le peuple exerce seul l’autorité ; mais il ne peut être question ici que de l’état habituel, et non de l’influence personnelle de certains individus.
    L’autorité du chef sur son armée ne fait pas qu’il soit seul despote. Le bey d’Alger peut faire couper la tête aux officiers de ses troupes ; mais il est forcé de se conformer aux préjugés, aux prétentions, aux caprices de la milice.

Transcription originale du texte disponible en images sur le site Gallica de la BNF. Elle est également présente sur Wikisource.

Transcription © 2006 Marquis & Holbach Foundation under the terms of the GNU Free Documentation License.

Naar Inhoudstafel

De psycho-analyse, een wapen tegen het obscurantisme

In 1936 schreef Thomas Mann :

“Eens zullen wij in het werk van Freud een nieuwe antropologie erkennen, de hoeksteen van een gebouw, waarvoor nu de stenen worden bijeengebracht en dat als woonst zal dienen voor een wijzere en vrijere mensheid.”

Wie was Sigmund Freud en wat is psycho-analyse ? We laten die vragen voor wat ze zijn en beperken ons hier tot de filosoof Freud, die zich ondermeer gedachten heeft gemaakt over de mens en zijn godsdienstige overtuigingen.

Hiervoor komen een viertal van zijn werken in aanmerking :

  1. Totem en Taboe (1914)
  2. Toekomst van een Illusie (1927)
  3. Onbehagen in de Kultuur (1930)
  4. Mozes en het Monotheïsme (1938)

In zijn inleiding tot De toekomst van een Illusie (1927) schrijft de literator Peter Gay [1] (1988, p. 3) :

“Sigmund Freud had altijd al wetenschappelijke belangstelling voor het fenomeen religie. Tijdens de jaren van vriendschap met Carl Jung stelde hij deze op de hoogte van zijn grote ontdekking, dat godsdienst kan herleid worden tot de vroege hulpeloosheid van het kind. In Totem en Taboe (1914) gaf hij een aanvullende interpretatie van de herkomst van het religieuse ritueel. Hiervoor deed hij beroep op het door hem eveneens ontdekte Oedipus-complex [2]…”

Freud1907.jpg
Sigmund Freud (1907)

In een korte briljante studie “Zwangshandlungen und Religionsübungen” (1907) wees Sigmund Freud op de overeenkomst tussen de rituelen van dwangneurotici en die van de gelovigen : Gezien deze gelijkenissen en analogieën kan men wagen de dwangneurose te zien als pathologische pendant van het ontstaan van een godsdienst, de neurose te beschrijven als een individuele godsdienst en de religie als een universele dwangneurose.

Gay bemerkt hierbij : dat zijn krasse woorden, maar Freud bedoelde ze nochtans letterlijk. Freud werd immers gedreven door een principiële, uiterst agressieve, antireligieuse levensvisie –te vergelijken met de afkeer voor godsdienst van de encyclopedisten d’Alembert en Diderot–. Freud zag, als een typische nazaat van de Verlichting, de geschiedenis van de mensheid als één grote oorlog tussen wetenschap en godsdienst, en hij verwierp alle compromissen tussen beide strijdende partijen. Vanaf het begin heeft Freud zich afgevraagd, of zijn onderzoekingen van nut zouden kunnen voor het beter begrijpen van de mensheid. Daarop meende hij te mogen antwoorden dat zijn inzichten een psychologische basis vormden voor een beter begrip van het individu, tot welke laag van de maatschappij het nu ook behoort. Hiermee bedoelde hij echter niet dat de psycho-analyse een laatste antwoord gaf op de mens en zijn gedragingen. In “Totem en Taboe”, schreef hij immers nog :

“Zo moet men niet vrezen dat de psycho-analyse een ingewikkeld fenomeen als religie tot één bron tracht te herleiden. Alleen een verregaande synthese van de resultaten die ons de veschillende onderzoeksrichtingen bezorgen, zal kunnen aantonen welk relatief belang we moeten hechten aan het mechanisme, dat we thans bij de genese van een religie hebben gevonden.”

Hij was er zich dus wel terdege van bewust dat bij het tot stand komen van een religie meerdere mechanismen meespeelden, maar eenmaal men met een religie te doen had, dan kenmerkte die zich door typische dwangneurotische handelingen.

De ondertitel van “Totem en Taboe” luidt als volgt : “Enkele punten van gelijkenis tussen het geestesleven van primitieven en dat van neurotici”. Hieruit blijkt duidelijk de thesis van het werk. Daarop zou men onmiddellijk kunnen bemerken : met zulk een allusie op zijn geestesleven zal geen enkele primitief gelukkig zijn. Freud bedoelde dat echter niet degraderend, maar zag in de handelingen van zekere primitieve volkeren een overeenkomst met het gestoorde geestesleven van een neuroticus, en duidde dit als een terugval op oorspronkelijke belevenissen die niet verwerkt waren. Waar de primitief zeker dingen niet kon begrijpen, omdat ze voor hem werkelijk onbegrijpelijk waren, wilde de neuroticus zekere dingen niet begrijpen, omdat hij ze naar zijn onbewuste had verdrongen, en er dus blijkbaar geen vat meer op had.

Het eerste deel van “Totem en Taboe” handelt over de angst voor incest bij primitieve volkeren en op welke wijze zij hier maatregelen voor treffen, opdat het niet tot sexuele betrekkingen zou komen tussen leden van de eenzelfde stam [3]. In engere zin worden geen huwelijken toegelaten tussen personen die tot eenzelfde totem behoren. De totem wordt gesymboliseerd door een dier waarop niet gejaagd mag worden –dus zeker niet gedood–, want het wordt beschouwd als drager van de geest van de stam. Eenmaal in het jaar mag het dier echter wel gedood worden, tijdens een ritueel gebeuren. Het wordt nadien door de gehele stam opgegeten, waardoor hij zich de symbolische eigenschappen toeëigent van de totem[4].

In het tweede onderdeel De totem en de ambivalentie van de gevoelens vestigt Freud de aandacht op een merkwaardige overeenkomst die er bestaat tussen de religieuse handelingen in het totemisme en het dwangmatig gedrag van neurotici. Hij was hiervan zo overtuigd dat hij meende, dat de westerse beschaving de benaming dwangneurose niet had hoeven uit te vinden, want het zou voldoende geweest zijn dit ziektebeeld met taboe-neurose te omschrijven. Het betreft hier een systeem van rituele boetedoening die het schuldgevoel van de zondaars die het incestverbod hebben overtreden moet overkomen. Dwangneurotici typeren zich door een niet aflatende strijd tegen incestueuze gevoelens en agressie; religieuze praktijken bieden gelijkaardig weerstand aan de angst ten onder te gaan aan het collectieve schuldgevoel van de groep, als een gevolg van het verlangen naar agressie en sexuele vrijheid. De voorbeelden die Freud hiervoor uit zijn praktijk haalt zijn verbluffend [5]. De ambivalentie van het gevoel zorgt daarbij dat af en toe het verbod kan overtreden worden [6]. Was dat nog niet voldoende om hun schuldgevoel kwijt te geraken, dat werd alle schuld geprojecteerd [7] op een zogenaamde zondebok. Die werd dan buiten het dorp gevoerd en ter plaatse afgemaakt. Vermelden we terloops dat het collectief bewustzijn van de stam geprojekteerd werd in het totemdier. Hierdoor werd het 364 dagen per jaar beschermd, maar op de 365-ste dag moest het sterven. De stam had zich gedurende het voorbij jaar met teveel schuld beladen.

Hoezeer Freud ook de overeenkomst tussen totem/taboe-gedrag en neurotisch gedrag onderstreepte, hij wees echter ook op het essentiëel verschil dat tussen beiden bestaat. Neurotisch gedrag wordt door de maatschappij afgekeurd, omdat het in verband staat met de sexuele angst van slechts een enkel individu. Een taboe wordt door de maatschappij goedgekeurd, omdat het teruggevoerd kan worden op een sexueel verbod dat door meerdere individuen (de maatschappij) is uitgevaardigd.

Animisme, magie en almacht van ideeën heet het derde gedeelte waarmee Sigmund Freud een theorie opstelde over de evolutie van de gedachten, die de mens heeft gemaakt over het heelal. Hij stelt daarbij eerst een animistische faze voor, die gevolgd wordt door een religieuze, om tenslotte af te sluiten met een wetenschappelijke faze. Freud verklaart deze verschillende fazen in funktie van de almacht van gedachten : Als men aan iets denkt, bijvoorbeeld het gaat regenen, dan heeft die gedachte meer kans dat zij zich zal verwezenlijken dan wanneer men daar niet zou aan denken [8]. Het blijkt nu dat de idee van de almacht van gedachten een wezenlijk gedeelte uitmaakt in de filosofie van primitieve volkeren. Maar die almacht bevreest hen. Daarom wordt die kracht overgeheveld naar zogenaamde goden van de stam. De idee van de almacht van gedachten blijft dus behouden maar ligt nu bij de goden (genese van het religieuze).

Tenslotte moet die almacht wijken voor de opkomst van de wetenschap. De mens gaat nu direct met de realiteit om –door middel van het objektief onderzoek– en gelooft niet meer in magie. De idee van almacht vindt men alleen nog maar terug in sprookjes, in dromen en bij neurotici. Godsdienst is voor Freud dan ook maar een overblijfsel van tribale neurose.

Het laatste gedeelte handelt over Terugkeer naar het totemisme. Hierin herneemt Freud gedeeltelijk het tema dat hij reeds behandeld heeft in het eerste gedeelte van zijn “Totem en Taboe”. Daarbij vertrekt hij van de hypothese van Charles Darwin die stelde dat de oorspronkelijke mens in kleinere gemeenschappen samenleefde. De kudde werd geleid door een vader met vele vrouwen en een groot aantal kinderen. De jongere mannen werden daarbij regelmatig uit de stam verjaagd. Een toestand, die zowel voor de jongere vrouwen als de jongere mannen niet aangenaam was ; want geen van beide groepen kwam zo aan zijn trekken –de jongere vrouwen werden gedurigaan gekonfronteerd met één en dezelfde oudere man, terwijl de jongere mannen er maar moesten op hopen een weggelopen gezellin te vinden–.

Tot zover de visie van Darwin. Freud stelt nu dat op een gegeven ogenblik de jongere mannen dit niet meer namen. Ze planden dus hun vader uit de weg te ruimen, om op die wijze bezit te kunnen nemen van de vrouwen van de stam. Maar die moord zou geleid hebben tot een verschrikkelijk schuldgevoel, waarvoor boete moest worden gedaan. Daarom werd aan de totem van de stam de eigenschappen toegekend van de vermoorde vader. Elk jaar opnieuw werd aan de moord herinnerd door het totemdier te doden. Dat hield de leden van de stam, nu verbonden door een gemeenschappelijk schuldgevoel, innig tesamen. De waren de vrouwen niet meer bezit van uitsluitend een man. Het incestverbod zorgde daarvoor dat interfamiliale huwelijken uitgesloten waren. Dit verbod (taboe) werd hen als het ware opgedrongen door de totem. Priesters zouden er later wel voor zorgen dat de herinnering aan de moord levendig bleef. Ziedaar hoe Freud het basisgegeven zag van alle godsdiensten [9]. Natuurlijk is het waarheidsgehalte van zulk een theorie niet meer te achterhalen –de feiten ontbreken–, tenzij men in de dierenwereld gelijkaardige handelingen zou kunnen aantonen. Daarbij moet men niet op een schuldgevoel van een dier hopen. Zo iets –psychologisch– kan eerst maar optreden als de mens voldoende is geëvolueerd uit zijn dierlijke staat. Feit is wel dat Freud hier een zeer goede beschrijving geeft van wat er gebeurt tijdens rituele feesten (Pasen). Hier ook wordt herinnerd aan de moord van het totemdier (het paaslam=de Christus), terwijl men vervolgens het offer –in de vorm van brood en wijn– verorbert [10]. Vermelden we tenslotte nog, zonder in detail te treden, dat Freud het begin van religie, van moraal, van maatschappij en de kunst herleidde tot één en hetzelfde gegeven, nl het Oedipus-komplex. Hij besluit zijn onderzoek met :

“Is het niet wonderlijk dat de psychische problemen van de volkeren kunnen opgelost worden door uit te gaan van één enkel beginsel : namelijk de houding ten overstaan van de vader.”

“Totem en Taboe” werd gepubliceerd in 1914, bij het begin van de eerste wereldoorlog. Daardoor kreeg het minder belangstelling ; maar ook later werd het werk niet bepaald populair, alhoewel het hier gaat, naar alle waarschijnlijkheid, om één van zijn origineelste en vruchtbaarste onderzoekingen.

In 1927 komt Freud terug op het thema religie, dat ondertussen voor hem van grote betekenis was geworden. Hij schrijft daarom een korte monografie waarvan de titel luidt “Toekomst van een Illusie” (1927), die gevolgd wordt, ongeveer drie jaar later, door “Het Onbehagen in de Kultuur” (1930). In beide werken verwerpt Freud de idee van een god, en beschouwt het als een illusie, die door de mensheid werd gecreëerd als een zekerheid, nadat de bescherming van de vader is weggevallen [11]. Hieruit zou men kunnen besluiten dat Freud van zijn oorspronkelijke inzichten die hij belicht heeft in “Totem en Taboe” afstapt. Laten we daarom Freud zelf aan het woord wanneer men hem hierover interpelleert [12] (De draagbare Freud, Prometheus-Amsterdam 1991, in de vertaling van Tinke Davids, blz 189 en volgende) :

“U hebt de oorsprong van de religie al eens eerder behandeld, in uw boek Totem en Taboe. Maar daar zag het er anders uit. Alles was de verhouding van vader en zoon, God was de verheven vader, het verlangen naar de vader was de oorzaak van de religieuze behoefte. Sindsdien schijnt u de factor van de menselijke onmacht en hulpeloosheid te hebben ontdekt, waar inderdaad algemeen de grootste rol bij het ontstaan van godsdienst wordt toegeschreven, en nu schrijft u alles wat vroeger vadercomplex was, toe aan hulpeloosheid ?”

“In Totem en Taboe was het niet mijn bedoeling het ontstaan van godsdiensten te verklaren, maar alleen dat van het totemisme. Kunt u, vanuit enig standpunt dat u bekend is, verklaren dat de eerste vorm waarin de beschermende godheid zich aan de mensheid openbaarde, die van een dier was, dat er een verbod bestond dat specifieke dier te doden en te eten, en dat er niettemin een rituele gewoonte was het eenmaal per jaar gezamelijk te doden en eten ? Dat is namelijk wat er in het totemisme gebeurt. En het heeft eigenlijk geen zin te twisten over de vraag of men totemisme een godsdienst mag noemen. Het heeft innige relaties met de latere godenreligies, de totemdieren veranderen in de heilige dieren van de goden. En de eerste, maar de meest fundamentele zedelijke verboden –de verboden op moord en incest– zijn ontstaan binnen het totemisme… De vraag waarom de dierlijke god op de duur niet genoeg was en door de menselijke werd opgevolgd, is in Totem en Taboe nauwelijks behandeld, andere problemen van godsdienstvorming worden daar in het geheel niet genoemd…

Laten we ons nu verplaatsen naar het psychisch leven van het kleine kind. U herinnert zich de objectkeuze volgens het gehechtsheidstype, waarvan de analyse spreekt ? De libido volgt de wegen van de narcistische behoeften en hecht zich aan de objecten die de bevrediging daarvan garanderen. Zo verandert de moeder, die de honger stilt, in het eerste liefdesobject en zeer zeker ook in de eerste bescherming tegen al die onbestemde gevaren die in de buitenwereld dreigen –zij wordt de eerste bescherming tegen de angst, mogen we zeggen. In deze funktie wordt de moeder spoedig vervangen door de sterkere vader, die deze positie gedurende de rest van de kindertijd behoudt. De relatie met de vader wordt echter gekenmerkt door een eigenaardige ambivalentie. Hij was zelf een gevaar geweest, misschien vanuit de vroegere relatie van het kind met de moeder. Daarom vreest het kind hem evenzeer als het naar hem verlangt en hem bewondert. De tekenen van deze ambivalentie in de relatie met de vader zijn diep doorgedrongen in alle godsdiensten, zoals ook uiteengezet wordt in Totem en Taboe. Wanneer het opgroeiende kind nu merkt dat het voorbestemd is voor altijd een kind te blijven, dat het nooit zal kunnen leven zonder bescherming tegen vreemde overmacht, schenkt het die macht de kenmerken van zijn vader ; het individu creëert de goden voor wie het bang is, die het gunstig tracht te stemmen en aan wie het niettemin zijn bescherming opdraagt.”

Op deze hypothese bouwt Freud nu verder, waarbij hij godsdienst als een illusie beschouwt, waaraan men niet zou mogen toegeven. Van de andere kant bemerkt hij, met een zekere droefheid : “dat de mensheid nog niet gereed is om zich te bevrijden van dit bijgeloof”. Het zou zelfs kunnen zijn, dat de verering van een godheid en het geloof in een absoluut systeem, een noodzakelijke fictie is voor de mensheid, opdat die zich aan zekere regels zou houden, totdat zij wijs genoeg geworden is om deze illusie af te stoten [13].

Freud onderzoekt vervolgens de psychologische betekenis van de religieuze voorstellingen. Dit zijn leerstellingen, uitspraken over feiten en omstandigheden, van de uitwendige –en innerlijke– werkelijkheid, die iets meedelen wat men niet zelf heeft ontdekt, en waarin men zonder meer moet geloven [14]. Doordat ze ons inlichten over dingen die in het algemeen belangrijk en interessant voor het leven zijn, worden ze bijzonder hoog aangeslagen. Wanneer men echter natrekt waarop dit geloof steunt, krijgt men hierop drie antwoorden, die opvallend slecht bij elkaar passen :

“In de eerste plaats verdienen de leerstellingen geloofd te worden, omdat onze oudste voorvaders er al in hebben geloofd ; ten tweede beschikken we over bewijzen die ons uit de oertijd zijn overgeleverd ; en ten derde is het verboden te vragen naar de herkomst van leerstellingen. [15]

Het derde punt, zegt Freud, moet onze sterkste argwaan wekken :

“Een dergelijk verbod kan toch slechts één motivering hebben, namelijk dat de maatschappij zich er heel goed van bewust is, hoe onzeker de aanspraken van haar religieuze leer zijn. Als dat niet zo was, zou ze ongetwijfeld maar al te bereid zijn eenieder die zelf een overtuiging wil vinden, al het materiaal ter beschikking te stellen.”

Wat de bewijzen betreft, hierop reageert Freud als volgt :

“De bewijzen die zij ons hebben nagelaten, zijn vastgelegd in geschriften die alle kenmerken van onbetrouwbaarheid dragen. Ze wemelen van tegenstrijdigheden, ze zijn bewerkt en vervalst ; en waar ze berichten over feitelijke bevestigingen, blijven ze zelf onbevestigd. Veel helpt het ook niet, wanneer voor de letterlijke tekst, of zelfs alleen voor de inhoud, aanspraak wordt gemaakt op goddelijke openbaring want een dergelijke bewering maakt zelf reeds deel uit van de leerstellingen die op hun geloofwaardigheid getoetst dienen te worden. Er is immers geen stelling die zichzelf kan bewijzen.”

Het is duidelijk dat Freud zich hier nog laat leiden door zijn rationaliteit. Vergeten we niet dat het geschrift tot stand kwam in 1927, in een tijd wanneer stichtelijke publicaties verschenen in de trant van En de Bijbel heeft toch gelijk [16], waarin met rationele argumentatie bepaalde gebeurtenissen van het Oude en Nieuwe Testament op hun waarheidsgehalte werden onderzocht. Natuurlijk heeft Freud gelijk wanneer hij beweert dat de geschriften –de evangeliën enz– wetenschappelijk onbetrouwbaar zijn. Maar dat is nu geen argument meer, daar de hedendaagse theologie alle rationaliteit heeft opgegeven, en alleen nog maar refereert naar geloofsargumentatie (openbaring). Men moet het geloven, want het is het woord van God. En dat laatste is zelf reeds een leerstelling.

Maar het besluit van Freud is desalniettemin even interessant :

“Zo komen we tot de merkwaardige slotsom dat van alle informatie die onze kultuur biedt, juist de elementen die voor ons van het grootste belang zijn, die tot taak hebben de raadsels van de wereld op te lossen en ons te verzoenen met het lijden in het leven, dat juist deze de minste bewijsvoering krijgen.”

De onbewijsbaarheid van de religieuze leerstellingen is in alle tijden aangevoeld, ongetwijfeld ook door de voorvaders die ons deze erfenis hebben nagelaten. Freud vervolgt :

“Waarschijnlijk hebben velen van hen dezelfde twijfels gekoesterd als wij, alleen stonden ze zozeer onder druk dat ze het niet waagden daar iets over te zeggen. En sindsdien hebben ontelbare mensen zich gekweld met dezelfde twijfels, die ze wilden onderdrukken, omdat ze zich verplicht achtten tot geloof ; tal van briljante denkers hebben schipbreuk geleden op dit conflikt, en veel karakters zijn beschadigd door de compromissen waarmee ze een uitweg zochten.”

Freud haalt vervolgens twee pogingen uit het verleden aan, waarin getracht werd aan het probleem van de niet bewijsbaarheid te ontkomen. Daar heeft men een eerste poging van de kerkvaders, met hun Credo quia absurdum. Met deze uitspraak wilden ze aantonen dat de religieuze leer buiten het rijk van de rede valt [17]. Dit credo is echter alleen interessant als persoonlijke belijdenis. Als gezaghebbende uitspraak heeft het geen bindende kracht. Met de woorden van Freud :

“Wanneer de waarheid van de religieuze leerstellingen afhankelijk is van een innerlijke ervaring, wat moet men dan doen met de talloze mensen die een dergelijke zeldzame ervaring niet hebben ? Men kan van alle mensen eisen dat ze gebruik maken van hun verstand, maar men kan geen voor allen geldende verplichting laten steunen op een motief dat slechts bij zeer weinigen bestaat. Wanneer één man uit een aangrijpende extatische ervaring de onwrikbare overtuiging heeft geput dat de religieuze leer waar en echt is, wat heeft dat dan te betekenen voor anderen ?”

Maar men kan ook doen alsof deze religieuze leestellingen waar zijn. In de alsof filosofie gaat men er vanuit dat er in onze denkactiviteit tal van veronderstellingen –ficties– optreden waarvan wij ten volle beseffen dat ze ongegrond en zelfs absurd zijn. Maar om allerlei praktische redenen doen we alsof we in die ficties geloven. Dit zou in het bijzonder gelden voor de religieuze leerstellingen, omdat deze zo belangrijk zijn voor de instandhouding van de menselijke maatschappij. Maar voor Freud is zo een wijze van redeneren onaanvaardbaar :

“Men kan van de mens niet eisen dat hij juist ten aanzien van zijn grootste belangen afstand doet van de garanties die hij voor al zijn gebruikelijke aktiviteiten eist.”

De vraag die Freud zich vervolgens stelt luidt :

“Waar ligt de innerlijke kracht van deze leerstellingen en waaraan ontlenen ze hun werkzaamheid, aangezien deze losstaat van erkenning door het verstand ?”

Zijn antwoord is als volgt : “Het geheim van hun kracht is de kracht van de verlangens” –we noemen dat nu wishfull thinking–. Door de goddelijke voorzienigheid wordt de angst voor de gevaren van het leven gestild. De instelling van een morele wereldorde garandeert de vervulling van de eis van rechtvaardigheid, die dikwijls binnen de menselijke cultuur [18] zo vaak onvervuld is gebleven. De voortzetting van het aardse bestaan in een toekomstig leven levert het locale en temporele kader waarbinnen deze wensvervullingen zich moeten afspelen.

Nu kunnen we ook beter definiëren wat we onder geloof en illusie moeten verstaan. Kenmerkend voor een illusie is dat ze afgeleid wordt uit menselijke verlangens. Een geloof is een illusie wanneer de vervulling van een wens een belangrijke factor voor de motivering is. Daarbij wordt de relatie met de werkelijkheid genegeerd, precies zoals de illusie zelf afziet van verificaties. Illusies hoeven echter niet altijd onjuist te zijn ; dat wil zeggen : niet realiseerbaar of strijdig met de werkelijkheid. Freud geeft hier het voorbeeld van een burgermeisje dat de illusie kostert dat een prins zal komen om met haar te trouwen. Dat is mogelijk, zegt hij, in enkele gevallen is zo iets werkelijkheid geworden. Maar dat de Messias zal komen en een gouden tijdperk zal stichten, is veel minder waarschijnlijk ; of men dit geloof rangschikt als een illusie of als iets dat dicht bij een waanvoorstelling komt, zal afhankelijk zijn van de persoonlijke opstelling. Met het voorbeeld dat Freud geeft in verband met de droom van de alchemisten om metalen in goud te veranderen, ondergraaft hij enigzins zijn visie op de illusie. Want in dit geval werden wetenschappelijke eksperimenten uitgevoerd om na te gaan of zoiets wel mogelijk is. In zekere gevallen wordt een illusie dus wel geverifiëerd. Trouwens Freud refereert zelf naar de scheikunde, die verandering van metalen in goud als niet meer onmogelijk beschouwt. Maar wat religieuze leerstellingen betreft hier is Freud onverbiddelijk :

“Het zijn allemaal illusies, ze zijn onbewijsbaar, en niemand mag gedwongen worden ze voor waar aan te zien en erin te geloven.”

Freud breekt vervolgens een lans voor het wetenschappelijke onderzoek :

“De wetenschappelijke arbeid is voor ons de enige weg die kan leiden tot inzicht in de werkelijkheid buiten ons. Een illusie is het wanneer men iets verwacht van intutie of introspectie ; deze kunnen ons niets anders schenken dan –moeilijk interpreteerbare– ophelderingen van ons psychisch leven, en nooit enige informatie over de problemen waarop de godsdienst zo vlot een antwoord geeft. Wanneer het gaat om kwesties van religie, dan maken de mensen zich schuldig aan alle mogelijke onoprechtheden en intellectueel wangedrag. Filosofen rekken de betekenis van de woorden uit todat ze nauwelijks nog iets van hun oorspronkelijke betekenis bevatten, ze geven de naam God aan een of andere vage abstractie die ze zelf hebben geschapen ; en nadat ze dat gedaan hebben, kunnen ze zich tegenover de wereld voordoen als deïsten, geloven ze in God, kunnen ze zich erop beroemen een hoger, zuiverder Godsbegrip te hebben verworven, hoewel hun God slechts een wezenloze schim is, en niet meer de machtige personlijkheid uit de religieuze leerstellingen. Men noemt nog steeds iemand diep religieus wanneer hij toegeeft te voelen dat de mens onbetekenend is en machteloos staat tegenover de wereld, hoewel een dergelijk gevoel niet het wezen van de religiositeit uitmaakt –dat geldt pas voor de volgende stap, de reactie daarop, die dit gevoel tracht te verdrijven–. Wie niet verder gaat, wie zich deemoedig neerlegt bij de kleine rol die de mens speelt in de grote wereld, zo iemand is pas ongodsdienstig, in de waarste zin van het woord.” (De toekomst van een Illusie, blz.50)

Freud stelt zich nu de vraag of er nog andere culterele verworvenheden zijn die zich als illusies laten rangschikken :

“Zijn de voorwaarden –de wetten– die de goede werking van onze staatsinstellingen regelen misschien ook geen illusies ? En wat met de betrekkingen tussen de sexen in onze cultuur. Worden die niet vertroebeld door erotische illusies ? En wanneer eenmaal ons wantrouwen is gewekt, mogen we ook niet terugschikken voor de vraag, of we door toepassing van waarneming en denken bij wetenschappelijk werk iets te weten kunnen komen van de uitwendige werkelijkheid ?”

Freud wil hier niet op ingaan –te alomvattende taak– en beperkt zich noodgedwongen tot het onderzoek naar de illusie van godsdienst. Maar hij wordt opgeschrikt door een stem die hem verwijt :

“Halt, archeologische belangstelling is natuurlijk prijzenswaardig maar men onderneemt geen opgravingen wanneer men daardoor de woonplaatsen van de levenden ondermijnt. Religieuze leerstellingen zijn niet iets waarover men spitsvondig redeneert. Onze cultuur steunt daarop. Het behoud van onze maatschappij heeft als voorwaarde dat de meerderheid van de mensen gelooft in de waarheid van die leerstellingen. Wanneer men hen gaat inlichten dat er geen god bestaat, geen goddelijke ordening en geen hiernamaals, dan zullen ze zich vrij voelen van elke verplichting tot gehoorzaamheid aan de cultuur-voorschriften.

Iedereen zal ongeremd, vrij van angst en zijn asociale en egostische neigingen volgen. De chaos, die wij in duizenden jaren van culturele arbeid hebben getemd, zal weer losbreken. Ontelbare mensen vinden in de godsdienstleer hun enige troost, kunnen alleen met hulp daarvan het leven verdragen. Men wil hen beroven van die steun, en heeft hen niets beters te bieden in plaats daarvan. Erkend wordt dat de wetenschap momenteel niet veel presteert, maar ook indien ze veel verder was voortgeschreden, zouden de mensen daar niets aan hebben. Het is heel eigenaardig –en zelfs het toppunt van ongerijmdheid wanneer een psycholoog, die altijd benadrukt heeft wat een geringe rol het intellect speelt voor het menselijke leven– vergeleken met het instinctieve levende mensen nu probeert te beroven van een kostbare wensvervulling en hen daarvoor schadeloos wil stellen met intellectueel voedsel.”

Freud antwoordt hierop als volgt :

“Het is gevaarlijker is voor de cultuur (beschaving) wanneer men haar huidige relatie met godsdienst handhaaft dan wanneer men ze opgeeft. Er is geen gevaar dat een vrome gelovige door mijn argumenten overweldigd wordt en zich van zijn geloof laat beroven. Bovendien heb ik niets gezegd wat niet al door andere, betere mannen veel vollediger, overtuigender en indrukwekkender is geformuleerd [20]. De enige die schade kan ondervinden ben ikzelf. Ik zal verwijten te horen krijgen wegens mijn gebrek aan idealisme en begrip voor de hoogste belangen van de mensheid. Maar wat zal ik me dat aantrekken, op mijn ouderdom, wanneer ik met zekerheid weet dat ik spoedig aan elke gunst of afgunst zal zijn onttrokken [21]. In vroegere tijden was het anders, toen kom men er zeker van zijn dat men door uitspraken als de mijne zijn aards bestaan verkortte, en dat men spoedig gelegenheid zou krijgen persoonlijk ervaringen met het hiernamaals op te doen.”

Freud is echter wel bezorgd voor de schade die door dit geschrift aan de psycho-analyse zou kunnen worden toegebracht :

“Geen van de bezwaren die ik hier heb ingebracht tegen de waarheidswaarde van de godsdiensten, had de steun van de psycho-analyse nodig ; alles is reeds door anderen gezegd, lang voordat de psycho-analyse bestond. Ik heb slechts door toepassing van de psycho-analyse een nieuw argument tegen de waarheid van de godsdienst gevonden.”

De godsdienst heeft gedurende meerdere duizenden jaren de menselijke maatschappij beheerst. Men kan niet ontkennen dat zij haar bijdrage heeft geleverd tot het temmen van asociale instincten. Wanneer nu zou blijken dat de mens ook gelukkiger is geworden, dan zou niemand op de idee komen te streven naar een wijziging van de bestaande toestand. Maar wat blijkt ? Het merendeel van de mensheid is niet gelukkig, de cultuur wordt als een juk ondergaan dat moet worden afgeschud. [22] Men zal nu tegenwerpen dat die toestand is ontstaan, doordat de godsdienst een deel van zijn invloed op de massa heeft verloren als gevolg van de vooruitgang van de wetenschap.

Freud gaat hier uiteraard niet mee akkoord :

“Het is twijfelachtig of de mensen toen de godsdienst onbeperkte macht uitoefende gelukkiger waren dan nu. Hun moreel gedrag was zeker niet beter. Religieuze voorschriften werden tot iets uiterlijks gemaakt en de priesters die de gehoorzaamheid aan de godsdienst moesten bewaken kwamen hun daarbij tegemoet. Door middel van offers en boetedoening was men weer vrij van zonde, en kon men opnieuw zondigen. Door dergelijke concessies te doen aan de menselijke instincten hielden de priesters de mensen onder de duim van de godsdienst. Zo mag men zeggen dat in alle tijden de onzedelijkheid evenveel steun bij de godsdienst heeft gevonden als de zedelijkheid.”

Freud vraagt zich dan ook af of het nog zin heeft godsdienst te behouden als men moet toegeven dat de mensheid er niet gelukkiger is op geworden, onafhankelijk van het feit of dat nu een gevolg is van de vooruitgang van de wetenschap of niet. De vervanging van religieuze motieven door andere van wereldse aard zou volgens hem bij het intellect geruisloos verlopen.[23] Anders ziet het eruit voor de grote massa van onontwikkelden en onderdrukten die alle reden hebben cultuurvijandig te zijn. Bij hen bestaat het gevaar dat zij zich tegen hun meesters zullen keren, als er geen instantie meer is die hen dat verbiedt. Freud meent dan ook dat men ofwel die massa zorgvuldig weghoudt van elke mogelijkheid van geestelijk ontwaken –opdat ze zelf niet zouden inzien dat godsdienst een illusie is–, ofwel dat men de relatie tussen cultuur en godsdienst grondig herziet.

Wanneer de cultuur het gebod heeft geformuleerd, dat men zijn naaste niet mag doden –zelfs al zou men hem haten– gebeurde dat omdat anders het bestaan van de mens in gemeenschappen onmogelijk zou worden. De moordenaar zou op zijn beurt getroffen worden door de wraak van de familie van de vermoorde enzovoort. Veronderstellen we nu, zoals de godsdienst het ons voorhoudt, dat dit verbod op moord door God werd uitgevaardigd –het geweten geeft ons dit in of we hebben dit via openbaring rechtstreeks van God vernomen–. De gehoorzaamheid aan dit gebod wordt afhankelijk gemaakt van het geloof in God. Dat houdt natuurlijk een reëel gevaar in. Wanneer immers het geloof in God zou wegvallen, dan zouden de mensen wel eens op de gedachte kunnen komen dat moorden weer mag. Daarom is het ongetwijfeld een voordeel dat we God er maar helemaal buiten laten en eerlijk toegeven dat alle culturele instellingen en voorschriften van zuiver menselijke oorsprong zijn. Freud vat dat als volgt te samen :

“Tegelijkertijd met hun beweerde heiligheid zouden de geboden en wetten hun starheid en onveranderlijkheid verliezen. De mensen zouden kunnen begrijpen dat die geboden en wetten niet zozeer zijn geschapen om hen te overheersen, maar omwille van hun eigen belangen, de mensen zouden er vriendelijker tegenover staan en zich inspannen voor verbetering, niet voor afschaffing ervan. Dit zou een belangrijke stap zijn op de weg die leidt naar verzoening met de last van de cultuur.”

Op deze plaats begint Freud echter te twijfelen in zijn rationalistische benadering van het fenomeen godsdienst :

“Zuiver rationele motieven kunnen zelfs bij de mens van heden weinig uitrichten tegen hartstochtelijke impulsen ; hoeveel machtelozer moeten ze zijn geweest bij het menselijke dier van de oertijd !.”

Freud grijpt nu terug op zijn onderzoekingen in “Totem en Taboe” :

“De moord op de primitieve vader heeft een onweerstaanbare en verstrekkende gevoelsreaktie opgeroepen. Daaruit is het gebod Gij zult niet doden ontstaan. Onder het totemisme bleef dit gebod beperkt tot het surrogaat voor de vader ; later is het uitgebreid tot andere mensen, hoewel het zelfs nu nog geen algemene geldigheid heeft gekregen –volkeren mogen elkaar onder gewisse omstandigheden rustig uitmoorden.”

De oervader is het model voor de godsfiguur zoals die door later generaties is uitgewerkt. De religieuze verklaring heeft gelijk, wanneer ze beweert dat de godsidee heeft meegewerkt aan het ontstaan van dat verbod. Wil dat zeggen dat Freud in tegenspraak met zichzelf komt en zijn rationalistische verklaring laat voor wat zij is ? In geen geval, Freud geeft hier alleen maar te kennen hoe de godsidee tijdens het totemisme tot stand is gekomen ; “het moorden heeft men gelaten, omdat men in gemeenschappen ging leven.”

Religieuze voorstellingen bevatten dus niet alleen wensgedachten, maar verwijzen tevens naar historische herinneringen [24]. Is het door die samenwerking van heden en toekomst dat de godsdienst een onvergelijkelijke macht heeft bekomen ? Daarop maakt Freud een uitstap naar de kinderneurose, en wijst hierin op een overeenkomst met de genese van godsdienst.

“Het blijkt immers dat het kind in zijn prille jeugd een neurotische fase doormaakt. Dat is geheel normaal, want het kind kan allerlei instinctieve eisen, die later in zijn leven onbruikbaar zijn, niet onderdrukken door rationeel denken, maar moet ze temmen door verdringing. De meeste van deze kinderneurosen worden tijdens het opgroeien spontaan verwerkt ; in het bijzonder geldt dit voor de dwangneurosen.”

De mensheid op haar weg naar een culturele samenleving heeft vele instincten moeten verloochenen. Uit reden van onwetendheid en intellectuele zwakheid, heeft zij dit moeten doen met behulp van zuiver affectieve krachten. Het effect van deze op verdringing gelijkende processen zindert nog steeds na. Godsdienst zou dan een algemeen menselijke dwangneurose zijn. Maar volgens Freud zal ook de mensheid tijdens haar groeiproces naar culturele volwassenheid de godsdienstige fase spontaan verwerken. Theodor Reik [25] heeft tot in details de analogie van godsdienst en dwangneurose kunnen doortrekken. Uit het pathologische onderzoek blijkt dat de vrome gelovige in hoge mate beschermd wordt tegen het gevaar van bepaalde neurotische aandoeningen. Zijn algemene neurose –godsdienst– bespaart hem de taak van een persoonlijke neurose te konstrueren. Religieuze leerstellingen zijn dus waardevol voor het historische onderzoek, maar dat belet niet dat we er moeten naar streven ze af te schaffen.

Ze lijken immers op neurotische restanten, en net zoals we bij de neuroticus de effecten van de de verdringing vervangen door de resultaten van het rationele denken, moeten we trachten op een gelijkaardige wijze met deze algemene neurose komaf te maken. Door een rationele motivering van de cultuurvoorschriften zal de verzoening van de mensen met de cultuur in hoge mate worden bevorderd.

Hierop wordt natuurlijk gereageerd :

“Denkt u werkelijk dat de mensheid zonder godsdienst kan ? Men heeft een dergelijke poging, om de godsdienst door de rede te vervangen, al gehad tijdens de Franse Revolutie. Het experiment was van korte duur. We zien nu hetzelfde gebeuren in Rusland en we hoeven niet nieuwsgierig te zijn naar de afloop ervan [26].”

Freud antwoordt hierop :

“Een gelovige heeft bepaalde emotionele banden met de godsdienstleer. Zelfs al neemt hij kennis van de overeenkomst tussen dwangneurose en godsdienst, hierdoor zal hij zich niet van zijn geloof laten afbrengen. De mensen zijn zo weinig toegankelijk voor redelijke argumentatie en worden zo volkomen overheerst door hun instinctieve verlangens, dat het zinloos is hun een instinct-bevrediging af te nemen en deze te willen vervangen door rationele argumenten.”

Freud is er zich van bewust dat als men iets wil veranderen in een bestaande toestand men dit moet trachten te verwezenlijken via de opvoeding van het kind. Dat is ook de reden dat godsdienst zich zo moeilijk laat verwijderen uit het maatschappelijke –culturele– leven :

“De religieuze opvoeding is voor een groot deel schuld aan deze atrofie –het treurige contrast tussen de stralende intelligentie van een gezond kind en de zwakke intellectuele kracht van de gemiddelde volwassene–. Uitstel van de seksuele ontwikkeling en premature godsdienstige beïnvloeding zijn de beide steunpilaren van het programma waarop de moderne pedagogie steunt. Wanneer het denken van het kind ontwaakt zijn de godsdienstige leerstellingen al onaanvechtbaar geworden. Als iemand eenmaal zo ver is gekomen, dat hij alle absurditeiten die de religieuze leerstelligen van hem vergen kritiekloos aanvaardt en zelfs de onderlinge tegenstrijdigheden over het hoofd ziet, hoeven wij niet versteld te staan over zijn zwakke intellectuele vermogens.”

Freud meent dan ook dat het de moeite loont om het experiment van een ongodsdienstige opvoeding te ondernemen. De gelovige zelf laat zijn geloof niet afpakken. En zelfs als het bij enkelen zou lukken, zou het wreed zijn :

“Wie tientallen jaren slaapmiddelen heeft geslikt, kan natuurlijk niet slapen wanneer men hem die pillen afneemt.”

Maar wat met een mensheid die nuchter zal grootgebracht worden ? De mensen zullen hulpeloos zijn en moeten toegeven dat het slechts kleine radertjes zijn in het mechanisme van de wereld. Ze zullen in dezelfde positie verkeren als het kind het ouderlijke huis heeft verlaten, waar het zo warm en behaaglijk was. Maar infantilisme is er om overwonnen te worden.

De mens kan niet eeuwig kind blijven. De “Toekomst van een Illusie” eindigt met een samenspraak tussen een voorstander van de religieuze opvoeding en Sigmund Freud. De tegenstander van Freud tracht nu op zijn beurt de wetenschap (rationaliteit) als een illusie af te doen. Maar Freud antwoordt daarop als volgt :

“De wetenschap heeft ons via talrijke en belangrijke successen bewezen dat ze geen illusie is. Ze heeft veel openlijke en nog meer verkapte vijanden onder degenen die haar niet kunnen vergeven dat ze het religieuze geloof van zijn kracht hebben beroofd en dreigen haar ten val te brengen. De wetenschap is nog erg jong. Een wet waarvan men eerst heeft aangenomen dat ze universeel geldig was, blijkt een speciaal geval van een meer algemene wetmatigheid, of wordt beperkt door een wet die men pas later heeft ontdekt ; een grove benadering van de waarheid wordt vervangen door één die zorgvuldiger is aangepast, en die op haar beurt weer wacht op verdere vervolmaking. Men tracht de wetenschappelijke inspanningen in diskrediet te brengen, door de gedachte dat zij niets anders dan subjektieve resultaten kan opleveren. De werkelijke aard van de dingen buiten ons zouden ontoegankelijk zijn. Maar hier negeert men een aantal factoren die beslissend zijn voor het begrip van ons wetenschappelijk werk. Ons psychisch apparaat is ontwikkeld voor de poging de buitenwereld te doorgronden, het moet dus een zekere doelmatigheid in zijn structuur hebben gerealiseerd. Doordat het zelf een bestandeel van deze wereld is moeten wij het eveneens onderzoeken, en dat onderzoek laat zich uitvoeren. De taak van de wetenschap is volledig omschreven, wanneer deze wordt beperkt tot het aantonen hoe de wereld ons moet voorkomen op basis van dit psychisch apparaat. De uiteindelijke resultaten van de wetenschap worden niet alleen bepaald door het speciale karakter van dit psychisch apparaat, maar ook de wijze waarop dit psychisch apparaat tot stand is gekomen [27]. Tenslotte is een wereld die geen rekening houdt met ons psychisch apparaat een holle abstractie, zonder enig praktisch belang.”

Freud besluit dan ook dat de wetenschap zeker geen illusie is, maar dat het wel een illusie is te geloven, dat wij elders kunnen krijgen wat zij ons niet kan schenken. Hiermee eindigt een schitterend pleidooi om de mens vrij te maken van godsdienst.

Het “Onbehagen in de Kultuur” heeft Freud geschreven in 1929. In de inleiding tot dit werk schrijft Peter Gay, dat dit het enige werk van Freud zou zijn dat nog regelmatig wordt gelezen. Ik betwijfel dit sterk, want ik meen te weten dat de “Droomduiding”, “De inleiding tot de Psycho-analyse” en “De Psycho-pathologie van het dagelijkse leven” nog door velen worden gelezen. [28] Wat het ook zij, het “Onbehagen” als representant van zijn werk is goed te verdedigen. Peter Gay schrijft hierover : Het kleine boek is een vruchtbare en oorspronkelijke meditatie over het onherstelbare conflikt tussen het individu en de instellingen die het omringen. Dit werk houdt zich echter niet zozeer bezig met het fenomeem godsdienst. Daarom zullen we het niet zo uitvoerig behandelen zoals we gedaan hebben met “De Toekomst van een Illusie”.

In het “Onbehagen in de Kultuur” onderzoekt Freud opnieuw de noodzakelijkheid van zekere illusies die het leven dragelijker zouden maken. Lijden blijkt alom verspreid te zijn. We lijden lichamelijk als gevolg van wonden of ziekten, en we lijden geestelijk omdat we steeds waakzaam moeten zijn voor de gevaren die ons omringen. Maar we lijden ook door de omgang met de evennaaste die ons als een virtueel sexueel objekt beschouwt, die zijn agressie op ons tracht bot te vieren, die ons uitbuit door onbezoldigd werk, die erop uit is zich onze bezittingen toe te eigenen, van ons te vernederen, te doen lijden, te martelen, te doden. Sombere uitzichten dus, maar Freud was op het ogenblik dat hij dit pamflet schreef erg verontrust, door de toenemende macht van het nationaal-socialisme.

Bij het tot stand komen van de menselijke gemeenschap (cultuur) hebben we een belangrijk gedeelte van onze instincten moeten opgeven. Algemeen blijkt nu dat de mens geen echte moeilijkheden ondervindt, wanneer het erop aankomt zijn sexuele vrijheid te moeten beperken. Het merendeel van de mannen en vrouwen vinden hun bevrediging, en daardoor hun persoonlijk evenwicht, in hun relatie met hun partners. Op dat vlak kan de maatschappij de mens ongemoeid laten. Moeilijker wordt het echter bij wederzijdse relaties tussen evennaasten. Hier moet de maatschappij regelmatig ingrijpen, want het is een feit dat de mens agressief is, dominerend en weinig barmhartig. Freud onderzoekt nu op welke wijze de godsdienst hieraan tegemoet is gekomen. Het gebod Gij zult uw evennaaste liefhebben zoals uzelf vindt Freud zonder meer onuitvoerbaar. Nog erger heeft hij het met Heb uw vijand lief. Maar laten we weer aan de hand van de text Freud zelf aan het woord komen. Freud vertrekt van het zogenaamde oceanische gevoel, waarover een vriend in een brief, in verband met “De Toekomst van een Illusie” spreekt. In ieder mens zou het gevoel schuilen van iets onbegrensds. Freud zelf blijkt dit oceanische gevoel niet te bezitten. Dit gevoel zou de bron zijn waaruit de religie haar kracht put. Als dit gevoel dus reëel is bij zekere mensen, hoe komen zij er dan aan ? Freud tracht een antwoord te vinden op deze vraag, door te verwijzen naar de toestand van verliefdheid (hier dreigt de grens tussen ik en object=de buitenwereld volledig te vervagen. Maar ook in de pathologie kent men een groot aantal psychische toestanden waar de afgrenzing van het ik tegen de buitenwereld onzeker wordt. De grenzen van het ego zijn dus blijkbaar niet constant. Maar is dat altijd zo geweest ? Bij het kind is het ego nog eng verbonden met de omgeving, maar geleidelijk maakt het zich los van de buitenwereld. Bij de volwassene daarentegen is het ik de rest van wat eens innig verbonden was met de wereld. Wanneer we mogen aannemen dat dit primaire ego in het psychische leven bij veel mensen nasluimert, dan zou dit gevoel wel eens identiek kunnen zijn met het oceanische gevoel van onbegrensdheid en verbondenheid met het geheel, waarover hoger gesproken werd. Maar hebben we het recht om aan te nemen dat het oorspronkelijke ik is blijven voortbestaan naast het latere, waartoe het zich heeft ontwikkeld ? Om deze vraag te beantwoorden neemt Freud ons mee naar het Oude Rome en toont ons de resten van de verschillende bouwperioden van de eeuwige stad. Maar op die analogie hoefde hij niet te wijzen, want het is een feit dat op één of andere wijze alles behouden blijft wat in het psychische leven is ontstaan en onder gunstige omstandigheden weer te voorschijn kan worden gehaald. Nu dat hij er een genese voor gevonden heeft, is Freud wel bereid te aanvaarden, dat het oceanische gevoel bij veel mensen voorkomt. Maar de idee dat dit gevoel het ontstaan van religie in de hand zou werken maakt op hem geen indruk. Hij blijft bij het standpunt, dat hij verdedigd heeft in “De Toekomst van een Illusie” en waarin hij aantoonde dat de infantiele hulpeloosheid en het daardoor gewekte verlangen naar de vader, als de bron voor het ontstaan van religie moet worden beschouwd.

Van de grote Duitse dichter Goethe zijn de volgende verzen :

“Diogene die wetenschap en kunst bezit,
heeft ook religie; Maar wie beide niet bezit,
die moet het met religie doen !”

Voor Freud is deze uitspraak de aanloop tot een diepgaande analyse van het menselijke lijden. Om het leven enigszins dragelijk te maken grijpt de mens naar een aantal middelen waaronder afleidingsmaneuvers vallen, die er voor zorgen dat we onze ellende voor een tijdje vergeten, surrogaatbevredigingen, die de ellende veminderen, en verdovende middelen, die er ons ongevoelig voor maken. Freud bemerkt maar al meteen dat de plaats van de godsdienst binnen deze reeks moeilijk aan te geven is.

Wat is het doel van het menselijke leven ? Die vraag is al ontelbare keren gesteld geworden. Het antwoord daarop lijdt geen twijfel : de mens streeft naar geluk. Maar dit geluk wordt al op voorhand op meerdere wijzen beperkt : het eigen lichaam is gedoemd tot aftakeling en verdwijning, daarbij kan het niet zonder pijn en angst, die als signalen optreden om het voor nog groter gevaar te waarschuwen ; van buitenuit woedt de natuur tegen ons met overmatige, genadeloze en vernielende kracht ; tenslotte komt veel lijden voort uit onze betrekkingen met andere mensen. Het lijden dat uit deze bron ontstaat, ervaren we misschien nog als het ergst, omdat we dit als overbodige toegift beschouwen. Wat het menselijke leven met zijn noodlottige afloop betreft, dit moeten we leren te aanvaarden als onontkomelijk, en als we dit niet kunnen, dan rest ons nog de illusie van de religie. Tegen de natuur kunnen we ons enigermate beschermen, maar tegen de agressie van de mens voor zijn evennaaste, blijkt geen kruid gewassen te zijn, tenzij men zich in volledig afzondering begeeft –we doen uiteraard geen beroep op verdovende middelen waarvan iedereen nu wel weet dat zij op de duur het lichaam vernietigen, dat op zijn beurt dan weer een bron van nog meer lijden wordt–. Als we dan niet willen aansturen op een directe beïnvloeding van onze instinctieve impulsen blijft ons nog de sublimatie over. De instinctieve doelen worden zodanig psychisch verplaatst dat ze niet meer geraakt kunnen worden door de buitenwereld. Dit geldt in hoge mate voor de fantasie van de kunstenaar, die op die wijze zijn agressie tegenover bestaande situaties of personen kwijt geraakt [29]. Maar ook de vreugde van de onderzoeker in de oplossing van problemen en in het erkennen van de waarheid valt hieronder. Freud zegt hierover : Ooit zullen we die bevredigingen kunnen karakteriseren in metapsychologische termen, nu kunnen we er alleen maar van zeggen dat ze verfijnder en hoger voorkomen. Het zwakke punt van deze methode is echter dat ze niet algemeen toepasselijk is ; ze is slechts voor enkele mensen toegankelijk. Ze vordert bijzondere aanleg en begaafdheid, die niet vaak voldoende aanwezig is. En zelfs de weiningen die daar wel over beschikken kunnen van deze methode geen volledige bescherming tegen lijden verwachten ; men krijgt daardoor geen harnas waarop alle pijlen van het noodlot afketsen, en de methode faalt in de regel, wanneer het eigen lichaan de bron van lijden wordt. In een voetnota blz 102 van de nederlandse vertaling van “Onbehagen in de Kultuur” van de uitgeverij Boom Meppel, Amsterdam 1984, lezen we :

“De mogelijkheid om een grote hoveelheid libidineuze, narcistische, agressieve en zelfs erotische componenten, te verschuiven naar de beroepsarbeid en de daarmee verbonden menselijke betrekkingen, verleent hieraan een waarde die niet onderdoet voor haar onmisbaarheid voor de verdediging en rechtvaardiging van iemands bestaan in de samenleving. Bijzondere bevrediging schenkt de beroepsuitoefening, wanneer zij vrijwillig is gekozen en daarom de mogelijkheid schept bestaande neigingen en gecontinueerde of constitutioneel versterkte driftimpulsen door sublimering nuttig te maken. En toch wordt arbeid als weg naar geluk weinig gewaardeerd. De mensen zijn er niet tuk op, zoals op andere mogelijkheden tot bevrediging. De grote meerderheid werkt slechts noodgedwongen, en uit deze natuurlijke werkschuwheid van de mensen komen de grootste sociale problemen voort.”

De methode van de sublimering wijst duidelijk op de bedoeling zich onafhankelijk te maken van de buitenwereld, door zijn bevrediging in innerlijke psychische processen te zoeken.

Een gelijkaardige procedure is deze waarin het verband met de realiteit nog losser wordt. De bevrediging wordt verworven uit illusies die men als zodanig herkent, maar waarbij men zich bij het genot dat men ervaart niet laat storen door hun afwijking met de werkelijkheid [30]. Een laatste methode die nog energieker en grondiger werkt is deze waarbij de realiteit als enige vijand wordt gezien, die de bron van alle lijden is, waarmee niet te leven valt en waarmee men alle betrekkingen moet afbreken als men op een of andere manier gelukkig wil worden. Daarom wordt een nieuwe wereld gecreëerd waarin alleen maar de eigen verlangens voorkomen. Freud besluit met [31] :

“Wie tot wanhoop en verontwaardiging gedreven deze weg naar het geluk inslaat zal in regel niets bereiken ; de werkelijkheid is te sterk voor hem. Hij wordt een waanzinninge die bij de pogingen om zijn waan door te drijven meestal geen hulp ontmoet. Toch wordt gezegd dat ieder van ons zich in een bepaald opzicht gedraagt als een paranoïcus, namelijk wanneer hij een facet van de wereld dat hem niet aanstaat door een wensvorming corrigeert en deze waan in de werkelijkheid projecteert. Een bijzondere betekenis heeft het geval dat een groep mensen gezamenlijk de poging onderneemt zich van geluk te verzekeren en zich tegen lijden te beschermen doordat zij de werkelijkheid met een waanidee omvormt. Ook de godsdiensten der mensheid moeten wij als dergelijke collectieve waan kwalificeren. Niemand onderkent uiteraard de waan zolang hij deze zelf nog deelt.”

Freud is er zich van bewust dat hij niet een volledige opsomming heeft gegeven van alle methoden waarmee de mens tracht het geluk te veroveren en het lijden op afstand te houden. Dat is trouwens niet het doel van het boek. Terloops vermeldt hij echter nog een methode die de mens naar geluk kan leiden, waarbij een levenswijze wordt gevoerd waarin de liefde centraal staat en alle bevrediging verwacht wordt van liefhebben en bemind zijn. Maar nooit, zo bemerkt Freud, zijn we hulpelozer ongelukkig dan wanneer we het geliefde object of zijn liefde hebben verloren. Daarmee heeft hij echter niet alles gezegd over de levenstechniek die steunt op de waarde van het liefdesgeluk.

Een van de hoofdbedoelingen van de cultuur is mensen in grotere gemeenschappen onder te brengen. Dat kan alleen maar als het individu zich wil losmaken uit het gezin waarin hij is opgegroeid. De maatschappij steunt hem daarbij met puberteits- of inwijdingsrituelen. Al spoedig komen de vrouwen in verzet tegen de cultuur [32], zij die door hun liefde de grondslag ervan hadden gelegd. De vrouw immers vertegenwoordigt het belang van de familie en het sexuele leven ; de cultuurarbeid daarentegen is meer een aangelegenheid van de man. Dit dwingt de man tot verregaande instinctsublimaties. Aangezien hij niet over onbeperkte hoeveelheden psychische energie beschikt moet hij zijn taken afhandelen door een doelmatige verdeling van zijn libido. Wat hij gebruikt voor culturele afhandelingen onttrekt hij grotendeels aan de vrouwen en het sexuele leven. Zijn voortdurend samenzijn met mannen, zijn afhankelijkheid van de betrekkingen met hen, doen hem vervreemden van zijn taak als echtgenoot en vader. Daardoor ziet de vrouw zich naar de achtergrond gedrongen door de eisen van de cultuur en begint zij vijandige gevoelens daartegen te koesteren [33].

Reeds in de eerste faze van cultuur, het totemisme (“Totem en Taboe”), brengt het verbod van de incestueuze objectkeuze, misschien de meest dramatische verminking met zich mee die het menselijke liefdeleven in de loop der tijden heeft ondergaan [34]. Door taboes, wetten en zeden worden nog meer beperkingen geformuleerd, die zowel mannen als vrouwen treffen. Maar alle culturen gaan op dat punt niet even ver.

De psychoanalyse heeft ons nu geleerd dat het juist deze frustaties van het sexuele leven zijn die niet verdragen worden door de mensen die we kennen als neurotici. Hun symptomatisch gedrag duidt op surrogaatbevredigingen, maar die zijn op hun beurt weer de oorzaak van veel lijden, of ze worden een bron van lijden doordat ze tot moeilijkheden leiden met hun omgeving. Het blijkt nu dat de cultuur zich niet tevreden stelt met de bindingen die haar tot dusver zijn toegestaan, maar dat ze de leden van de de gemeenschap ook nog gevoelsmatig met elkaar wil verbinden. Dat tracht zij te bereiken door de gemeenschapsbanden te versterken door vriendschappelijke betrekkingen [35]. De keerzijde van de medaille is ook hier weer de beperking van het sexuele leven. Freud voegt hieraan toe :

“Het ontbreekt ons aan inzicht waarom de cultuur zo vijandig staat tegenover sexualiteit.”

Dat komt natuurlijk vreemd over waar Freud het cultuurantagonisme ten overstaan van sexualiteit beschreven heeft in termen van het totemisme. Bemerken we echter dat Freud in “Totem en Taboe” niet zozeer het waarom, maar weleer het hoe analiseert en dat hij zich beperkt heeft tot het taboe van incest. Thans wil hij een algemener antwoord vinden. Hiertoe laat hij zich leiden door een van de ideaaleisen van de cultuurmaatschapij : Hebt uw naaste lief als uzelf. Dit is een wereldberoemde uitspraak en ongetwijfeld ouder dat het kristendom [36], die het met trots verkondigt.

Freud vraagt zich af wat de zin van een voorschrift is dat zo plechtig wordt uitgesproken, en waarvan de vervulling niet als redelijk kan worden beschouwd. Als dit gebod zou luiden Hebt uw naaste lief zoals uw naaste u liefheeft dan zou hij er geen aanstoot aan nemen. Nog moeilijker heeft hij met het tweede gebod : Hebt uw vijanden lief. Terecht ziet Freud in het formuleren van deze beide geboden een voortzetting van de illusie van godsdienst, die met zulke geboden alleen maar wordt verstevigd. Feit blijft dat de mens geen zachtaardig wezen is, en dat tot zijn instinktieve gaven een behoorlijk stuk agressiviteit behoort –homo homini lupus–. Het bestaan van deze neiging tot agressie, die we bij onszelf kunnen ontdekken en terecht bij anderen veronderstellen, is de factor die onze betrekkingen met de evennaaste stoort en de cultuur dwingt tot uiterste inspanningen om de agressieve negingen van de mensen binnen de perken te houden. Met de woorden van Freud :

“Vandaar dus het gebruik van methoden die de mensen tot identificatie en liefdesrelaties met afgeremd doel moeten brengen, vandaar de inperking van het seksuele leven en vandaar ook het ideale gebod de naaste zo lief te hebben als zichzelf, een gebod dat eigenlijk wordt gerechtvaardigd doordat niets zo strijdig is met de oorspronkelijke menselijke natuur.”

Freud besluit het hoofdstuk agressie als volgt :

“Het is altijd mogelijk een groot aantal mensen in liefde aan mekaar te binden, zolang er maar anderen overblijven op wie men zijn agressie kan uitleven.”

Als voorbeeld geeft hij de wrevel tussen Spanjaarden en Portugezen, Engelsen en Schotten, Noord- en Zuidduitsers. En dit lijstje wordt aangevuld met Nederlanders en Belgen, Walen en Vlamingen. Het gaat blijkbaar met veel moeite gepaard om gelukkig te worden in een cultuur die zoveel opofferingen eist, niet alleen van de seksualiteit maar ook van de agressieve neigingen van de mens.

Freud analiseert vervolgens het ontstaan van het geweten. De cultuur beschermt zich tegen de agressie van haar leden door een invloed van buitenaf –uitvaardigen van geboden–. Zij krijgt nu onverwachts steun van het individu zelf, waarvan blijkt dat zijn verlangen naar agressie wordt tegengewerkt door het superego :

“Iets heel merkwaardigs gebeurt er, dat wij nooit zouden hebben geraden en dat toch zo voor de hand ligt. De agressie wordt geïntrojecteerd, geïnternaliseerd, eigenlijk teruggestuurd naar waar ze vandaan kwam, en dus gericht tegen het eigen ego. Daar wordt ze overgenomen door een deel van het ego dat zich als superego tegenover de rest van het ego plaatst en nu als geweten dezelfde strenge agressiviteit uitoefent op het ego die dit graag had willen bevredigen bij andere, vreemde individuen. De spanning tussen het strenge superego en het daaraan onderworpen ego noemen wij schuldbewustzijn ; en deze komt tot uiting als behoefte aan straf.”

Freud is er zich van bewust dat hij nu een verklaring moet geven van het waarom van het schuldbewustzijn ; waarom wil het individu zichzelf straffen zowel voor de intentie als voor de daad zelf ? Beide gevallen veronderstellen echter dat men het kwaad reeds als verwerpelijk heeft herkend. Er moet dus een invloed van buitenaf zijn die bepaalt wat goed en kwaad is. Opnieuw blijkt de de hulpeloosheid en de afhankelijkheid van anderen het motief te leveren om zich schuldig te voelen. Het individu heeft angst om de liefde van de andere –die het kwade en het goede definieert– te verliezen. Daarom vermijdt hij het kwaad, en het maakt weinig uit of hij het kwaad al heeft gedaan of het alleen maar van plan was ; in beide gevallen treedt gevaar op wanneer de autoriteit het opmerkt. Op dit niveau is schuldbewustzijn slechts angst voor het verlies van liefde. Bij kleine kinderen kan het nooit iets anders zijn, maar ook bij volwassenen is het in zoverre veranderd dat de plaats van vader of moeder nu wordt ingenomen door de ruimere menselijke gemeenschap. Dergelijke mensen staan zichzelf regelmatig toe al het kwade te doen dat hen een aangename ervaring kan bezorgen, als ze er maar zeker van kunnen zijn dat ze niet worden ontdekt. Een grote verandering treedt op wanneer de autoriteit geïnternaliseerd wordt door het ontstaan van het superego.

Waarom dit gebeurt, hierop geeft Freud voor zover mij bekend is, geen antwoord [37]. Nu komt er weliswaar een eind aan de angst voor ontdekking, want voor het superego kan niets verborgen blijven, maar het kwelt het zondige ego met dezelfde angstgevoelens en loert op kansen om het door de buitenwereld te laten bestraffen [38]. Op dit hogere ontwikkelingsniveau vertoont het geweten een eigenaardigheid die ontbrak in het eerste –lagere– niveau. Het geweten gedraagt zich nu strenger en wantrouwiger naarmate de betrokkene deugdzamer is, zodat het juist degene die het verst in heiligheid is gevorderd zichzelf van de gruwelijkste zonden beschuldigt. Het blijkt nu verder dat in tijden van tegenspoed, dat wil zeggen bij frustatie van buitenaf, de imperatief van het geweten versterkt wordt. Zolang het de mens goed gaat, is ook zijn geweten mild en mag het ego van alles uithalen ; wanneer hij echter getroffen wordt door ongeluk verhevigt hij de eisen van zijn geweten ; hij legt zichzelf onthouding op en straft zichzelf met boetedoening. Komplete volkeren hebben zich zo gedragen en doen dat nog steeds. Dat kan gemakkelijk verklaard worden door de oorspronkelijke infantiele fase van het geweten –eerste niveau–, die na de introjectie van het superego niet wordt verlaten –niets gaat verloren in de psyche–, maar daarnaast en daarachter blijft voortbestaan. Het noodlot wordt dan beschouwd als de vervanger van de ouderlijke autoriteit. Dat blijkt bijzonder duidelijk wanneer men het noodlot in strikt religieuze zin opvat :

“Het volk Israël had zichzelf als Gods uitverkoren kind beschouwd, en toen de grote Vader zijn volk het ene ongeluk na het andere liet overkomen, twijfelde het niet aan het verbond met hem of aan zijn gerechtigheid ; het bracht de profeten voort, die het volk erop wezen hoe zondig het was, en creëerde uit het schuldbewustzijn de overmatige strenge geboden van de priesterreligie.”

Daarmee eindigt het onderzoek van Freud naar het “Onbehagen in de Kultuur”. Hij besluit met :

“Het schuldgevoel is het belangrijkste probleem in de ontwikkeling van de cultuur. De prijs die voor culturele vooruitgang moet worden betaald is de versterking van het schuldgevoel. De godsdiensten hebben in elk geval de rol van het schuldgevoel nooit onderkend en hierop handig ingespeeld. Zij beweren dat zij de mensheid kunnen verlossen van dat schuldgevoel, dat door hen zonde wordt genoemd. Op de wijze waarop de verlossing in het kristendom tot stand kwam, door de offerdood van een enkeling, die daardoor alle schuld op zich nam, hebben wij een bevestiging gezien van ons onderzoek, van wat de aanleiding is geweest van de verwerving van die oerschuld, tevens het begin van cultuur.”

Het laatste werk dat Freud in verband met godsdienst heeft geschreven is zijn beroemde “Mozes en het monotheïsme” (1938). Het was tevens zijn laatste boek. In dit werk wordt de thesis verdedigd dat Mozes geen Jood zou zijn maar een Egyptenaar –alleen de naam al duidt hierop–. Het monotheïsme waarvan men beweert dat het een Joodse uitvinding is zou dan een voortzetting zijn van de leerstellingen van koning Achnaton (1370-1352 vGT), waarvan bekend is dat hij er een strikt monotheïstische visie op nahield. Mozes heeft die godsdienst verder uitgedragen. De Joden zouden Mozes vermoord hebben –in overeenstemming met de moord op de oervader in “Totem en Taboe”–. Dit hoeven we zeker niet als ongeloofwaardig te beschouwen, het kristendom begint ook maar eerst te lopen nadat de Messias aan het kruis gestorven is. Mozes is een uiterst interessant werk [39] en het zou de moeite lonen het op deze plaats integraal te bespreken. Maar vele ideeën hiervan zijn reeds aan bod gekomen in de eerder besproken werken over godsdienst en cultuur van Sigmund Freud.

Daarom, bij wijze van besluit, beperken we ons tot enkele typische uittreksels, volgens de vertaling van de uitgave Boom Meppel, Amsterdam 1984 :

“Onder de voorschriften van Mozes religie is er één dat van groter belang is dan men aanvankelijk beseft. Dat is het verbod om zich een beeld te maken, ofte wel de dwang om een god te vereren die men niet kan zien. Wij vermoeden, dat Mozes op dit ene punt de strengheid van de Aton-religie heeft overtroffen. Maar als men dit verbod aanvaardde, moest het een diep ingrijpend effect hebben. Want het betekende een achterstelling van de zintuigelijke waarneming bij een abstract te noemen voorstelling, een triomf van de geest over de zinnen.

Erfzonde en verlossing door de offerdood werden de pijlers waarop de nieuwe, door Paulus gestichte religie rustte. De vraag of er in de nieuwe broederschaar die tegen de oervader in opstand kwam, werkelijk een leider en aanstichter van de moord is geweest, dan wel of deze figuur door de fantasie van dichters ter heroïsering van hun eigen persoon nadien geschapen en in de traditie ingepast is, moet onbeantwoord blijven. Nadat de kristelijke leer buiten het kader van het jodendom was getreden, nam ze bestanddelen uit vele bronnen op, gaf menige trek van het pure monotheïsme prijs en schikte zich in tal van details naar het ritueel van de overige volken rond de Middellandse Zee. Het was alsof Egypte opnieuw wraak nam op de erfgenamen van Achnaton.”

Eric W. Elst.

Referenties :
  • D. Stafford-Clark : Ce que Freud a vraiment dit ; Marabout Université, 1973.
  • W.H. Alting van Geusau : Inleiding tot het denken van S. Freud ; Born N.V.-Assen/Amsterdam, 1956.
  • P. Gay : De draagbare Freud ; Prometheus, 1991.
  • S. Freud : Het onbehagen in de kultuur ; Boom Meppel, Amsterdam, 1984.
  • S. Freud : De toekomst van een illusie ; Boom Meppel, Amsterdam, 1987.
  • S. Freud : De man Mozes en de monotheïstische religie ; Boom Meppel, Amsterdam, 1992.
Notes
  1. Peter Gay : “De draagbare Freud”, Prometheus, 1991
  2. Œdipuskomplex : Freud geef deze naam aan de door seksualiteit bepaalde instinctieve erotische binding van het kind aan zijn ouders, waarbij de zoon zich aangetrokken voelt tot de moeder en de vader als concurrent ziet.
  3. Het is duidelijk dat hier een beginsel aan het werk is ter voorkoming van verarming van de stam. Modern onderzoek heeft uitgewezen dat het niet raadzaam is van huwelijken tussen broers en zussen, neven en nichten enz. te stimuleren.
  4. Het hoeft hier geen betoog dat de katholieke godsdienst op een gelijkaardige wijze het symbool van de totem heeft overgenomen door het offeren en het slachten van het paaslam.
  5. Zie hiervoor bijvoorbeeld “De rattenmens”.
  6. Eenmaal in het jaar mag het totemdier gedood worden. In de ortodoxe godsdienst –Griekenland– wordt bij het begin van de lente, de rituele moord uitgevoerd, door het doden van een lam. In de Oude mysteriën van Eleusis daalde eenmaal in het jaar Cora naar de onderwereld af. Vrijmetselaars vieren jaarlijks hun Rozenkruisersgraad, waarbij tijdens het banket lamsvlees wordt opgediend. De katholieke godsdienst viert jaarlijks haar Paasfeest, waarbij de herinnering aan het slachten van het paaslam wordt herdacht.
  7. Een begrip uit de psycho-analyse.
  8. Een rest van het geloof aan deze almacht vindt men nog in de uitspraak gedachten hebben kracht. Ook de zogenaamde gebedstonden van sekten om iets te bekomen zijn nog een relict uit vroegere tijden.
  9. In “De essentie van het christendom” (1840) ziet de wijsgeer Ludwig Feuerbach (1804-1872) het religieuze geloof als een niet meer te herkennen projectie naar een verondersteld trancendent anderszijnde. Het enig object van religie is de mens, terwijl god slechts een ideaal is van het volk. In overeenstemming met zijn humanistisch programma, moet de mens terug bezit nemen van zijn eigen rijkdommen die onrechtmatig overgeheveld werden naar dit anderzijnde. Freud denkt over religie eveneens in termen van vervreemding en projectie. Over Feuerbach zegt Freud het volgende : “Van alle filosofen bewonder ik hem het meest” (brief aan Silberstein, van 7 maart 1875).
  10. In “Een kindsheidsherinnering van Leonardo da Vinci” schrijft Freud het volgende : “De psycho-analyse heeft ons geleerd dat een persoonlijke god, psychologisch, niets anders is dan een getransfigureerde vader.”
  11. Natuurlijk altijd in de veronderstelling dat het kind godsdienstig wordt opgevoed. Kinderen met een vrijzinnige opvoeding zullen niet naar een God verlangen, wat niet wil zeggen dat zij hun levensvragen niet op hun typische manier zullen trachten op te lossen. Zie in dit verband het recent verschenen boek van A. Génon : “Après Dieu, quelle religion ?”
  12. Freud gebruikte graag de dialoogvorm in zijn geschriften, om duidelijker bij zijn publiek over te komen.
  13. “Ce que Freud a vraiment dit” : D. Stafford-Clark, Marabout Université, 1973, blz 201).
  14. Freud geeft ons enkele voorbeelden van leerstellingen die we ook zonder meer moeten geloven zoals : De stad Konstanz lig aan de Bodensee. Maar hij voegt er onmiddellijk aan toe dat men het waarheidsgehalte van die leerstelling kan verifieren, door zelf naar Konstanz te reizen en waar te nemen dat de stad aan een groot water ligt, dat alle bewoners van Konstanz Bodensee noemen. Hetzelfde geldt voor natuurkundige leerstellingen zoals : De aarde draait rond haar as in 24 uur. Hiervoor bestaan experimenten –slinger van Foucault– die die leerstelling bewijzen.
  15. De hedendaagse theologie zou dit alles wel veel scherper formuleren. Freud houd het bewust zeer eenvoudig, omdat hij begrepen wil worden.
  16. Zie bijvoorbeeld “Und die Bibel hat doch recht” van Werner Keller, 1955, Econ-Verlag GmbH, Düsseldorf und Wien.
  17. Zoals thans de theologie opnieuw voorhoudt.
  18. Freud maakt geen onderscheid tussen cultuur en beschaving.
  19. We vermelden hier nog eens expliciet de referentie.
  20. Hij denkt naturlijk aan Diderot, Feuerbach, Nietzsche, Schopenhauer en zo vele anderen.
  21. Na dit schrift heeft Sigmund Freud echter nog meer dan 12 jaar geleefd en stierf in Londen op 23 september 1939. Hij was 83 jaar oud.
  22. Dr. Goebbels zou het later kernachtiger uitdrukken : Wenn ich das Wort Kultur höre, entsichere ich meinen Revolver, maar dat was wel enigszins anders bedoeld. (Note du Marquis : Citation généralement attribuée à Goebbels, mais tirée en fait de la pièce de théâtre “Schlageter” de Hanns Johst)
  23. Daar ben ik persoonlijk niet zo van overtuigd. Ik krijg dikwijls de indruk dat het juist de intellectuelen zijn die nog het meest daartoe neigen godsdienst te behouden. Is het omdat zij menen dat hierdoor hun goed –maatschappelijk– leventje in gevaar zou komen ?
  24. Een gelijkaardig standpunt heeft de schrijver aangenomen tegenover zekere voorstellingen/gebeurtenissen in het Nieuwe Testament.
  25. Zie bijvoorbeeld : “The Compulsion to Confess” (1925/1959) “Masochism and Modern Man” (1941) “Myth and Guilt” (1957)
  26. Vergeten we niet dat “De toekomst van een Illusie” in 1927 werd geschreven. Het kommunisme is weliswaar in elkaar gestuikt, maar de reden hiervan is zeker niet de verbanning van het godsdienstige uit Rusland. Trouwens het kommunisme kan men ook als een godsdienst beschouwen, met het totalitaire vadertje staat, als vermomde god.
  27. Hier stoten we natuurlijk op de controversie Bohr, Heisenberg, Einstein –de rol van de waarnemer in het experiment–. Het is echter niet het doel van dit boek hierop verder in te gaan.
  28. Het heeft heel wat geduurd, maar meer en meer beginnen Nederlandse vertalingen van het werk van Freud op de boekenmarkt te verschijnen. Zo verzorgt thans de uitgeverij Boom Meppel en Amsterdam de volledige uitgave in het Nederlands van zijn werk. Er blijkt dus weer veel belangstelling te zijn voor Freud en de psycho-analyse. Een eerste Nederlandse vertaling van “Het Onbehagen in de Kultuur” verscheen in 1984 !
  29. De schrijver heeft dit zelf ondervonden in een periode toen hij met zeer veel moeilijkheden te kampen had op zijn werk. Het resultaat van zijn sublimatie was de novelle “De geheimzinnige ster” met als ondertitel “Tien jaar internering in een wetenschappelijk instelling”. Aan het schrijven van die novelle heeft hij zeer veel plezier beleefd.
  30. Als voorbeeld hiervan geeft Freud het genieten van kunstwerken. De lichte narcose die ons kunst bezorgt kan echter niet meer zijn dan een vluchtige opheffing van de problemen van het leven, ze zijn niet sterk genoeg om ons de reële ellende te doen vergeten.
  31. Nederlandse vertaling van “Het Onbehagen in de Kultuur”, Boom Meppel, Amsterdam 1984, blz 103.
  32. We kennen een beroemd voorbeeld uit de Oudheid met de opstand van de vrouwen onder de leiding van Lysistrata. Het betreft hier een toneelstuk van Aristophanes (448-380 vGT) dat voor het eerst in 411 vGT te Athene werd opgevoerd. Athene is na het desaster van Sicilië volledig aan het einde van zijn krachten en wordt door al zijn bondgenoten verlaten. Lysistrata bedenkt een list om vrede tussen de verschillende partijen te brengen.
  33. Het is duidelijk dat Freud hier de genese van de kultuurvijandigheid bespreekt vanuit het standpunt van de –toenmalige– ondergeschikte rol van de vrouw in de cultuur. De hedendaagse cultuur heeft hier verandering in gebracht. Het gaat echter boven de bevoegdheid van de schrijver om deze nieuwe situatie in de genese van cultuur onder te brengen
  34. Interessant is de visie van Diderot hieromtrent, die hij uitgebracht heeft in zijn novelle “Supplément au Voyage de Bougainville”.
  35. Hiervoor benut zij alle mogelijk middelen die gaan van gezelligheidsverenigingen en sportclubs tot verbroedering tussen dorpen en steden.
  36. Zie het Egyptisch dodenboek.
  37. Een diepgaande studie van dit probleem zou ons te ver leiden. Het is duidelijk dat hier door de godsdiensten een braakliggend terrein ingenomen is geworden, en gecoloniseerd door uitspraken als de zedenwet van God enz. Voor meer details verwijzen wij naar “Genealogie van de Moraal” van F. Nietzsche.
  38. Het getuigt van een grandioos inzicht van Freud om deze toestand op zulk een verhelderende wijze te kunnen beschrijven.
  39. Eenieder die zich wil verdiepen in het ontstaan van de Joodse godsdienst, waarvan men de neerslag vindt in het Oude Testament, zal dit werk naar waarde weten te schatten. Ook wordt hierin de lijn doorgetrokken naar de figuur van Paulus van Tarsus, die men als de stichter van het kristendom beschouwt.

Naar Inhoudstafel