
Het viel me op dat tijdens de begrafenisplechtigheid van de moeder van één van onze geachte leden iedereen kei-droevig was. Een normale zaak bij een begrafenis zal men mij komen vertellen ; maar er was toch iets meer aan de hand. De ingetogenheid van de plechtigheid en een aantal sobere tussenkomsten van naaste familieleden waren duidelijk zo gewild ; er was geen priester te bekennen waarop men met zijn verdriet had kunnen terugvallen ; dus geen gezeur over een god die de overledene aan de andere kant staat op te wachten. De aanwezigen waren allen verantwoordelijk voor hun eigen verdriet : men nam afscheid van een vrouw die men had liefgehad.
Toch stel ik me de vraag of we niet beter getroost waren door het geloof in een of andere kracht die de overledene niet echt van ons had weggenomen. Maar dan was er geen afscheid geweest ; en bleven we treuren om wat verdwenen is. Prijzen we ons gelukkig dat onze geest het vermogen heeft om gebeurtenissen in herinnering te brengen. En het zijn de mooie ogenblikken die men met elkaar heeft beleefd, die ook de mooiste in herinnering zijn.
In dit nummer hernemen we onze speurtocht naar de zondvloed met zijn – volgens Boulanger, zie Le Petit Cuistre #12 – nefaste gevolgen voor de mensheid. We kunnen ons voorstellen dat de leden niet veel begrip kunnen opbrengen voor een zoektocht naar een bijbelse, allegorische gebeurtenis ; misschien slechts een metafoor om het slechte op aarde eens en voor altijd te vernietigen.
Nochtans zijn zondvloeden – tsunamis als gevolg van een zeebeving of van de inslag van een asteroïde in zee – en het disaster van een inslag van een hemellichaam op aarde, zeer reëel. Een bekende impact is die van 65 miljoen jaar geleden waarbij de dinosauriërs van de aardbodem verdwenen. Men heeft vrij recent de krater van die inslag (150 km doormeter) op het schiereiland Yucatàn (Mexico) kunnen identificiëren. Vermelden we ook nog de asteroïdeninslag van 225 miljoen geleden, waarbij 90% van flora en fauna vernietigd werden.
De vogelpest heeft weer van zich doen spreken. Wat de werkelijke oorzaak van deze plaag is zullen we voorlopig niet kennen. Het is wel vreemd dat ze ditmaal vanuit Turkije haar weg baande naar andere oorden.
Abbé Delaporte in zijn “Le Voyageur François”, schrijft in 1771 over een al evenzo dodelijke besmetting het volgende :
“La petite vérole est comparablement moins dangereuſe ici, que dans nos pays d'Europe. Il est vrai qu'on ſeroit expoſé à ce fléau en Turquie comme en France, ſans la précaution que l'on prend de la donner aux enfans avant qu'ils l'aient naturellement.”
“On choiſit ordinairement, pour l'inoculation, le mois de ſeptembre, c'eſt-à-dire, le tems qui ſuccede aux grands chaleurs. Les vieilles femmes en font leur métier ; elles envoient demander dans les maiſons ſi quelqu'un veut prendre la petite vérole. Les enfans deſtinés à l'avoir ſont raſſemblés, au nombre de dix-huit ou vingt, dans un même lieu. Une ces vieilles vient avec une coquille de noix, pleine de matiere variolique de la meilleure eſpece ; et leur fait, avec une groſſe aiguille, une légere ouverture dans une partie du corps, & y inſere autant de matiere que peut en porter la tête de l'aiguille. Elle couvre enſuite la plaie d'un morceau de la coquille de noix, & fait la même choſe dans d'autres endroits du corps, comme aux bras & aux jambes, mais jamais au viſage, de crainte de le défigurer. Les enfans se portent bien les huit premiers jours, pendant leſquels ils jouent & ſe divertiſſent avec leurs camarades. Enſuite la fievre arrivant, ils gardent le lit pendant deux jours, & huit jours après ils ſont parfaitement rétablis.”
(Abbé de Laporte, Le Voyageur François (1771), Tome II, Suite de la Turquie, Lettre XV, p.8-9)
Diezelfde abbé begeleiden we op de terugtocht van zijn reis in Rusland, in 1774, van Cazan tot Moscou. Maar de hoofdbrok in dit nummer is de voortzetting van de analyse van de “Recherches sur l'Origine du Despotisme oriental” (1754, 1773) van Nicolas Boulanger. Aanloop tot die analyse is ditmaal een kort uittreksel uit het werk “Élémens de Chimie” (1780) van de beroemde scheikundige J. A. Chaptal (1756-1832). De mens werd niet alleen op het vlak van de moraal gecorrompeerd maar zijn wetenschappelijk denken kwam eveneens in het zog van een algehele corruptie :
“Si nous suivions de près les caractères des animaux, nous verrions que la nature descend par degrès imperceptibles de l’animal le mieux organisé jusqu’au végétal ; et nous serions embarrassés pour décider où finit un régne et où commence l’autre.”
Die gedachte werd al geopperd, een zeventigtal jaar vóór het verschijnen van Darwins “The Origin of Species” (1859). De strijd omtrent het wel of niet van de evolutietheorie is nog steeds niet beëindigd.
Wat Boulanger betreft, hiervan brengen we het eerste hoofdstuk van de “Recherches sur l'Origine du Despotisme oriental” (oorspronkelijke tekst uit 1754). Holbach heeft die tekst naderhand bewerkt. Hiervan zijn meerdere uitgaven verschenen. De Holbach Vereniging beschikt over een exemplaar uit 1773 (zonder plaatsvermelding waar het document werd gepubliceerd) en een uitgave Amsterdam 1794 (een uitgave van het volledige werk, 6 delen). Ook hier zij het weer benadrukt dat geen veranderingen werden aangebracht aan de originele Franse schrijfwijze. Dezelfde bemerking geldt trouwens voor alle oorspronkelijke teksten die we in Le petit Cuistre onderbrengen (ditmaal teksten van J. A. Chaptal, A. Lavoisier en Abbé Delaporte).
In 1740 vertrok de sterrenkundige Joseph-Nicolas Delisle naar het stadje Beresov aan de Sosva-rivier (Siberië). Hij ging er de doorgang van de planeet Mercurius over de zonneschijf waarnemen. In een algemene zoektocht naar de oorzaken van corruptie meenden we dat die tekst en de tekst van Delaporte niet mochten ontbreken in ons tijdschrift. Wij hopen dat onze leden veel plezier beleven aan beide teksten. Tenslotte danken we Carlos Devriese voor zijn voortzetting van de vertaling naar het Nederlands, van Holbach's “Le Christianisme dévoilé”.
We besluiten deze rubriek met een mededeling van de Britse premier Tony Blair, die in zijn verweer tegen de critici van de aanwezigheid van Britse troepen in Irak op een bijzonder originele wijze de steun van de allerhoogste inriep : God zal de rechter zijn voor mijn beslissing om Irak binnen te vallen. Zijn uitspraak op de Britse tv-zender ITV schoten veel Britten in het verkeerde keelgat : Ons systeem berust op beslissingen van beleidsmakers, niet van god.
De voorzitter.
In de inleiding tot het derde deel van zijn beroemde werk “Élémens de Chimie” (1780) schrijft de scheikundige J. A. Chaptal (1756-1832) het volgende :
Le minéral dont nous nous sommes occupés jusqu’ici n’a aucune vie proprement dite, et ne présente aucun phénomène qui dépende d’une organisation intérieure : la cristallisation qu’affectent les corps de ce règne paroît très-différente de l’organisation des êtres vivans ; elle n’a aucun avantage pour l’individu ; elle nous démontre tout au plus combien grande est l’harmonie de la nature, puisqu’elle marque chaque production par une forme constante et invariable, tandis que l’organisation du végétal et de l’animal dispose ces êtres de la manière la plus avantageuse et la plus propre à remplir les deux fins de la nature, qui sont la subsistance et la reproduction de l’individu.
On ne peut pas nier que le végétal ne soit doué d’un principe d’irritabilité qui developpe en lui le mouvement : le mouvement est même si marqué dans quelques plantes, qu’on peut le décider à volonté, comme dans la sensitive, les étamines de l’opuntia etc. Les plantes qui suivent le cours du soleil, celles qui dans les serres s’inclinent vers les ouvertures par où leur parvient la lumière, celles qui se contractent et se recoquillent par la piqûre d’un insecte, celles dont les racines se détournent et se dévoient de leur première direction, pour aller plonger dans la bonne terre ou dans l’eau, n’ont-elles pas un tact et une sensation qu’on peut comparer à l’irritabilité des animaux ? La différence des secrétions dans les divers organes, suppose une différence dans l’irritabilité de chaque partie.
Le végétal se reproduit lui-même ainsi que l’animal ; et les botanistes modernes ont soutenu la comparaison entre ces deux fonctions de la manière la plus heureuse et la plus concluante.
La grande différence qui existe entre les végétaux et les animaux, c’est que ceux-ci, en général, peuvent se transporter d’un endroit à un autre pour se procurer leur nourriture ; tandis que les végétaux, fixés à une même place, sont obligés de saisir dans leur voisinage tout ce qui peut leur servir d’aliment ; la nature les a doués de feuilles pour puiser dans l’atmosphère l’air et l’eau dont ils ont besoin, tandis que leurs racines s’étendent au loin dans la terre pour y prendre un appui et y chercher d’autres principes nutritifs.
Si nous suivions de près les caractères des animaux, nous verrions que la nature descend par degrès imperceptibles de l’animal le mieux organisé jusqu’au végétal ; et nous serions embarrassés pour décider où finit un régne et où commence l’autre. L’analyse chimique peut imparfaitement nous tracer des limites entre ces règnes : on a prétendu, pendant longtemps, qu’il étoit réservé aux substances animales de fournir de l’ammoniaque ; il est à present reconnu que quelques plantes en donnent aussi. On peut, à la rigueur, considérer le végétal comme un être participant des lois de l’animalité, mais à un degré moindre que l’animal lui-même.
La différence qui a été établie entre le végétal et le mineral est bien plus frappante : on peut regarder celui-ci comme une masse inorganique et presque élémentaire, ne recevant des modifications et des changemens que par l’impression des objets externes, pouvant se combiner, se dénaturer et se reproduire ou reparoître avec ses formes primitives à la volonté du chimiste ; l’autre, au contraire, doué d’une vie particulière qui modifie sans cesse l’impression des agens externes, les décompose et les dénature, nous présente une suite de fonctions toutes régulières, presque toutes inexpliquables ; et lorsque le chimiste est parvenu à désorganiser le corps et à en retirer des principes, il se voit dans l’impossibilité de le reproduire par la réunion des mêmes principes.
Dans le minéral, c’est à l’action des corps externes qui nous devons rapporter tous les changemens qu’il nous présente ; c’est d’une simple loi d’affinité que nous pouvons déduire tous les phénomènes. Dans le végétal, au contraire, il faut reconnoître une force intérieure qui fait tout, régit tout, et subordonne à ses desseins les agens qui ont un empire absolu sur le minéral.
Le minéral n’a aucune vie marquée, aucune période qu’on puisse regarder comme son degré de perfection, parce que ses divers états sont toujours relatifs aux fins auxquelles nous les destinoins : il ne paroît s’accroître ni se reproduire ; il change tout au plus de forme, mais jamais par une déterminatation intérieure ; c’est toujours un pur effet physique de la part des objets externes : s’il paroît croître ou végéter, c’est par l’application successive de semblables matières charriées et transportées par les eaux ; on n’y voit ni élaboration ni dessein ; c’est toujours la loi des affinités qui préside à ces arrangemens, et cette loi est la loi des corps morts.
Il n’est donc pas surprenant que l’analyse chimique ait fait moins de progrès dans le règne végétal que dans le minéral : elle devient plus difficile à mesure que les fonctions se compliquent. Dans le végétal les principes constituans sont plus nombreux, ils sont différenciés par des caractères moins tranchans ; et les moyens d’analyse qu’on a employés sont tous imparfaits, de même que la marche qu’on a tenue est vicieuse.
(J. A. Chaptal, Élémens de Chimie, Quatrième Édition, Tome Troisième, 1803, A Paris, Chez Deterville, p.1-5)

Een schitterende tekst ! Ik heb me altijd verwonderd waarom men studenten scheikunde op universitair niveau nooit heeft verwezen naar dit soort werken ; maar hen wel heeft volgepropt met tientallen methoden om bijvoorbeeld zuurstofgas te genereren. Men zou kunnen opwerpen, dat het aan de student gelegen is deze werken te raadplegen. Maar het merendeel ervan is (bewust) naar de vergetelheid verdrongen en de enige exemplaren die er van over zijn gebleven, waren en zijn nog steeds onbetaalbaar voor een student. Het was veeleer de plicht van de professor die het onderricht gaf om de beginselen van die werken in zijn cursus op te nemen.
Maar zulk een actie werd en wordt nooit ondersteund, want dit noemt men de klok terugzetten. Of is het eenvoudig onwetendheid van de betreffenden en geeft men de voorkeur aan een soort multiple choice onderricht (welke disicipline het nu ook betreft) ? Het is wel zo dat, wanneer men tot het fundamentele en niet tot het beschrijvende of practische aspect van een discipline wil doorstoten, multiple choice onderwijs niet meer helpt. Is dat misschien ook al bewust gewild, om het ware gehalte van een wetenschap te beperken tot de enkelen –en de lobbies– die er voordeel uit kunnen halen ? Ik blijf hier bij de scheikunde, een discipline die door het onderzoek van Antoine Lavoisier (1770-1794, zie Le Petit Cuistre #5) –al was het alleen maar door zijn nomenclatuur van de stoffen– tot een echte wetenschap werd ontwikkeld. In het hedendaagse scheikunde-onderricht wordt veel gesproken over affiniteiten tussen de scheikundige stoffen ; begrijpelijk, want die kennis leidt tot de synthese van stoffen die nuttig (of onnuttig en zelfs gevaarlijk -drugs) voor de mensheid kunnen zijn. Nooit heb ik ergens een verklaring gelezen voor wat de reden is, dat zekere stoffen een affiniteit voor elkaar hebben (dat inzicht wordt u wel toegeworpen, als men tot die enkelen behoort ; maar die moeten dan bereid zijn moleculaire fysica te gaan studeren). Waarom de studenten, die de scheikunde slechts vanuit een practisch standpunt benaderen en er hun beroep van willen maken, niet verwijzen naar bijvoorbeeld de volgende tekst van Lavoisier :
C’est un phénomène constant dans la nature et dont la généralité a été bien établie par Boerhaave, que lorsqu’on échauffe un corps quelconque, solide ou fluide, il augmente de dimension dans tous les sens. Les faits sur lesquels on s’est fondé pour restreindre la généralité de ce principe, ne présentent que des résultats illusoires, ou du moins dans lesquels se compliquent des circonstances étrangères qui en imposent : mais lorsqu’on est parvenu à séparer les effets, et à rapporter chacun à la cause à laquelle ils appartiennent on s’apperçoit que l’écartement des molécules par la chaleur, est une loi générale et constante de la Nature.
Si après avoir échauffé jusqu’à un certain point un corps solide, et en avoir ainsi écarté de plus en plus toutes les molécules, on le laisse refroidir, ces mêmes molécules se rapprochent les unes des autres dans la même proportion, suivant laquelle elles avoient été écartées ; le corps repasse par les mêmes degrés d’extension qu’il avoit parcourus ; et si on la ramène à la même température qu’il avoit en commençant l’expérience, il reprend sensiblement le volume qu’il avoit d’abord. Mais comme nous sommes bien éloignés de pouvoir obtenir un degré de froid absolu, comme nous ne connoissons aucun degré de refroidissement que nous ne puissions supposer susceptible d’être augmenté, il en résulte que nous n’avons pas encore pu parvenir à rapprocher le plus qu’il est possible, les molécules d’aucun corps, et que par conséquent les molécules d’aucun corps ne se touchent dans la Nature ; conclusion très-singulière et à laquelle cependant il est impossible de se refuser.
On conçoit que les molécules des corps étant ainsi continuellement sollicitées par la chaleur à s’écarter les unes des autres, elles n’auroient aucune liaison entr’elles, et qu’il n’y auroit aucun corps solide, si elles n’étoient retenues par une autre force qui tendît à les réunir, et pour ainsi dire à les enchaîner ; et cette force, quelle qu’en soit la cause, a été nommée attraction.
(Antoine Lavoisier, Traité élémentaire de Chimie, Troisième Édition, Tome I, Chap. I, 1801, A Paris, Chez Deterville, p.1-3))
Bovenstaande paragraaf beschrijft op een sublieme wijze het mechanisme van het tot stand komen van de vloeibare en de gasvormige toestand. Hier ook onderscheiden we drie rijken die op een continue wijze van het ene in het andere kunnen overgaan. De drijvende factor is warmte (calorique) en de aantrekking (zwaartekracht) tussen de deeltjes (moleculen, atomen) zorgt er voor dat ze in elkaars buurt blijven. Nochtans :
… si la chaleur a tellement écarté les unes des autres les molécules du corps, qu’elles soient hors de la sphère d’activité de leur attraction, elles perdent l’adhérence qu’elles avoient entr’elles.
(Antoine Lavoisier, Id., p.3)
Het begrip affiniteit kan nu veel beter begrepen worden, doordat de deeltjes die in vraag komen voor het tot stand komen van een nieuwe scheikundige verbinding de mogelijkheid bezitten in elkaars directe nabijheid te verwijlen. Waarom welbepaalde stoffen geen affiniteit voor elkaar betonen is daarmee niet beantwoord. In 1718 had de scheikundige Etienne François Geoffroy (1672-1731) een tabel opgesteld met de affiniteiten van een groot aantal scheikundige stoffen. Zijn beroemde wet der affiniteiten luidt als volgt :
Toutes les fois que deux subſtances qui ont quelques diſpoſitions à ſe joindre l’une avec l’autre, ſe trouvent unies enſemble, s’il en ſurvient une troiſième qui ait plus de rapport avec l’une des deux, elle s’y unit en faiſant lâcher priſe à l’autre.

Die vermetele taal was een gevolg van Newton’s wetten die het heelal gemechaniseerd hadden. Het onderzoek van Newton bracht de scheikundigen op het idee dat bijzondere krachten een rol zouden kunnen spelen in scheikundige verbindingen. Het begrip affiniteit werd echter door en groot aantal scheikundigen als een poging beschouwd om hun discipline bij middel van occulte krachten te verklaren. Gedurende meer dan een eeuw hadden ze de alchimie bestreden en nu voelden ze zich opnieuw door het spookbeeld bedreigd. Rouelle, Privat de Molière en Lèmery hebben zich in hun geschriften en openbare lezingen krachtdadig ingezet om de nieuwe visie te verdedigen. De tabel van Geoffroy werd dus niet zonder meer aanvaard :
Il donna, en 1718, un système singulier et une table des affinités ou rapports des différentes substances en chimie. Ces affinités firent de la peine à quelques-uns qui craignirent que ce ne fussent des attractions déguisées, d'autant plus dangereuses, que d'habiles gens ont déjà su leur donner des formes séduisantes ; mais enfin on reconnut qu'on pouvait passer par dessus ce scrupule et admettre la table de M. Geoffroy, qui pouvait devenir une loi fondamentale des opérations de chimie et guider avec succès ceux qui travaillent.
(Michel-Eugène Chevreul)
Het zou voorbehouden blijven aan de scheikundige Claude Berthollet (1748-1822) om in de affiniteiten (1801) zaken op orde te stellen. We verlaten dit scheikundige betoog met een uitspraak van Lavoisier :
Qu’il me soit permis d’ajouter que celui qui entre dans la carrière des sciences, est dans une situation moins avantageuse que l’enfant même qui acquiert ses premières idées ; si l’enfant s’est trompé sur les effets salutaires ou nuisibles des objets qui l’environnent, la nature lui donne des moyens multipliés de se rectifier. A chaque instant le jugement qu’il a porté se trouve redressé par l’expérience. La privation ou la douleur viennent à la suite d’un jugement faux ; la jouissance et le plaisir à la suite d’un jugement juste. On ne tarde pas avec de tels maîtres à devenir conséquent, et on raisonne bientôt juste quand on ne peut raisonner autrement sous peine de privation ou de souffrance. Il n’en est pas de même dans l’étude et dans la pratique des sciences ; les faux jugemens que nous portons, n’intéressent ni notre existence, ni notre bien-être; aucun intérêt physique ne nous oblige de nous rectifier : l’imagination au contraire qui tend à nous porter continuellement au-delà du vrai ; l’amour-propre et la confiance en nous-mêmes qu’il sait si bien nous inspirer, nous sollicitent à tirer des conséquences qui ne dérivent pas immédiatement des faits : en sorte que nous sommes en quelque façon intéressés à nous séduire nous-mêmes. Il n’est donc pas étonnant que dans les sciences physiques en géneral, on ait souvent supposé au lieu de conclure ; que les suppositions transmises d’âge en âge, soient devenues de plus en plus imposantes par le poids des autorités qu’elles ont acquises, et qu’elles ayent enfin été adoptées et regardées comme des vérités fondamentales, même par de très-bons esprits.
(Lavoisier, id, Discours préliminaire, viii-x)
J’arrive à Moſcow ; & je me hâte, Madame, de vous envoyer le détail de ma route. Je m’embarquai à Caſan ; & le premier endroit où je m’arrêtai, en remontant le Volga, est la ville de Swyaſtky, qui n’a rien de remarquable. Le Docteur m’avoit donné une lettre pour un des ſes amis, dont la femme venoit d’accoucher, J’aſſiſtai donc à un baptême, tout en débarquant ; car c’eſt l’uſage d’inviter ceux à qui on veut faire honneur.
Au moment de la naiſſance, on fit venir un prêtre pour purifier l’enfant ; & tous ceux qui étoient préſens ; on prit enſuite le chemin de l’égliſe. Les parrains donnerent au prêtre pluſieurs bougies qu’il alluma & attacha autour de la cuvette, où le nouveau-né devoit être plongé. Il encenſa les parrains, bénit l’eau, fit trois fois, avec eux, le tour de la cuvette, & demanda ſi l’enfant renonçoit au démon, à ſes anges, à ſes œuvres ? A chaque queſtion les parrains répondoient affirmativement, & crachoient à terre, pour marquer qu’ils déteſtoient & maudiſſoient l’eſprit de ténebres. L’exorciſme ſuivit : on le fit hors de l’égliſe, de peur que le diable, en ſortant du corps du nouveau baptiſé, la profanât. Quand on le ſuppoſa hors de ſon gîte, le prêtre coupa en croix les cheveux de l’enfant ; & le baptême ſe fit par une triple immerſion, accompagnée des paroles dont on ſe ſert dans l’Egliſe Romaine. On revêtit le nouveau Chrétien d’une chemiſe blanche; & on lui dit : » Tu es maintenent auſſi net que ce linge, & purifié de la tache originelle «. On lui pendit au cou une petite croix, qui eſt la marque de ſon baptême : il doit la porter toute ſa vie, & l’avoir même après ſa mort, ſans quoi il ſeroit privé de la ſépulture. On y ajouta l’image du ſaint qu’on lui donnoit pour patron, en recommandant aux parrains de garder cette effigie, & d’inſpirer à leur filleul une dévotion particuliere pour celui qu’elle repréſente. C’eſt à lui qu’on s’adreſſe pour la réuſſite de toutes les affaires de la vie.
Le baptême fini, le prêtre baiſa l’enfant & les parrains, fit une croix à la porte de l’égliſe, frappa trois fois avec un marteau, de maniere que ceux qui avoient aſſiſté à la cérémonie, en entendiſent le bruit ; ce qui eſt regardé comme une condition eſſentielle du ſacrement. On croit que l’eau de la cuvette eſt chargée du péché originel de celui qu’on vient de baptiſer ; en conſéquence on change l’eau à chaque baptême.
On plonge trois fois dans la riviere les Adultes qui embraſſent la religion Moſcovite. Si c’eſt en hiver, on fait un trou dans la glace pour cette immerſion. Si l’on n’eſt pas d’une complexion aſſez forte pour ſoutenir cette rude initiation, on verſe, à trois repriſes différentes, un tonneau plein d’eau ſur la tête du proſélite. Quiconque veut profeſſer publiquement la religion des Ruſſes, ſoit Catholique, ſoit Proteſtant, doit renoncer à ſon pere, à ſa mere, & à ſon premier baptême, & cracher trois fois par-deſſus ſon épaule, en diſant : » Maudits ſoient mes parents, qui m’ont élevé dans la croyance que je quitte ; je crache ſur eux «.
L’alliance des parrains avec les filleuses & les filleuls avec les marraines, eſt défendue dans cette religion comme dans la nôtre. Il y a des villes Ruſſes, où les femmes n’étant point admiſes à cette cérémonie, on ne connoît point les marraines. On y ſupplée par deux parrains ; mais on ne donne jamais qu’un nom à l’enfant. Ceux qui ont tenu un premier-né ſur les fonts de baptême, ſont obligés d’exercer la même fonction à l’égard des freres & des sœurs qui viennent après lui. Ces pratiques ſe terminent, comme toutes les autres, par boire copieuſement : on va s’enivrer au ſortir de l’égliſe ; & c’eſt le prêtre qui donne l’exemple.
En remontant toujours le Volga, nous arrivâmes à Suback-Zar, dont on nous vanta les faucons, qui ſont les plus gros, les plus forts & les plus beaux que l’on connoiſſe. Les Turcs & les Perſans les achetent fort cher. On ne les prend pas dans leurs nids ; les Ruſſes préferent les vieux qu’ils dreſſent à la chaſſe des cygnes, des oies, des grues & des hérons ; & les Tartares s’en ſervent pour le lievre & la gazelle. J’ai vu des ces oiseaux enlever d’un étang un canard ſauvage, qui ne montroit que le bec : il y en a d’auſſi blancs qu’une colombe. Pour les prendre, on plante une longue perche ſur une hauteur, au bord de la riviere ; & l’on y tend un filet, ſous lequel on met de petits oiſeaux attachés à une ficelle, que le chaſſeur tire à ſoi pour les faire voltiger. Le faucon qui les voit, ſe poſe ſur la perche & fond ſur ſa proie. Le chaſſeur abat le filet, & prend le faucon.
Dans l’intervalle d’une ville à l’autre, le Volga nous offroit ſouvent le ſpectacle de la pêche. On lie à une des extrémités d’un longue corde, une pierre qui la tire au fond de l’eau, & à l’autre bout, pluſieurs groſſes pieces de bois, qui ſurnagent. Au milieu ſont attachées d’autres petites cordes, & à chacune un hameçon amorcé, auquel les poiſſons viennent ſe prendre. Les bateliers ont encore une autre invention : ils mettent l’hameçon au bout d’une petite plaque de fer, bien unie, bien étamée, & ayant à peu près la figure d’un poiſſon. Ils la laiſſent traîner derriere le bateau, auquel elle tient par le moyen d’une ficelle ; & le courant de l’eau la faiſant tourner inceſſamment, elle reluit comme des écailles d’un certain petit poiſſon, dont les gros ſont très friands : attirés par cet appât, ils ſe jettent ſur la plaque de fer, & ſe prennent à l’hameçon. Cette pêche fournit aux voyageurs plus de poiſſon qu’ils n’en peuvent conſommer ; auſſi ne portent-ils pour toute proviſion, que du pain recuit ou ſéché au four. D’ailleurs les Moſcovites vivent aiſément de ce qu’ils trouvent ; leurs abſtinences continuelles les accoutument à ſe contenter de peu, & à ſe paſſer de viande.
Ils ont, dans l’année, pluſieurs carêmes, pendant leſquels ils ne ſe nourriſſent que de légumes & de pain de ſeigle, & ne boivent que du quas, eſpece de liqueur plus foible que la petite biere. Ils ne mangent pas même de poiſſon ; ou s’ils ſe le permettent, ainſi que les œufs, le lait & le beurre, ce n’eſt, tout au plus, que pendant la premiere ſemaine, & quelquefois le dimanche.
La même loi qui leur ordonne de s’abſtenir de viande, leur défend auſſi d’avoir commerce avec leurs femmes. Il leur eſt encore ordonné de jeûner le mercredi & le vendredi de chaque ſemaine; & ils ont dans l’année plus de jours maigres que de jours gras. Il eſt vrai que Pierre le Grand a fort adouci la rigueur des carêmes Moſcovites, auſſi pernicieux pour les ouvriers & les gens de guerre, que le fut l’ancienne ſuperſtition des Juifs, de ne pas combattre le jour du ſabbat. Ce Prince a diſpenſé une partie de ſes ſujets, non ſeulement du jeûne, mais même de l’abſtinence de chair. Toute la milice de terre & de mer en eſt exempte par état. Les aumôniers de vaiſſeaux & de régimens ſont obligés de donner l’exemple, le donnent ſans répugnance, font même plus qu’on ne leur demande. Les artiſans uſent du même privilége ; & en général, toutes les perſonnes qui travaillent, peuvent aujourd’hui, ſans ſcrupule, enfreindre la loi du jeûne, comme autrefois ils s’enivroient ſans remords, pourvu qu’ils s’abſtinſſent de manger des œufs, du poiſſon, ou de la viande. Le reſte du peuple ſuit l’ancien uſage ; il fait le carême & s’enivre.
Les Ruſſes regardent comme une nourriture impure & proſcrite, la chair de cheval, l’élan, le lievre, le lapin, le lait d’âneſſe & de jument. Ils ne prennent point de thériaque, parce qu’il y entre de la vipere, & ont la même averſion pour tout ce qui eſt mêlé de muſc, de civette, ou de chair de caſtor. Leur mets favori eſt le champignon : la Ruſſie en produit de mille eſpeces différentes, qui ſont d’un grand ſecours pour les pauvres, & dont on fait d’excellens ragoûts pour les riches. On en vend plus de mille chariots, toutes les années, à Moſcow ; & il s’en trouve très-peu de ceux que les botaniſtes rangent dans la claſſe des poiſons. Les choux & les concombres ſont encore des légumes, dont ces peuples font une immenſe conſommation. Leur liqueur favorite eſt l’eau-de-vie ; ils en ont d’une eſpece ſi forte, qu’on croit ſentir un torrent de feu en l’avalant ; mais ils ont ſoin de prendre du lait quand il leur arrive d’en trop boire, & croiroient courir un grand danger, s’ils n’avoient recours à ce remede.
Rien n’eſt plus commun, que de trouver des gens ivres étendus dans la neige. Si quelqu’un les rencontre dans cet état, il eſt rare qu’il les releve, parce que s’ils mouroient entre ſes mains, il ſeroit obligé de ſubir l’examen d’un juge, qui lui feroit payer cher ce bon office. Il ne ſe paſſe point de carnaval à Moſcow qu’il n’arrive de ces accidens. Chaque jour on voit dix, douze, quinze corps morts, menés ſur un même traîneau. On les laiſſe dans un lieu public, pour les reconnoître ; on les enterre enſuite dans un cimetiere ; & il y a quelquefois juſqu’à trois cents cadavres dans la même foſſe. Ils y demeurent pendant un mois, ſans autre couverture qu’une natte ; les prêtres y vont tous les jours marmoter quelques prieres.
Entre Saback-Zar & Baſiligorod, nous trouvâmes des forêts entieres d’ormeaux, dont l’écorce ſert à faire des traîneaux, des vaſes & des boîtes. Ces arbres ſont quelquefois ſi gros, qu’étant coupés en cylindre, on en fabrique des cuves, des barils, des tonneaux, des cercueils, & même des bateaux d’une ſeule piece.
Baſiligorod fut bâtie par le Grand-Duc Jean Baſile, qui lui donna ſon nom, & la fortifia contre les Tartares. Mais depuis que les Moſcovites ont étendu leur domination, on juge qu’il n’eſt plus néceſſaire d’y avoir des troupes. Cette place eſt aujourd’hui ſi peu de choſe, que je ne vous en parlerois même pas, ſi je n’avois été obligé de m’y arrêter pour quelques affaires. Je logeois chez un vieillard qui avoit ſervi autrefois dans le corps des Strélits ; eſpece de milice qui n’exiſte plus en Ruſſie, & dont mon vieux hôte, qui voyoit tout en philoſophe, m’apprit des particularités que j’ignorois.
» Nous étions à Moſcow, me dit-il, ce que les janiſſaires ſont à Conſtantinople : comme eux, nous diſpoſions du trône ; & nous excitions des troubles dans l’Etat. Les uns étoient diſperſés dans les provinces, & vivoient en brigands ; les autres habitoient la capitale, ſervoient peu, & ſe prévaloient néanmoins de leurs ſervices, pour traiter le peuple avec inſolence. Lorſqu’ils étoient mécontens de leurs chefs, ils ſe mutinoient, & forçoient le gouvernement de leur donner d’autres officiers. J’ai appris de mes anciens, que neuf colonels avoient été caſſés, condamnés au knout par leurs propres ſoldats, obligés de les en remerciers & même de les récompenſer.
» J’avois vingt-deux ans, lorſque je m’enrôlai parmi eux ; mais, quoique jeune, je déſapprouvois ces excès. Ils furent pouſſés ſi loin, que le Czar Pierre, qui avoit eu plus d’une fois à s'en plaindre, n’eut rien de plus à cœur, que d’anéantir cette milice. Elle s’étoit aſſemblée dans le deſſein de s’oppoſer au retour du monarque, qui avoit, diſoit-elle, violé les uſages du pays, en allant s’inſtruire chez les étrangers. Pierre partit ſecrétement de Vienne, où il étoit alors; & arrivé à Moſcow, il punit de mort les plus mutins. Plus de deux mille, tant officiers que ſoldats, furent pendus, roués ou décapités, autour des murs de la ville. Leurs corps reſterent deux jours expoſés ſur les grands chemins ; & l’on érigea des colonnes où le crime & le châtiment étoient gravés. D’autres, avec leurs femmes & leurs enfans, furent diſperſés en Sibérie, où ils ſervirent à défricher & à peupler des terres qui manquoient d’habitans & de cultivateurs. C’étoit peut-être la ſeule punition utile, qu’un Prince philoſophe dût exercer contre des hommes coupables ; mais le Czar crut devoir étonner & ſubjuguer ſa nation par l’appareil des ſupplices. Le corps entier des Strélits, qu’aucun des ſes prédéceſſeurs n’avoit oſé diminuer, fut caſſé à perpétuité, & leur nom aboli. Un reſte des ces anciennes troupes, de la garniſon d’Aſtracan, ſe révolta : j’y étois alors, dit le vieillard ; & cette faute à laquelle je n’avois ancune part, me valut ma liberté. Le plus grand nombre fut relégué en Sibérie; & depuis ce temps, il n’a plus été queſtion de cette milice «.
Il me ſemble, dis-je, que cette autorité, ſi redoutable aux Strélits, ne s’eſt pas moins appeſantie ſur le clergé, & que Pierre le Grand n’a mieux traité les gens d’égliſe que les gens de guerre. » Je conviens , répondit mon vieillard, qu’en aboliſſant le patriarcat, il a porté un coup terrible à nos prêtres. Autrefois le premier pontife, qui réſidoit à Moſcow, préſidoit à la religion. Il avoit d’abord été nommé par les patriarches de Conſtantinople : dans la ſuite, il fut élu par le clergé de la nation, & voici de quelle maniere ſe fit ce grand changement.
» Un patriarche de Conſtantinople ayant été dépoſé comme indigne de ſa place, vint en Ruſſie; & pour une ſomme d’argent convenue avec le Czar, il offrit de réſigner ſa dignité au métropolitain de Moſcow, qui ne ſavoit rien de ſa dépoſition. Il lui remit en conſéquence le bâton & la tiare, lui donna un acte ſigné de ſa main, & s’en retourna comblé de préſens. Quoiqu’il n’eût aucun droit de conférer une dignité dont il avoit été dépouillé juridiquement, comme cette conceſſion épargnoit à l’Etat des ſommes immenſes, qui paſſoient tous les ans à Conſtantinople, le Czar confirma la nomination du métropolitain ; & nos prêtres ne reconnurent plus d’autre patriarche.
» Ce prélat jouiſſoit d’une puiſſance ſans bornes, dans tout ce qui concernoit la religion. On le conſultoit même quelquefois ſur certaines affaires qui regardoient le gouvernement. Il condamnoit aux derniers ſupplices de ſon autorité privée & absolue ; & il y avoit des occaſions où ce ſuperbe pontife recevoit l‘hommage de tout le peuple proſterné. Le Czar lui-même le précédoit aux proceſſions, tenant avec reſpect la bride de ſon cheval. Soit qu’il allât à pied, ou en voiture, on portoit toujours devant lui ſon bâton paſtoral. Le peuple accouroit en foule de toutes parts, pour avoir sa bénédiction ; ce qui déplut fort au dernier Czar. Le crédit du patriarche lui parut dangereux, dans un Etat dont il vouloit changer les anciens uſages. Il abolit cette dignité que la ſuperſtition avoit trop élevée, & que la crédulité pouvoit rendre redoutable dans les mains d’un pontife intrigant ou fanatique. Il lui ſubſtitua un conſeil de religion, toujours ſubſiſtant, qui ne donne de loix à l’égliſe, que celles qui sont approuvées par le Prince.
» Cette eſpece de ſynode perpétuel, compoſé de douze ou quinze prélats choiſis par l’empereur, éloigne toute idée d’une double puiſſance dans un même royaume, & par conſéquent toute raiſon de troubles & de ſoulévement. Les longues diviſions entre l’empire & le ſacerdoce, qui ont enſanglanté tant de pays, ne peuvent plus avoir lieu ſous l’adminiſtration d’un collége de prêtres, ſoumis, comme le reſte des ujets, à l’autorité du monarque. Le droit de régler la diſcipline eccléſiaſtique, l’examen des mœurs & de la capacité de ceux qui aſpirent aux premieres fonctions du ſacerdoce, le jugement des cauſes religieuſes, pour leſquelles on appelloit autrefois au patriarche, ſont attribués à ce tribunal. Un commiſſaire, député par la Cour, aſſiſte à toutes ſes délibérations, pour empêcher qu’on n’y prenne aucune réſolution contraire aux intérêts de l’Etat. Chaque membre fait ſerment d’obéir au Czar ; & enfin, par cette nouvelle adminiſtration, le Prince ſe réſerve le droit de préſider ſouverainement ſur le ſpirituel comme ſur le temporel. Le ſynode ſacre les évêques qui ſont nommés par la Cour ; & ce que les étrangers trouvent extraordinaire, ils ſont toujours tirés de l’état monaſtique. Ces prélats portent les cheveux longs, & laiſſent croître leur barbe, ainſi que les autres eccléſiaſtiques ; mais ce qui les diſtingue des prêtres ordinaires, eſt un grand bonnet rond, la ſoutane, le manteau noir, &, lorſqu’ils ſont en habit de cérémonie, la mitre & le bâton paſtoral. Ils ne ſe marient point, & font vœu de chaſteté auſſi longtemps qu’ils ſont revêtus de leur dignité ; car elle ne leur imprime point, comme parmi vous, un caractêre indébile «.
Je ne reſtai à Baſiligorod, que le temps de m’acquitter de quelques commiſſions. Il n’en fut pas de même d’une autre ville, où nous nous arrêtâmes pluſieurs jours. Son nom eſt Niſe-Novogorod, ou la petite Novogorod ; parce que le Csar, qui le fit bâtir sur le confluent du Volga & de l’Occa, y envoya, pour la peupler, un certain nombre d’habitans de la grande & ancienne ville de ce nom. Elle eſt défendue par une citadelle, où il y a un gouverneur à qui je fus recommandé. Cette connoiſſance, qui m’en fit faire d’autres, me procura la facilité de m’inſtruire des uſages du pays.
J’ai envie de vous parler d’abord des bains de Ruſſie, & enſuite de tout ce qui me tombera ſous la main. On ſe baigne de plus d’une maniere : les uns entrent nuds dans un bateau, rament jusqu’à ce qu’ils ſoient en ſueur, ſe jettent dans la riviere, nagent quelque temps, & vont ſe ſécher au ſoleil. Il n’y a point de ville ni de village en Moſcovie, qui n’ait ſes bains publics & particuliers. Les deux ſexes y entrent par la même porte, ne ſont ſéparés que par des cloiſons mal jointes; & le plus ſouvent même, il n’y a entre eux, ni rideaux ni cloiſon. Un valet avertit les paſſans, que l’eau est chaude & le bain prêt, comme on crie à la foire, que le ſpectacle va commencer ; mais il est peu de ſpectacles, à la foire même, qui offrent des ſcenes plus indécentes. On ſe déſhabille à la vue de tout le monde ; on entre nud dans le bain ; on y reſte dans le même état : en ſortant, on ſe fait verſer de l’eau froide ſur le corps ; & avant que de reprendre ſes habits ou ſa chemiſe, on va ſe ſécher devant un grand feu qui eſt allumé indiſtinctement pour tout le monde. Autrefois, lorſque les mœurs Moſcovites n’avoient encore rien perdu de leur ancienne ruſticité, on couroit nud dans les rues, au ſortir du bain ; & ce qu’il y avoit de plus ſingulier, c’eſt que les femmes même, dépouillées des voiles de la pudeur, ainſi que de leurs vêtements, ne rougiſſoient pas, & ſe faiſoient même une gloire, de ſurpaſſer les hommes dans cet excés d’immodeſtie. On les voyoit en foule s’arrêter devant les paſſans, les attaquer ou les récréer par de ſales propos & des attitudes obſcenes.
Il eſt une autre façon de prendre le bain qui paſſe ici pour un remede ſûr contre les grandes maladies. On chauffe un four, comme pour y cuire du pain ; & quand la chaleur est abattue, pluſieurs personnnes y entrent à la fois, & s’y tiennent couchées, juſqu’à ce qu’elles ſoient toutes en ſueur ; ſortant de cette étuve, elles s’étendent nues ſur une table, & ſe font fouetter avec des verges de bouleau, qui leur rendent le corps rouge comme de l’écarlate. Dans beaucoup de bains, les femmes ſont chargées de cette opération. On la repète pluſieurs fois ; & quelques-uns, au lieu du fouet, ſe jettent dans la riviere, ou ſe couvrent de neige ſi c’eſt en hiver, & reſtent des heures entieres dans cet état, ſans que ce paſſage ſubit d’une chaleur violente à un froid exceſſif, paroiſſe les incommoder.
Dans ce pays, oû il y a plus de crédulité que de mœurs, plus de ſuperſtition, que de pieté, vous ne ſerez point étonnée, Madame, du culte preſque idolâtre qu’on rend aux images de ſaint Nicolas. On ne ſeroit pas en ſûreté pour ſa vie, ſi l’on paroiſſoit douter qu’il eſt venu d’Italie au port d’Archangel ſur une meule de moulin. Les Ruſſes célebrent des fêtes en l’honneur de pluſieurs autres ſerviteurs de Dieu ; mais il n’y en a point pour qui ils aient une ſi haute eſtime, que pour leur patron. Ils croient, qu’étant né en Moſcovie, il doit avoir naturellement plus d’égards pour eux, que ſaint Pierre ou ſaint Paul, qui ne les ont jamais connus. Auſſi quiconque s’eſt enrichi par des voies iniques, penſe expier ſes fautes & calmer le Ciel, en érigeant un temple au ſaint évêque : d’autres lui conſacrent une cloche ; d’autres lui élèvent une ſtatue. Cette pieuſe épidémie avoit ſur-tout gagné les grands, qui, plongé dans la diſſolution & la débauche, ruinoient leurs deſcendans, pour bâtir des égliſes & fonder des monaſteres.
Tout ce qui porte la figure d’un ſaint ou d’une ſainte, de Jéſus-Chriſt ou de la Vierge, en image ou en ſtatue, eſt appelé, par le peuple, Saint Nicolas. Ces effigies, que les Moſcovites gardent dans leurs maiſons, ſont deſſinées, peintes, ou ſculptées très groſſièrement. Ils diſent, quand on leur reproche cette difformité, que leurs ſaints, qui ne ſont ni vains ni glorieux, abandonnent aux femmes le fragile ornement de la beauté. Cependant, lorſque ces images ſont vieilles, qu’elles commencent à s’effacer, ou qu’elles déplaiſent au poſſeſſeur, il les porte à l’ouvrier; & pour une petite ſomme qu’il donne en retour, il en reçoit de neuves à la place. Ce trafic ſe fait dans le plus grand ſilence. Le vendeur repouſſe l’acheteur ſans parler, juſqu’à ce que ce dernier ait préſenté le prix convenable. On donne à ce commerce le nom d’échange ; les mots de vente & d’achat n’étant ni aſſez reſpectueux, ni aſſez décens pour des choſes auſſi ſaintes. Il y a, dans les grandes villes, un marché particulier pour cette eſpece de négoce, où tout ſe paſſe en ſcenes muettes. Lorſqu’on juge que les images ſont abſolument hors de ſervice, on les met doucement dans la riviere, afin que le courant de l’eau les emporte ; ce ſeroit manquer de reſpect, que de les y jeter. On y attache une petite piece d’argent, en leur diſant : Adieu, frere. D’autres les enterrent dans un cimetiere ou dans un jardin.
Quand le feu prend à une maiſon ou à une égliſe, le premier ſoin eſt de ſauver les ſaints Nicolas ; & s’il arrive que l’égliſe & les images ſoient brûlées, on dit ſimplement qu’elles ſont montées, pour marquer qu’elles n’ont diſparu ſur la terre, que pour être tranſportées dans le ciel.
Autrefois chacun avoit ſon ſaint Nicolas dans l’égliſe ; les gens riches l’ornoient de ce qu’ils poſſédoient de plus précieux ; & il n’étoit pas permis de reprendre ce qu’on lui avoit offert. Une femme, dans un état d’opulence, avoit donné au ſien un ornement de pierreries. Se trouvant enſuite dans la miſere, elle lui repréſenta ſa ſituation ; lui demanda la permiſſion d’en détacher quelques diamans, & prenant ſon ſilence pour un conſentement, lui ôta un rubis. Un prêtre, qui étoit là par haſard, & qu’elle ne voyoit pas, regarda cette action comme un ſacrilége, & courut en avertir la juſtice, qui fit couper la main à cette malheureuse.
On eſt aujourd’hui moins ſévere: on peut, ſans conſéquence, orner ſon ſaint Nicolas, l’enrichir de joyaux, & le dépouiller dans le beſoin ; mais qu’il ſoit pauvre ou riche, nud ou habillé, les Ruſſes n’en ont pour lui, ni moins d’eſtime, ni moins de vénération : chaque maiſon, chaque appartement a le ſien, ſans lequel ils croient ne pouvoir pas faire leurs prieres. En entrant dans une chambre, vous ne les entendez pas dire une parole, qu’ils ne l’aient découvert des yeux ; s’ils ne le trouvent point, ils demandent : Ou est le Dieu ? Dès qu’ils l’apperçoivent, ils lui font une profonde révérence, en lui disant : Dieu, aye pitié de moi : GOSPODI POMI LUI. Ils ſe tournent enſuite vers la compagnie, & la ſaluent. Dans les maiſons, l’image du Saint eſt pendue près de la fenêtre, avec un cierge ou une lampe. Dans les rues, il y en a d’expoſées à la dévotion publique. La plupart sont dans des caiſſes vitrées, ſur les portes de la ville ou d’une égliſe, ou dans un carrefour. On s’arrête, en paſſant, pour leur faire des génuflexions, des ſalutations accompagnées d’autant de ſignes de croix.
Les Moſcovites attribuoient à leurs images le don des miracles. Les prêtres & les moines avoient grand ſoin de les entretenir dans cette crédulité ; elle étoit pour eux une ſource d’offrandes inépuiſables. On les entendoit dire quelquefois, quand les proviſions commençoient à leur manquer : » il est temps de faire des miracles «. Deux prêtres d’Archangel ayant, par leurs fourberies amaſé une certaine ſomme, allerent ſe divertir au cabaret. Voulant ensuite partager leurs profits, & n’étant pas d’accord, il s’éleva une diſpute, dans laquelle ils se reprocherent mutuellement leur impoſture, & s’en donnerent des preuves réciproques. Le magiſtrat en fut averti, leur fit rendre l’argent, & les condamna à trente coups de fouet.
Le feu Czar défendit que déſormais aucune image ne fit des miracles ; & il eut plus de peine à ſe faire obéir des prêtres que des Saints. Il ordonna que chaque particulier garderoit le ſien ; car autrefois on ſe les prêtoit alternativement ; & tel, qui n’obtenoit rien de ſon image, avoit recours à celle de ſon voisin. Le Saint qui on ſuppoſoit le plus de crédit, étoit aussi le plus recherché. Ce n’étoit cependant pas toujours le plus puisſſnt ; mais il avoit la vogue ; on vouloit en eſſayer, comme ces maris qui quittent une jolie femme pour une laidron à la mode. Depuis la défenſe du Czar, chacun garde ſon dieu pénate, on ne les prête qu’en ſecret à son ami.
La principale & la plus célebre de toutes les images de la Ruſſie est une effigie de la ſainte Vierge, peinte par ſaint Luc. Ce morceau, s’il étoit réellement l’ouvrage du ſaint évangéliſte, ne donneroit pas une grande idée de ſon talent pour la peinture. Mais on lui attribue un autre d’un meilleur goût, qui ſe trouve à Rome dans l’égliſe des peintres. Les Ruſſes ſont persuadés que le leur est le véritable, & que tant qu’il reſtera à Moſcow, leur empire ne peut manquer d’être heureux & floriſſant. Auſſi ne ſont-ils pas moins ſoigneux de le conſerver, que l’étoient les Troyens de ne pas laiſſer enlever la ſtatue de Pallas. Ils croient que toutes les victoires du dernier Czar étoient dues à cette image, & que le jour de la défaite de Charles XII, elle avoit le viſage plus rouge que à l’ordinaire. On brûleroit un homme qui oſeroit contredire cette opinion. Que ſeroit-ce ſi, comme un autre Ulyſſe, on entreprenoit d’enlever ce nouveau Palladium ?
La premiere choſe qu’on apprend aux enfans, c’eſt de faire des inclinations & des révérences devant les images des ſaints ; on ne leur donne point à manger, qu’ils ne ſe ſoient acquités de ce devoir, & n’aient bégayé le Goſpodi. Les Prêtres inſpirent au peuple tant de confiance en ces effigies, qu’il n’a recours qu’à elles dans ſes malheurs. Un habitant de cette ville, ayant le feu dans ſa maiſon, préſenta ſon ſaint Nicolas devant les flammes, & le pria d’en arrêter le progrès. Comme le feu continuoit, il y jeta son image, & lui dit : » Puiſque tu ne veux pas me ſecourir, tire toi d’affaire comme tu pourras «.
Dans les dernieres guerres avec les Suédois, ceux-ci entrerent dans les maiſons des Ruſſes, & n’y trouvant que des images, s’aviſerent de les emporter. Les Moſcovites coururent après, & donnerent tout leur or pour ravoir leur ſaints Nicolas. Mais on aſſure que ce culte eſt beaucoup déchu, ſur-tout à Moſcow, depuis la canoniſation d’un nouveau ſaint, dont la réputation n’a encore percé dans les provinces éloignées. Saint Démitri, évêque de Roſtof, mis au nombre des bienheureux par le ſynode, ſous le regne d’Eliſabeth, jouit de la conſidération que donne toujours la nouveauté, & a fort augmenté les revenus des eccléſiaſtiques.
Ces impoſtures des prêtres & des moines me conduiſent à vous parler d’eux avec plus de détail. Il ſuffit de ſavoir lire & écrire & d’épouſer une fille vierge, ou jugée telle, pour être admis au ſacerdoce. Un prêtre qui trouveroit ſa femme déflorée la premiere nuit de ſon mariage, ſeroit obligé de s’en ſéparer, ou de quitter les ordres ſacrés. Il doit s’abſtenir de dire la meſſe, les jours qu’il couche avec elle. S’il devient veuf, il ne peut plus célébrer; & s’il ſe remarie, il rentre dans l’ordre des laïcs, ſe fait marchand, soldat, laboureur ou artiſan.
Les Popes, c’eſt le nom que les Moſcovites donnent à leurs prêtres, ſont diſtingués des ſéculiers, principalement par la calotte que l’évêque leur met sur la tête en les ſacrant. Tout leur mérite réſide dans ce bonnet : comme ils ſont ſujets à s’enivrer, qu’ils prennent querelle & ſe battent ſouvent avec la populace, il n’eſt pas défendu de les bien roſſer, pourvu qu’on repecte la ſainte calotte. L’uſage eſt de la leur ôter ſubtillement, de la baiſer, de la poſer à terre, & quand ils ont été bien étrillés, de la reprendre, de la baiſer de nouveau, & de la replacer reſpecteusement sur leur tête. Si malheureuſement quelque coup de bâton tomboit sur le bonnet, on ſeroit puni ſévèrement : il eſt donc très important pour le Pope qui se bat, de conſerver ſa calotte, & pour ſon adverſaire, de la lui eſcamoter. Le même crocheteur qui, la veille, a bien roſſé un prêtre dans un cabaret, lui demanda le lendemain ſa bénédiction. Ainſi l’on voit des peuples accabler leurs idoles de préſens ou d’injures, selon les raiſons qu’ils croient avoir de s’en louer ou de s’en plaindre.
Les évêques & les ſimples prêtres ajoutent à leurs revenus eccléſiaſtiques, l’avantage de vendre toutes les charges, les dignités & les graces qui dépendent de leur miniſtere. Ce trafic eſt auſſi public en Moſcovie, que celui de toute autre marchandiſe. Le métropolitain vend aux évêques, l’évêque aux prêtres, & le prêtre à tous ceux qui veulent acheter de lui.
Par un réglement fait ſous le regne de Pierre le Grand, il eſt défendu à tous les curés d’employer plus d’un de leurs enfans au ſervice de leur égliſe, de peur qu’une famille trop nombreuse ne tyrannise la paroiſſe. On ne connoît point, en Ruſſie, ces êtres équivoques, qui, ſous le nom d’Abbé, ſont admis, parmi nous, dans tous les cercles, se trouvant à toutes les parties de plaiſir, aſſiégent les bonnes tables, aſſiſtent aux toilettes, débitent la nouvelle du jour, fréquentent les ſpectacles, font de petits vers galans, affectent une propreté exquiſe, une politeſſe étudiée, l’art de bien parler, jouiſſent d’un revenu ſacré comme d’un ſupplément de patrimoine ; enfin tous ces gens à ſimple tonſure, qui forment en France, & ſur-tout à Paris, un état mitoyen entre les prêtres & les laïcs. L’état eccléſiaſtique ne jouit pas ici d’une aſſez grande conſidération, pour en uſurper la livrée, & croire que cet habit donne plus d’accès dans les bonnes maiſons.
Les Ruſſes regardent la prédiction comme une ſource d’erreurs, & diſent que c’eſt par ſon moyen, que les héréſies ſe ſont répandues dans le monde. Auſſi prêche-t-on rarement, & ſeulement les jours de fêtes à la Cour, ou dans les cathédrales. Que diroient en effet, dans une chaire chrétienne, des prêtres ignorans & crapuleux, dont la principale diſpoſition au ſacerdoce, eſt d’avoir aſſez de poitrine, pour prononcer douze fois le Goſpodi sans prendre haleine, ou aſſez de vigeur pour ſatisfaire une jeune vierge ?
La multitude des couvens de l’un & de l’autre ſexe eſt innombrable en Moſcovie ; & on y ſuit preſque par-tout la regle de ſaint Baſile. Ce n’eſt pas la dévotion, l’eſprit de pénitence, qui peuple ces monaſteres. L’indigence, la vieilleſſe, les infirmités, les déſagremens du mariage, l’amour de l’oiſivité y conduiſent preſque tous ceux qui les habitent. Leur vie, en général, eſt aſſez auſtere : on n’y mange jamais de viande ; le poiſſon & les légumes ſont la nourriture ordinaire ; & il eſt des jours dans la ſemaine & des temps dans l’année, où le vin, la biere, l’eau-de-vie, l’hydromel ſont défendus : la boisson principale est de l’eau commune, mêlée de levain. Les moines aſſiſtent réguliérement à l’office, & ſont aſſez contenus dans l’intérieur de leurs maiſons ; mais ils ſavent ſe dédommager quand ils en ſortent. Ils mangent & boivent tout ce qu’ils trouvent, s’enivrent avec le premier venu, ſe battent avec la canaille, traversent les rues couverts de boue, & rentrent dans leur couvent, hués & baffoués par la populace.
Il n’y a que deux ou trois prêtres dans chaque monaſtere, y compris le ſupérieur, les autres ſavent à peine lire ; & sur dix, il n’y en a pas deux qui puiſſent réciter l’oraiſon dominicale, les commandemens de Dieu, ou le ſymbole des apôtres. Cette ignorance groſiere ne diminuoit rien du reſpect des anciens Czars pour l’ordre monaſtique ; & Pierre le Grand a été le premier qui ait oſé mettre des impôts [i] ſur les couvens, dans un pays où l’argent a toujours été plus néceſſaire que les moines.
Une autre eſpece d’hommes, très-nombreuſe en Ruſſie, sont les hermites. Ils ſe bâtiſſent des chapelles dans les bois, habitent des cavernes, & vivent d’aumônes. Me promenant à quelques lieues de cette ville, j’en vis un qui demeuroit dans le creux d’un rocher depuis plus de quarante ans. Il me raconta qu’ayant été pris par les Tartares, & vendu à des Turcs, il avoit trouvé le moyen de ſe ſauver & de retourner à ſon hermitage. Il étoit vêtu d’une robe de bure : ſes cheveux entiérement négligés lui pendoient juſqu’au milieu du dos, & lui couvroient le viſage, de maniere qu’on ne pouvoit le voir ſans les écarter avec la main. Il avoit ſur la poitrine une grande croix de fer, qui peſoit plus de quatre livres.
On comptoit autrefois en Ruſie preſque autant de religieuſes que de moines : les unes étoient des femmes qui avoient quitté leurs maris, ou en avoient été abandonnées ; les autres des veuves retirées, ou de filles conſacrées au célibat. Toutes, en général, ſe montroient aſſez peu ſcrupuleuſes ſur l’obſervation de leurs regles. Elles recevoient les hommes dans leurs maiſons, ſortoient aprés l’office, & ne rendoient aucun compte de leur conduite.
Quelques uns de ces abus ſubſiſtent encore, malgré les beaux réglemens & les ſages inſtitutions de Pierre I, pour la réforme des couvens d’hommes & de femmes. Il avoit d’abord ordonné qu’on n’entreroit dans l’ordre monaſtique qu’à cinquante ans ; mais cet article ne pouvoit ſubſiſter dans un pays, où les évêques doivent être tirés du corps des moines : comment, à cet âge, former un Ruſſe pour l’épiſcopat ? Il fut donc ſtatué qu’à trente ans, mais jamais au deſſous, on pourroit embraſſer la profeſion religieuſe ; encore y mit-on bien des reſtrictions : défenſe aux militaires, aux cultivateurs, & à quiconque eſt utile à l’Etat, de se ſouſtraire à la ſociété, pour ſe renfermer dans un cloître. Un homme marié ne peut plus être reçu dans un monaſtere, à moins que ſa femme ne se faſſe volontairement religieuſe, & qu’ils n’aient point d’enfans. Pour détruire l’oiſiveté monacale, Pierre le Grand ordonna le travail des mains, & ramena l’ordre monaſtique à ſa premiere & véritable inſtitution. Les femmes ne s’engagent qu’à cinquante ans ; juſque-là elles peuvent toujours se marier ; & loin de les retenir, comme parmi nous, dans une affreuſe captivité, on les exhorte, au contraire, à n’y pas enſevelir les générations nombreuſes, dont elles peuvent être meres.
Les autres articles de l’ordonnance de l’Empereur portent : que la principale occupation des moines doit être de ſervir les pauvres ; que les ſoldats invalides ſeront répartis dans les couvens ; qu’il y aura des religieux prépoſés pour avoir ſoin d’eux ; que les plus robuſtes cultiveront les terres appartenant au monaſtere. Il preſcrit la même choſe dans les maiſons de filles : les plus fortes auront ſoin des jardins ; les autres ſerviront les malades qu’on y apportera des environs du couvent. Il entra dans tous les détails de ces différens ſervices ; il deſtine quelques monaſteres de l’un & de l’autre ſexe à recevoir les orphelins & à les élever ; & il ſemble, en liſant cette ordonnance, qu’elle ſoit à la fois l’ouvrage d’un miniſtre d’Etat, & d’un pere de l’égliſe.
Non content de réformer les moines, le Czar entreprit encore de les rendre ridicules. Il en vouloit ſur tout à ceux de la communion Romaine, & plus encore à ce que nous appelons le Haut Clergé. Il créa pape un de ſes fous, lui donna des cardinaux de la même eſpece, fit célébrer un conclave; & la farce finit par marrier le ſouverain pontife, qui avoit plus de quatre-vingt-dix ans, avec une femme de ſon âge. Quatre begues étoient venus en faire la demande ; des vieillards décrépits conduiſoient la Future ; quatre hommes d’une groſſeur monſtrueuse, ſervoient de coureurs ; le hurlement des ours, qu’on piquoit avec des pointes de fer, formoient la muſique : un prêtre ſourd & aveugle donna la bénédiction nuptiale : le repas de noce, le déshabillé des Mariés, la cérémonie de les mettre au lit, tout fut analogue à cette bouffonnerie. Le but du Czar étoit de venger cette foule de Rois que les Papes ont détrônés, & d’inſpirer à ſes peuples, du mépris pour une dignité qui s’étoit arrogé les droit de diſpoſer des empires.
J’ai commencé à parler de la ville de Niſe-Novogorod. Parmi des maiſons de bois, eſt une grande égliſe bâtie de pierre, ſurmontée de cinq dômes peints en verd, décorés d’un vernis très-éclatant, & terminés par des grandes croix. De l’autre côté de la riviere eſt un gros village appartenant aux Strogonof, qui, des plus riches négocians de la Ruſſie, ſont devenus une famille noble & conſidérable dans l’Etat. Les vivres ſont ici très-abondans, & ſe vendent au plus bas prix. Un mouton coute douze ou quinze ſols, deux canards un ſol, trois ſols une poularde, le cent d’œufs cinq ſols, un denier la livre de pain, & le reſte à, proportion. C’eſt un ſpectacle ſingulier que de voir tous les pauvres autour des cabarets où l’on vend de l’eau-de-vie. Je m’y arrêtois des heures entieres, à conſidérer leurs extravagances lorſque la liqueur commence à leur monter à la tête. Il ne leur eſt pas permis d’entrer dans le cabaret : il y a, devant la maiſon, une table ſur laquelle ils mettent leur argent ; & on leur meſure la quantité de liqueur qu’ils demandent. On la tire d’un grand chaudron avec une cuiller de bois ; & on la verſe dans une taſſe de même matiere. Ils ſont ſervis par deux perſonnes qui ne font autre choſe du matin au ſoir ; l’une reçoit l’argent, & l’autre fournit la boiſſon. Les femmes y vont comme les hommes & s’énivrent de même. J’étois réduit à me procurer des petits amuſemens, dans un pays où l’on n’en trouve preſque point d’autres. Nous quittâmes le Volga pour ſuivre l’Occa, & ne fîmes qu’entrevoir la ville de Moruma, où ſe fait, dit-on, le meilleur pain de toute la Ruſſie. Kaſſimof, que nous apperçumes enſuite, étoit autrefois la réſidence d’un prince Tartare, dont la famille a embraſſé le Chriſtianiſme, & a retenu le nom de cette ville. On y trouve encore quelques Tartares Mahométans auxquels on permet l’exercice de leur religion. Péreſlaw eſt la capitale de la province de Réſan, & le ſiége d’un archevêque. Kolumna eſt auſſi une ville épiſcopale, à une demi-lieue de laquelle nous entrâmes la riviere de Moſca, qui donna ſon nom à la capitale & à toute la Moſcovie. Non loin delà eſt un grand étang, où Pierre I fit conſtruire, au commencement de ce ſiecle, un canal pour ouvrir une communication entre le Don & la mer Baltique. Le Prince lui même en examina tout le terrein ; & ce grand ouvrage fut fait ſur le modele de celui du Languedoc, autant que la diſpoſition des lieux pût ſe permettre. Cette jonction eſt d’autant plus importante, qu’elle donne aux Ruſſes un libre paſſage pour trafiquer ſur la mer Noire & en Perſe, par le Volga & la mer Caſpienne.
Je ſuis, &c.
A Moſcow, ce 4 Mai 1747.
Le Voyageur François, 1768, Tome VII, p. 319 - 355 – Abbé de Laporte.
Zoals voor alle oorspronkelijke teksten die we in Le petit Cuistre onderbrengen, geen veranderingen werden aangebracht aan de originele Franse schrijfwijze.
Comme pour tous les textes originaux publiés dans Le petit Cuistre et sur ce site, aucun changement n’a été apporté à l’orthographe française du XVIIIe siècle.
As for all the original texts published in Le petit Cuistre, no change was made to the French spelling from the XVIIIth century.
Op 28 februari 1740 vertrok de Franse sterrenkundige Joseph-Nicolas Delisle (1688-1768) vanuit Sint Petersburg naar het stadje Beresov in Siberië. De kosten van de zending werden gedragen door de Russische Academie van Wetenschappen in Petersburg. Delisle was er hoogleraar sterrenkunde en genoot er zoals zijn broer de cartograaf Guillaume Delisle (1675-1726) grote faam. Een derde broer, Louis Delisle de la Croyère (1690-1741), die met Steller en Vitus Bering naar Kamchatka en Alaska zou trekken, overleefde het Russische avontuur niet. Hij stierf op 10 october 1741 bij zijn terugkeer uit Alaska en werd op de oever van de Avacha-baai (Kamchatka) begraven.
Doel van de reis van de sterrenkundige Delisle naar Beresov was om er de doorgang op 22 April 1740, van de planeet Mercurius over het zonsoppervlak, te gaan waarnemen, een zeldzaam verschijnsel waardoor men de afstand tot de zon met grotere nauwkeurigheid dan voorheen zou kunnen bepalen. Het relaas wat nu in vertaling te lezen is volgt getrouw het verslag van zijn begeleider M. Koenigsfeldt, zoals dit door Abbé Prévost in zijn “Histoire générale des Voyages”, 1768, Tome 72, A Paris, Chez Rozet, werd opgenomen (Manuscript van de notas van Delisle wordt bewaard in het depot van de Zeemacht te Parijs)
Delisle vertrekt met zijn gevolg op 28 Februari. Hij wordt voorafgegaan door een officier van de Keizerlijke Wacht, die de opdracht heeft de weg naar Beresov uit te stippelen. Hij brengt hen van zijn bevindingen op de hoogte door briefjes die hij op welbepaalde pleisterplaatsen achterlaat. Hij moet er ook voor zorgen dat de geleerden er onderdak en voeding wordt verleend. Alhoewel men Delisle heeft gewaarschuwd dat de tocht met veel moeilijkheden zal gepaard gaan geraakt het gezelschap zonder kleerscheuren door het Valdai Gori-gebergte. Wel zijn ze erg verontrust doordat de slede die de Keizerlijke Kas vervoert, met de betalingsmiddelen waarmee hun tocht moet bekostigd worden, op zich laat wachten. Men neemt aan dat de slede in een bos nabij Nowogrod verdwaald is. Na een uur wachten duikt de slede plotseling op en de soldaat die haar begeleidt verontschuldigt zich voor het oponthoud, doordat hij over slechte paarden beschikte die niet op zijn geroep hebben gereageerd. Men komt er dus met de schrik vanaf en de soldaat met enkele stokslagen. Die had hij echter niet verdiend en waren beter aan majoor Soltanov toegediend ; want die had het bevel over de begeleiding van de reizigers en het transport van de geldkas. Wat de Russische paarden betreft, toont Delisle grote bewondering voor hun volharding en onvermoeibaarheid. De paarden die een erg schamele indruk maken zijn nochtans in staat de zwaarbeladen sleden gedurende meerdere uren in volle galop voort te trekken en wanneer men meent, dat ze aan het eind van hun krachten zijn, dan lopen ze nog wel een 20-tal werst verder, zonder even uit te rusten, te eten of te drinken. Het voortdurend geroep van hun begeleiders, dat luider wordt naar het einde toe van de tocht, helpt duidelijk de beestjes in beweging te houden. Russische menners onderhouden zich op vriendschappelijke wijze met hun paarden, om ze aan te sporen of om ze op eigen tempo (draf) te laten lopen. Maar als dat niet helpt, dan wordt de zweep niet gespaard.

Op 3 Maart bereiken de geleerden Moscou. Feestelijkheden zijn er aan gang zijn voor het vieren van de beëindiging van de vijandelijkheden met Zweden. Delisle bezoekt er een katholieke kerk die bediend wordt door een drietal Kapucijnen die in grote armoede leven. Het geringe aantal katholieken in Moscou maakt hen duidelijk niet rijk. Het gebouw staat onder de bescherming van de Keizer, te merken aan de keizerlijke wapens die de ingangspoort van de kerk versieren. Het is nog steeds winter, en wat erger is, de Russen beleven op dat ogenblik hun vastenperiode. De geleerden kunnen met moeite aan wat etenswaren geraken. Op 7 maart wordt Wolodimir bereikt en men kan er zelfs geen ei of melk bekomen. De inwoners zijn bevreesd als ketter beschouwd te worden als zij de reizigers verboden eetwaren zouden bezorgen. Na de doortocht van het steile en gevaarlijke Belozerkoi-gebergte bereiken ze op 11 maart het stadje Kusmodemianskoi, waar ze goed ontvangen worden. Ze krijgen er wit brood te eten en kunnen een kleine voorraad suiker en zout opslaan. Ze vereffenen de rekening met enkele glazen Franse jenever.
Bij het verlaten van de stad, steken ze de Wolga over en komen terecht in een dicht woud van 20 werst breed. Er is slechts één enkel gehucht met een drietal woningen te bekennen. Kouma blijkt een nederzetting te zijn van de Czeremissen. Ze worden door een vrouw opgewacht bij een groot vuur. Haar breed kleed reikt tot aan de knieën. Het heeft de vorm van een toga en is gemaakt uit ruw grijs linnen. Ze draagt zwarte laarzen en is getooid met een eenvoudig Russisch mutsje van zwart schapenvacht. De reizigers vernemen dat het bos wemelt van beren, rendieren, herten wolven en marters. Er is in het hele woud geen Rus te bekennen en de geleerden zullen zich moeten verlaten op de Czeremissen en Tschuwachis om hun tocht verder te kunnen zetten. Probleem is dat beide stammen geen woord Russisch spreken. Gelukkig bevindt zich in het voertuig van Delisle een jonge Czeremis, nauwelijks zeven jaar oud. Die wordt tijdens de tocht op één van de voorste paarden gezet. In een dicht woud kan men de paarden niet naast elkaar laten lopen, maar moeten ze in lijn voor de slede gespannen worden. De jongen moet er over waken dat het gevolgde pad breed genoeg is om de sleden te laten passeren.
De Czeremissen kennen geen eigen feesten, met uitzondering dan van het feest met de intrede van het nieuwe jaar. Een aantal feesten vieren ze met de Russen samen, maar ze houden geen vastentijd. Ze eten om het even wat voor vlees, zelfs hondenvlees. Volgens M. Koenigsfeld gelijkt de taal van de Czeremissen op het Fins. Ze heeft ook wat ontleend aan het Latijn en het Russisch.
Op 12 maart bereiken de geleerden Santschurskoi. De vrouwen blijken er erg mooi te zijn. Twee dagen later zijn ze in Chlynov, de hoofdstad van het gebied. Het is een mooie plek met meerdere stenen huizen. Een grote kerk, die aan één of ander klooster toebehoort, siert de stad met haar vergulde koepel. Ze maakt deel uit van een complex van 27 stenen kerken, één houten kerk en een zeer ruim stadhuis. Men betreedt en verlaat de stad via een achthoekige toren waarvan de poort uit houten vlechtwerk bestaat. Chlynov bevindt zich op de Wiatska-rivier. Op de oevers bevinden zich een tweetal religieuze gebouwen, één voor de mannen en één voor de vrouwen.
Op 14 maart bereiken ze Karanoa, een stadje dat bewoond wordt door Tataren en die daarom Karanoaische Tataren worden genoemd. Ze zijn van nature uit vriendschappelijk en erg gastvrij. Bij de aankomst van de reizigers blijken ze in de moskee te zijn. Uit nieuwsgierigheid gaan een aantal van de reizigers een kijkje nemen. De Tataren koesteren een grote verering voor hun moskee. Ze zitten er allen geknield op tapijten. De muren van het gebouw zijn bedekt met stoffen van diverse kleuren. De olielampen die er branden mogen niet gedoofd worden en vrouwen zijn er niet toegelaten. De Tataren verlangen van onze reizigers dat ze bij het binnentreden hun schoenen uitdoen ; maar die zijn er niet op gevlast, en elkeen neemt gewillig het risico op zich van het begaan van een zonde.
In Bolschoi Pogost, een twintigtal werst verder komen ze in het gebied van de Wotiaks terecht, een ruw, dom en bijgelovig volk. In hun tempel (Qua) vereren ze een os, die één of andere godheid moet voorstellen. Als er geen os beschikbaar is dan nemen ze een gans. Ze hebben totaal geen besef van tijd, van de dagen en de uren. Ook zij kennen geen feesten en hun priester is al even dom als zijzelf. Ze maken geen gebruik van het schrift en alles wordt er mondeling meegedeeld. De Wotiaks bevinden zich als het ware in de kindertijd van de beschaving. Zij hebben een vaag begrip van het ontstaan van de mens, dat ze als volgt vertellen : God maakte de eerste mens (Alees), waarop de duivel Schaitan spuwde. Hierdoor werd de menselijke natuur corrupt. Het huwelijk wordt er zonder enig vertoon gesloten. Wanneer een man een vrouw ontmoet, die hem bevalt, eist hij haar onmiddellijk op als zijn echtgenote. Zij wordt zijn vrouw, hij trekt in bij haar vader en blijft daar tot het einde van zijn leven. De vrouwen steken hun haar op tot een 3-delige toren van wel 2 voet hoog. Kleine plaatjes van tin of zilver en glazen bolletjes van diverse kleur versieren het bouwwerk. Alvorens ze het uitgestrekte domein van Baron Stroganow betreden (zo groot als een Franse provincie), en waarvan Stroganov in Moscou een met de hand vervaardige kaart aan Delisle had gegeven, ontmoeten ze Mr. Fisher met vrouw en kinderen. Die is op weg om Mr. Gmelin te vervoegen op zijn reis doorheen Siberië. Zij reizen met een ruime comfortabele koets.
Op 18 maart bereikt Delisle met zijn gevolg Ilginski-Selo, een grote burcht (vesting) op het grondgebied van de Stroganovs. Ze begroeten er Mr. Lange, Vice gouverneur van Tobolsk die hen op de koffie uitnodigt. Ze kunnen niet lang blijven en zetten weldra hun tocht verder. Overal op het grondgebied van de Stroganovs worden ze zeer hartelijk ontvangen. De Prikatsches – beheerders van het domein – doen hun uiterste best om al hun wensen te vervullen. Van zodra ze dan ook in een of ander groter gehucht opduiken gaan ze er op zoek naar de pritkatsch. Die leidt hen naar de woning waarvan Stroganov eigenaar is en die door de plaatselijke prikatsch wordt beheerd. Delisle bemerkt dat al die woningen goed onderhouden en goed verwarmd zijn. Men wordt er vergast op allerlei eetwaren en verfrissingen, en het kost hun geen cent. In Sludowa schenkt men hen een aantal ganzen, eenden en kalkoenen, daarbij nog wat wit brood en allerlei andere benodigdheden. Delisle bedankt hen met vriendelijke woorden ; maar hij voegt er snel aan toe, dat hij Stroganov ervan op de hoogte zal brengen. Hun namen worden zorgvuldig op een tablet genoteerd.
Diezelfde dag nog komen ze aan in Tiumen (Red : niet te verwarren met Tjumen in de buurt van Tobolsk) en bewonderen er de kopergieterijen. De volgende dag bereiken ze Solikamskoi dat bekend staat om haar zoutontginning nabij de Kama-rivier. De bewoners van het stadje zijn er beschaafd en welvarend. Misschien zouden we beter zeggen, welvarend en beschaafd : beschaving volgt meestal op welvarendheid.
Delisle is nieuwsgierg en wil weten hoe men het zout gewint. Het grondwater bevat er veel zout. Met eenvoudige pompen, aangedreven door paarden, wordt het zilte water uit de gegraven putten naar boven gehaald en vervolgens verder geleid in brede goten. Het komt uiteindelijk terecht in een grote vierkanten behouder van 50 op 60 voet en een hoogte van 1 voet. De bak is gemaakt uit ijzeren platen en staven, waaronder een hevig houtvuur brandt, zodat het water verdampt en het zout zich neerzet op de bodem. De werklieden zijn naakt en bevinden zich op een houten stelling rond de bak. Met een lange houten hark schrapen ze het zout van de bodem. Meer dan honderd huizen zijn bij dit werk betrokken ; maar het zout dat ze zo bekomen heeft niet dezelfde kwaliteit als zeezout of klipzout (steenzout). Later op de dag trekken de geleerden oostwaards en brengen op 21 maart de nacht door in Molzau, de meest ontoegankelijke bergpas van het Werchoture-gebergte, het gebergte dat de scheiding vormt tussen Europa en Azië. Een meer geschikte bergpas bevindt zich bij Kapat. Het is de weg die tevens naar Tobolsk leidt. In de buurt van Kirga, verheffen de bergen zich hoog boven het bos en vormen als het ware, links en rechts van onze reizigers, hoge muren. Wanneer ze een twintigtal verst van Kirga verwijderd zijn betreden ze een bos dat 10 jaar voordien volledig verwoest werd door een blikseminslag. De geleerden bevinden zich nu in Azië, drie weken na hun vertrek uit St. Petersburg. Diezelfde dag komen ze aan Pandinskoi-Kamen voorbij, een uitgestrekt gebergte dat wel 70 voet hoog is en waarvan een aantal toppen op torens gelijken die bedekt zijn met mos. Op een afstand van 40 verst van Kapat komen ze terecht bij de Wogulzen, een volksstam die temidden van een dicht Picta-woud wonen. De bevolking vertonen veel gelijken met de Kalmouks. Door bemiddeling van de stadhouder Petrowitz Gagarin hebben ze zich bekeerd tot het Russisch-Orthodoxe geloof.
Op 22 maart bereiken de geleerden de stad Werchoture. De ingang ervan is een natuurlijke bergengte die de Russen met een slagboom hebben afgesloten ; om zo te beletten dat niets Europa of Azië verlaat of binnenkomt zonder er tol op te betalen. Onze reizigers hoeven niets te vereffenen, want het blijkt een heksenwerk om hun koffers te inspecteren. Men gelooft hen op hun woord. Bij de uitgang van Werchoture verheft het gebergte zich opnieuw. Links en rechts van de weg heeft men een paalwerk opgericht, met een poort erin, om zo beter de doorgang te kunnen bewaken. Hier begint het echte Siberië.
In Turinsk dat de geleerden op 23 maart bereiken worden ze opgewacht door de bevelhebber van het stadje. De Pruisische officier, Wedinger, doet zijn uiterste best om hen goed te ontvangen. Hij spreekt Duits, Latijn en een beetje Frans. Op 25 maart wordt het plotseling bijtend koud en omstreeks 4 uur in de morgen daalt het kwik tot 180d (volgens de thermometer van Delisle). Diezelfde dag trekken ze voorbij de stad Tjumen en de dorpen St. Sonova, Potrovska-Selo, Iska, Nerdinskoi en Lipovska-Sardava.
Laatstgenoemd dorp ligt op de Tobol-rivier en is een controlepost voor de Siberische handelaars. Nadien bereiken ze Turbinskaja dat het meest beschaafde tatarendorp in Siberië blijkt te zijn. De bewoners ervan worden Jasdische of Krasnojartische tataren genoemd. Koenigsfeld bemerkt in zijn geschriften dat ze op Oosterse wijze leven. Ze wonen in tenten die ze jurten noemen en die, zoals bij de Perzen en Turken, met tapijten beklede aarden podia van twee voet hoog bevatten. Enkele van die tapijten zijn uit gewone grijze stof vervaardigd. Men ziet er een aantal oventjes waarop een grote ketel is geplaatst. Hierin wordt regelmatig een soort vleessoep gekookt die ze graag met tarwebrood eten. Tarwe blijkt er goed voorradig te zijn. Van Turbinskaja gaat het in een trek naar Tobolsk. De gouverneur ervan heeft hen een soldaat van het garnizoen tegemoet gestuurd om hen verder naar de stad te leiden. Bij het binnenkomen in Tobolsk vormen de de garnizoensoldaten een erehaag in de hoofdstraat om hen te verwelkomen en worden ze begroet door de officieren.
Van zodra Delisle in zijn voor hem bestemde woning is ondergebracht komt een officier hem melden dat de gouverneur, Peter Ivanov Buterlin, hem in alles behulpzaam zal zijn. Diezelfde dag krijgt hij nog meer bezoek en de gouverneur stuurt hem streekgerechten in twee grote koperen kannen waarvan er één gevuld is met honing en de andere met bier. De volgende dag brengt Delisle met zijn gevolg een bezoek aan de gouverneur. Er wordt hen koffie, tabak en gedroogde vis aangeboden. De gouverneur nodigt hen zelfs uit op het diner, maar Delisle wil hierop niet ingaan, uit reden dat het al een magere etensdag was en dat ze nu wel iets anders willen eten dan vis. Verder kan men, wat het eerbetoon aan zijn persoon betreft, er niets aan toevoegen : een wacht bevindt zich dag en nacht aan zijn deur en een aantal soldaten zijn ter beschikking gesteld om voor hem en zijn gezellen de boodschappen in de stad te doen. Bij het verlaten van de gouverneurswoning begeleidt Dr. Holtz, de hoofdchirurg van Tobolsk, Delisle en zijn gezel Koeningsfeld naar de woning van gravin Proskovia Petrovna. Geboren Tatarinov, was zij gehuwd met graaf Santi die ceremoniemeester was aan het hof, maar onder de regering van Catherina Alexievna naar Ilginskoi-Ostrog verbannen werd. Santi had haar gehuwd in Moscou, kort na zijn aankomst aldaar, zonder enig vermoeden dat hij eens verbannen zou worden. Zij had haar echtgenoot naar het verbanningsoord niet mogen volgen en mocht zelfs niet haar familie in Moscou vervoegen. Sindsdien leefde ze in afzondering in Tobolsk. Ze had nog een zuster waarvan de echtgenoot op 30 juli 1739 onthoofd was geworden. De bekoorlijke gravin is er op gevlast om de sterrenkundigen, die op weg zijn naar Beresov, te zien. Zij verlangt hen persoonlijk te ontmoeten en zich met hen te onderhouden. Dat is het doel van hun bezoek aan haar. De volgende dag brengt haar huisbediende twee grote, in wit linnen verpakte, borden met verse broodjes en geconfijte appelsienen uit China. Diezelfde avond stuurt Delisle haar zes flessen Franse wijn, met de belofte dat hij bij zijn vertrek uit Tobolsk zeker afscheid van haar zou komen nemen; wat hij ook heeft gedaan.

Twee dagen nadat de sterrenkundige kliek in Tobolsk was aangekomen zijn ze zeer verwonderd alle klokken van stad te horen luiden. De aartsbisshop is overleden, op zes en zeventig jarige leeftijd. Het blijkt de laatste aartsbisshop in Rusland te zijn. Peter de Grote die beslist had deze waardigheid af te schaffen, had aan deze prelaat, voor bewezen diensten en gezien zijn hoge leeftijd, de toestemming gegeven zijn functie tot aan zijn dood te mogen uitoefenen. Hij heette Antonius en Delisle gaat zijn lijk begroeten in de kathedraal van het kremlin (vesting) van Tobolsk. Hij ligt in zijn kist met het gelaat bedekt. Getooid in zijn priesterlijke kleding heeft hij de handen op de borst gevouwen, waarop tevens een boek ligt. Op zijn hoofd draagt hij een soort witte kap, die alleen door zijn ambtsgenoten mag gedragen worden en die hij nu meeneemt in het graf.
Tobolsk is op een berg gebouwd en omringd door muren en torens, zoals het toen de gewoonte was om een stad te versterken. De stad bestaat uit twee gedeelten, het hogere gedeelte waar de gouverneur woont en het gedeelte aan de voet van de berg waar het gros van de bevolking woont in houten huizen die kunstig versierd zijn met houtsnijwerk. De winkeltjes van de handelaars, met een overvloedig aanbod waren uit China, bevinden zich op het hogere gedeelte. Ze zijn uit steen opgetrokken en met koepeltjes voorzien. De kathedraal valt bijzonder op door haar reusachtige koepel van verguld koper.
Diezelfde dag al beginnen de geleerden over hun verdere reis na te denken. Delisle, Koenigsfeld, de legeroverste Soltanov en de leerling Gregoriev overleggen met elkaar welke weg ze hiervoor zullen kiezen. Op 28 maart zullen ze in iedere geval Tobolsk verlaten. Delisle licht de gouverneur hierover in en de nodige voorbereidingen worden gemaakt.
De gouverneur stelt hen een vijftiental soldaten ter beschikking, waarvan enkelen meubelmaker, een aantal slotenmaker en allen timmerman zijn ; dit laatste beroep waarschijnlijk wel het nuttigste en meest voorkomende beroep in deze streken. Het verblijf van de geleerden in Tobolsk was dus wel bijzonder kort.
Gedurende de drie nachten in Tobolsk slaapt Delisle, ontkleed, tussen twee lakens ; iets wat sinds Moscou niet meer was gebeurd. Elke nacht wordt hij door een eigenaardig symptoom overvallen, dat zich uit in een onophoudelijke trilling over geheel zijn lichaam. Zijn slaap is licht en hij hecht er de eerste nacht niet veel belang aan. Maar de tweede nacht overvalt hem opnieuw het vreemde symptoom. Hij meent de trilling te moeten toeschrijven aan de veren van het bed ; maar het bed blijkt over geen veren te beschikken en is vervaardigd uit stevige en goed sluitende planken. De derde nacht wordt hij opnieuw geplaagd door het fenomeen. Na grondig over de mogelijke oorzaak nagedacht te hebben komt hij tot het besluit, dat de trillingen een gevolg moeten zijn van de voortdurende schokken die hij ondervonden heeft vanaf Moscou, gedurigaan met zijn voertuig onderweg en niet in de mogelijkheid in een fatsoenlijk bed te slapen.

Op 27 maart gaan Koenigsfeld en de hoofdchirurg nog snel op bezoek bij de weduwe van de Tataarse prins Suberakovitch, die 4 jaar eerder overleden is en die deel uitmaakte van de Kusma-familie, waarvan een aantal leden Tsaar van Rusland zijn geworden. De weduwe heeft twee mooie dochters die met smaak gekleed zijn. Hun damast rokken zijn versierd met lange slierten paarlen en geldstukken. ‘s Avonds bij het afscheid van de weduwe worden ze vergast op baiter-koeken, bereid uit witte deeg.
Mursinskoi-Yurta, dat ze op 30 maart bereiken, is de eerste pleisterplaats die onze reizigers aandoen, na hun vertrek uit Tobolsk, om er hun paarden te wisselen. Het plaatsje bevindt zich 12 verst van Demianskoy-Jam.
Daar hadden ze Ostiaks ontmoet die zich bekeerd hadden tot de Griekse godsdienst. Op de laatste dag van de maand komen ze in Philiskoi-Powos aan, bij een Ostiak die hen zijn wapens laat bewonderen, een zeven voet lange boog met ijzeren versierde pijlen. De punt van een aantal pijlen, die hij gebruikt voor de jacht op eekhoorntjes, is vervangen door een houten kegeltje, dat het diertje doodt zonder de pels te beschadigen. De Ostiaks voeden zich practisch uitsluitend met vis. Het ruikt er in de woningen sterk naar vis.
Het dier is van grote hulp bij zijn tocht door te sneeuw. De man beschikt over een cederhouten boog en een lange stok, met aan het uiteinde een tandvormig puntig been en een racket, die de stok belet te diep in de sneeuw te zinken. De bovenkant van de stok is als een spade waarmee hij zich ‘s nachts in de sneeuw ingraaft, om er tijdens de jacht in het bos te overnachten. Op zijn rechter schouder draagt hij een koker uit rendierleder, gevuld met pijlen.

De geleerden zien er ook nog een aantal sleden die door honden van eenzelfde soort worden getrokken. Middelmatig van grootte hebben die een lange smalle snuit en puntvormige oren, zoals de wolven. De rug is zwart ; hals, buik, poten en gekrolde staart wit.
De leidsels lopen zijdelings van het lichaam (Red : in de oorspronkelijke text staat er : Ils ont des corroies passées autour des reins ; maar dat komt niet overeen met het prentje) en worden met koorden aan de sleden vastgemaakt. De sleden zijn erg licht doordat ze vervaardigd zijn uit wilgen latjes, die stevig aan elkaar zijn bevestigd, zodat de slee gemakkelijk een man en zijn gepak kan dragen. Alle tochten van de Ostiaks gebeuren met dit vervoermiddel, zittend, liggend of zelfs slapend op hun slede. Maar het gebeurt ook wel dat ze op racketten achter hun sleden lopen, of op korte plankjes die ze aan hun voeten hebben gebonden, om niet in de sneeuw weg te zinken. Hun kleding bestaat voor het merendeel uit rendierleder. De Ostiaks waren bijzonder nuttig voor onze reizigers, die hen als gidsen gebruikten.Ze stuurden ze dikwijls wel vijftig tot zestig verst voorop om paarden te vinden en die voor te bereiden voor de voortzetting van hun reis ; die opdrachten werden altijd prompt uitgevoerd.
In Demianskoi-Jam en nog enkele andere gehuchten treffen de geleerden een aantal Ostiaks aan die zich met de Russen hebben gemengd. De Ostiaks beijveren zich om onze reizigers pelzen van vossen, sabeldieren en bevers aan te bieden ; maar ze willen er niets voor terughebben. De geleerden nemen er genoegen mee en aanvaarden een aantal van die pelzen.
Op 1 april bereiken ze Samarovskoi-Jam, een stad aan de voet van een hoge berg aan de Yrtish-rivier. Daar zullen ze de Yrtish verlaten en hun tocht voort zetten op de Obi-rivier, op dat ogenblik nog bedekt met sneeuw en ijs.
Koenigsfeld verneemt er, dat op de oevers van de Konda, een rivier die uitmondt in de Yrtish, de beren temidden van de koeien en de schapen slapen zonder hen enig kwaad te berokkenen ; terwijl in Samarovskoi de beren zelfs de doden opgraven om hen te verscheuren. Hij hecht geen belang aan dit verzinsel. Ze ontmoeten er een Zweedse luitenant Berg die door de Russen gevangen werd genomen in Wibourg, een stadje dat de Russische godsdienst heeft aangenomen. Volgens die officier zouden de Ostiaks een God vereerd hebben die ze Mastriko noemden en waarvan een afbeelding vereerd werd vanaf het stadje Nurim op de Obi tot Samaraowkoi-Jam. De Russen hebben meer dan vijfhonderd idolen van hun godsdienst vernield.

Op 3 april, om 10 uur ‘s avonds, bereiken ze Linsh. Ze onmoeten er een Ostiak met zijn vrouw die beiden beneveld zijn door tabaksrook. Tabak wordt er gebruikt als braakmiddel, als ze last hebben van slijmen of vis gegeten hebben die niet verteert ; want die wordt er zonder zout gegeten. Het gaat als volgt te werk : ze vullen hun mond met water en inhaleren de tabaksrook, die ze uit een klein stenen vierkante behoudertje trekken, voorzien van een met leder omhuld buisje van twee voet lang ; hetgeen onmiddellijk tot braken leidt.
De Ostiaks die ze onderweg tegenkomen hebben allemaal iets bijzonders. Ze zijn gekleed, man en vrouw, met vishuiden van diverse kleur.
De geel gevlamde huiden maken een bijzonder mooie indruk. Het merendeel kleedt zich met de huid van otters, die men er in grote aantalen aantreft en die wel drie voet lang kunnen worden. En men gelooft het of niet, maar ook hier mengt zich ijdelheid met luxus. De vrouwen weten goed hoe ze met bepaalde plantensappen die huiden moeten kleuren, om zo hun kleding en die van hun mannen te verfraaien. Bedden worden er mee bedekt en kussens er mee omhuld. De huiden worden uit kleinere stukjes tot een grotere eenheid samengevoegd (lappenstof). Het geheel oogt zeer mooi.
De Ostiaks leven in hutten die ze yurta (jurten) noemen. Men wordt er nauwelijks gestoord door de rook van het vuur, in tegenstelling tot de hutten van de Russen en de Tataren. Bovenaan de hut bevindt zich een ovale opening van twee voet lang, die voor verlichting zorgt en die ‘s nacht met riet wordt afgesloten. Gedurende de dag ontsnapt daarlangs de rook. De wiek van hun met visolie brandende lampen is gemaakt uit een soort katoen die ze winnen uit de vezels van de Talnik, een boomsoort die erg op onze Europese wilg gelijkt. In de tent treft men een aarden verhoog aan van ongeveer één voet hoog en vijf tot zes voet lang en breed. Hierop bevinden zich hun bedden, die uit een een aantal matten bestaan van verschillende kleur en kussens omhuld met vissenhuid en met pluimen versierd. De bodem van de hut is insgelijks bedekt met matten, maar die zijn veel donkerder van kleur en eveneens uit meerdere gedeelten tot één geheel samengevoegd. Delisle maakt hier de bemerking dat in deze sombere alkoven de vrouwen gehurkt op de hielen zitten, met de rug naar het gezelschap gekeerd en met de neus op de mat gedrukt. Is het schuchterheid, natuurlijke schaamte of angst om de nieuwsgierige vreemdelingen te doen ontvlammen, die hen zo doet handelen ? Hun lelijkheid behoedt hen echter voor ongewenste intimiteiten.
Hoe lelijk de Ostiaks ook mogen zijn, hun kinderen zijn erg mooi en hebben ronde, poezelige en witte gezichtjes. Volwassen Ostiaks vertonen uitgesproken jukbeenderen en een olieachtige huid, een gevolg van hun visrijke voeding. De hutten hebben noch vensters noch tafels. Als er meerdere families in eenzelfde hut vertoeven dan wordt die in meerdere cellen verdeeld. Eenieder heeft zo zijn plaatsje en eet er rustig zijn toebereide spijzen.
Het wisselende aspect van de reis doorheen een onbeschaafd en wild gebied kan onze reizigers maar weinig de moeilijkheden doen vergeten die ze nadien nog zullen ondervinden. De officier, die hen was voorafgegaan, was er pas na 100 verst in geslaagd om voor hen onderdak te vinden. De uitrusting die ze bij zich hebben was enorm toegenomen door het aanwerven van een extra aantal soldaten in Tobolsk en door de proviand die ze met zich mee moeten voeren voor de twee tot drie maand durende tocht. De wegen bevinden zich in een erbarmelijke toestand en de paarden zijn slecht gevoed zodat die met moeite vooruitkomen. Haver kennen ze hier niet; ze krijgen hooi van slechte kwaliteit of gedroogd onkruid dat nauwelijks de voedingswaarde heeft van stro.
Maar dat geldt ook voor de overige beesten in dit land die al geen beter voedsel krijgen. Koeien moeten het met wilgenschors stellen. Men kan zich voorstellen hoe die melk wel smaakt.
Op 4 april bereiken ze, omstreeks 10 uur ‘s avonds, het gehucht Troiskoi Monastir. De Overste ontvangt hen goed en schenkt hen een brood van veertig pond en twee grote kruiken, de ene gevuld met bier en de andere met quas (Red : tafelbier). Op 5 april, komen ze aan in in Choumgorskoi-Pogost (volgens Delisle zou het Zamosofska-Yurta geweest zijn ). Het is zaterdagavond en ze treffen er een kerk aan met een Russische priester die hen uitnodigt. Het is een minzaam man die uit Ukraïnië komt en die sinds twaalf jaar priester is bij de Ostiaks. De volgende dag, paaszondag, begeven ze zich naar zijn kerk om er de dienst bij te wonen. De Ostiaks van het gehucht en van de omgeving zijn er ook ; mannen en vrouwen worden van elkaar gescheiden in de kerk. De vrouwen zijn verborgen achter een groot stoffen gordijn en dragen een hoofddoek zoals we dat bij onze kloosterzusters kennen. De communie wordt er volgens de Griekse (orthodoxe) ritus aan de mannen, vrouwen en pasgeboren kinderen uitgereikt. Na de dienst nodigt de priester hen uit op een etentje en, alhoewel ze hun eigen eten hebben laten klaarmaken in zijn keuken, aanvaarden ze dit. Ze willen hem vergoeden voor de onkosten ; maar de priester toont hen enkele vrome beeltenissen en zegt, dat hij gelooft verplicht te zijn hen die maaltijd, die hij van de goddelijke voorzienigheid heeft ontvangen, gratis aan te bieden. Een van die prentjes toont een hoofd met drie gezichten. Het stelt de heilige Drievuldigheid voor, drie personen in één en dezelfde God. De gezichten zijn allen eender en tonen het gelaat van Jezus-Christus, zoals de Russen die afbeelden met een zwarte snor en een tweepuntige baard. De drie gezichten vormen het voorhoofd, met vier ogen, drie neuzen, drie monden en drie kinnen. In St. Petersburg treft men wel meer van die eigenaardige beeltenissen aan. Na afscheid genomen te hebben van de vriendelijke Russische priester met de belofte, als de voorzienigheid het zal toelaten, hem bij hun terugkeer opnieuw te bezoeken, vervolgen Delisle en zijn gevolg hun vermoeiende tocht over de Obi, door sneew en ijs. Naargelang ze vorderen ondervinden ze meer en meer moeilijkheden die zich als een onoverkomelijke berg beginnen op te stapelen. De jurten, waarnaar onze reizigers en hun paarden zo naar verlangen, worden steeds zeldzamer en zijn ver van elkaar verwijderd. De meesten van hen zijn zelfs verlaten, want die worden slechts gedurende de zomer bewoond, tijdens het seizoen van de visvangst op de Obi. In een aantal waar ze toch enkele mensen aantreffen heerst de grootste armoede.
Op 8 april zijn ze door de slechte weersomsgtandigheden verplicht, in het gehucht Nurumovo, halt te maken. Ze vinden onderdak bij een Ostiak die onlangs gedoopt werd en zich Constantijn noemt. De man, vijftig jaar oud, verzekert hen, dat hij zich geen jaar herinnert dat het weer zo slecht was en dat er noch wild noch vis te vangen is. Meerdere mensen zijn er van honger gestorven.

Het Hof in St. Petersburg heeft het bevel uitgevaardigd dat zowel naar Beresov als naar Troitskoi-Monastir meel moet worden gezonden ; elke familie krijgt een hoeveelheid naargelang het aantal gezinsleden, maar dat meel zullen ze wel moeten betalen, als het hen beter gaat. In een andere jurte, op 2 verst van Beresov, treffen ze een aantal Ostiasks aan die door honger uitgeput zijn en om niet om te komen tevergeefs op zoek zijn naar iets eetbaars. Ze koken dan maar de dunne laag dennenschors die als een huid over het hout ligt onder de ruwe schors. Ze smeken de reizigers om een beetje brood en wat tabak. Delisle geeft hen een donker brood en twee pakjes tabaksblaren (libet). Hun vreugde is onbeschrijflijk en ze roepen dat ze weer op krachten zullen komen en dat ze God zullen vragen om hen aan lucht gelijk te maken ; blijkbaar menen ze, onverschillig, want in hun taal worden lucht, hemel en god door één en hetzelfde woord uitgedrukt, met de betekenis van hard, ondoordringbaar.
Uiteindelijk bereiken ze, op 9 april om zes uur ‘s avonds, Beresov. Hun reis ging met veel moeite gepaard, voortdurend gekweld door de hevige koude en een hardwaaiende schrale noord-oosten wind die de fijne stofsneeuw in hun gezichten joeg. Delisle noemt de eindbestemming het non plus ultra voor de paarden ; verder konden die echt niet meer geraken. Ze moeten nog een tijdje wachten op de overige sleeën met de bagage, want de paarden worden sterk gehinderd door de sneeuw waarin ze tot hun schoft wegzinken en als het ware moeten zwemmen om verder te komen. Koenigsfeld zakt met zijn slede en al door het ijs van de Sosva, de rivier waarop de stad is gebouwd. Een van de paarden verdrinkt en hij doet alle moeite om snel het andere paard uit te spannen. Dan moet hij in de stad op zoek gaan naar volk om hem te helpen de slede terug op het droge te krijgen. Zijn koffer heeft water gevat en een aantal boeken zijn vochtig geworden. Hij komt er met de schrik vanaf en met het verlies van een paard. De Gouverneur van de stad, Feodor Ivanov Schulginov, oud-luitenant in het Regiment van de Préobroginski wacht, was door een aantal brieven van de Gouverneur van Tobolsk en door een soldaat, die onze reizigers voorop hadden gestuurd, van hun komst op de hoogte gebracht. Die zorgt er nu onmiddellijk voor dat Delisle, Koenigsfeld en hun medereizigers logement wordt verschaft.
Delisle komt terecht in de prachtige woning van een kozakken-hetman. De jonge man is op reis en zijn moeder trekt zich terug met de overige kinderen in een klein kamertje, zodat Delisle vrij over de rest van de woning kan beschikken. Koenigsfeld wordt ondergebracht bij een dixanier van de kozakken die hij nadien zal loven voor zijn gastvrijheid. Bij zijn aankomst wordt Delisle vergast op creemkoekjes, stukjes lamsvlees, eend, gans en Russische ragout. Nadien moeten hij en zijn medereizigers wel hun eigen proviand inslaan en dat is niet zo gemakkelijk in die armoedige stad, waar maar weinig voorraad is en alles zeer duur.
Er resten nog een twaalftal dagen tot het tijdstip van de waarneming, van de doorgang van Mercurius over het zonsoppervlak, voornaamste doel van hun reis. Men maakt de sterrenkundigen erop attent dat de instrumenten over land niet meer op tijd zullen aankomen. De sneeuw ligt zo hoog en de rendieren die de sleden moeten trekken hebben minder kracht gedurende de winter, tijd waarop ze drachtig zijn. Gezien de erbarmelijke toestand van de wegen besluit Delisle daarom in Beresov te blijven en aldaar de waarnemingen uit te voeren. Ze zullen er de boot afwachten uit Tobolsk die hen de instrumenten zal bezorgen. De eerste zorg van Delisle is nu een geschikte plaats te vinden om er een sterrenwacht op te richten. Gelukkig vindt hij die aan de oever van de Sosva, op een tweehonderd stappen van zijn verblijf.

Het betreft een oud en onbewoond huis, zonder dak. Het zicht van de horizon in het Oosten wordt er door niets belemmerd. Het is de ideale plaats om er de waarnemingen uit te voeren. Het huis is vlug omgebouwd tot een sterrenwacht en de instrumenten worden erin opgesteld. Met behulp van sterhoogtemetingen regelen ze de uurwerken die moeten dienen voor het vastleggen van de tijdstippen tijdens de Mercurius-doorgang.
Delisle en Koenigsfeld gebruiken nadien de tijd, die hen nog overblijft tot de intrede van het hemels fenomeen, om een bezoek te brengen aan Majoor André Ivanovitch Karpov. Die was enkele dagen vroeger met een vijftigtal man uit Tobolsk aangekomen. De majoor, die niet zonder meer zijn post mag verlaten, moet er met zijn manschappen toezicht houden op de staatsgevangenen. Van boven op een toren laat hij de geleerden de Ostrog zien waarin de gevangenen zich bevinden. Ze worden bewaakt door een Wacht die ieder jaar wordt vervangen. Ze bezoeken ook nog het huis van de majoor en de kerk die de beruchte prins Menchikov er heeft laten bouwen. De prins werd onder het altaar begraven. Onze geleerden zijn erop uit om een tochtje te maken met de typische sleden van de streek, de zg. narten. Over een afstand van ongeveer twee verst langsheen de rivier, laten ze zich trekken door rendieren. Het gaat gezwind, want de dieren vliegen als het ware over de sneeuw ; maar ze geraken vlug bezweet en vermoeid. Men spoort ze aan met een lange stok die op een knoop uitloopt. Ze worden gemend door middel van een teugel die aan het gewei is bevestigd en die men in de linkerhand houdt. Om en rond Beresov treffen ze een soort goudvink aan, met een zwarte rug die in de zomer grijs wordt. De zang van die vogel is bijzonder mooi en overtreft die van de Europese soort.
Nu Delisle en Koenigsfeld over een sterrenwacht beschikken voeren ze regelmatig sterrenkundige waarnemingen uit. De hoogte van de pool in Beresov wordt bepaald. Hiervoor vinden ze een – onverbeterde – waarde van 64° 03′ 39″, waaruit een lengteverschil volgt van 3h30m tussen de meridianen van Beresov en Boulogne (Frankrijk). Ze vernemen dat er in Juni nog sneeuw kan vallen en dat eerst in augustus de oevers van de Obi volledig zijn opgedroogd. Valt er in de zomer veel regen dan treedt deze stroom tot wel vijftig verst ver buiten zijn oevers. Het overstroomde gebied wordt één groot moeras dat, vooral in de winter, zeer moeilijk is om er omheen te trekken ; want men treft in het hele gebied geen enkele jurte aan. Het enige wat men nog ziet is sneeuw en hemel. Wanneer het water te lang blijft staan, zoals in 1773, rot het gras. De stengels zijn gevuld met klei dat terecht komt in de ingewanden van de dieren en de hele veestapel sterft af.
Op 22 april, dag van de doorgang van Mercurius over de zonneschijf is alles in gereedheid gebracht voor de waarneming van dit bijzonder fenomeen. Ongelukkigerewijze blijft het gedurende de doorgang van Mercurius bewolkt. Een uur na het einde van het fenomeen schijnt de zon opnieuw. Om die tegenslag enigszins te vergoeden voert Delisle een aantal waarnemingen uit waarvan hij bericht zal uitbrengen bij de Keizerlijke Academie in St. Petersburg. Op 12 mei is de Sosva-rivier weer ijsvrij en de Ostiaks trekken er op uit met hun kano's. Die bootjes, van nog geen 7 voet lang en 2 voet breed, zijn gewoonlijk bezet door 2 personen. Ze zijn zo licht dat men ze gemakkelijk met zijn tweeën over land kan dragen. Twee honden kunnen ze ook wel trekken, tot aan de volgende jurte of tot aan de rivier die ze moeten oversteken. Honden komen er dus het hele jaar goed van pas en zijn als het ware de slaven van de Ostiaks. Die honden, zoals we die reeds hoger hebben beschreven, gelijken op onze wolven, zowel wat kleur, pels en grootte betreft. Er bestaat een soort met een zwarte pels, heel wat mooier dan die met een grijze pels ; maar die heffen ‘s nachts een gehuil aan van jewelste. Een van de attracties van Beresov is het pelzenmagazijn dat toebehoort aan haar Keizerlijke Hoogheid. Het is het depot waarin men de pelzen van een zestal Volots onderbrengt. Een Volot is een district met een zes- tot zevental jurten of soms wel meer. De mooiste jurte van een Volot wordt bewoond door de Knees, het hoofd van een district. Die heeft het voorrecht, dat hij die titel mag dragen en ook een hoger tribuut mag betalen.
Op 13 mei, na het middagmaal, terwijl de sterrenkundigen aan het werk zijn, breekt er een onweer los waarvan ze moeten toegeven dat ze zoiets nog nooit in Europe hebben meegemaakt. De echo van een donderslag duurt wel dertig- tot veertigtal minuten lang. Volgens de inwoners zijn de onweders van augustus nog veel heviger, maar die komen vrij zelden voor.
De onweders veroorzaken weinig schade, doordat het gebied dunbezaaid is met woningen. De bossen hebben er wel meer onder te leiden.
In de omgeving van Beresov treft men een groot aantal bevers aan, die zich gezellig aan de oevers de van Sosva en andere rivieren nestelen, en die al even vernunftig zijn in hun bouwwerken als de bevers van Canada. Nochtans meent men verschillen tussen beide groepen opgemerkt te hebben. Hun nesten vertonen meerdere uitgangen, zowel bovengronds bedekt als ondergronds beneden het wateroppervlak, op verschillende, dikwijls grote afstanden van elkaar. De zogenaamde architekt-bouwers, die ondergeschikt zijn aan de overige bevers, zijn belast met dit soort werk. Men beweert dat bevers over vooruitgeschoven wachtposten beschikken die men af en toe wel eens ziet. In ieder geval hoeven de bevers van Beresov in listigheid en bouwkunst niet onder te doen voor de Canadese bevers. Koenigsfeld ontdekt op een twintigtal mijlen van Beresov een beversnest waarheen wel vier verschillende gangen leiden. De honden van de Ostiaks proberen, bij hun aankomst, de bevers de weg te versperren, maar de bevers zijn hen te vlug af en redden zich via het water.
In de nacht van 18 op 19 mei breekt er vanuit het oosten een orkaan los dat de Sosva buiten zijn oevers doet treden, met als gevolg dat een gebied van zeven verst breed overstroomd wordt. Beresov ziet er nadien uit als een eiland temidden van een groot meer. Daarop wordt het plotseling zeer koud en de volgende dag kan men zonder moeite op de bevroren modder stappen en over het meer lopen. De astronomen hadden hun thermometers in Tobolsk achter gelaten (uit voorzorg dat die zouden breken), zodat men geen mogelijk ziet om de graad van koude te bepalen Delisle die, naargelang de omstandigheden het toelieten, alle geplande sterrenkundige waarnemingen heeft uitgevoerd, met uitzondering van de belangrijkste, begint zich nu voor te bereiden om met zijn gevolg met de boot terug te keren naar Tobolsk. Een aantal boten zijn ondertussen aangekomen zodat men het vertrek stelt op 22 mei. Twee dagen voorheen had hij nog een drietal zogezegde mammoet-tanden gekocht en die wil hij op de boot meenemen.
Eindelijk breekt de dag aan van het vertrek uit Beresov en om halfzes ‘s avonds schepen ze in op een Dotschenik die hen naar Tobolsk zal brengen. Langzaam verwijderen ze zich van Beresov. Op de oever van de Sosva heeft zich een grote menigte verzameld. Ze worden uitgewuifd door een troep gewapende Kozakken die hen op hun paarden over een afstand van twee verst langs de oever van de rivier volgen. Onder hen bevinden zich ook de gouverneur, de majoor van het gevangenenkamp en nog een officier.
In de loop van de nacht komen ze aan een tweetal eilanden voorbij. Op één van die eilanden vinden enkele kozakken, die hen op de boot als begeleiding zijn toegewezen, een oosterse valk, met grote vurige ogen en blauwachtige klauwen. De volgende dag schenken diezelfde kozakken onze reizigers wat eenden- en ganzeneieren.
‘S avonds varen ze de monding van de kleine Obi voorbij. Ze hebben de wind in de achtersteven en het is prachtig weer ; maar het is wel erg koud en de wind waait zo hard dat de schuimende golven hoog opspatten. De soldaten die de wacht optrekken hebben gedurende de hele nacht allen een lantaarn bij zich. Diezelfde nacht hebben ze ook een oponthoud van drie uur, want een van de sloepen is door het geweld van de golven van de boot losgeslagen. En de kozakken moeten er achteraan. Van zodra de sloep gevonden is worden de zeilen opnieuw gehesen en de tocht met gunstige wind voortgezet.
Op 24 mei, omstreeks het middaguur, wordt een klein bootje dat uit één stuk hout is gemaakt en met twee Ostiaks is bezet, door de wind tot aan hun boot geduwd. De kozakken werpen een koord uit zodat ze zich aan de boot kunnen vastmaken. Ze hebben twee levende eenden bij zich en een drietal versgevangen snoeken. Ze willen er geen geld voor, want daar kunnen ze niets mee doen, maar ze aanvaarden graag wat tabak en jenever. Diezelfde dag, omstreeks acht uur ‘s avonds onderscheiden ze, van op een afstand van twintig mijlen, het gebergte van het Oosten (Oeralgebergte). Het gebergte verheft zich als een keten van blauwe pyramiden langheen de oever van de grote Obi. Weldra verlaten ze de kleine Obi en komen terecht in de grote Obi. De monding van die rivier is als een strand van een kleine zee. Verschillende soorten eenden dwarrelen er rond in de lucht en een aantal zwanen stijgt hoog op en vliegt in de richting van de bergen. De nacht is sereen en warm, maar de muggen die wel drie maal zo dik zijn als die in Europa, beginnen in grote getale aan te treden en worden op de duur zo ondragelijk dat eenieder verplicht is hoofd en gelaat te beschermen. De boot ondervindt wat later op de avond grote moeilijkheden om door een scherpe bocht in de Obi te geraken ; want de norderwind waait nu schijnbaar vanuit de tegengestelde richting. Omstreeks middernacht worden de reizigers opnieuw opgeschrikt door een tweetal boten (Cechaaps) van Ostiaks, die voor hen een groot aantal eenden en eieren van wilde ganzen bij zich hebben. Ze worden er voor betaald met tabak.
Op 25 mei om zes uur ‘s morgens zien ze in de verte twee boten die, geplaagd door de noorderwind, op de rivier aan het laveren zijn. Volgens de officier zijn het boten uit Tobolsk. Dat is ook zo, want als ze de Dotcheniks tot op tweehonderd voet naderen herkennen ze een aantal soldaten uit die stad. Ze sturen er enkele kozakken naar toe, die hen moeten vragen vanwaar ze komen en waarheen ze gaan. De boten, waarvan er één met zout is geladen en de andere met meel, werden uit Tobolsk gestuurd om in Beresov de astronomen op te sporen. Ze hebben voor Delisle drie grote en een kleine thermometer meegebracht ; want ze wilden die niet over land vervoeren, omwille van het risico dat ze beschadigd zouden kunnen raken. De boot van Delisle wordt daarop met het betere zeil, het anker en enkele kabels van een der boten uitgerust. Het is mooi weer en de uitwisseling duurt een hele tijd, zodat Koenigsfeld en Soltanov, met twee soldaten, besluiten de bergen ten oosten van de Obi te beklimmen.

Maar dat gaat niet zonder enige moeite. Ze komen in een dicht woud terecht en ze plukken er een aantal denappels van een cederboom. Ze durven niet te diep in het woud te dringen, uit angst om verloren te lopen of om er wilde dieren te ontmoeten, zoals beren en pestzis, een soort van vossen die men er in groten getalen aantreft en die gevaarlijk kunnen zijn. Diezelfde dag, na het middageten, is het windstil. Koenigsfeld, Soltanov en een van de leerlingen maken van die gelegenheid gebruik om, met een sloep met vier roeispanen, een tocht te maken van ongeveer vijftien verst ver langs de oostelijke oever van de Obi. Hun doel is het dorpje Schorkaskoy-Pogost te bezoeken.
Gedurende hun tocht vliegen van tussen de rozenstruiken een groot aantal eenden en wilde ganzen aan hun neus voorbij. Ze hebben geen vuurwapens bij zich, want ze konden zich zo een overvloed van wild gevogelte niet inbeelden. Ze vergenoegen er zich dan maar mee de vogels waar te nemen. Zou het niet zijn om het plezier om de vogels af te schieten, dan loonde het toch de moeite niet ; want elk schot kost hen tienmaal meer dan de prijs die men hier in de streek voor een eend of wilde gans verlangt of die men van de Ostiaks voor een pijp of twee tabaksblaren kan bekomen. Ostiaks hebben er altijd een hele voorraad van, want ze vangen die zonder veel moeite met netten die ze tussen de heesters of over de kleine rivieren spannen. Zo gebeurt het dat ze met een slag wel tachtig, honderd of zelfs honderdvijftig vogels vangen. De priester van het dorp die Vasili Levin heet blijkt niet aanwezig te zijn. Hij is voor een vijftiental dagen op bezoek bij de Ostiaks in hun zomer-jurten op de westelijke oever van de Obi. ‘s Avonds viert men in het dorp het pinksterfeest en de vrouw van de priester doet haar uiterste best om de bezoekers zo goed als mogelijk te ontvangen. Ze biedt hen kippen- en ganzeneieren aan, maar ook gekookte melk en schengis, een typisch russisch gerecht. De vrouw, opgewekt van natuur, onderhoudt hen op aangename wijze. Terwijl zij het avondeten voorbereid maken de reizigers een wandeling op een berg in de buurt. Ze plukken er Aziatische rozen (klaprozen) van een intens rode kleur. Na het eten gaan ze allen wandelen aan de voet van de berg aan de Obi. Koenigsfeld maakt hier de bemerking dat de geografen de Obi beschouwen als de grens tussen Azië en Europa. Maar hij meent dat men Tobolsk die op de Yrtisch werd gebouwd en waarvan het merendeel van de bewoners Tataren zijn eerder als een Aziatische dan als een Europese stad moet worden beschouwd.
Vertaling naar het Nederlands door Eric W. Elst.