Le nombre de sept étant ainsi devenu un nombre plein de vertu & de mystère, on respecta, non seulement le septiéme jour, mais encore la septiéme semaine, le septiéme mois, la septiéme année, la septiéme semaine de mois & d’années … Enfin ce nombre, & plusieurs autres encore, auxquels on attribua des vertus semblables, devinrent, par le mélange de toutes les idées primitives, outrées & corrompues pour les uns, des termes divins & heureux pour les autres, des termes redoutables & suneſtes, dont une multitude de Rabbins, de Cabalistes, d’Astrologues, de Prophètes, & d’autres têtes creuses & supertitieuses ont abusé dans tous les temps avec la dernière extravagance & souvent aux dépens du repos & du bonheur du genre humain.
Nicolas-Antoine Boulanger – Recherches, Section IV.

Jaargang 4 Le Petit Cuistre Nr 3

Verschenen op 15 december 2005 - Inhoudstafel :

Woord Vooraf

Hoe steekt de wereld sociologisch in elkaar ? Het wordt tijd om op die vraag een bevredigend antwoord te zoeken. Bijbelse, wereldse en wetenschappelijke antwoorden schieten te kort. Of is er toch iemand die ernstig gezocht heeft naar een verklaring voor het gedrag van de mens en die misschien heeft neergeschreven in een logboek of er een poëtische beschrijving van gegeven of er een wetenschappelijk tractaat over opgesteld of als kunst vormgegeven ? M.a.w. heeft hij een begrijpelijk en aanvaardbaar antwoord gegeven en dat aan het licht gebracht ? Corruptie, bedrog, geweld –of het nu oorlogsgeweld, terrorisme of huishoudelijk geweld betreft, blijft in beginsel hetzelfde, armoede, onwetendheid en bijgeloof vieren nog altijd hoogtij in deze wereld, een wereld die stilletjesaan een eerbiedwaardige leeftijd begint te krijgen. En we hebben het niet over de 4.5 miljard jaar dat ons zonnestelsel bestaat, een vaststaand feit in de 15 miljard jaar lange ontwikkelingsgeschiedenis van het heelal, en in het bijzonder van ons melkwegstelsel –die 15 miljard jaar volgen uit overwegingen van het zg. Hubble-model van een uitdijend heelal. Uit paleontologische gegevens (fossielen) volgt vrij nauwkeuring het tijdstip (-4 miljoen jaar) waarop de eerste homonide op het aardoppervlak rondliep. Ook kent men de tijdstippen waarop hij als denkend wezen -bouw van werktuigen (-2.4 miljoen), begrafenis-rituelen (-100.000 jaar) een impact kreeg op werelds en natuurkundig gebeuren.

Als we ons met die vraag bezighouden dan is dit omdat men ons voorhoudt dat corruptie, bijgeloof, onwetendheid… een normale zaak zijn in het dagelijkse leven. Die toestand is echter geen normale zaak, maar wordt gretig aangewakkerd door eenieder die er belang bij heeft dat die blijft bestaan, om zich verder te verlustigen, zijn macht uit te breiden en vooral om een wissel te trekken op de toekomst en de belangen van de eigen klasse veilig te stellen.

Heeft die toestand altijd bestaan, of heeft die zich uit één of ander dramatisch wereldomvattend gebeuren in lang vervlogen tijden ontwikkeld ?

Nicolas-Antoine Boulanger (1722-1759) was een Ingenieur van Bruggen en Wegen (Ingénieur des Ponts et Chaussées), en in zijn vrije tijd geschiedkundige. Beroemde voorgangers, zoals Herodotus, Thykidides, Strabo, Flavius, Tacitus, Livius en vele anderen, hebben zich laten verleiden tot een poëtisch relaas van de geschiedenis. Boulanger loochende het concept geschiedenis, omdat de steeds wederkerende identieke verlangens van de mens hem voortdurend aanzetten tot een eeuwig herbeginnen –cfr Die Wiederholung (1843) van de Deense filosoof Sören Kierkegaard. Omwille van zijn uitgebreide kennis koesterde Denis Diderot een grote bewondering voor hem, wat verklaart dat hij een aantal geschriften van hem heeft opgenomen in zijn “Encyclopédie”. In zijn “Recherches sur l'Origine du Despotisme oriental” (1773) stelt Boulanger, als oorzaak van de teloorgang van de oorspronkelijke humane en religieuze waarden, een corrupt reageren op de gebeurtenis van de zondvloed.

Vanaf dat ogenblik werd het gevoel van angst bepalend voor de toekomst van de mensheid. Ook hier kunnen we een verwijzing maken naar een 2-de belangrijk werk van Kierkegaard : “Der Begriff Angst” (1844). De Holbach Vereniging beschikt over een volledige uitgave van Boulangers werken (6 delen in-8, Amsterdam, 1794) en een uitgave van de Recherches (Amsterdam, 1773).

We besluiten deze paragraaf met een uittreksel uit zijn geschrift :

“Cette légère eſquiſſe des erreurs fameuſes du chriſtianiſme, eſt auſſi l’eſquiſſe des erreurs des premiers hommes. Ce fut de leur tems, & à l’occaſion des malheurs du monde, que toutes ces bizarres opinions s’emparèrent de l’eſprit humain, & qu’elles y produiſirent une multitude de préjugés monſtrueux, dont il fut toujours la victime”. (Recherches, 1794, p. 63)

Het Vrije Woord, een uitgave van het Humanistisch Vrijzinnig Vormingswerk, herneemt terecht in zijn recent november/december nummer een bijdrage van de Britse en protestantse theoloog Alister Mc Grath, bij de publicatie van zijn nieuwste boek “The Twilight of Atheïsm”, waarin deze de stelling verdedigt, dat de hoogdagen van het atheïsme voorbij zijn, m.a.w. dat het atheïsme heeft afgedaan. Dat is een bijzonder onplezierig vooruitzicht waarop we wensen te reageren ; omwille van het gevaar dat dit standpunt inhoudt. Ook hier houden we het kort, omdat deze rubriek voorbehouden is om recente belangrijke gebeurtenissen te archiveren ; want het blijkt maar al te menselijk –onze geest heeft zich op die wijze ontwikkeld, om onprettige gebeurtenissen naar het onbewuste te verdringen. Een protestantse theoloog : dat is al verdacht, want hoe kun je tegelijkertijd theoloog en ook nog protestant zijn. Het éne beïnvloedt toch het andere. Of niet soms ? Dat komt op hetzelfde neer als wanneer een creationist een objectieve studie zou ondernemen van de evolutietheorie.

Zo heeft het begrip Christus-Koning me altijd al geërgerd. Als kind begreep ik niet, dat men een geestelijke en een wereldse macht tot één enkele entiteit kon verenigen. Had ik kennis gehad van het beginsel Scheiding der Machten van Montesquieu, dan had ik misschien wel het begrip als onzinnig uit mijn gedachten kunnen bannen. Het krachten-parallellogram bundelt twee krachten tot één enkele resultante met een nieuwe richting. Dat kan men moeilijk zeggen van de bundeling van twee in wezen wereldse krachten, die gebundeld en daardoor versterkt, in dezelfde richting blijven voortschrijden. Na het lezen van Boulangers “Recherches sur les Origines du Despotisme oriental” begreep ik waarom een gevoel van onbehagen me overviel in de buurt van het Christus-Koning standbeeld, aan de parochiale kerk te Heide-Kalmthout.

Tenslotte nog een woordje omtrent opvoeding (Helvetius' “Education de l'Humanité”, Lessings “Erziehung der Menschheit” … ). Is het zinvol onze kinderen een niet dogmatische, een leerrijke (kunstzinnig, moreel en wetenschappelijk), een niet autoritaire (inspraak van kinderen) en vrijzinnige opvoeding mee te geven ? Ja, want dan kunnen we met een gerust gemoed de fakkel doorgeven.

Na al die inspanningen van het zonnestelsel om uit vormloze materie (cfr Genesis) een met leven bezaaide natuur op te bouwen, mogen we zelf ook wel een kleine inspanning leveren, opdat die natuur niet zonder meer zou verdwijnen.

Zoals bekend herdenken we dit jaar (2005) het verschijnen, honderd jaar geleden, van Einsteins Relativiteitstheorie, weliswaar het eerste luik, de zg. Beperkte Theorie, van zijn beroemde stellingen, die ondertussen allen proefondervindelijk bevestigd zijn geworden. SPES, een Leuvens genootschap gebruikt dit jubileum om vermeende religieuze tendenzen in het werk van Einstein voor hun religieuze wagen te spannen : “Als die man al in God gelooft, dan moeten wij nederig ook in Hem geloven”. Heeft Einstein toch alleen maar gezegd dat “God niet met de teerlingen speelt”, waarmee hij bedoelde, dat de natuur geen kansspel is, maar een mechanisme van vallen en opstaan, en dit reeds gedurende meer dan 4.500.000.000 jaar (4.5 miljard jaar ), om tot de huidige structuur te komen. Professor Walter van Rensbergen, natuurkundige (VUB), commentariëerde (e-mail van 11 nov. jl) het SPES-initiatief als volgt :

“We zouden ons natuurlijk voortdurend moeten laten ontmoedigen door alle blijken van massale zinsverbijstering. Steeds minder studenten in de exacte wetenschappen terwijl er 800.000 naar Keulen trokken om van de nieuwe paus een aflaat te krijgen. Hier met SPES ook weer zoiets. Ze halen er Gerard Bodifee bij als referentie van uit de astrofysica. Laten we het positief bekijken en steeds met meer overtuiging sympathiseren en samenwerken met -o.a.- de Holbach Vereniging.”.

Het voorliggend nummer van Le Petit Cuistre staat grotendeels in het teken van het despotisme. We publiceren een tekst van Boulanger (Hoofdstuk VI uit zijn Recherches, 1773) en een interessant werkstuk van de Amerikaanse onderzoeker Marcus C. Levitt waarin het conflict tussen Chappe d'Auteroche en Catherina II wordt behandeld –Chappe heeft het Russische despotisme van de 18-de eeuw in zijn geschrift “Voyage en Sibérie” (1768) aangeklaagd. We begroeten hier ook het vervolg van de bijdrage Catherina II, van onze sympathisante Monique de Croock, en een bijdrage van ons geacht lid Robert Smets over Michel Onfray. Verder lezen we een relaas over een recente reis naar Siberië van de hand van Kristina Leterme. Ons geëerd lid uit Gent Carlos Devriese stuurde ons een ludieke bijdrage over de komponist Rejcha. Tenslotte maken we kennis met de sterrenkundige Le Gentil, die in 1761 en 1769 de doorgang van Venus over de zon ging waarnemen, in Pondichéry, op de kust van Coromandel (Oost-Indië).

Het vierde Tuinfeest op 27 aug jl, kende een grote opkomst van leden en sympathisanten. Bob Cools (Orou) en André Haderman (l'Aumonier) oogstten met Diderots “Supplément au Voyage de Bougainville” veel bijval. Ook Galiani's zevende “Dialogue sur le commerce des bleds” , met Henri en Theo (Marquis & Chevalier) werd zeer geapprecieerd. We bedanken tevens onze jonge sympathisanten Bregt en zijn medewerker voor hun schitterende muzikale inzet.

De voorzitter.

Naar Inhoudstafel

Vierde Tuinfeest van de Holbach Vereniging te Kapellenbos – 27 augustus 2005

Een fotografisch overzicht


Twee verlichten filosofen
Clic on thumbnails to enlarge.

Naar Inhoudstafel

An Antidote to Nervous Juice

Marcus C. Levitt is an Associate Professor in the Department of Slavic Languages and Literatures at the University of Southern California. He is the author of Russian Literary Politics : The Pushkin Celebration of 1880 (Cornell Univ. Press, 1989) and editor of Early Modern Russian Writers : The Late Seventeenth and Eighteenth Centuries, vol. 150 of the Dictionary of Literary Biography (Detroit : Bruccoli Clark Layman and Gale Research, 1995) and has published widely on the Russian eighteenth and nineteenth century, in such periodicals as The Slavic and East European Journal, Russian Literature, Canadian Slavonic Papers, and XVIII vek [The Eighteenth Century]. He is currently writing a book on the visual culture of eighteenth-century Russia.

Acknowledgements : Reprinted with kind permission of The John Hopkins University Press (fax-document of 23 November 2005).

Catherine the Great's Debate with Chappe d'Auteroche over Russian Culture

In the age of Enlightenment, when works of philosophy were often oriented toward analyzing specific political problems, travel notes played a significant part in debates over culture and politics, either providing proofs for a given theory or themselves advancing philosophical postulates. At the same time, tendentious histories and travel notes were often written –even commissioned–, to serve immediate political goals. Such may well have been the case, I will argue, with the Chappe d'Auteroche's “Voyage en Sibérie” (1768) [1], which provoked Catherine's “Antidote, ou Examen du mauvais livre superbement imprimé intitulé Voyage en Sibérie” (1770) [2]. In the analysis below I will examine two aspects of this exchange : first, I will consider Chappe d'Auteroche's book in the context of France's anti-Russian diplomacy of the time and locate it more generally within the context of Russia as a problem in European Enlightenment thought, with special attention to Chappe's unique attempt to ground political and cultural arguments in physiological terms. Second, I will analyze Catherine's response, both as part of an ongoing defense of her role as Enlightener of Russia, and as a defense of the worth of the Russian state and of modern Russian literature. The state and literature, whose fates were to be so closely intertwined in the later tradition, both intellectually and institutionally, were here explicitly linked, perhaps for the first time in Russian history.

The timing of Chappe's book was peculiar in many respects. Chappe was a French astronomer and geographer who had visited Russia in 1761-62 on behalf of the Parisian Academy of Sciences, in order to observe Venus when it passed across the sun on June 6, 1761 [3]. With Russian help he organized an expedition to a superior observation site at Tobolsk. His “Voyage en Sibérie”, three great folio volumes lavishly published, with copious tables, maps, and beautiful engravings based on illustrations by Jean-Baptiste Le Prince, appeared only six years later, in 1768. A few weeks after the book's approval for publication by the French Academy, Chappe set out to observe the transit of Venus once again, this time from California. On June 3, 1769, he observed the eclipse near San Jose and soon after caught sick and died on August 1 [4]. The “Voyage en Sibérie” was not merely the story of Chappe's expedition, but included an account “Of the MANNERS and CUSTOMS of the RUSSIANS, the Present State of their Empire ; with the Natural History, and Geographical Description of their Country, and Level of the Road from Paris to Tobolsky” [5].

Why the level of the road between Paris and Tobolsk is important is something to which I will return. It is possible that the lag in publication was due to the labor involved in compiling the work or to the time needed to execute and prepare Le Prince's illustrations for the magnificent publication [6]. The time lag, however, may also have had a less innocent explanation.

Just at the time when Chappe was making his trip and compiling his book, views of Russia's significance as an ideological problem within French Enlightenment thought were crystallizing into two opposing tendencies [7]. On one side, whose most extreme exponent was Voltaire, stood those who embraced Peter the Great's reforms and looked to Russia as a success story, the embodiment of European Enlightenment values put into practice ; as Carolyn Wilberger has written, Voltaire's optimism about Russia was nothing less than an affirmation of faith in the basic validity of civilization itself and in its benefits for all mankind [8]. The mostly pro-Russia camp included Voltaire's fellow encyclopedists Diderot, d'Alembert, Grimm, and Jaucourt, plus La Harpe and Marmontel ; into this group also fell the travel writers Ségur, Falconet, Levesque, and De Ligne (although none of these individuals were as committed as Voltaire). Those who criticized Peter as despot and imitator took their cue from Rousseau (especially from the “Social Contract” of 1762) and in part from Montesquieu's “Spirit of the Laws” (1748) [9]. The anti-Russia camp saw Russia as oriental (not European), barbarian (not civilized), and despotic (not ruled by law or social sensibility) ; this group included Mably, Condillac, Raynal, and Mirabeau. This ideological bifurcation corresponded to the international diplomatic situation of the time and was in part inspired by fear of Russia as a new major player in European politics and her successes in the Seven Years' War. Political and philosophical positions became intertwined ; the defenders of beleaguered Polish independence, for example, decried Russian despotism and were often sympathetic toward Russia's enemy, Turkey. From the late 1750s and early 60s, despite being allied with Russia, France became extremely alarmed at Russia's military potential as a new continental force, especially after her victory over Frederick the Great at Kunersdorff in August 1759 and her triumphant occupation of Berlin in 1760. When Catherine came to power by coup in June 1762, she resumed nominally friendly relations with France (briefly interrupted by Peter III's sudden switch of alliances), but Louis XV and his foreign minister the Duc du Choiseul continued to pursue the covert anti-Russian foreign policy begun during Elizabeth's last years, a policy motivated by a combination of fear, jealousy, and miscalculation about Catherine, whose legitimacy and ability to rule they questioned [10].

It was common practice for governments of the day to promote foreign policy goals by commissioning (more or less openly) the writing of historical and travel accounts to suit their interests. A famous example is Voltaire's “History of the Russian Empire Under Peter the Great”, which Empress Elizabeth commissioned in 1757 during the Franco-Russian alliance of the Seven Years' War ; it was considered by many at the time, and also by later commentators, as (to use Peter Gay's tag) a collection of gross compliments disguised as history, although that may be unduly harsh [11]. In the “Antidote”, Catherine repeatedly suggests that it was the French government led by Choiseul that was behind the publication of Chappe's “Voyage”, and there is circumstantial evidence to support the contention. Chappe's book seems motivated by the goal of demonstrating that Russia was economically and militarily no true great power [12]. Not long before Chappe's expedition, Rousseau had menacingly predicted in the “Social Contract” (a refutation of Voltaire's idyllic view of Russia in the “History of the Russian Empire Under Peter the Great”) [13] that : The Russian empire would like to subjugate Europe, and will itself be subjugated. The Tatars, its subjects or its neighbors, will become its masters and ours. This revolution appears inevitable to me. All the kings of Europe are working together to hasten it [14]. Chappe notes near the end of his book that While I was in Petersburg, just setting out for Siberia, I received a letter from Paris, desiring me to take an accurate survey of this country, from whence whole nations were in a short time expected to emigrate, and, like the Sythians and the Huns, to over run our little Europe. Instead of such people, I found marshes and deserts (394). Thus Chappe concludes that the Russian military threat is not real. This passage also suggests Chappe's role (whether formal or not) as a French agent on a scouting mission and seems to support the contention that this mission was at least in part politically (rather than scientifically) inspired. The title, allegorical frontispiece, preface and first sentence of Chappe's “Voyage” all grandly emphasize that the expedition –and possibly the book as well, was undertaken by order of the King (and with the support of the Academy as well as enlightened Ministers), and it might not be wrong to take this literally. Chappe's bold advertisement of Louis XV's support, which could simply be taken in the usual sense as indicating that he was patronized by the Royal Academy of Sciences, particularly irked Catherine because the expedition had actually been funded by Elizabeth and with the support of the Russian Academy of Sciences, which had published Chappe's findings in 1762 [15].

A strong circumstantial case can be made linking Chappe to the clandestine French anti-Russian diplomatic clique called, appropriately, the King's Secret (le Secret du Roi). Unknown even to the French Foreign Ministry, and as the name implies under the king's direct supervision, its main goals in the period after the Seven Year's War were to create a Franco-Prussian alliance in order to protect Poland and the continental balance of power and to support France's traditional allies (and Russia's enemies) Sweden, Turkey, and the Crimean Tartars [16]. The group regularly used government subsidized publications to further its aims. Specifically, there are numerous threads linking Chappe and Claude-Carloman de Rulhière, an important publicist for the clique, which also included the Comte de Broglie, Jean-Louis Favier, and the French Ambassador to Russia Baron de Breteuil, who had been sent to Russia in 1760 with a secret brief to exert his utmost ingenuity to prevent a further extension of Russia's power before becoming ambassador soon after [17]. Upon Chappe's return to St. Petersburg from Siberia on November 1, 1761, Breteuil prevailed upon the astronomer to stay the winter with him in Russia, which he did (he remained until May, thus experiencing most of Peter III's short reign and missing Catherine's coup by only a month). In Petersburg Chappe became close friends with Rulhière, who arrived in Russia in March on Choiseul's orders to serve as Breteuil's secretary. Rulhière spent three months in close association with Chappe, referred to him as his premier ami and even wrote poetry praising the truth of his works and sounding the anti-Russian theme [18]. Rulhière's notorious Anecdotes of the Revolution in Russia in 1762 was a spicy eyewitness account of Catherine's coup, and helped both confirm and generate hostility toward her on the part of Louis XV's government [19]. The Anecdotes of the Revolution reveals in an intentionally lighthearted vein intimate details of Catherine's personal life, and more seriously, the suspicious nature of Peter III's too convenient death. Intervention on the part of Voltaire, Diderot, and other of Catherine's well-wishers prevented publication of the Anecdotes during her lifetime (it was published in 1797, the year after she died), but in manuscript form the book immediately became a staple of Parisian salons –starting with Choiseul's, and made the rounds of other European capitals for many years [20]. Rulhière's biographer contends that if Rulhière's views on Russia were demonstrably influenced by Chappe (to the point of suggesting that Anecdotes of the Revolution may even have been a collaboration), it was Rulhière who provided his friend [Chappe] with his political views [21]. In the same year that Chappe's Voyage was published, 1768, Choiseul commissioned Rulhière to begin his monumental and anti-Russian History of the Anarchy in Poland (1768-1791), and in 1773 he probably collaborated with Favier (on Broglie's orders) on Favier's Reasoned Conjectures On France's Actual Position in the European Political System, which may be considered a defense of the clique's position (22). Hence Catherine's assumption –that Chappe's book and its attempt to denigrate Russian power were inspired by external political considerations, seems quite plausible. The fact that the Voyage's appearance almost coincided with Turkey's declaration of war on Russia, which France had secretly encouraged, made it seem all the more sinister [23]. Chappe may also have been inspired by the sentiment Rulhière expressed in his Anecdotes : Scarcely has one spent eight days in Russia than one can already speak reasonably of the Russians : everything leaps to the eye [24]. Chappe (like Rulhière) could have been comforted by the fact that he spent whole months in Russia (fifteen, seven of which were spent in Petersburg). Although Catherine reproved Chappe for taking much of his material from faulty second-hand sources [25], and made fun of the fact that Chappe saw Russia primarily from within a totally enclosed, furlined Russian sleigh while speeding along the post road in the dead of winter, Chappe made a concerted effort to back up his annihilatingly negative of view of Russia with (what he saw as) objective, scientific data –using a battery of instruments and analytical methods to measure continually almost everything he came across (temperature, size, color, geographical position, elevation, etc.).

For the purposes of this analysis I will center on one such measurement : Russia's alleged lack of nervous juice. According to Montesquieu's well known thesis, a nation's character directly depended on its climate and geography. Chappe continued this materialist-determinist line of thought, but challenged Montesquieu's view that Russians were essentially European, a very brave, simple, unreserved, unsuspecting people, without policy or craft, having few vices, and several virtues, a great deal of sincerity and honesty, and whose dispositions are not very amorous (321) [26]. On the contrary, to Chappe these were no noble savages, but corrupt, scheming, dishonest, cowardly, sexually promiscuous barbarians riddled with venereal diseases. Chappe based his analysis of the Russians' physiological inferiority on the works of Claude-Nicholas Le Cat, a well known French surgeon and physiologist of the day [27] ; it is unclear whether Chappe is being disingenuous when he refers to Le Cat's ideas as truths and opinions generally admitted (322). Le Cat followed in the tradition of Descartes, who combined philosophy and physiology in contending that the body and soul have a physical point of interface in the brain at the pineal gland, the place where the vital or animal spirits within the blood make contact with the soul [28]. According to this doctrine, the animal spirits, starting from the brain, are what act mechanically upon the nerves throughout the body, causing sensation and muscle movement ; the mind or soul influences the direction of the nerve impulses as they leave the pineal gland, their point of origin that acts as a kind of switchboard. Chappe contrasts the human machine and the universal spirit (known by various names including vitriolic acid, phlogiston, electric matter) which he describes as the primary fluid which gives life to the whole universe (322). This life force (Descartes' fire without flame) actuates the human machine ; we ingest it with the air we breathe and the food we eat, and it becomes part of our blood via the digestive system and the lungs. In the brain, the blood is purified and the end product –what Le Cat calls animal fluid and Chappe (possibly after Montesquieu) [29] nervous juice, is formed, the chief organ [both] of sensation and of the faculties of the soul (323). The system of nervous juice seems close to that of what we think of as the nervous system, although with the crucial admixture of the spiritual component : The nervous juice makes a kind of lake in the brain ; the spinal marrow is the principal channel which conveys it from thence, and the nerves are so many rivers or streams which sprinkle and vivify all the parts of the animal. The nerves being tubes, their texture is such, that the sides of the canals are composed of much smaller tubes ; which terminate by one extremity in the brain, and by the other in the skin, where they expand and from a network of nerves … it forms one continued stream, which becomes the organ of sense. This nervous juice, as subtle as light, transmits instantaneously to the brain, all the impressions it receives. This account of the nerves, and of the nervous juice, establishes the system of our sensations, of our ideas, of the mind, of the genius, and of the faculties of the rational soul (324). Chappe's scientific advance (if we can call it that) is to take Le Cat's theory of the working of the nervous system and apply it to the problem posed by Montesquieu concerning the influence of the climate on the inhabitants (325). While the universal spirit is everywhere the same, Chappe argues, its action depends on a host of secondary causes (324) such as the weather, and the elevation and quality of the soil. Bad weather impedes the particles of universal spirit ; similarly the quality of the soil determines what sort of plants will grow, in proportion as we rise, the air will become purer … [and] the universal fluid will become more active (325). Hence it is essential to know such things as the level of the road from Paris to Tobolsky … In any comparison we would make between climates and characters of men, it is necessary to attend to the height of the soil on which they dwell (326). On his travels from Petersburg to Tobolsk Chappe determined with more accuracy than was necessary for [the] present purpose that the Russian kingdom is one vast plain whose height is very inconsiderable (326). As opposed to France, whose inequalities … have a remarkable effect on the varieties of soil observable in the French provinces, and on the nature of the atmosphere (328), Russia is almost on a level and is characterized by a striking uniformity among its animals, flora and fauna, and people. Whoever has been through one province knows all the Russians ; they are of the same stature, they have similar passions, similar dispositions, and their manners are alike –and the same goes for their dress, amusements, agriculture, and houses (how convenient for the traveler on a tight schedule !). More seriously, the moistness of the marshy lowlands and the climate obstruct the flow of nervous juices. In winter, which appears to be the only season in which the Russians can enjoy the benefits of a pure atmosphere … the cold is so intense, that all nature seems to be lifeless and totally inactive. All the inhabitants, shut up and confined within their stoves [poëles, what Chappe calls huts], breathe an air infected by exhalations and vapors proceeding from perspiration. They pass their time in these stoves wholly given up to indolence, sleeping almost all day in a suffocating heat, and hardly taking any exercise. This manner of living, and the climate, produces such a degree of dissolution in the blood of these people, that they are under the necessity of bathing twice a week all the year round, in order to get rid of the watery disposition prevalent in their constitutions, by raising an artificial perspiration (330). The conclusion from this is that the nervous juice in the Russian is inspissated and sluggish, more adapted to form strong constitutions than men of genius … the floggings they constantly undergo in the baths, and the heat they experience there, blunts the sensibility of the external organs … The want of genius therefore among the Russians, appears to be an effect of the soil and the climate (330-31).

Chappe cites Montesquieu's dictum that to make a Russian feel, one must flay him (331) and echoes Rousseau's cutting praise of the Russians as a people with a genius of imitativeness. Beyond the physiological inferiority due to lack of nervous juice, in the tradition of the Montesquieu-Rousseau line on Russia, Chappe also attributes Russia's social inferiority to the effects of despotism, and its concurrent deadening effects on education : The love of fame and of our country [France ?!] is unknown in Russia ; despotism debases the mind, damps the genius, and stifles every kind of sentiment. In Russia no person ventures to think ; the soul is so much debased, that its faculties are destroyed. Fear is almost the only passion by which the whole nation is actuated … The fatal effects of despotism are extended over all the arts … these people, though deficient in genius, and deprived of the powers of imagination, would still be a very different nation in many respects, if they enjoyed the blessings of liberty. But the question is, whether they would make any considerable progress, even if they enjoyed this advantage (332-35).

Following such a pronouncement, Chappe's subsequent statement that the spirit of the nation seems likely to undergo a total change under Catherine, and his rhetorically optimistic question What progress will they not make under this Empress ? hardly seem convincing. These statements also point to another basic problem with the chronology of Chappe's book. Based on Chappe's experiences in Russia during the reigns of Elizabeth and Peter III, it was published six years into Catherine's, and hence in many respects was wildly out of date [30] –think of trying to explain Russia today on the basis of a visit to Gorbachev's Russia, but could not but cast an extremely unfavorable shadow over Catherine's ambitious program for political and cultural reform then gathering momentum [31]. However, if Chappe was anachronistic, so too was Catherine, challenging Chappe's analysis mostly with examples taken from her own reign, most notably her “Bolshoi Nakaz” (“Grand Instruction”) for the delegates of the Commission to Compose a New Law Code, published in 1767. The Nakaz had clearly been aimed as much for a European as for a Russian audience ; it appeared in French, English, German, Italian, Greek, Swedish, Dutch, Polish, Latin, and Rumanian editions, several sponsored by Catherine herself [32]. After the Commission was ended, Catherine made use of the young literary men who had served as its secretaries and inaugurated the Russian satirical journals with the publication of her own “Vsiakaia vsiachina” (Odds and Ends) in 1769 [33]. During her famous Volga trip the summer before the Commission convened, Catherine organized a group translation of Marmontel's new political novel “Belisaire” (in Russian : “Velizer”), published in Moscow in 1768. In the same year she created the Society for the Translation of Foreign Books into Russian, probably the leading voice for the French Enlightenment in Russia [34], which translated selections of the “Encyclopédie” (Catherine had even offered to publish the “Encyclopédie” in Russia) as well as works by Voltaire, Montesquieu, Mably, and Rousseau ; and Russia's open-handed offers of haven to Voltaire, Rousseau, d'Alembert, and Diderot were highly publicized. Catherine's program of conspicuous political and intellectual toleration seemed calculated in part to highlight the contrast between Russia and France under Louis XV. Indeed, in the “Antidote” Catherine repeatedly juxtaposes her own liberal policies to France's repressive ones –for example, that neither “Belisaire” nor the “Instruction” could be published in France, leading her to ask pointedly which of the two nations was the more monarchist, and which the more despotic (81-82 ; 289-90) [35]. That Catherine took these issues seriously is shown not only by the fact that she took it upon herself to answer Chappe, but by the vehemence with which she did so.

Catherine demolished Chappe's book section by section, often sentence by sentence, and even word by word, listing his errors, failings, confusions, lies and biases, mostly in an extremely sarcastic, even abusive, manner. The narrative conceit is that the work is addressed directly to Chappe (it is written primarily in the second person), who at the time of writing was already dead, and several times Catherine spitefully refers to him as M. Le Defunt. Such rhetorical improprieties as well as the exhausting catalog of Chappe's failings lessened the “Antidote”'s impact on European readers. That Catherine could not reveal her authorship (which, indeed, was disputed for a long time, especially in France) and published the work anonymously, also contributed to its obscurity [36].

Nevertheless, Catherine's “Antidote” is a unique and valuable document, presenting as it does in an extremely direct way the empress's response to what she took as an insult to Russia and as a personal challenge to her entire program of political and cultural transformation. The “Antidote” was composed and published in French and was clearly meant as a reply to all French detractors of Russia [37]. It shows her to be not only fully conversant with the European debate over Russia's place in the Enlightenment, but also eager to assert her own positive, unique vision of that place. For example, she denied the notion of Russia's total barbarism before Peter the Great, which was shared by Russia's detractors and friends alike (including Voltaire). She defended Russia's ancient ways as not only analogous to European historical experience [38] but also worthy of interest in their own, indigenous right (thus some historians even consider her a proto-Slavophile). Yet Catherine not only defended the Russian peasant and traditional Russian culture, but also (and unlike the Slavophiles) Russia's contemporary high secular culture and its achievements in the arts and sciences (a subject on which even Voltaire was notably silent) [39]. Catherine's defense of Russian letters only takes up a few pages of the lengthy (though unfinished) “Antidote”, which undertook to demolish Chappe's argument chapter by chapter. Nevertheless it is significant as one of the first efforts to justify the existence of Russian literature ; it was followed by Novikov's “Attempt at an Historical Dictionary of Russian Writers” of 1772, which endeavored to confirm the modern canon of Russian letters (and in a small degree polemicized with the “Antidote”) [40].

Catherine begins her defense of Russian letters by noting that Chappe :

“surveyed the level of our intellectual capabilities and determined that we are fools because there are few mountains in Russia. This reasoning, she added, inspires us with boundless respect for the Swiss and for Savoyards ; she feigns great distress to think of people of such genius employed as concierges or shoeshiners.” (251 ; 424)

She responds to Chappe's physiological excursus in a similar vein :

“He begins by overwhelming us with data from Physics, far more ingenious than trustworthy, in order to prove via composites of solids, spirits and fluids, fibers, vessels and channels ; by elemental fire, by the universal spirit, sulphuric acid, phlogiston, electrical matter, etc. ; by the digestive system, by chyle, by the circulation of blood, by the way in which it becomes agitated in the lungs and is pushed by the heart through the aorta to the brain, by the nervous juice (suc nerveux), by the conformity of the brain and the spinal marrow, by the skin and the nervous network it forms, by the system of nerves and nervous juice, which, he says, establishes the system of our sensations, of our ideas, of the mind, of the genius, and of all the faculties of the rational soul ; by the relation of nourishment to the soil and by various secondary causes –from all of this he deduces that the Russians can be nothing more than blockheads (sots).” (263 ; 434)

“The Abbé is too simple to believe that he has proven, like two and two are four, that all Russians are wanting in genius. Ah well, reader ! Will the Abbé's formal declaration, supported by the most beautiful proofs in the world, and appealing to all of the four elements, ever be enough to convince you that I am nothing but a boob (nigaud)? (265 ; 436) Pitiful slander ! There is no need to be born in the mountains to see right through it. Even those who are from the plains can judge its merits”. (255 ; 427)

Challenging Chappe more on his own turf, she goes on to dispute (in great detail) his method of using barometers in determining land elevation, and hence to deny the validity of his data. She also dissects what she shows to be his preconceived and mistaken conceptions of Russian geography (e.g., that all of Russia is a vast plain) and of the alleged uniformity of the Russian land and people from region to region. Montesquieu and company simply furnish a convenient pretext to say a great many bad things about the inhabitants of Russia (274 ; 443). To Chappe's assertion that despite the efforts of Russia's leaders not one Russian has appeared in the course of more than sixty years, whose name deserves to be recorded in the history of the Arts and Sciences (320), Catherine asks :

“Is it the Russians' fault that Chappe did not know their language, and had never heard of writers who distinguished themselves before the Dearly Departed (M. le Defunt) had his book approved and printed ?” (255 ; 428)

She takes up his challenge and names the following figures : Feofan Prokopovich, who left many profound and scholarly works ; Antiokh Kantemir, whose satires were translated into several languages ; Vasilii Tatishchev, and his erudite history ; Vasilii Trediakovsky, with his several good translations ; Mikhail Lomonosov, and his various writings filled with genius and eloquence [41] ; Alexander Sumarokov, whose many works have brought him loud fame ; and Stepan Krasheninnikov, whose description of Kamchatka Chappe himself published in French as an appendix to the “Voyage”. While this was no Pushkin Speech [42], and reflects some degree of equivocation (indeed Catherine had helped turn Trediakovsky into a laughing-stock for his “Tilemakhida”, a verse adaptation of Fénelon's “Télémaque”) [43], this was a clear and straightforward assertion that, yes, Russia does have a literature and a literary life. Catherine adds that

“After the Abbé's departure, and especially in the last years, when literature, the arts and sciences have enjoyed such special encouragement, almost no week passes when several new books, either translations or original, do not leave the presses.” (256 ; 428) [44]

Then Catherine cites Vasilii Petrov as an example of a promising young writer. His poetic gift approaches that of Lomonosov, and has even more harmony, and his uniquely faithful verse translation of the “Aeneid” (pub. 1770), of which none comparable exists in other languages, she asserts, will make him immortal. Here Catherine may have been playing to the home audience, since Petrov's talent (or lack of it) was a subject of contention on the pages of Russian satirical journals appearing at this time. Here as elsewhere, defending Russia meant defending her own reign and her own personal actions, down to the poets she patronized. The immediate political campaign to denigrate Russia, in which we have included Chappe's “Voyage en Sibérie”, clearly backfired. If France had helped push the Turks into war with Russia in October 1768 (which had served as the pretext for disbanding the Commission to Create a New Law Code), by the time of the “Antidote” 's publication in 1770 Russia had scored impressive victories (especially the total destruction of the Turkish fleet at Chesme in June 1770), fully justifying Catherine's defense of Russia's national honor and taste for glory, which Chappe had impugned. As if in answer to such critics, Catherine declared (notably, with stress on Russia's military rather than cultural prowess) :

“This war will win Russia a name for herself ; people will see that this is a brave and indefatigable people, with men of evident merit and all the qualities that make heroes ; they will see that she lacks no resources, that those she has are by no means exhausted, and that she can defend herself and wage war with ease and vigour when she is unjustly attacked.” [45]

In a more long-term political perspective, though, Chappe's “Voyage” was one in a series of works that helped prepare and justify subsequent European military aggression against Russia, particularly the Napoleonic invasion of 1812. As Tolstoy dramatized it in “War and Peace”, and as the historian Larry Wolff has recently put it, one may observe [how] the intellectual formulas of the Enlightenment … [were] deployed in the military maneuvers of the next generation [46]. The terms in which the debate over the nature (and possibility) of civilization in Russia were posed had perhaps even more lasting repercussions. In Catherine's debate with Chappe d'Auteroche we may observe the process by which Russian culture (and more narrowly, Russian literature) as an abstract intellectual construct in European debates over Russia came to play such an acute role in the semiotic Yes or No of later Russian debates over cultural identity [47]. By the time of Petr Chaadaev, the Enlightenment commonality of interests between state and culture presumed by Catherine in the “Antidote” could no longer be envisaged [48]. For the intelligentsia, the connection between official ideology and Russian culture, whether presumed by Nicholas I in his doctrine of Official Nationality or its debunking in the Marquis de Custine's famous travel memoir “Russia in 1839”, could only give rise to despair, and to the long-term cultural crisis whose effects Russia is still experiencing.

Marcus C. Levitt.

Notes :

  1. Abbé Chappe d'Auteroche, “Voyage en Sibérie”, 2 vols. in 3, in folio (Paris : Debure Père, 1768); 2 vols. (abridged) (Amsterdam: Marc Michel Rey, 1769-70); English version (abridged) as “A Journey into Siberia” (1770; reprint NY : Arno Press, 1970). Hereafter, and unless otherwise indicated, page citations of Chappe's work given in parentheses refer to the 1770 English translation; the sections cited have not been abridged.
  2. “Antidote, ou Examen du mauvais livre superbement imprimé intitulé Voyage en Sibérie” (1770, n. p. [St. Petersburg]; 2d ed., 2 vols. (Amsterdam : Marc-Michel Rey, 1771-72); English version (London : T. Jeffreys, 1772). Antidote was published anonymously ; on its attribution, see A. N. Pypin, “Kto byl avtorom ‘Antidota’ ?” in Sochineniia imperatritsy Ekateriny II na osnovanii podlinnykh rukopisei i s ob"iasnitel'nye primechaniiami, ed. A. N. Pypin (St. Petersburg : Akademiia nauk, 1901), 7:i-lvi. This is a convincing defense of Catherine's authorship and one of the best critical analyses of the Antidote in general.
  3. For additional information on Chappe's expedition, see Pypin, “Kto byl avtorom ‘Antidota’ ?” See also the note to “Sobstvennoruchnyi otryvok Ekateriny II s oproverzheniem svedenii Abbata Shappa o Rossii,” in Bumagi Imperitritsy Ekateriny II, khraniashchikhsia v gos. arkhive ministerstva vnutrennikh del, ed. P. Pekarskii (St. Petersburg, 1871), 6:317-20. This short document, in Catherine's own hand, may be an unused draft foreword to Antidote ; it requests that the recipient “supplier votre illustre patron de parcourir un ouvrage” refuting Chappe's book and which also “est le juste et eloquent précis des eminentes vertus et des qualités sublimes dont le ciel a décoré l'auguste autocratrice” (i.e., Catherine herself) (319). This document helps to confirm both Catherine's authorship of Antidote and her interpretation of Chappe's political agenda that I discuss below.
  4. The book was approved on August 31, 1768 ; Chappe left Paris for California on September 18. See Chappe d'Auteroche, et al., The 1769 Transit of Venus : The Baja California Observations, ed. Doyle B. Nunis, Jr. (Los Angeles : Natural History Museum, 1982), 50.
  5. Chappe d'Auteroche, A Journey into Siberia, title page. A somewhat abbreviated version of the original French, which also lists “des Observations astronomiques, et les Experiences sur l'Electricité naturelle ; enrichi De Cartes geographiques, de Plans, de Profils du terrein ; de Gravures qui representent les usages des Russes, leurs Mœurs, leurs habillements, les Divinités des Calmoucks, & plusieurs morceaux d'histoire naturelle.” (Chappe d'Auteroche, Voyage en Sibérie), vol. 1, title page.
  6. The drawings from which the engravings for the book were prepared are reproduced in Kimerly Rorschach, Drawings by Jean-Baptiste Le Prince for the Voyage en Sibérie. With an Essay by Carol Jones Neuman (Philadelphia : Rosenbach Museum & Library, 1986), esp. 9-11. On the sexual politics of these images see the works cited in note 26 below.
  7. Dimitri S. von Mohrenschildt places the divide at 1760 ; see his Russia in the Intellectual Life of Eighteenth-Century France (1936 ; rpt. New York : Octagon Books, 1972), 242. On this problem, see also : Albert Lortholary, Le Mirage Russe en France au XVIIIe siècle (Paris : Editions contemporaines, n.d.) ; François de Labriolle, “Le Prosvescenie russe et les ‘Lumières’ en France” (1760-1798), Revue des études slaves 45 (1966) : 75-91 ; Nicholas V. Riasanovsky, A Parting of Ways : Government and the Educated Public in Russia, 1801-1855 (Oxford : Clarendon Press, 1976), chap. 1 ; Isabel de Madariaga, “Catherine and the Philosophes,” in Russia and the West in the Eighteenth Century, ed. A. G. Cross (Newtonville, MA : Oriental Research Partners, 1983), 30-52 ; Carolyn Wilberger, Voltaire's Russia. Studies on Voltaire and the Eighteenth Century, vol. 164 (Oxford : The Voltaire Foundation, 1976), which argues for a continuum of views rather than two opposing sides (235f) ; and Larry Wolff, Inventing Eastern Europe : The Map of Civilization on the Mind of the Enlightenment (Stanford : Stanford Univ. Press, 1994). See also the useful bibliographical essay in Voltaire and Catherine the Great : Selected Correspondence, translation, with commentary, notes and introduction by A. Lentin (Cambridge : Oriental Research Partners, 1974), 178-86.
  8. Wilberger, Voltaire's Russia, 15-16.
  9. Montesquieu's views were greatly influenced by John Perry's travel account, The State of Russia Under the Present Czar (1716). On Rousseau and Montesquieu's views of Russia, see the works cited in note 29 and in note 7, esp. Wilberger, Voltaire's Russia, chap. 7. On Rousseau in eighteenth-century Russia, see also Iu. M. Lotman, “Russo i russkaia kul'tura XVIII veka,” in Epokha prosveshcheniia: Iz istorii mezhdunarodnykh sviazei russkoi literatury, ed. M. P. Alekseev (Leningrad : Nauka, 1967), 208-81, and the forthcoming monograph on the subject by Thomas Barran.
  10. On the political and diplomatic relations between Russia and France during this period, see : Albert Vandal, Louis XV et Elisabeth de Russie : Etude sur les Relations de la France et de la Russie au dix-huitième siècle (Paris : E. Plon, 1882), esp. chap. 7 ; and L. Jay Oliva, Misalliance : A Study of French Policy in Russia During the Seven Years' War (New York : New York Univ. Press, 1964). For a good recent overview of Russian foreign policy during the eighteenth century and a survey of views on Russian imperialism, see William C. Fuller, Jr., Strategy and Power in Russia 1600-1914 (New York : The Free Press, 1992), chaps. 3 and 4.
  11. Gay is quoted by Wolff, Inventing Eastern Europe, 206 ; Wilberger surveys the reactions and gives a sympathetic, revisionist view of Voltaire's work, Voltaire's Russia, 119-33.
  12. See for example, Chappe's devastating and detailed critique of the Russian military capability, and of the army's size, maintenance, hygiene, morale, and tactics (or lack of these things), 371-95 passim. Cf. Catherine's comment, alluding to France's role in urging Turkey to war against Russia : “Russia blocked the way of the domination of the Goths (Welches) ; unable to keep this from happening, they take their revenge by speaking as much evil about her as they can. Pretty nation ! Is this prettiness ? I do not know, but I do know very well that this is all said in the tone of an informer (souffleur) for Mustafa [i.e., Sultan Mustafa III of Turkey]" (9:230).” Catherine repeatedly suggests that Chappe (if he indeed were the true author) was the tool of anti-Russian political forces.
  13. See Wilberger's point by point analysis of the passage of which this is the conclusion, in chap. 7 of Voltaire's Russia.
  14. Jean-Jacques Rousseau, “Social Contract”, Book 2, chap. 8. See The Collected Writings of Rousseau, vol. 4, ed. Roger D. Masters and Christopher Kelly, trans. Judith R. Bush, Roger D.Masters, and Christopher Kelly (Hanover, NH : Dartmouth College, 1994), 158. Rousseau was probably referring to the khanate of the Crimean Tatars, who with its Turkish overlords had been allies of France against Peter I. Captured by Russia during the Russo-Turkish War of 1768-74, the khanate was given independent status, but was subsequently taken over by Russia in 1783. On the other hand, as Larry Wolff points out, “in the eighteenth century [for Europeans] the name of Tatary designated a vague and vast geographical space--from the Crimea to Siberia” (Inventing Eastern Europe, 39-40).
  15. “Mémoire du passage de Venus sur le Soleil, contenant aussi quelques autres observations sur l'astronomie et la declinasion de la boussole, faites à Tobolsk en Sibérie l'année 1761” (St. Petersburg : Akademiia nauk, 1762). Chappe's results were delivered orally to the Academy on January 11, 1762. See M. V. Lomonosov, Polnoe sobranie sochinenii, vol. 9 (Moscow-Leningrad : Akademiia nauk, 1955), 807-8.
  16. On the history of the King's secret, see L. Jay Oliva, Misalliance, 9-10 and passim. See also Alice Chevalier, Claude-Carloman de Rulhière premier historien de la Pologne : sa vie et son œuvre historique d'apres des documents inédits (Paris : Les Editions Domat-Montcrestien, 1939), 10-11.
  17. von Mohrenschildt, Russia in the Intellectual Life, 19-20 ; before being sent to Russia he was admitted into the King's Secret. Hence he was receiving two sets of secret orders, from Choiseul and from Louis XV. See Oliva, Misalliance, 174-75.
  18. Rulhière, Œuvres (Paris, 1819), 2:346 ; cited in Chevalier, Claude-Carloman de Rulhière, 48 n. 5 ; see also 226. Chevalier also cites the similar anti-Russian position of the French diplomat Jean-Louis Favier, with whom Chappe was acquainted, and who also wrote political tracts to order, with Rulhière's help (10, 228).
  19. Charles Carloman de Rulhière, Histoire ou anecdotes sur la revolution de Russie, en l'année 1762 (Paris : Desenne, 1797) ; in English as : A History or Anecdotes of the Revolution in Russia (1797 ; rpt. New York : Arno Press, 1970).
  20. For example, Rulhière gave readings in Berlin and Vienna in 1776 (Wolff, Inventing Eastern Europe, 273).
  21. Chevalier, Claude-Carloman de Rulhière, 227 ; see also 54, 226, 227 n. 5. Notably, Rulhière was also in profound agreement with the opinions about Russia expressed by his “friend and master” (Chevalier's phrase) Rousseau in the “Social Contract”, which appeared in the same year as Catherine's coup. On the sources of Rulhière's book, including Rousseau, see Chevalier, chap. 2. and von Mohrenschildt, Russia in the Intellectual Life, 65-68.
  22. Chevalier, Claude-Carloman de Rulhière, 10 and 228-29. The history of Poland, Rulhière's masterwork, remained incomplete. For its fascinating history, see Wolff, Inventing Eastern Europe, 272-78.
  23. Turkey declared war in October ; Chappe's Voyage appeared some time between September and December. The French Academy of Sciences' recommendation to publish (Chappe d'Auteroche, Voyage en Sibérie, vol. 1, xxxi) is dated August 31, 1768, presumably the book's terminus post quem. Its publication had been announced as early as April 29, 1767, when Chappe had read a prospectus of the book at the Academy, part of which was published (Lortholary, Le Mirage Russe en France, 365 n. 123).
  24. Rulhière, Anecdotes of the Revolution, 52 ; quoted in Wolff, Inventing Eastern Europe, 274.
  25. The authorities Chappe cites include : Voltaire, Johann Georg Gmelin, Guillaume Delisle, Philip Strahlenberg, and Laurent Lange.
  26. Chappe is paraphrasing “Spirit of the Laws”, Part 3, Bk. 14, chap. 2. George E. Munro analyzes the polemic over Russians' sexuality in “Politics, Sexuality and Servility : The Debate Between Catherine II and the Abbé Chappe d'Auteroche, in Russia and the West in the Eighteenth Century”, ed. A. G. Cross (Newtonville, MA : Oriental Research Partners, 1983), 124-34. On this, see also Larry Wolff, “Possessing Eastern Europe : Sexuality, Slavery, and Corporal Punishment,” chap. 2 in Inventing Eastern Europe, and in particular his illustrations of Chappe's “pornography of barbarism” (76-77).
  27. See Theodore Vetter, “Le Cat, Claude-Nicolas,” in Dictionary of Scientific Biography, ed. Charles C. Gillespie (New York : Charles Scribner's Sons, 1972), 7:114-16. Chappe refers to LeCat's ideas as “truths and opinions generally admitted” (322).
  28. See : G. A. Lindeboom, Descartes and Medicine. Nieuwe Nederlandse Bijdragen tot de Geschiedenis der Geneeskunde, no. 1 (Amsterdam : Rodopi, 1979), esp. 57-85 ; M. H. Pirenne, “Descartes and the Body-Mind Problem in Physiology,” British Journal of the Philosophy of Science 1 (1950) : 43-59 ; David Farrell Krell, “Paradoxes of the Pineal : From Descartes to Georges Bataille,” Philosophy 21 (1987), Supplement : 215-28. For a recent sympathetic reading of Descartes' ideas, see Richard B. Carter, Descartes' Medical Philosophy : The Organic Solution to the Mind-Body Problem (Baltimore : Johns Hopkins Univ. Press, 1983).
  29. Montesquieu himself refers to “nervous juice” in his discussion of the differences between “northern” and “southern” peoples, in a chapter which Chappe cites repeatedly in criticizing Russia (cf. Spirit of the Laws, Part 3, bk. 14, chap. 2). However, Montesquieu elsewhere argues that the Russians are not an Asiatic, but a European nation, and hence amenable to Peter's civilizing reforms (14:14)--a position that Catherine proclaimed in the famous opening sentence of the Nakaz (“Russia is a European nation”). On Montesquieu and Catherine, see the works cited in note 7 above, F. V. Taranovskii, “Montesk'e o Rossii (K istorii Nakaza imperatritsy Ekateriny II)”, in Trudy russkikh uchenykh za-granitsei : Sbornik akademicheskoi gruppy v Berline 1 (Berlin: Slovo, 1922), 178-223 ; and A. N. Pypin, “Ekaterina II i Montestk'e”, Vestnik evropy 5 (1903): 272-300.
  30. Or badly edited ? Much of Chappe's analysis refers explicitly to Empress Elizabeth. Remarks about Russia as a place of tyranny and terror (275-77) due to its “despotic sovereign” (330), for example, refer to her, and contradict his praise for Catherine as reformer (e.g., 278). Lortholary refers to this as Chappe's “équivoque insupportable” (Le Mirage Russe en France, 192).
  31. Soviet historians typically condemned Catherine's reform program and denigrated her as a hypocritical promoter of serfdom. Hence sympathy for Chappe's denunciation of “despotic Russia”. See, for example, I. M. Kossova, “'Puteshestvie v Sibir' i 'Antidot'” Voprosy istorii 1 (1984): 185-89.
  32. See John T. Alexander, “Catherine II (Ekaterina Alekseevna), 'The Great,' Empress of Russia” in Dictionary of Literary Biography, vol. 150, Early Modern Russian Writers : The Late Seventeenth and Eighteenth Centuries, ed. Marcus C. Levitt (Detroit : Bruccoli Clark Layman and Gale Research, 1995), 48-49.
  33. See my forthcoming essay on, and translation from, Vsiakaia vsiachina (Odds and Ends) in Christine Tomei, ed., Russian Women Writers, vol. 1 (New York : Garland, 1998). On Catherine's career as a writer, see John T. Alexander, “Catherine II,” 43-54.
  34. Gary Marker, Publishing, Printing, and the Origins of Intellectual Life in Russia, 1700-1800 (Princeton : Princeton Univ. Press, 1985), 92. On the translation society, see V. P. Semennikov, Sobranie, staraiushcheesia o perevode inostrannykh knig, uchrezhdennoe Ekaterinoi II, 1768-1783 gg.: istoriko-literaturnoe izsledovanie (St. Petersburg, 1913).
  35. Translations from Antidote are my own and are based on the French text (from vol. 7 of Sochineniia imperatritsy Ekateriny II), in consultation with the Russian translation (“Antidot [Protivoiadie]: Polemicheskoe sochinenie Ekateriny II-oi ili razbor knigi abbata Shappa d'Oteroshe o Rossii,“ in Osmnadtsatyi vek 4 [1869]: 225-463). Dual citations of Antidote given in parentheses refer first to the French and then to the Russian text.
  36. Catherine could not publish the work for many reasons. For one, it would have given Chappe's work greater notoriety. On the critical reaction to the Voyage and Antidote, see Lortholary, Le Mirage Russe en France, 196-97.
  37. Lortholary, Le Mirage Russe en France, 194.
  38. Cf. Voltaire's comparisons of France before Louis XIV discussed by Wilberger, Voltaire's Russia, 72.
  39. Wilberger notes that “the lack of information in this area [Russian culture] is symptomatic of a major weakness in Voltaire's entire concept of Russia” (Voltaire's Russia, 106) ; see also 140-44, 159-60, 275-77, and her article, “Eighteenth-Century Scholarship on Russian Literature,” Eighteenth-Century Studies 5 (1972) : 503-26. Wilberger's assertions about Catherine's sense of Russia's cultural inferiority (159) and that she (together with Rulhière !) “summarily dismissed” the notion of a “national character” (259-60 and 270) seem mistaken in light of the Antidote. It would be interesting to consider the Antidote in Wilberger's terms as a further response to Voltaire.
  40. For a survey of scholarship on the European reception of Russian literature and a discussion of Novikov's work and his disagreements with Catherine, see I. F. Martynov, “'Opyt istoricheskogo slovaria o rossiiskikh pisateliakh' N. I. Novikova i literaturnaia polemika 60-70-kh godov XVIII veka,” Russkaia literatura 3 (1968) : 184-91. Novikov's main objection to Catherine's description of Russian letters was her praise of Vasilii Petrov ; see my discussion below. W. Gareth Jones asserts that the anonymous “Nachtricht von einigen russischen Schrift-stellern … ” that appeared anonymously in a Leipzig journal in late 1768 was meant as an answer to Chappe's calumny, but I see no evidence for this view (“The Image of the Eighteenth-Century Russian Author,” in Russia in the Age of Enlightenment : Essays for Isabel de Madariaga, ed. Roger Bartlett and Janet M. Hartley [London : Macmillan, 1990], 63-64). For a detailed analysis of this document, see Helmut Grasshoff, Russische Literatur in Deutschland im Zeitalter der Aufklärung : Der Propagierung russischer Literatur im 18. Lahrhundert durch deutsche Schriftseller und Publizisten (Berlin: Akademie-Verlag, 1973), 196-212. Jones also asserts that the publication of Antiokh Kantemir's satires in French in the mid 1740s had been “part of what would now be called Russia's cultural foreign policy” (63), but I likewise find no indications that this was the case. Kantemir had supervised the project before his death, and if it was carried out under the auspices of the Ministry of Foreign Affairs, that was because Kantemir had been a diplomat in its service ; as Grasshoff has shown elsewhere, Kantemir's European colleagues had their own purposes for publishing the satires. See Kh. Grassgof, “Pervye perevody satir A. D. Kantemir,” in Mezhdunarodnye sviazi russkoi literatury, ed. M. P. Alekseev (Moscow-Leningrad : AN SSSR, 1963), 101-11, and N. A. Kopanev, “O pervykh izdaniiakh satir A. Kantemira,” XVIII vek 15 (Leningrad, 1986), 140-53.
  41. Chappe also names Lomonosov as “a man of genius”, apparently in his role as a scientist (320).
  42. Dostoevsky's famous address at the opening of the monument to the poet in Moscow in 1880, which confirmed Pushkin's canonization as Russia's “national poet”. See my Russian Literary Politics and the Pushkin Celebration of 1880 (Ithaca : Cornell Univ. Press, 1989), chap. 4.
  43. On Trediakovsky's reputation, see Irina Reyfman, Vasilii Trediakovsky : The Fool of the ‘New’ Russian Literature (Stanford : Stanford Univ. Press, 1991), 109, 165, 192.
  44. According to Gary Marker's figures the annual average of Russian-language books between 1761-1770 was between 150-60 annually, or about three books a week. Of these, fifty percent were literary or general interest books. Marker, Publishing, Printing, 71-72.
  45. Quoted in John T. Alexander, Catherine the Great : Life and Legend (New York : Oxford Univ. Press, 1989), 134. Alexander's description of the Antidote's tenor as “a bellicose superpatriotism … that brooked no criticism from Europe” ( 133) seems overstated.
  46. Wolff, Inventing Eastern Europe, 363.
  47. See, for example, Boris Groys' recent analysis in “Russia and the West : The Quest for Russian National Identity” Studies in Soviet Thought 43 (1992) : 185-98.
  48. See Wilberger's stimulating comments on the connections between Chaadaev's and Rousseau's views, Voltaire's Russia, 213-14. The fundamental problem posed by the work of Wilberger, Wolff, Riasanovsky, and others, that the crisis of nineteenth-century Russian identity (most dramatically expressed in Chaadaev's first “Letter on the Philosophy of History” [pub. 1836], and still reverberating) derived from the European Enlightenment debate over Russia's place on the “map of civilization,” has yet to be fully explored.

Naar Inhoudstafel

Le Voyageur François, Tome VII, Lettre LXXVIII, Suite de la Sibérie (1747) – Abbé de Laporte

LETTRE LXXVIII

Suite de la Siberie

Avant que de parler de la ville de Tobolsk, où l'on arrive de Thioumenne en trois journées de marche, ſoit en traîneau, ſoit par eau ſur la rivière de Tobol, il eſt à propos de vous dire, Madame, de quelle manière la Sibérie, dont elle eſt la capitale, fut conquiſe par les Ruſſes. Avant cette conquête, elle formoit un royaume particulier, gouverné par un prince Tartare, de la religion de Mahomet.

Au commencement du dernier ſiècle, un Coſaque, nommé Jermak ayant été obligé de quitter ſon pays, & ne ſçachant comment ſubſiſter, s'aſſocia avec quelques briguands, & ſe mit à voler ſur les grands chemins. Il devint en peu de tems, très fameux et très puiſſant. Il ne voloit que les riches, les receveurs des impots, les maltôtiers, les traitans, tous gens qui eux-même volent le peuple pour s'enrichir ; & il donnoit aux pauvres de quoi vivre. Il ne tuoit ni ne bleſſoit personne, qu'à ſon corps défendant ; ce qui lui acquis une ſi grande réputation, que tous les vagabonds & gens ſans aveu s'enrôlèrent ſous ſes enſeignes. Il ſe rendit ſi redoutable, que le gouvernement envoya contre lui de gros détachemens, qui le battirent en pluſieurs rencontres, & lui couperent toute retraite vers ſa patrie. Pour ſe ſouſtraire à la punition dûe à ſes brigandages, il ſe retira ſur les frontieres de la Perſe, & y vécut quelques tems du commerce des marchandiſes qu'il avoit enlevées aux Ruſſes. Comme il ne manquoit pas d'argent, par-tout où il alloit,il payoit généreuſement ce dont il avoit beſoin. Il ſe refugia enſuite dans la Sibérie, & eut, avec les Tartares du pays, pluſieurs eſcarmouches, dans leſquelles il leur tua beaucoup de monde. Mais ayant lui-même perdu une partie de ſes gens, & conſidérant qu'il ne lui étoit pas poſſible de tenir tête à tant de peuples armés contre lui, il prit la réſolution de ſe ſoumettre à la clémence de ſon ſouverain. Pour obtenir ſa grace & celle de ſes complices, il fit propoſer à la cour de Ruſſie, la conquête du riche & vaſte pays qu'il venoit de parcourir. Ce projet parut trop important pour le négliger. On l'invita à ſe rendre à Moſcow, où le Czar lui accorda ſon pardon, approuva l'expédition qu'il méditoit, & lui fit donner un corps de troupes. Avec ce ſecours, Jermak revint en Sibérie ; & il ſe conduiſit avec tant de prudence, d'activité & de courage, que le ſuccès répondit à ſes eſpérances. Les Tartares furent auſſi effrayés à la vue des Ruſſes & de leurs armes, que l'avoient été à la vue de Cortez, les habitans du Mexique. Mais malheureuſement le pauvre Jermak ne jouit pas de ſa victoire : dans le dernier combat qu'il livra au Khan des Tartares, ayant apperçu ce prince dans une barque, il s'avança avec ſa troupe pour aller à l'abordage. Il voulut ſauter de ſon bateau dans un autre ;mais il tomba dans la rivière et ſe noya. Le Khan des Tartares perdit lui-même la vie dans la mêlée ; ſon fils fut envoyé à Moſcow, où le Czar le reçut honorablement, & le traita conformément à ſa qualité. Il lui accorda un domaine conſidérable en Ruſſie ; & ſes deſcendans en jouiſſent encore aujourd'hui, avec le titre de prince de Sibérie. Eſt-ce ainſi que furent traités, de la part de leurs conquérans, les monarques infortunés du Mexique & du Pérou ?

Depuis ce tems les Ruſſes ſe ſont étendus ſucceſſivement juſqu'au rivage de la mer du Japon. Comme c'étoit aux Coſaques qu'on devoit la conquête de ce pays, on voulut leur en laiſſer tout l'honneur ; & à meſure qu'on y envoyoit des milices, elles furent incorporées dans leur troupe. C'eſt par cette raiſon que toute la cavalerie Sibérienne porte encore aujourd'hui le nom de Coſaques. Celui de Jermak y eſt en ſi grande vénération, qu'on fait tous les ans une cérémonie en ſon honneur ; & qu'aux nôces du peuple, on ne manque jamais de chanter un hymne à ſa louange.

La Sibérie, dont la conquête eſt dûe à ce héros, a, comme je vous l'ai dit, Madame, pour capitale, la ville de Tobolsk, au confluent de l'Irtish & du Tobol dont elle a pris le nom. Les Ruſſes ont choiſi cette ſituation, à cauſe de ſa beauté & de ſa force. L'ancienne réſidence des princes Tartares n'en étoit qu'à dix lieues ; elle eſt aujourd'hui tombée en ruines. Tobolsk eſt fortifiée d'un rempart de brique, avec des tours quarrées & des baſtions de diſtance en diſtance. La vue de ce rempart, du côté du midi, eſt admirable. On diviſe cette ville en haute & baſſe ; la haute eſt ſur une colline ; la baſſe eſt dans la plaine, entre la colline & la riviere. La premiere eſt nommée proprement la ville ; on y voit une citadelle en pierre, le palais du gouverneur, les cours de juſtice, pluſieurs égliſes bâties de brique, la cathédrale, & le palais de l'archevêque. La ville baſſe eſt expoſée à de fréquentes inondations ; & comme elle n'eſt point pavée, les rues ſont ſi pleines de boue, qu'il eſt preſque impoſſible d'y marcher. La ville haute n'a pas la même incommodité ; mais elle manque d'eau ; l'archevêque y a fait creuser un puits à grands frais ; mais il n'y laiſſe puiſer que ſes domeſtiques. Ce n'eſt pas encore ce qu'il y a de plus incommode. Du côté de la montagne, il ſe détache, tous les ans, de grandes maſſes de terre, qui obligent ſouvent les habitans de déloger, & même d'abattre les maiſons voiſines pour les rebâtir un peu plus loin. La cauſe de ces fréquens éboulemens vient de la nature du terrein & du cours de la riviere. Ces terres ſont argilleuſes, & l'eau ſappant le rivage, emporte le bas, & fait tomber le haut. Les faux-bourgs s'étendent le long de l'Irtish, & ſont entourés de foſſés & de paliſſades. Il y a pluſieurs grandes rues appelées rues des Tartares, parce qu'elle ſont habitées par les deſcendans de ceux qui s'y étoient établis avant la conquête de la Sibérie. Ils jouiſſent ici, comme dans toutes les autres villes du pays, du libre exercice de leur religion, & de pluſieurs immunités, y vivent tranquillement, & ſubſiſtent de leur commerce : il n'y a point d'artiſans parmi eux. La débauche leur paroît une choſe honteuſe ; & ceux qui boivent du vin ou de l'eau-de-vie, ſont notés d'infamie. Ils ſont d'ailleurs ſuperſticieux, & ont grande confiance aux amulettes. Ce ſont des ſentences de l'alcoran, qu'ils attachent au cou de leurs enfans ; & qui leur pendent ſur les épaules. Elles ſont garnies de coraux & d'autres ornemens ; les prêtres en font un grand commerce, & perſuadent au peuple, qu'elles préſervent de toutes maladies. Ces Tartares reſſemblent, par leurs mœurs, leur figure & leur langage, à ceux de Caſan. Ils pourroient avoir pluſieurs femmes ; mais comme ils vivent parmi des Chrétiens, il eſt rare qu'ils en prennent plus d'une ; le gouvernement ne leur permet pas d'en épouſer plus de quatre. Ils pratiquent la circonciſion, comme les autres Mahométans. On circoncit autant d'enfans qu'il s'en préſente, depuis ſix juſqu'à quatorze ans. La cérémonie commence par un grand repas, où le prêtre tient toujours la premiere place. On en vient enſuite à l'opération : il y a des enfans qui la ſouffrent tranqillement ; il y en a d'autres qui s'agitent & ſe révoltent. Ces peuples changent rarement de religion : quelques-uns cependant ſe font baptiſer ; mais les autres les regardent avec horreur, & leur reprochent leur déſertion, qui ſouvent n'a d'autre motif, que de s'enivrer plus librement, ou de ſe délivrer de la ſervitude.

Ces Tartares forment environ le quart des habitans. Les autres ſont Ruſſes, & preſque tous exilés, ou fils d'exilés. Il y a parmi eux de riches négocians, qui font un grand commerce ſur les frontieres de la Chine, & en différens endroits de la Ruſſie. D'autres exercent diverſes profeſſions ; mais ils ſont ſi pareſſeux, & il eſt ſi difficile de les faire travailler, qu'on regarde preſque comme une grace, lorſsqu'on en tire quelque ouvrage. Le bas prix des denrées eſt ce qui cauſe cette fanéantiſe : un homme vit pour vingt écus par an. Les gens groſſiers ne penſent ici, ni au lendemain, ni aux tems de maladie. Lorſqu'ils n'ont plus rien, ils travaillent une couple d'heures, pour avoir de quoi vivre pendant une semaine. Se nourriſſant fort mal, ils vivent très-facilement. Des poiſſons secs ou pourris, des pois, de mauvais pain noir de ſeigle, ſont leurs alimens ordinaires. Ils ont pour boiſſon, de mauvaiſe biere, & une autre liqueur qui n'eſt autre choſe que de l'eau de ſon fermentée, dans laquelle on mêle un peu de farine. Ils ignorent abſolument l'uſage des lits ; toute la famille eſt couchée pêle-mêle, à moitié deshabillée, les uns ſur des nattes placée ſur des bancs, les autres ſur le poële ou par terre. Ils ne ſont éclairés que par des éclats de ſapin, ou de bouleau, allumés, fichés entre les poutres : ce qui rend les incendies fréquens, dans un pays où les maisons ne ſont que de bois.

Cependant, les arts ne ſont point inconnus en Sibérie ; ils y ont été portés par les priſonniers Suédois, pris à la bataille de Pultava, & diſperſés dans les différentes villes de cette province. Avant leur arrivée dans ce pays barbare, on y ignoroit preſque l'uſage du pain. Naturellemnt ingénieux, & obligés de l'être par le beſoin où ils étoient de diſſiper, par leur induſtrie, l'ennui de leur captivité, ils exercerent, dans le lieu de leur exil, tous les arts dont ils avoient quelque connoiſſance. Les ſoldats Suédois peuplerent la Sibérie de boulangers, de cordonniers, de tailleurs, de drapiers, de menuiſiers, de maçons, d'orfévres. Les officiers devinrent peintres, architectes, muſiciens, maîtres de langues. Ils s'amusoient à montrer le françois, l'allemand, le latin, les mathématiques, le chant, la danſe, &c., aux jeunes gens de condition de l'un & l'autre ſexe, pour avoir accès dans les bonnes maiſons. Bientôt, toute la Sibérie changea tellement de face, que les Moſcovites y envoyerent leurs enfans, pour y être inſtruits comme dans une école excellente.

Il y a toujours à Tobolsk cinq à ſix mille hommes de troupes réglées, tant infanterie que cavalerie, indépendamment de trois ou quatre Tartares répandus dans la campagne, toujours prêts à monter à cheval au premier ordre. Tout cela, joint à la force naturelle de la place, la met à l'abri des incurſions de l'ennemi. Tous les gouverneurs de la province ſont ſubordonnés à celui de la capitale; mais il ne peut nommer à leur emploi ; c'est un droit de la chancellerie de Sibérie, qui réſide à Moſcow. Ce gouverneur a lui-même une chancellerie, dont les deux ſecrétaires ne perdent jamais leur place. Ils ont, ſur toute la ville, une autorité preſque illimitée. Un coup d'œil, de leur part, a plus d'effet que les ordres même du gouverneur.

L'archevêque, ou chef des prêtres Sibériens, a, ſous ſa juridiction, à Tobolsk, cinquante moines ou eccléſſiaſtiques, dont très-peu ſçavent le latin; encore ſont-ce des Polonois. Le peuple eſt attaché à la religion grecque, juſqu'au fanatiſme. Né dans l'eſclavage le plus affreux, il n'a aucune idée de ce que nous appelons liberté de penſer ; et tout le monde eſt peuple, à cet égard, en Sibérie.

Dans toutes les familles, depuis les plus riches juſqu'aux plus pauvres, on célebre le jour de la naiſſance, & celui du patron de chaque membre de la famille. on y invite les parens & les amis ; on donne un grand repas, où l'on ſert beaucoup de vin ; et l'on danſe depuis le dîner juſqu'au ſoir. Ces fêtes ſont peu diſpendieuſes ; chaque perſonne invitée laiſſe une piéce de monnoie, qui paye ſon écot & au-delà : on ſe pique, ſur ce point, de la plus grande généroſité.

Le carnaval eſt ici, comme ailleurs, le tems des divertiſſemens. Il n'eſt preſque pas poſſible alors d'aller dans les rues, même pendant la nuit, tant elles ſont pleines d'hommes, de femmes, de bêtes & de traîneaux : ce n'eſt, parmi le peuple, que promenades, que cris, que tumulte, que querelles. Là on voit ſur un tas de neige, devant les maiſons, des gens aſſis qui boivent & qui chantent. Quand le vin eſt bu, un d'eux va au cabaret & rapporte une nouvelle proviſion, avec un redoublement d'allégreſſe : vous ne croiriez pas qu'ils reſſentent le moindre froid ; ils invitent tous les paſſans à prendre part à leurs plaisirs.

La fréquentation des filles publiques n'eſt pas ce qui les occupent le moins dans ces jours de joie & d'amuſemens. Elles ne ſont pas rares dans cette ville ; & les maladies qui le ſuivent, n'y ſont pas moins communes. Leur effet ordinaire, dans ce pays froid, eſt de faire tomber les narines ; & n'y a-t-il nulle part autant de gens ſans nez, qu'on en voit à Tobolsk. La jeuneſſe, inſtruite ici plustôt qu'ailleurs, ne tarde pas à ſe livrer à la diſſolution ; auſſi les mœurs y ſont-elles fort corrompues. Les femmes & les filles y ſont jolies ; & toutes font uſage du rouge, même celles du bas-peuple.

Autant le carnaval eſt ici bruyant et tumultueux, autant on eſt exact à obſerver le carême. on n'end alors ni chants, ni divertiſſemens ; on ne fait ni feſtins ni mariages ; on prie, on jeûne, on vit dans le plus grand recueillement. C'eſt le tems où l'on célebre la béatitude des Czars ſanctifiés, celle de tous les ſants de la famille royale, des ſaints patriarches, & de pluſieurs autres, dans leſquels eſt compris le célèbre Jermack, qui a conquis la Sibérie. On fulmine enſuite ſolemnellement des anathêmes contre les incrédules, les hérétiques, & les Catholiques Romains, qu'on regarde ici comme des ſchiſmatiques.

Quand je dis qu'on ne ſe marie pas en carême, vous concevez, Madame, que ceci ne peut regarder que les Chrétiens : les nôces tartares ſe font en tout tems. Les perſonnnes invitées arrivent dans la maiſon où doit ſe paſſer la cérémonie. On y trouve des bancs couverts de tapis, & une table avec des rafraîchiſſemens. Les fiancés donnent des prix à ceux qui arrivent les premiers ; et il y a, dans certains endroits de la ville, des chevaux tout préparés, & qui ſe louent pour faire cette courſe. On attache ces prix à de longues perches, plantées devant la maiſon ; le premier venu a le premier prix ; & ainſi des autres, chacun dans leur ordre. Il y a quelquefois de la partialité dans cette diſtriburion ; mais les Ruſſes & les Tartares peuvent y participer également.

La chambre de la fiancée eſt remplie de buveurs & de muſiciens. Les inſtrumens & les airs n'ont rien de merveilleux ; il y en a un qu'ils appellent Jermack, parce qu'il fut compoſé, diſent-ils, lorſque ce Coſaque fit la conquête de leur pays. Les parens de l'époux futur conduiſent le jeune homme dans la cour : il en fait trois fois le tour ; & lorſqu'il paſſe devant la chambre de la mariée, on jette, par les fenêtres, de petits morceaux de draps, ſur leſquels le peuple ſe précipite. Il monte enſuite dans un appartement où eſt le prêtre : on lui demande s'il veut épouſer une telle ? & l'on envoie faire la même queſtion à la future. Lorſqu'ils ont répondu affirmativement l'un & l'autre, & que les parens ont donné leur conſentement, le prêtre expoſe à l'amant les loix du pays touchant le mariage. La principale eſt, qu'on épouſera pas une ſeconde femme, ſans l'aveu de la première. Il benit enſuite les conjoints, & termine la cérémonie par un grand éclat de rire, auquel tous les aſſiſtans répondent de même.

Pluſieurs perſonnes donnent, pour préſent de nôces, chacun un pain de ſucre. Ces pains ſont mis en morceaux, & diſtribués à toute la compagnie. On ſe rend alors dans une grande ſalle, où l'on ſert le dîner ; & pendant trois jours que dure la fête, on boit, on mange, & l'on ſe divertit. Il eſt permis à tout le monde d'aſſiſter à la cérémonie du fiancé ; les parens ſeuls & les amis les plus intimes viennent à celle de la femme. On ſe rend chez elle la veille du mariage, pour pleurer la perte de ſa virginité. La fiancée eſt aſſiſe derrière un rideau, entourée de pluſieurs filles ; à côté d'elle eſt une autre jeune perſonne de ſes compagnes ; un grand drap blanc les couvre l'une & l'autre ; les parentes & les autres femmes invitées viennent ſucceſſivement l'embraſſer, & ſe retirent. Enfin paroiſſent deux hommes, de la part du marié ; ils ſe placent au milieu de la chambre, & chantent l'hymne de la jeune épouſe. Pendant ce tems-là, les femmes & les filles ſe mettent à pleurer, & la future à ſangloter. Quand le chant est fini, des hommes viennent derrière le rideau, prennent les quatre coins du tapis ſur lequel eſt la mariée & ſa compagne, & les enlevent, toujours enveloppées du même drap, pour les porter dans une autre maiſon. On les place, à-peu-près, comme dans la précédente ; & l'on y pratique les mêmes formalités. Enſuite commencent les ſymphonies, les chants & les danſes ; la fiancée reſte-là toute la nuit ; & le jour ſuivant, l'époux vient la prendre, & l'emmene chez lui.

Pâques & les autres grandes fêtes, où les théâtres ſont fermés en Europe, ſont proprement ici les jours de ſpectacles. Pour vous donner, Madame, une idée de ce qu'on y joue, je rapporterai, d'après M. Solnick, une courte analyſe d'une de ces préſentations théâtrales : vous y reconnoitrez nos anciens myſtères, nos anciennes moralités ; & vous conclurez qu'en Sibérie, l'art dramatique n'eſt préciſément, que ce qu'il étoit en France, il y a quatre ſiécles. Le premier acte s'ouvre par des chants : un petit garçon ſe préſente enſuite, & vient ſouhaiter une bonne fête aux ſpectateurs. Un autre, habillé comme on nous peint le Diable, fait marcher devant lui un vieillard, qui lui repréſente la foibleſſe de ſon âge. L'eſprit infernal fait mille eſpiégleries, lui met autour du cou un ſerpent empaillé, qui tient une pomme dans ſa gueule ; & le vieil Adam tombe à ſes pieds, ſans connoiſſance & ſans vie. La Mort entre, une faux à la main, & ſe prépare à enlever le cadavre. Le petit Diable s'y oppoſe ; mais Jeſus-Chriſt, une croix à la main, & de l'autre une couronne, oblige l'eſprit infernal à s'enfuir. La vertu de la croix donne au vieil Adam une nouvelle vie. Jeſus-Chriſt le fait lever, lui met ſur la tête la couronne ; & le vieillard, tranſporté de joie, lui témoigne ſa reconnoiſſance. Le Sauveur lui dit de le ſuivre dans le ciel ; & ils diſparoiſſent l'un & l'autre. Dans l'acte ſuivant, on joue les dix commandements de Dieu ; & dans le troiſième, le baptême. Ici un homme armé, repréſentant un ſeigneur Tartare, vante ſa bravoure avec fanfaronade. Deux Chrétiens, ſans armes, & demi-nuds, s'approchent de lui, le dépouillent de ſes habits, font apporter une cuve, le jettent dedans, l'arroſent de trois ou quatre ſceaux d'eau, le font renoncer à ſes vêtemens, à ſes armes, & à tout ce qu'il poſſède. Voilà l'image & le ſymbole du baptême. On fait enſuite quelques bouffonneries ; & le ſpectacle finit comme il a commencé, c'eſt-à-dire, que le Diable, le vieil Adam, la Mort, Jeſus-Chriſt reparoiſſent ſur la ſcène; & un petit garçon prononce un diſcours ſuivi de chants. Toutes ces pièces ſont verſifiées, & les jeunes gens, qui les débitent, le font avec une aſſurance étonnante. Ce ſont les prêtres qui préſident à ces jeux, & qui exercent les acteurs.

Les fêtes de Pâques ſe paſſent recevoir & à faire des viſites. Le peuple s'amuſe à ſa maniere, mais avec moins d'extravagance que pendant le carnaval. Le jeudi avant la Pentecôte, l'archevêque de Toblosk va en proceſſion avec ſon clergé, ſur une montagne qui eſt à un quart de lieue de la ville. Il arrive dans une maiſon, où ſont pluſieurs bieres remplies de cadavres : ce ſont les corps des perſonnes décédées ſans ſacremens ou de mort violente. Ils ne peuvent pas y être plus d'un an ; il y en a même, qui n'y reſtent pas plus d'un jour. Ceux qui meurent de la ſorte, entre les deux jeudis qui précèdent la Pentecôte, ſont privés de ſépulture, & dépoſés dans cette maiſon, juſqu'au jeudi le plus voiſin de cette fête. S'ils meurent ce jeudi même, ils y reſtent une année entière ; s'ils expirent un jour auparavant, ils ſont délivrés le lendemain. L'archevêque, dans ſa viſite, déclare que Dieu leur a pardonné leurs péchés ; en conſéquence, on les tire de cette eſpèce de purgatoire ; & on les enterre avec les autres fidèles.

Après avoir parlé de la ville de Tobolsk, voici ce qu'on nous apprend de ſes environs. Au nord & à l'occident de cette capitale, le terrein eſt peu fertile ; mais à l'orient & au ſud, il produit des légumes & des fruits aſſez bons. Les rives de l'Iſet & du Tobol ſont regardées comme les greniers de la Sibérie ; & c'eſt de-là qu'on tire la plus grande partie du grain qu'on apporte dans les villes. Les bois & les champs ſont pleins de gibier. Les gelinotes, auſſi groſſes que les perdrix, ont la chair blanche & délicate. Il y en a d'une eſpèce plus groſſe encore, qui ont les pates velues, & blanchiſſent en hyver, comme des colombes. Les perdrix y ſont auſſi très-communes ; mais à la fin de l'automne, elles paſſent dans des climats plus tempérés. Il y a pareillement quantité de becaſſes qui ſ'en retournent avant l'arrivée des grands froids. On ne connoît point de pays, où les oiſeaux aquatiques ſoient plus abondans. On en trouve d'autres, appelés oi∫eaux de neige, qui ſont de la groſſeur d'une alouette, & fondent ici, par troupes, dans l'arrière-ſaiſon. La plûpart ont une blancheur éclatante : il y en a de tachetés & de bruns ; & ils paſſent pour être très-délicats. On en voit encore un autre, gros comme une grive, dont les ailes & la queue ſont mêlés de rouge & de jaune : il a ſur la tête une hupe noire, qu'il leve & baiſſe comme il lui plaît. C'eſt un oiſeau de paſſage, que l'on ne trouve ni en Aſie ni en Europe, & qui vient vraiſemblablement, ainſi que l'oiſeau de neige, des contrées ſeptentrionales de l'Amérique.

Les bois produiſent auſſi différentes eſpèces de bêtes fauves, comme des ours, des loups, des lynx, pluſieurs formes de renards, d'écureuils & de martres zibelines. Les fourrures y ſont meilleures que dans aucun autre pays. Les hermines ſe prennent avec des piéges, auxquels on attache un morceau de viande. Cette chaſſe ſe fait pendant l'hyver, parce qu'elles ſont alors entièrement blanches ; elles redeviennent brunes en été ; & leur peau en eſt moins eſtimée. Les lièvres, dont ce pays abonde, éprouvent le même changement. On les prend plutôt pour leur peau, que pour leur chair, dont on fait ici fort peu de cas. Les marchands achetent toutes ces peaux, les envoient en Angleterre ou en Hollande ; & on les emploie dans les fabriques de chapeaux. Les lacs & les rivieres ſont remplis de loutres, dont les fourrures rapportent un grand profit.

Comme il y a peu de pays mieux arroſés que cette partie de la Sibérie, il n'y en a point qui fourniſſe une plus grande quantité de poiſſons excellens. On vante principalement le muchſoon, qui est particulier à cette contrée, & que les connoiſſeurs eſtiment ſingulièrement. On y pêche auſſi des eſturgeons d'une groſſeur extraordinaire, & d'un goût exquis. On ne voit nulle part une auſſi grande quantité de vaches, qu'à Tobolsk : on a remarqué que preſque tous les chats y ſont rouges. Enfin, Madame, on trouve ici toutes ſortes de denrées, qui ſe vendent à très-bas prix ; d'où vous pouvez conclure que la Sibérie, & ſpécialement la capitale & ſes environs ne ſont pas un endroit auſſi déſagréable, qu'on le croit communément en Europe.

Le Voyageur François, 1768, Tome VII, p. 33-53 – Abbé de Laporte.

flag_nl.png    Zoals voor alle oorspronkelijke teksten die we in Le petit Cuistre onderbrengen, geen veranderingen werden aangebracht aan de originele Franse schrijfwijze.

flag_fr.png    Comme pour tous les textes originaux publiés dans Le petit Cuistre, aucun changement n'a été apporté à l'orthographe française du XVIIIe siècle.

flag_en.png    As for all the original texts published in Le petit Cuistre, no change was made to the French spelling from the XVIIIth century.

Naar Inhoudstafel

Terugkeer naar Tobolsk

Op maandag 3 oktober 2005 vertrokken we naar St. Petersburg, om nadien door te reizen naar Tobolsk in Siberië. Exact 245 jaar na Chappe d'Auteroche, een XVIIIe eeuws Frans sterrenkundige, op zending gestuurd door Lodewijk de XVe, deden we, met zijn boek “Voyage en Sibérie” (1768) in de hand, de tocht nog eens over. Wij planden een reis van 14 dagen, hij deed er nagenoeg 2 jaar over. Wij reisden comfortabel met vliegtuig en trein, hij deed het met koets en slee, vaak in barre, moeilijke en gevaarlijke omstandigheden. Je ziet dus dat de doelstellingen min of meer dezelfde waren, de reis- en weers-omstandigheden waren dat echter niet ; er was begin oktober jammer genoeg nog geen sneeuw en ijs te bekennen –wat uitzonderlijk bleek, een stralend blauwe hemel, zonneschijn en een graad of 14 was ons lot. Een maand later zou het er 30 graden vriezen.

Op 6 juni 1761 werd een doorgang van de planeet Venus over de zonneschijf verwacht, een fenomeen dat o.a. zichtbaar zou zijn in Tobolsk. Vele wetenschappers werden naar plaatsen gestuurd over heel de wereld verspreid om het fenomeen waar te nemen, zoals Guillaume Le Gentil naar Pondichéry (Oost-Indië) en Alexandre-Gui Pingré naar het eiland Rodrigue(s) in de buurt van Madagascar, aan de Oostkust van Afrika.

Op uitnodiging van de Academie van Wetenschappen in St. Petersburg vertrok Abbé Jean Chappe d'Auteroche eind november 1760 naar Tobolsk om het natuurfenomeen waar te nemen. In die tijd was zo'n waarneming nog van heel groot wetenschappelijk belang ; immers, met de instrumenten waarover men toen beschikte (zoals kwadrant en sextant) kon men met behulp van de driehoeksmeting, de afstand van de aarde tot de zon berekenen. Met barometer, hygrometer en thermometer werd de reisweg genivelleerd, gegevens die toen eveneens van groot (politiek) belang waren. In de XVIIIe eeuw was de kennis van onze aarde nog lang niet volledig en moest er nog veel ontdekt, gemeten en berekend worden, o.a. de omtrek van de aarde, een grotere nauwkeurigheid van de geografische plaatsen, lengte- en breedtegraad. De wereldkaarten werden getekend, exotische planten ontdekt en benoemd (o.a. door de Jussieu, die er zijn hele leven aan wijdde) en verscheept naar Europa, zoals de tulp, de gladiool, de hortensia enz… Kortom, het was een ontzettend boeiende tijd met veel nieuwe uitdagingen.

Nadat het astronomisch congres van Eric in St. Petersburg met als thema gevaarlijke hemellichamen was afgelopen, vertrokken we met de nachttrein van St Petersburg naar Moskou. In ons compartiment zaten Evgenij Kolesnikov en Genadij Plechanov, twee goede vrienden die we vroeger reeds hadden leren kennen toen we hadden deel genomen aan de 1995 expeditie naar Tunguska (waar in 1908 een asteroïde op ongeveer 5 km hoogte was ontploft en een woud van 2500 km2 had platgewalst). Na enkele glaasjes vodka wiegden we zalig in slaap op de cadans van de trein. Nog een dagje Moskou, met bezoek aan de prachtige Tretjakovskaja gallerea. Eric sliep ondertussen op het appartement van de Kolesnikovs, want die was doodmoe van de voorbereiding van reis en congres, en die had trouwens alleen maar Tobolsk in zijn hoofd.

huis_kolesnikov.jpg
Ten huize van E. & N. Kolesnikov (Foto: Eric W. Elst)

's Avonds gaven onze vrienden nog een groot afscheidsdiner, overgoten met aanzienlijke hoeveelheden vodka, want er werd duchtig getoast. De gasten waren allemaal kenners of deelnemers van de expedities naar Tunguska. Een was regisseur, van hem kregen we een videocassette over Tunguska. Een andere, een astronoom, gaf ons een boek dat hij had geschreven over de onheilsplaats. En er waren meerdere mannen en vrouwen die wetenschappelijke onderzoek hadden gedaan over de geologie en de biologie van Tunguska. Kortom, het was een bont gezelschap dat door de wol geverfd was, en toch reageerden ze allemaal verbaasd en enigszins bezorgd toen ze hoorden dat we van plan waren om naar Tobolsk te gaan. En dan volgde de onvermijdelijke vraag : Wat gaan jullie daar (in 's hemels naam) doen ? We vertelden hen over de Abbé Chappe d'Auteroche en zijn boek “Voyage en Sibérie” en van onze bedoeling om die reis nog eens over te doen. Men vond ons zeer romantisch en moedig, maar ik denk toch ook een beetje gek. Een vaag gevoel van spanning gemengd met ongerustheid maakte zich van mij meester. Wat moesten we daar verwachten ? Waarom leek iedereen zo ongerust ? Niemand van onze vrienden of kennissen was ooit in Tobolsk geweest, wel wist men ons te vertellen dat het de oudste stad van Siberië was en tegelijk de hoofdstad van het gebied. Eén vrouw probeerde nog tevergeefs haar zoon te bellen, omdat die er blijkbaar enkele tijd had verbleven en ons misschien kon behoeden om totaal verloren rond te dolen in een wildvreemde stad, hartje Siberië, een stad naar waar duizenden onfortuinlijke boeven en dissidente intellectuelen, waaronder de schrijver Dostojevskij, verbannen werden. Ook Tsaar Nicolaas II had er in 1918 met vrouw en kinderen een jaar in gevangenschap gezeten alvorens naar Ekaterineburg te worden gevoerd en geëxecuteerd.

Na nog veel goede raad en goede wensen op het hart gedrukt te krijgen, bracht Evgenij ons met de metro naar het station Kazanskij vokzal en installeerden we ons in coupé 6, helemaal klaar voor het avontuur. Op het tafeltje twee glazen en een vaasje met plastic viooltjes. De provodnitsa (treinbegeleidster) is een bullebak, er kan geen lachje af. Ach, misschien vindt ze het niet leuk om haar leven op de trein te moeten slijten. Eric was gelukkig ; gewapend met het boek van Chappe kon hij zich volledig inleven in diens wereld. Ik had veeleer gemengde gevoelens : waar zou deze reis ons brengen, en welk onthaal mochten we verwachten ? De batterij van mijn gsm liet het afweten. We zaten 2 dagen en 2 nachten vast in deze trein en de navelstreng met België was verbroken.

naar_tobolsk.jpg
Op weg naar Tobolsk: 09 oktober 2005 (Foto: Eric W. Elst)

Als we in Kazan een stop maken van 20 minuten kan Eric het niet laten om uit te stappen en even op Kazanse bodem te staan, stad waar ook Chappe was geweest. Hij vergeet de tijd en bereikt nog op het nippertje de trein. Nadien leest hij de passage voor uit Chappe's boek waar die zijn verblijf in Kazan beschrijft :

“Je ſéjournai pluſieurs jours à Cazan : j'y fis quelques obſervations aſtronomiques, qui me ſervirent à fixer avec exactitude la poſition de cette Ville. Elle conſerve encore un reſte de ſon ancienne opulence, quoique ſon commerce ſoit preſqu'éteint. Les maiſons, quoiqu'en bois pour la plupart, y ſont très bien bâties. Quantité de Nobleſſe y eſt réunie, & y vit en ſociété. Tout ce qui eſt néceſſaire ou utile à la vie y eſt très commun, même en gibier, en poiſſon & en fruits. On y trouve du pain blanc, auſſi peu connu en Sibérie que les ananas. Le vin ſeul eſt très rare à Cazan, mais ils ont l'art d'en faire avec différents fruits : il differe peu du naturel par le goût & la couleur ; mais il est très dangereux pour la ſanté, à cauſe de l'eau-de-vie qui en eſt toujours la baſe.” (Tome I, p. 544-555)

Het landschap is vlak maar de bomen staan in brand in de herfstzon. De trein schommelt rustig verder langs eindeloze berkenbossen met hun gele kruinen, af en toe een klein dorpje met houten huisjes, soms blauw of geel geschilderd. Regelmatig rijden we over rivieren (Wolga) en de streek wordt steeds moerassiger. De hemel is fel blauw en zonnig ; we hebben geluk, zeggen de Russen. Het is nu 9 oktober 2005 –Chappe was hier in de buurt en hij schreef dat er toen al veel sneeuw lag. Het klimaat is dus duidelijk veranderd. Af en toe stopt de trein voor 10 of 15 minuten. Op het perron lopen allerlei verkopers met eten, drinken, bessen, brood of thuisgebakken pirosjkis en vooral veel gedroogde vissen die ze aan een ijzeren ring meedragen. Aan vis geen gebrek, met de talrijke rivieren. In de trein komen ook geregeld verkopers voorbij met zelfgebreide sjaals, sokken, handschoenen, ja zelfs met boeken. Ze bieden hun waar aan, maar als je geen interesse hebt dringen ze niet aan. Gelukkig maar.

Ik zit trouwens verdiept in een boek over het leven van Peter de Grote, om volledig in de stemming te komen…

kathedraal_kremlin.jpg
De kathedraal in het kremlin (Foto: Eric W. Elst)

10 oktober, 13u Moskou tijd - 15u Tobolsk tijd, aankomst in het station van Tobolsk. Zal er iemand staan om ons op te halen ? We moesten ons echter niet lang zorgen maken over ons verblijf. Reeds bij het uitstappen werden we begroet door Natalya, een net opgedirkt dametje, dat ons verwelkomde in het russisch en ons meetroonde naar een taxi, nu ja, dit is een groot woord voor het gammele bakje dat ons opwachtte. Eén koffer kon in de laadruimte achteraan, de andere moesten we binnen op onze knieën houden. Tijdens de rit naar de stad sloeg de klep bij elke put in de weg open en dicht, een vrolijk muziekje zei Natalya vergoelijkend. Ze bracht ons naar hotel Sibir, een degelijk vernieuwd hotel, zeer goed gelegen, vlak bij het kremlin. Dit ligt in het hoge gedeelte van Tobolsk, waar ook Chappe in 1761 verbleef, in het huis van de gouverneur M. de Soimanov. Na een kwartiertje waarin Eric koortsachtig zijn uit elkaar gevallen scheerapparaat in elkaar had gestopt om zich wat te scheren, kwam Natalya ons terug ophalen. We werden reeds verwacht door de adjunct-burgemeester waar we de officiële oorkonde gingen overhandigen waarop stond vermeld dat de benaming Tobolsk was toegekend aan een kleine planeet. We wandelden er te voet naar toe. Op het bureau werden we opgewacht door een journaliste en een cameraman die Eric wilden interviewen, waarschijnlijk voor een lokaal televisiestation. Gregory, een knappe jonge tolk, vertaalde. Met zijn perfekt Engels, (hij had een school voor talen opgericht in Tobolsk) zou hij de komende dagen onze gids zijn. Na de plechtige overhandiging van het document, met de nodige foto?s en handdrukken, kregen we een kopje thee met een koekje.

Gregory is een charmante jongen die ons geduldig alles vertelde over de geschiedenis van Tobolsk en meer dan dat, want Eric vroeg hem naar allerlei details die vermeld stonden in het boek van Chappe en die hij nu probeerde te herkennen en te plaatsen in de realiteit die hij zag. Allereerst leidde hij ons rond in het kremlin, dat gebouwd werd door architekt Remezov in de 17-de eeuw. Het is een prachtig domein, omringd met hoge witte muren. Vermits Tobolsk de oudste grote stad van Siberië was en een handelscentrum gelegen op de weg naar China moest er ook een versterkte muur zijn waarbinnen de mensen zich veilig konden voelen. Ze gingen er tevens bidden in de kerken. Dat kremlin bestaat thans uit een 3-tal kerken met prachtige felblauwe koepels met goud versierd, een seminarie voor de popes, een voormalig bisschopshuis, waarin nu een natuurhistorisch museum werd ondergebracht, en een aantal stallingen.

bij_kremlin.jpg
Wegenwerken bij het kremlin (Foto: Eric W. Elst)

Eric bekijkt alles door de bril van Chappe. Die zal het kremlin al wel gekend hebben onder deze vorm. We zien ook de holle weg die de verbinding was en nog steeds is tussen het hoge en het lage gedeelte van de stad. Werklieden zijn bezig met hem opnieuw aan te leggen met kasseien en voorzien met trappen. Chappe beschrijft hoe de mensen moeizaam moesten ploeteren om met hun koopwaren door het slijk te baggeren, steeds weer uitglijdend op die ellendige weg. In de lente kwamen zelfs hele stukken van de bergwand naar beneden. We herkennen het allemaal en kunnen het ons levendig voorstellen. We gaan een orthodox kerkje binnen. Daar staat een pope voor een ikoon zijn eindeloze monotone litanieën op te dreuenen. De gelovigen, een jongen en enkele vrouwen knielen en slaan verwoed gespiegelde kruistekens te slaan, voor elk ikoon opnieuw, en het zijn er vele. De jongen is erg vroom. Hij werpt zich onstuimig op de grond voor elk ikoon of kust er ook nog de lijst van. In de duisternis van de kerk, omringd door tientallen ikonen, en gouden luchters en versieringen, steek ik een kaarsje aan in een zweem van mystiek en ik denk aan al diegenen die hier hun wensen en hun hoop, hun verdriet, hun ellende maar ook hun geluk zijn komen vertellen.

Buiten overschouwen we vanop de heuvel de benedenstad. De horizon strekt zich inderdaad onbelemmerd uit van zuid-oost tot west, met in het westen de mooie brede rivier, de Irtich. Net zoals Chappe het beschreef. Dat stadsgedeelte bestaat veelal uit houten huisjes, sommige met mooi versierde ramen, vele gammel en scheef verzakt. We tellen een tiental kerktorens. Morgen gaan we dat gedeelte bezoeken. We nemen afscheid van Gregory. Hij heeft nu nog lessen te geven en wij gaan naar ons hotel, tevreden over deze eerste kennismaking met Tobolsk en een aantal van zijn bewoners.

zibeline_museum.jpg
Een zibeline in het museum (Foto: Eric W. Elst)

Na een zwaar ontbijt met een soort Duitse, vette reibekuchen komt Gregory ons ophalen. In het natuurhistorisch museum wacht ons een jonge gids. Gregory vertaalt. De oudste bewoners van Siberië, de Tataren worden aanschouwelijk uitgebeeld en we maken kennis met hun leefwereld, hoe ze woonden in tenten –het waren nomaden– hun klederdracht en wapens. We zien ook de typische bogen met onder meer de stompe pijlen, om de sabelmarter, die zeer gegeerd was voor zijn prachtige pels, te doden zonder die te beschadigen.

Eric is er kapot van. Hij had zich het lot van de zibelinnekes al hevig aangetrokken toen hij er bij Chappe over las. Die arme sabeldieren werden te pas en te onpas gebruikt als betaalmiddel. De oorspronkelijke bevolking van Siberië waren de Tataren die vrij vredelievend waren. Van zodra er zich een bloeiende gemeenschap had gevestigd op de oevers van de Irtich en de Tobol werd ze belaagd door de Kozakken. Een van die kozakken was Ermak : de grote held van Tobolsk. Met zijn roversbende overviel hij de rijken en deelde het geld uit aan de armen. Zijn krijgshaftige beeltenis staat niet voor niets levensgroot in het museum. In een andere kamer zien we hoe een echte gevangeniscel eruit zag waarin de gevangenen begin 19e eeuw (o.a. Fjodor Dostojevskij) werden opgesloten, in afwachting van verbanning naar verdere oorden. Ook de zg. decabristen, na hun mislukte opstand eind december 1825 in St Petersburg, werden door tsaar Nicolaas I naar Tobolsk verbannen. Het waren geleerden en intellectuelen. Ze brachten kunst en cultuur in deze verre uithoek en stichtten er de eerste school voor vrouwen.

Op het kerkhof zullen we later hun graven zien. Er zijn blijkbaar nog meer bekende Russen die in Tobolsk geleefd hebben zoals bv. Mendelev, die er geboren werd en naar school ging, en later bekend werd omwille van zijn beroemde tabel der scheikundige elementen. Ook de schrijver van sprookjes P. Erchov werd er geboren.

mendeljew_museum.jpg
Mendel(j)ew in het museum (Foto: Eric W. Elst)

Op de derde verdieping zien we opgezette beren, wolven, vossen, sabeldieren, uilen enz… kortom de lokale fauna. We nemen een foto van een wit konijn voor Mayré, onze dochter die ook zo'n exemplaar bezit, maar dan wel levend. Als we buiten komen staat de broer van Gregory, André, al te wachten. Hij brengt ons naar de benedenstad. We gaan het huis bezoeken waar Tsaar Nicolaas II en zijn familie in 1917-18 hun laatste jaar verbleven. Ze leefden er als in een gevangenis, mochten niet naar buiten gaan, later mochten ze zelfs niet meer in de buurt van de ramen komen. Ze leefden zeer bescheiden en kregen weinig geld voor de huishouding. Hun enige ontspanning was piano spelen en boeken lezen. Gogol was hun lievelingsauteur. Daarna werden ze overgebracht naar Sverdlovsk (later Ekaterineburg) waar ze een maand later geëxecuteerd werden. Het is een triest verhaal. Ondanks het feit dat die Tsaar ook geen medelijden heeft gehad met zijn hongerlijdende bevolking was dit vreselijk lot voor heel zijn familie toch niet nodig. Maar zoals steeds bij revoluties het geval is gebeuren er wreedaardigheden in naam van de rechtvaardigheid. Het lijkt wel of de geschiedenis geen drastische wendingen kan nemen zonder bloedvergieten. Vervolgens rijden we naar een heuvel de tuin van Ermak van waaruit we een weids uitzicht hebben over de vlakte beneden en de Irtich.

Eric zoekt nadien de omliggende heuvels af, op zoek naar de plaats waar Chappe zijn sterrenwacht zou kunnen opgesteld hebben. Volgens de vage aanwijzingen van Chappe zelf, zou deze gestaan hebben op een heuvel, op ongeveer 800 m. van het kremlin, met uitzicht over de hele zuidelijke horizon. Daarna is het tijd voor meer praktische aangelegenheden, nl de kaartjes die ik sinds St Petersburg en Moskou meezeul geraken niet gepost bij gebrek aan postzegels. Niemand in St. Petersburg noch in Moskou kon ons helpen om er te vinden. Gelukkig hebben we onze gids die ons bij een postkantoor afzet. Geduldig wacht ik in de eerste rij. Na een half uurtje is het mijn beurt en mijn vage ongerustheid wordt bewaarheid : ik heb aan het verkeerde loket aangeschoven. Gelukkig is het meisje heel hulpvaardig, maar de kaartjes moeten wel stuk voor stuk in een briefomslag gestoken worden. Eindelijk is de klus geklaard en kunnen we een beetje gaan rondwandelen in het nieuwe stadsgedeelte van Tobolsk.

De zon schijnt. Het is een aangename en moderne stad. De meisjes lopen er allemaal opgedirkt en op hoge naaldhakken rond. Ik vraag me af hoe ze dat zullen doen in de winter als er metershoog sneeuw ligt.

sterlet_markt.jpg
Sterlet op de markt in Tobolsk (Foto: Eric W. Elst)

Aan de stalletjes kopen we enkele bananen en van een oude babouchka kopen we handgebreide sokjes voor de 2 babies thuis. Veel vrouwen verkopen grote blinkende vissen, die liggen uitgestald op kartonnen dozen. We denken dat het snoekbaars is, de door Chappe beschreven sterlet. We zien veel vrouwen die zonnebloempitten en pitjes van denappels verkopen in puntzakjes. Het schijnt een lekkernij te zijn. We gaan op zoek naar een cafeetje om een koffie te drinken ; tevergeefs, het is St Petersburg niet, daar vind je nu (de laatste jaren) op de Nevskii Prospekt een overvloed aan thee-salons en cafés. Dan maar in de winkels op zoek naar iets drinkbaars. Veel winkels zijn nog typisch Russisch en gevestigd in huizen waarvan men het niet zou vermoeden. Enkel het uithangbord verraadt dat er iets te koop is. Het is er wat rommelig met glazen toonbanken waar de waren kriskras naast elkaar liggen uitgestald. Het oogt allemaal wat schamel, en ouderwets ; mooi houten speelgoed van vroeger heeft plaats gemaakt voor goedkope waar uit China. We belanden tenslotte in een heuse westerse supermarkt, met scanners en plastiek draagtasjes aan de kassa. Het is de eerste keer dat ik die in Rusland zie. Ik schaam me om het te moeten zeggen, maar we voelen er ons thuis en doen wat inkopen voor morgen op de trein. Hoe zal het hier zijn over een paar jaar ? Tegen dan zullen de grote Russische steden waarschijnlijk helemaal verwesterst zijn. Jammer ! De Russische winkels met op het uithangbord Produkten, zeg maar onze gewone kruideniers, zijn ook niet slecht voorzien –je kan nu alles rechtstreeks kopen en betalen aan de verkoopster, zonder de martelgang van vroeger, waarbij je eerst je keuze moest maken, dan aan een centrale kassa moest aanschuiven om de prijs te betalen, en dan pas kon je met je ticket aanschuiven om je boodschappen te bekomen. Vooral voor buitenlanders was dit bijna een onmogelijke zaak.

gregory_leila.jpg
Gregory en zijn vrouw Leila (Foto: Eric W. Elst)

's Avonds zijn we afgesproken met Gregory en zijn vrouw Leila om te gaan eten in een gezellig restaurantje. Leila is een Tobolskse schone met duidelijk andere roots. Gregory vertelt dat ze half Tataars en half Azerbeidjans is. Inderdaad, de beschrijving die Chappe in de 18e eeuw geeft van de Tataarse vrouwen kon zo op haar van toegepasssing zijn :

“Les femmes ſont généralement belles à Tobolsk : elles ont la peau de la plus grande blancheur, une phyſionomie douce & agréable ; leurs yeux ſont noirs, languiſſants, & toujours baiſſés : elles n'oſent jamais regarder un homme en face : elles n'ont point de coëffures : mais elles font uſage de mouchoirs de couleurs, qu'elles entrelacent avec tant d'art dans leurs cheveux, preſque toujours noirs & ſans poudre que cet arrangement leur donne l'air le plus ſéduiſant.”(Tome I, p. 255-256)

Op advies van onze gasten eten we vis. Het blijkt snoekbaars te zijn, de mooie blinkende vis die we vanmiddag op kartonnen dozen zagen liggen. Hij was voortreffelijk klaargemaakt in een soort zoutkorst. De wijn stelt echter niet zo veel voor. Blijkbaar zijn ze niet erg gespecialiseerd in de wijnbouw. We praten over astronomie, over politiek en over België. We wisselen onze email-adressen uit. Het is een leuke avond. De muziek speelt luid en er dansen enkele koppels, wat typisch is voor elk Russisch restaurant.

Laatste dag in Tobolsk. Onze koffers staan gepakt maar we bezoeken vandaag nog het klooster van Abalak, een beroemd bedevaartsoord waar veel wonderen zijn gebeurd (sic !). Na een rit van ongeveer een half uur bereiken we het klooster dat niet veel meer is dan 3 kerken, waarvan er twee in restauratie zijn, een seminarie voor monniken en een woning voor de aartsbisschop, dat alles omringd door een hoge witte muur. Als we in de duisternis van de orthodoxe kerk binnen treden worden we met een nors gebaar door een man achter een tafeltje tegen gehouden. Hij heeft een benig gezicht met daarin blauwe waanzinnige ogen, een baard en lang blond haar dat in slierten langs zijn mager gezicht hangt. Kortom, hij zou zo uit een roman van Dostojevskij kunnen gestapt zijn. Hij beduidt ons dat ik niet enkel met een sjaal mijn hoofd moet bedekken, zoals in de meeste orthodoxe kerken alle vrouwen doen, maar dat ik uit een doos nog een doek moet pakken en die over mijn broek vastbinden. Ik zie er net uit als het Heilig Bernadetje Soubirou !

klooster_abalak.jpg
Het klooster van Abalak (Foto: Eric W. Elst)

Binnen is het erg sober, in vergelijking met de kerken die we gezien hebben in St Petersburg en Moskou. Er hangen natuurlijk veel ikonen, ook één van de Maria, die miraculeus zou zijn en heel veel wonderen in Alabak heeft verricht ! Er hangt ook een ikoon met de beeltenis van de tsaren-familie… En ik die dacht dat het enkel heiligen waren die ze schilderden.

Buiten genieten we van het weidse zicht van de oevers van de Irtich. Gregory geeft me een ikoontje als herinnering. Een beige hond die in niets verschilt van de honden in België komt aangeslenterd, blij met een streeltje en wat aandacht. Op de terugweg rijden we nog even langs het stadsbureau voor een laatste officiële foto. Voor ons hotel nemen we afscheid van Gregory. We zijn 3 dagen met hem opgetrokken en het afscheid is heel hartelijk. Eric geeft hem een ouderwetse kleine barometer cadeau, waarmee hij zelf voortdurend de luchtdruk heeft gemeten, net zoals Chappe het heeft gedaan, 245 jaar geleden. Eric is echter onvermoeibaar en wil koste wat het kost de juiste locatie vinden waar ooit de sterrenwacht van de abbé zou gestaan hebben.

sextant.jpg
Sextant Astro-Compass MKII (Foto: Eric W. Elst)

Nauwkeurig leest hij alle gegevens nog eens na, maakt een aantal metingen opnieuw en meent eindelijk de juiste heuvel gevonden te hebben. Daarna gaan we samen nog eens terug om foto's te maken en een stok te planten exact op de vermoedelijke plaats. Fier als een pauw staat Eric met zijn stok, een Chappe van de 21e eeuw. Die foto is echter maar show, want door de stenen in de grond kregen we de stok er niet in geboord. Na een laatste blik verlaten we de gewijde plaats en lopen we naar beneden. We vinden ook nog de weg die van de benedenstad naar het plateau boven leidt, zoals Chappe die heeft beschreven. Blijkbaar is er niet veel veranderd in Tobolsk. Enkel de naam van de weg is nu Oelitsa Lenina. Ik ga nog vlug het mooie gebouw recht tegenover ons hotel binnen. Het is het museum voor schone kunsten. Ik ben de enige bezoeker. In elk zaaltje zit een vrouwelijke opzichter, zich te vervelen. Er hangen schilderijen van lokale schilders, enkele mooie ikonen, wat hout- en ivoorsnijwerk met typische taferelen zoals sleeën getrokken door paarden of honden, jachttaferelen met beren enz…

Mijn mening kan ik hier wel geven, in tegenstelling tot Chappe d'Auteroche die zich door zijn kritische blik op Siberië en de zeden en gewoonten van de bevolking de haat van Katharina II op de hals haalde. Zij was zo woedend bij het verschijnen van zijn boek (zijzelf was sedert 1761 Tsarina geworden), dat ze een refutatie schreef (“Antidote, ou Examen du mauvais livre superbement imprimé intitulé Voyage en Sibérie par M. l'abbé Chappe d'Auteroche”), om honend zijn beweringen te weerleggen. Het boek is zogenaamd anoniem, maar iedereen vermoedde wel wie de auteur was.

Om half acht 's avonds staat Natalya ons in de hal op te wachten. Een taxi zal ons naar het station brengen en zij zal onderweg uitstappen aan haar woning. We geven haar een doos Belgische pralines en ik hoor haar onderweg telefoneren met haar twee kinderen : ze heeft besloten om met ons mee te rijden tot aan het station, om ons tot op het laatste ogenblik te begeleiden voor het geval er problemen zouden zijn. Erg attent. We nemen hartelijk afscheid en dan wachten we op de komst van onze trein vanuit Novii Oerengoi. We zijn er klaar voor om de terugreis aan te vatten. We zoeken onze wagon en ons treincoupé.

Waar ik al bang voor was wordt bewaarheid, we hebben dezelfde bullebak van voorheen. Ze is echter blij ons terug te zien, doet zelfs een praatje en vraagt of we het goed gehad hebben, vraagt of we thee moeten. Ze brengt ons twee glazen thee. De hele reis tappen we trouwens heet water uit de grote samovar die in de hoek van elke wagon staat. Het is weer een sauna in de trein, ik ben niet moe, heb nog geen zin om te slapen. We tellen weer met Moskouse tijd, 2 uur minder. Als ik naar buiten kijk word ik verrast door een prachtige sterrenhemel, Mars, Orion, zijn zo overweldigend en helder dat het lijkt alsof ik er midden in zit, ook al zie ik ze soms doorheen de voorbijflitsende bomen. Ik lees het boek uit over Peter de Grote ; ik walg van de beschrijvingen van de martelpraktijken en hoe hij zijn eigen zoon Alexei laat vermoorden. Een tiran met weliswaar geniale trekken. 50 jaar later zou Katharina II aan de macht komen. Een verlichte despote die eveneens veel geniale trekken had, maar die haar verlichte ideeën vooral in theorie beleefde, in haar brieven en in haar omgang met de Franse filosofen zoals Voltaire en Diderot. Ze duldde echter geen kritiek op haar land. Gelukkig heeft Chappe de refutatie zelf niet meer moeten lezen. Hij was bij het verschijnen van haar boek vertrokken, naar Beneden California, om er de tweede doorgang van Venus (acht jaar na de eerste) waar te nemen. Ook die waarneming kenmerkt zich door grote nauwkeurigheid. Hij overleefde de tocht echter niet, want hij werd overvallen door een epidemische koorts en stierf, enkele uren nadat hij nog een maans-verduistering had waargenomen.

Aan de wand in de gang hangt de lijst van alle stations die we aandoen met het uur en de tijdsduur dat we er halt houden. We lezen nu de plaatsnamen af in omgekeerde richting. We zijn definitief aan de terugreis begonnen.

Kristina Leterme.

Naar Inhoudstafel

Over een sterrenkundige die de hortensia naar Frankrijk bracht

mers_indes.jpg
Titelpagina van “Voyage dans les mers de l'Inde”

Van de drie Franse sterrenkundigen waaraan Lodewijk de XVe de opdracht gaf om op 6 juni 1761, in verre en onbekende streken, de doorgang van de planeet Venus over het zonsoppervlak te gaan waarnemen, is het verhaal van Guillaume Joseph Hyacynthe Jean-Baptiste Le Gentil de la Galasière het meest door tegenspoed gekenmerkt. Le Gentil vertrok reeds op 26 maart 1760, vanuit Brest, naar het niet bepaald dicht bij huis liggende Pondichéry, een door de Fransen bezet stadje op de kust van Coromandel (Oost-Indië). Chappe d'Auteroche ging zijn waarnemingen in Tobolsk (Siberië) uitvoeren, terwijl Alexandre-Gui Pingré naar het eiland Rodrigue(s) vertrok, met Isle de France en Bourbon één van de drie Franse eilanden aan de oostkust van Afrika. Die beiden beschikten klaarblijkelijk over meer tijd, want Pingré verliet Parijs op 17 november 1760, terwijl Chappe, eveneens vanuit Parijs, eerst eind november, de 5000 km lange tocht naar Siberië aanvatte. Over zijn lotgevallen hebben we reeds bericht (zie Le Petit Cuistre Nr10, 15 april 2005, bijlage). Het verhaal van Pingré is ook de moeite waard om verteld te worden ; want die vertrok op het oorlogsschip Le Comte d'Argenson, een met 60 kanonnen uitgerust zeilschip, dat gedurende de reis naar Rodrigue(s) door de Engelsen meermaals werd beschoten. Frankrijk was in oorlog met Engeland (1756-1763) en die vochten een 7 jaar lang durend robbertje uit, o.a. in de Indische Oceaan omwille van koloniale belangen. We beperken ons hier tot het relaas van de tocht van Le Gentil, die weliswaar niet in de opzet van zijn zending slaagde, maar aan wie we de hortensia, die vele Europese tuinen siert, te danken hebben.

Le Gentil begint zijn verhaal als volgt :

“Le journal du voyage que j'entreprends de donner au public, renferme une eſpace de onze années, depuis 1760 juſqu'en 1771. J'avois entrepris ce voyage à l'occaſion du paſſage de Vénus devant le ſoleil ; paſſage rare & célèbre, qui devoit arriver le 6 juin 1761”.

“Lorſque M. Le duc de la Vrilliere m'eut fait paſſer les ordres du roi, je me rendis à l'Orient, où je trouvai deux vaiſſeaux de la compagnie des Indes, prêts à mettre à la voile pour l'iſle de France ; ‘Le Comte d'Artois’, de ſoixante-quatre canons ; & ‘Le Berryer’, de cinquante canons. M. Le duc de la Vrilliere avoit donné à cette compagnie des ordres très-précis au ſujet de mon paſſage dans l'Inde. Je choiſis ‘Le Berryer’, & je m'embarquai ſur ce vaiſſeau le 26 mars 1760 : nous arrivames à l'iſle de France le 10 juillet ſuivant.” (Voyage dans les Mers de L'Inde ; En Suisse, Chez les Libraires Associés, 1780, Tome I, p. 1-2)

Le Gentil was met enthousiasme aan zijn tocht begonnen, want hij had zelfs de officiële toekenning van een budget van de Franse Academie der Wetenschappen, voor het bekostigen van zijn reis, niet afgewacht. Hij kon het zich weliswaar veroorloven, want hij was een landman die een uitgestrekt en goed opbrengend landgoed in Normandië bezat. Gedurende de tocht naar Isle de France bleef hij niet onledig, maar voerde talrijke sterrenkundige waarnemingen uit, op het vlak van de plaatsbepaling op zee, met behulp van hoekmetingen van de maan. Het gaf hem veel voldoening dat de methode die hij hiervoor gebruikte zeer nauwkeurig was :

“J'eus la ſatiſfaction… de voir que cette méthode la plus ſimple & la plus aiſée à pratiquer de toutes celles qu'on emploie ſur mer, aſſure le point d'un vaiſſeau avec une exactitude ſuffiſante, puiſque mon point ſe trouva d'accord, à cinq à ſix lieues près, avec la longitude, de l'iſle Rodrigues, préciſion bien ſuffiſante ſur mer.” (Tome I, p. 2)

Maar zijn enthousiasme wordt al vlug getemperd, wanneer hij bij zijn aankomst op Isle de France verneemt, dat de oorlog in Indië opnieuw is opgelaaid en dat het zeer twijfelachtig is, of hij wel zijn bestemming Pondichèry zal kunnen bereiken :

“Ces contre-temps me donnerent beaucoup d'inquiétudes, & ne contribuerent pas à me rétablir d'un flux dyſentérique que je gardai pendant le mois d'octobre & une partie de novembre ; je craignois que cette cruelle maladie ne me mît enfin hors d'état de m'embarquer, s'il s'offroit quelqu'occaſion pour l'Inde.” (Tome I, p. 4-5)

Le Gentil maakt dan de overweging, of het niet beter is naar het eiland Rodrigues, een 100-tal mijl ten oosten van Isle de France, te vertrekken. Hij voert onmiddellijk berekeningen uit over de doortocht in Rodrigues van de planeet Venus over het zonsoppervlak. Had hij dan geen gegevens ter beschikking van Pingré, die toch naar Rodrigues werd gestuurd, om aldaar de waarnemingen uit te voeren ? Uit zijn berekeningen blijkt dat het twijfelachtig is of men de eerste faze van de gang van Venus over het zonsoppervlak (verschijnen van het venusschijfje aan de oostkant van het zonsoppervlak) op Rodrigues zal kunnen waarnemen. Maar Le Gentil is te gebeten op de waarnemingen dat hij dat risico wel wil nemen. Of Pingré gelukkig zal zijn zijn collega op Rodrigues te ontmoeten en samen de waarnemingen uit te voeren is een andere vraag. De houding van Le Gentil hier omtrent blijkt duidelijk uit :

“J'étois bien éloigné de penſer que M. Pingré ſe mettoit en route pour aller à la même iſle.” (Tome I, p. 6)

Het zal later blijken dat Le Gentil zich niet in zijn berekeningen heeft vergist, want we lezen in het relaas van Pingré op Rodrigues :

“Tout fut prêt dans les premiers jours de juin par les soins surtout de M. Thuiller (Red : Pingré was niet gelukkig geweest dat men een pottenkijker aan zijn zending had toegevoegd) professeur de mathématiques, excellent géomètre et initié dans les connaissances astronomiques, que l'Académie avait nommé pour m'accompagner en qualité d'adjoint dans ce voyage. Nous étions sur pied, le 6, dès cinq heures du matin : il faisait encore nuit, le soleil ne devait se lever qu'à six heures trente-quatre minutes ; nous étions aux jours les plus courts de l'année. Le temps était couvert surtout à l'orient ; il pleuvait même. Cependant, à six heures quarante-cinq cinquante-deux secondes, le soleil s'étant découvert un instant, je vis que Vénus était entièrement entrée sur le disque du soleil. Son bord oriental pouvait être distant de celui du soleil d'environ le quart du diamètre de Vénus : c'est tout ce que je pus juger à la vue simple, car aussitôt, le soleil rentra dans les nuages. Il en sortit un quart d'heure après et, jusqu'à huit heures et demie, nous eûmes plusieurs intervalles lucides. Depuis huit heures et demie le ciel fut très serein jusqu'au moment du contact intérieur des bords du soleil et de Vénus. Alors des nuages légers commencèrent à tenir l'éclat du soleil. Après l'éclipse, nous n'eûmes que le temps nécessaire pour mettre nos instruments à couvert, et le ciel fondit en eau.” (Alexandre-Gui Pingré, Voyage à l'île de Rodrigue(s) pour observer le passage de Vénus devant le disque du soleil, manuscrit de 1804 ; Voyage à Rodrigue(s). Le transit de Vénus de 1761. La mission astronomique de l'Abbé Pingré dans l'Océan Indien, Le Publier 2004, annexe p. 371)

Ondertussen verneemt Le Gentil dat van koningswege een fregat naar Pondichéry wordt gestuurd (waarschijnlijk om er een oogje in het zeil te houden omtrent de bewegingen van de Engelsen in de buurt). De verleiding is nu groot om toch maar op Isle de France te blijven en het fregat af te wachten om er mee verder te varen naar Pondichéry. De Sylphyde bereikt het eiland op 19 februari en vertrekt reeds op 11 maart met bestemming Pondichéry. Le Gentil is overgelukkig en besteedt zijn tijd aan astronomische plaatsbepaling op zee. De eerste weken gaat het gestadig vooruit (45 mijlen per dag) maar dan treden de moesson-winden als spelbreker op :

“Le vent aliſé (Red: Passaatwind) nous abandonna, & nous livra aux calmes & aux folles ventes de la mouſſon du nord-eſt, qui, toute expirante qu'elle étoit, dominoit encore, & étoit tout-à-fait oppoſée à la route qu'il nous falloit tenir. De cette façon, nous errâmes pendant cinq ſemaines environ dans les mers d'Afrique, le long de la côte d'Ajan, dans les mers d'Arabie.” (Tome I, p. 8)

Van bemanningslui op schepen in de buurt van de kust van Malabar vernemen ze dat de stad Mahé gevallen is en dat de Engelsen tevens Pondichéry hebben bezet. Op Ceylon onderbreken ze de reis voor een 24-tal uur waar de Hollanders het lot van Pondichéry bevestigen. Tot grote teleurstelling van Le Gentil besluit de kapitein van de Sylphide de terugtocht aan te vatten. Een drietal weken later staat Le Gentil terug op Isle de France. We lezen in zijn boek het volgende :

“Ce mémoire, qui n'eſt qu'un extrait de mon journal que je tenois fort régulièrement jour par jour, fait voir que je me ſuis occupé comme je le devois, de mon obſervation ; que mon but a toujours été de me rendre à la côte de Coromandel, & qu'on ne doit pas m'inculper ſi je n'y ai pas paru : c'eſt une juſtice que je prie les aſtronomes de me rendre, & que j'ai lieu d'attendre de leur part, lorſqu'ils auront vu & lu le détail de mon mémoire.” (Tome I, p. 9-10)

Het blijkt nadien dat hij de doorgang van Venus vanop het schip heeft waargenomen, een waarneming die jammer genoeg geen wetenschappelijke waarde had, doordat de mogelijkheid van een nauwkeurige tijdsmeting ontbrak :

“Le 6 juin, j'étois à 5 deg. 45 min. de latitude méridionale, & à peu près à 87 deg. 15 min. de longitude à l'eſt de Paris. J'obſervai, le moins mal qu'il me fut poſſible, le paſſage de Vénus, entrée & ſortie. Cette obſervation que je n'ai ni publiée ni calculée, eſt reſtée qu'elle a été faite, avec des remarques, dans le mémoire cacheté dont j'ai parlé plus haut ; on la trouvera en ſon lieu dans la ſuite de ce journal.” (Tome I, p. 10)

H3_uurwerk.jpg
Harrison's H3-uurwerk.

Uit het vervolg van zijn relaas blijkt dat hij nog getracht heeft op één of andere wijze de tijdstippen van de doorgang op nauwkeurige wijze te bepalen – we zijn nog een tiental jaar verwijderd van het ogenblik dat Harrison in Greenwich een, volgens hem, zeewaardig H3-uurwerk aan een beoordelingscommissie voorstelt :

“C'eſt à l'occaſion de cette obſervation que j'ai imaginé d'avoir l'heure ſur mer, à l'inſtant d'un phénomène quelconque, avec la plus grande préciſion, & de vérifier avec la même préciſion la demi-minute de ſable dont on ſe ſert pour eſtimer le chemin du vaiſſeau… Je prenois une hauteur du ſoleil, & à l'inſtant précis de cette hauteur, je faiſois tourner l'horloge (Red: zandloper) par quelqu'un d'intelligent ; & quand il l'avoit tournée un certain nombre de fois, j'obſervois une ſeconde hauteur du ſoleil… Cela poſé, à l'inſtant précis d'un phénomène que j'obſerve, par exemple, à l'inſtant du commencement d'une éclipſe du ſoleil ou de ſa fin, j'ai quelqu'un au fait, qui vire la demi-minute ; lorſqu'elle eſt écoulée, il continue de la virer, & il répète l'opération autant de fois qu'il eſt néceſſaire pour me donner le tems de prende une hauteur du ſoleil : je fais en ſorte de la ſaiſir à l'inſtant que finit la demi-minute.” (Tome I, p.10-11)

Na het mislukken van een eventuele waarneming van de doorgang van Venus in Pondichéry besluit Le Gentil niet onmiddellijk naar Frankrijk terug te keren, maar op Isle de France of een eiland in de buurt de tweede doorgang van Venus over het zonsoppervlak waar te nemen, de laatste mogelijkheid om tijdens zijn leven nog een doorgang van Venus mee te maken (twee kort op elkaar volgende doorgangen in een tijdsperiode van gemiddeld 120 jaar). De periode van acht jaar zal hij overbruggen met het uitvoeren van nuttige metingen voor een betere kennis van de geografie van de eilanden, het bestuderen van hun natuurlijke gesteldheid, het onderzoek van natuurkundige en sterrenkundige verschijnselen en tenslotte, de waarneming van het gedrag van de winden en de getijden :

“Cet ouvrage, qui demandoit pluſieurs années de ſéjour dans ces mers, me dédommageoit en quelque ſorte, & me faiſoit attendre le paſſage (en 1769) de Vénus ſur le ſoleil, le ſeul & dernier paſſage que la génération préſente pût eſpérer de voir.” (Tome I, p. 15)

Hierop volgt dan een periode van een onrustig heen en weer gereis van het ene eiland naar het andere, druk bezig met opmetingen van hoogten van tempels, het verwezenlijken van de basislijnen ten behoeve van de triangulatie van de bezochte gebieden en de bestudering van de religieuze geaardheid van de bevolking en van hun gewoonten. In 1765 is het zover en begint hij weer te denken aan de waarneming van de Venusdoorgang. Maar waar die gaan waarnemen ? Zijn berekeningen tonen aan dat voor de tweede doorgang de Marianne-eilanden en Manila twee uitgelezen plaatsen zijn om de waarnemingen uit te voeren, niet zozeer omwille van een gunstige parallax, maar omwille van het feit dat de zon bij het optreden van het verschijnsel al heel wat hoger boven de horizon zal staan als in Pondichéry. Het toeval wil dat het Spaanse oorlogsschip Bueno Consejo, op weg van Cadix naar Manilla en dat in moeilijkheden was geraakt, aanlegt op Isle de France, met zijn kapitein Juan de Caseins en een oude bekende Juan de Langara, die hij ooit in Parijs had ontmoet. Zijn besluit staat vast, hij zal hen vergezellen naar Manilla en na de waarnemingen nog westelijker doorreizen om zo terug te keren naar Frankrijk :

“Je partis enfin de l'iſle de France le premier mai 1766, bien réſolu de dire adieu pour toujours à cette iſle : & en effet, j'avois conçu le projet de m'en revenir en Europe par Acapulco, & d'achever ainſi le tour du globe ; mais je n'avois pas prévu tout ce qui devoit m'arriver à Manille, & qu'une dernière aventure m'étoit deſtinée à l'iſle de France.” (Tome I, p. 28)

Maar het lot heeft het anders voor hem uitgedacht. De gouverneur op Manilla blijkt een tiran te zijn en Le Gentil zal noodgedwongen moeten terugkeren naar Isle de France en tenslotte toch nog op Pondichéry belanden – de oorlog tussen Frankrijk en Engeland was ondertussen beëindigd geworden. Met enig leedvermaak schrijft Le Gentil over het lot van de tirannieke gouverneur als volgt :

“Avant que de pourſuivre, je dois apprendre en deux mots à mes lecteurs, quelle a été la fin du gouverneur de Manille. Il fut arrêté environ deux ans après mon départ, par ordre du roi ; il fut mis en priſon, lui, ſon fils & ſon ſecretaire. J'appris cette nouvelle à l'iſle de France, en m'en revenant en Europe. Depuis, on m'a mandé de Manille qu'il y étoit mort en priſon, accablé de chagrins, & ſans doute rongé de remords.” (Tome I, p. 49-50)


malacca_pondichery.jpg
De reisweg van M. Le Gentil van Malacca naar Pondichéry.

Op 5 februari 1768 verlaat Le Gentil uiteindelijk Manilla, op een Portuguees schip dat hem via Malacca naar Pondichéry zal brengen.

“Nous arrivâmes à Malacca le 18 février : je continuai mon voyage ſur le même vaiſſeau ; & le 27 mars j'arrivai à Pondichéry, quatorze mois avant l'obſervation (Tome I, p. 49)… A Pondichéry, je trouvai M. Law, gouverneur général pour le roi de tous les établiſſemens françois dans l'Inde ; il me reçut parfaitement bien, & il ſe prêta avec le plus grand zele à faire réuſſir ma miſſion. En moins de deux mois, il me fit bâtir un obſervatoire ſur les ruines de l'ancien fort, & ſur une très-bonne voûte. Cet obſervatoire étoit grand & fort commode pour y faire toute eſpece d'obſervations aſtronomiques. J'y allai loger, pour être plus à portée de mon travail.” (Tome I, p. 50-51)

Maar het blijkt alles tevergeefs te zijn. Op de dag van de ultieme waarneming van de doorgang van Venus over het oppervlak van de zon schrijft hij het volgende :

“Juin. Le 4 de ce mois devoit arriver le célèbre paſſage de Vénus par-devant le ſoleil (T. II, p. 55). Le dimanche 4, m'étant éveillé à deux heures du matin, j'ai entendu la barre du ſud-eſt ; ce qui me fit croire que la briſe étoit toujours de ce côté, ou du moins qu'elle en ſouffleroit le matin. J'en tirai un bon augure, parce que je ſavois que le vent du ſud-eſt eſt le balai de la côte, & qu'il amene toujours la ſérénité ; mais la curioſité m'ayant porté à me lever un moment après, je vis, avec le plus grand étonnement, que le ciel étoit pris par-tout, ſur-tout dans le nord & et le nord-eſt, où il éclairoit ; avec cela, il fait un calme profond. Dès cet inſtant je me ſuis condamné, je me jetai ſur mon lit ſans pouvoir fermer l'œil. On n'entendoit plus la barre du ſud-eſt, mais celle du nord-eſt ; ce fut un autre fort mauvais préſage pour moi. En effet, m'étant levé une ſeconde fois, je vois toujours le même tems, le nord-eſt étoit encore plus chargé. A 5 heures, le vent ſouffla tant ſoit peu du ſud-oueſt : ce qui me redonna une lueur d'eſpérance, d'autant mieux que la partie du ſud à l'eſt étoit un peu claire ; je crus donc que la briſe pourroit tourner de ce côté, & qu'elle balaieroit le ciel. Cependant le nord & le nord-eſt menaçoient continuellement ; les nuages n'avoient aucun mouvement, & l'on entendoit toujours la barre du nord-eſt, de ſorte que j'étois entre la crainte & l'eſpérance. Mais cet état d'incertitude ne dura pas long-tems : peu à peu les vents paſſerent à l'oueſt, au nord-oueſt & le nord ; en moins de 7 à 8 minutes le tems ſe trouva bouché comme aux approches d'un coup de vent ; du nord les vents paſſerent au nord-nord-eſt & au nord-eſt, où ils étoient à 5 heures & demie environ. Alors ils ſoufflerent avec furie ; les gros nuages, qui juſqu'alors s'étoient tenus immobiles dans le nord-eſt, commencerent à ſe mettre en mouvement ; ils s'étendirent bientôt de façon qu'ils formerent un ſecond rideau. On appercevoit, entre quelques petits intervalles qu'ils laiſſoient entr'eux, la couche ſupérieure de nuages qui étoit pâle & unie, mais bien ſuffiſante pour cacher le ſoleil, quand elle eût été ſeule. Les vaiſſeaux, qui juſques là n'avoient point évité, furent forcés de le faire : la mer étoit blanche d'écume, & l'air obſcurci par les tourbillons de ſable & de pouſſiere que la force du vent tenoit continuellement élevés. Ce terrible grain dura juſqu'à ſix heures environ ; le vent tomba, mais les nuages reſterent. A ſept heures moins trois à quatre minutes, moment à peu près que Vénus devoit ſortir, on vit au ciel une légere blancheur qui fit ſoupçonner où étoit le ſoleil : dans la lunette on ne diſtinguoit rien.” (Tome II, p. 57-59)

Op Madras, een stuk hoger dan Pondichéry op de kust van Coromandel, hebben de Engelse waarnemers ook geen geluk gehad :

“A Madras on ne fut pas plus heureux. M. Call, l'ingénieur, qui jouoit alors un très-grand rôle dans l'Inde, avoit été chargé, par M. Maſqueline, de faire l'obſervation du paſſage de Vénus ; on lui avoit envoyé des inſtrumens en conſéquence, & une inſtruction imprimée. M. Call n'avoit point d'obſervatoire, il s'étoit établi comme il avoit pu ſur une algamace ou plate-forme d'une maiſon, ſous une tente ; il avoit eu grand ſoin de régler ſes pendules par des hauteurs correſpondantes du ſoleil ; tous les autres inſtrumens néceſſaires pour l'obſervation, téleſcopes, lunettes achromatiques, &c. étoient placés ſous la tente & en état ; les obſervateurs dormoient tranquillement, lorſqu'ils furent réveillés par une pluie des plus abondantes, & par un vent impétueux qui emporta la tente, & renverſa une partie des inſtrumens. M. Maſqueline, en envoyant des inſtrumens & une inſtruction à Madras, n'avoit pas négligé d'en envoyer un double pour Bombai à la côte de Malabar. Il eſt vrai que l'hiver affreux & hideux qui couvre alors toute la côte de Malabar, auroit dû le diſpenſer de cette précaution. Outre cela, cet envoi étoit ſorti trop tard d'Angleterre pour y arriver à tems à Bombai ; car il vint par la ‘Lionne’, partie d'Europe en décembre 1768, & arriva à Madras dans le commencement de mai. Il n'étoit plus tems de faire partir pour Bombai les inſtrumens deſtinés pour cette ville. Les Anglois à Madras le comprirent bien ; il engagerent un François à leur ſervice, d'écrire à M. Law, pour lui offrir ſes inſtrumens. Le François leur répondit que, lorſque le roi de France faiſoit entreprendre des voyages par ſes aſtronomes, il faiſoit non-ſeulement les frais du voyage, mais encore il les muniſſoit de tous les inſtrumens néceſſaires ; qu'il alloit cependant écrire, puiſqu'ils le deſiroient. La lettre arriva le 22 mai, avec l'inſtruction imprimée. M. Law me les communiqua : je les priai de répondre que je n'étois pas venu dans les mers de l'Inde ſans être muni de tous les inſtrumens néceſſaires à faire toute eſpece d'obſervation, comme il avoit pu le voir lui-même : je l'engageai cependant à demander la lunette achromatique en cas qu'il y eût une. Pendant mes courſes j'avois beaucoup entendu parler de ces lunettes ; mais je n'en avois pas encore vu, & je pouvois abſolument m'en paſſer, ayant un excellent objectif de 34 pieds, de Borelli, tout préparé. Au bout de quelques jours nous eûmes la réponſe. La lunette arriva dans ſa boite, portée par deux hommes & eſcortée par quatre Cypaies. M. Law les fit bien traiter, et renvoya la lunette ſous eſcorte, quinze jours aprés l'obſervation. M. Call fut on ne peut pas plus pénétré du mauvais ſuccés de ſes peines : il écrivit une lettre à M. Law, pleine de lamentations.” (Tome II, p. 60-63)

Le Gentil is niet gelukkig met de gemiste waarneming en overweegt of de abrupte weersverslechtering niet toe te schrijven is aan de zonsverduistering op diezelfde dag. Ook blijkt dat vele waarnemers geneigd zijn om de perioden omstreeks nieuwe en volle maan als funest voor te stellen :

“J'ai toujours été incrédule ſur les prétendus effets des nouvelles & des pleines lunes. Il arriva une éclipſe de ſoleil ce même jour : j'aurois été preſque porté à croire que l'ouragan étoit l'effet de cette éclipſe ; mais ſi cela etoit vrai, il eût fallu que cet effet eût eu lieu dans tous les autres endroits où s'étaient placés des obſervateurs ; car, pourquoi auroit-il eu lieu ſeulement le long de la côte de Coromandel & du Carnate, pendant qu'il a fait beau à Manille, à Otaïti, à la Californie, &c. ?”

Tenslotte, om aan het mislukken van zijn zending toch maar een verklaring te kunnen geven, die hem vrijpleit niet alle omstandigheden in acht genomen te hebben, beroept hij zich op het systeem van Mani (Manecheïsme) :

“D'autres fois je penſois que quelque contre-tems à peu près pareil avoit fait imaginer à Manès, ſon ſyſtême, ridicule à la vérité, des deux principes ; car après avoir été témoin du beau tems qu'il avoit fait le matin pendant près d'un mois, & celui qu'il continua de faire plus d'un mois encore après, on eût été tenté de penſer que la matinée du 4 juin avoit été faite exprès pour mortifier les obſervateurs placés le long de cette côte.”

“Enfin je fus plus de quinze jours dans un abattement ſingulier, à n'avoir preſque pas le courage de prendre la plume pour continuer mon journal ; & elle me tomba pluſieurs fois des mains, lorſque le moment vint d'annoncer en France le ſort de mon opération.” (Tome II, p. 63-64)

Tot hier het relaas van Le Gentil over zijn astronomisch werk in Pondichéry. Het verslag van Le Gentil kenmerkt zich door soberheid en beperkt zich uitsluitend tot zijn wetenschappelijke bezigheden – met uitzondering dan van de publicatie van de talrijke brieven aan gouverneurs en hoogwaardig-heidsbekleders op de verschillende eilanden die hij bezocht gedurende zijn 11.5 jaar lange verblijf in Indië, en zijn onderzoekingen op het gebied van de godsdienst en de gewoonten van de Brahmanen. Dit in schril contrast met de stijl van Chappe d'Auteroche in zijn “Voyage en Sibérie”, die heel wat vlotter schrijft en talrijke anekdotes in zijn werk insluit. Ook Pingré houdt de stijl van zijn relaas “Voyage à Rodrigues” zeer luchtig temidden van kanonballen van de Engelse vloot en de talrijke schildpadden en ander soort van (on)gedierte op het eiland. De beroemde astronoom op het thuisfront in Parijs Gérome Lalande die de opdracht op zich genomen had van alle waarnemingen van de doorgang van Venus te coördineren schrijft in verband met de stijl van Le Gentil : “Hij weigerde zijn geschriften op te smukken met wat gezelligheden en anekdotisch materiaal.”

Nochtans lezen we in zijn “Voyage dans les mers de l'Inde” een gezellige passage in verband met de mussen op zijn sterrenwacht, een bericht dat hij waarschijnlijk geschreven heeft uit grote eenzaamheid en heimwee naar zijn land :

“Les ruines de la citadelle & de l'ancien palais de M. Dupleix, qui m'ont ſervi d'habitation pendant mon ſéjour à Pondichéry, & ou j'avois établi mon obſervatoire, comme on a vu, étoient au milieu d'une vaſte place & de ruines iſolées de maiſons de tous côtés. Ces débris avoient ſervi de retraites aux chauves-ſouris, aux corneilles & à quantité d'autres oiſeaux. Lorſque mon obſervatoire fut achevé, & que je me préſentai pour y aller loger avec mes inſtrumens, toute cette volatile me céda la place ſans la moindre réſiſtance ; mais il me fallut diſputer le terrein contre trois à quatre moineaux. Ils furent pendant plus de quinze jours d'un acharnement ſingulier & opiniâtre contre la charpente & le toit : ſi-tôt qu'une des portes ou des fenêtres étoit ouverte, ils ne manquoient pas de fondre dans l'appartement, faiſoient un bruit & un tapage ſingulier, ſe battoient & et me faiſoient continuellement tomber de petites plâtras, parce que du bec & des griffes ils cherchoient à ſe faire des trous pour nicher. Ce manege me troublant, j'eſſayai en vain à diverſes repriſes de les déloger avec des longues perches. C'étoit toujours inutilement ; car ils revenoient le moment d'après, & c'étoit continuellement à recommencer. Je fus obligé, las & fatigué que j'étois de leur réſiſtance, de prendre le parti de l'accommodement. Je plaçai donc contre le mur, proche une encoignure attenant au toit & en-dedans de mon observatoire, deux pots de terre propres à ſervir de demeure à ceſ opiniâtres oiſeaux. Ils ne manquerent pas de s'en emparer auſſi-tôt, y logerent, & dès ce moment ils me laiſſerent tranſquille : je pouſſai même l'attention juſqu'à faire percer le haut d'une de mes portes la plus à portée des pots de terre, & je fis pratiquer un trou rond de quatre à cinq pouces de diametre pour la commodités de mes nouveaux hôtes. La femelle paſſoit la nuit dans ſon nid, le mâle la laiſſoit & s'en alloit : de grand matin il étoit de retour, venoit chercher la femelle, & ils ſortoient enſemble. Mes domeſtiques gentils, qui peut-être dans l'intérieur avoient été ſenſibles à la petite guerre que j'avois faite pendant quelques jours à ces moineaux, me parurent d'un contentement ſingulier lorſqu'ils virent que j'avois enfin donné aſyle aux animaux que j'avois d'abord perſécutés ; ils redoublerent même leurs ſoins auprès de moi. Ces oiſeaux ne tarderent donc pas à nicher, & j'eus le plaiſir, pendant tout le tems de mon ſèjour dans ce lieu iſolé & ſolitaire, de leur voir élever leur petite famille. Lorſqu'une couvée étoit envolée, j'avois ſoin, pour mon repos, d'ôter de dedans les pots les anciens nids, & au bout de peu de jours je voyois recommencer une nouvelle bâtiſſe.” (Tome I, p. 162-165)

De sterrenkundige en schrijver Jean-Pierre Luminet (Sterrenwacht van Meudon, Parijs) verwijst meermaals in zijn boek “Le rendez-vous de Vénus” (J.C. Lattès, 1999) naar een zekere Reine Lepaute (1740-1788), vrouw van de vermaarde uurwerkmaker Lepaute en tewerk gesteld als rekenaar aan de Sterrenwacht van Parijs, waar ze Lalande behulpzaam was met de berekening van de efemeriden van de hemelfenomenen. Het blijkt dat de hele ploeg van Franse sterrenkundigen die Venus hadden waargenomen verliefd op haar waren, Lalande incluis. Is het misschien omdat Le Gentil er niet in geslaagd was het hemelse beeld van zijn geliefde waar te nemen, dat hij meende dat hij haar op een andere wijze moest eren. Lalande zou haar respectvol vermelden in zijn “Astronomie des Dames” (1780), want die had Venus ook al niet waargenomen.

Tijdens zijn verblijf op Manilla had Le Gentil een prachtige plant met donkerblauwe bloemen opgemerkt. Hij nam er stekken van en nam die mee naar Pondichéry, en later wanneer hij een volgroeide plant bij zich had voerde hij die mee naar Frankrijk en overhandigde ze aan de beroemde plantkundige de Jussieu, met het verzoek haar Pautia te noemen. Dat is er nooit van gekomen want de plant werd door Jussieu op verzoek van de plantkundige Commerson Hortensia genoemd. In ieder geval hebben we de hortensia's van onze tuinen aan de Franse sterrenkundige Le Gentil te danken, die zijn hortensia met veel liefde omringde tijdens de terugkeer naar Frankrijk, over de zeeën van Indië.

Eric W. Elst.

Naar Inhoudstafel

Enkele beschouwingen rond Michel Onfray's “Traité d'athéologie” (2005)

De Franse filosoof Michel Onfray (°1959) publiceerde sinds 1989 een dertigtal opgemerkte, maar soms ook controversiële tot zelfs wat provocante werken.

In een aantal daarvan belichtte hij voor-Christelijke denkers als Epikouros en de Griekse Cynische en Cyrenaïsche filosofen (“Cynismes”, 1990 en “L'Invention du Plaisir”, 2002), maar verder staat hij bijv. ook achter het werk van Jean Meslier, van dat van zijn naamgenoot (Julien Onfray de La Mettrie, waaraan hij een titel (“L'Art de Jouïr”, 1991) ontleendde, en vooral achter dat van Nietzsche, waarvan men vooraan vele boeken citaten weervindt. Weerkerende elementen zijn de (vaak ironische) klemtoon op de lichamelijkheid van de filosoof – en dat meer dan eens met een weelde aan pittige en bevreemdende anecdotes – en op de hoogstpersoonlijke ervaringen die zijn denken een bepaalde richting uitsturen. Andere werken bouwden, wel heel kort samengevat, het Cyrenaïsche hedonistische idee verder uit en verzetten zich tegen schoolsheid, traditionele ideeën, religieus dogmatisme e.a., alsook tegen de daarop steunende frileuse afwijzing van nieuwere maatschappelijke, wetenschappelijke en artistieke ontwikkelingen. Zo bijv. de recentere “Féeries anatomiques” (2003), waarin Onfray nieuwere medische en biogenetische evoluties besprak en vanuit zijn hedonisme zijn verzet uitte tegen wat hij het metafysische idealisme noemt wat onze Judeo-Christelijke wereldvisie en dus ook onze ethische studiecommissies blijft ondersteunen.

Hedonisme staat voor Onfray uiteraard niet zomaar voor het zoeken naar opperste bevrediging, maar enerzijds voor recht op geluk en fysisch welzijn, op een volwaardig/menswaardig leven en op de verdere optimalisering daarvan, en anderzijds voor het voorkomen van fysische en psychische lijden. Waaraan de schrijver, zoals hij het ondermeer in zijn inleiding tot “L'Art de Jouïr” (1991) en tot “Féeries anatomiques” (2003) uiteenzet, zelf dus wel zijn deel had : een hartinfarct op zijn 27° en later dan een tumor van zijn gezellin. Vatten wij zijn denken summier samen, kunnen wij stellen dat hij hoger genoemde metaphysische idealisme graag vervangen zag door een ontologisch materialisme. Ook weer al te eenvoudig uitgedrukt : Epikouros t.o.v. Platoon, Spinoza t.o.v. St. Paulus en Nietzsche en Bentham t.o.v. een niet ver genoeg gegane Kant. Met, aansluitend dan, de optie voor een laïcité postchrétienne, die verder gaat dan een goedmoedige gelijkwaardigheid van filosofische en religieuze ideeën.

Onfray's werken verrassen op meerdere niveaus. In de eerste plaats al door hun voor filosofische teksten toch vrij grote leesbaarheid, maar ook door auto-biografische inleidingen en door de vaak erg inventieve titels en ondertitels. Bij titels als “Les Formes du Temps : Théorie du Sauternes”, “Théorie du Corps Amoureux : Pour une Erotique solaire”, “Féeries anatomiques : Généalogie du Corps Faustien”, of “Traité d'Athéologie: Physique de la Métaphysique” en subtitels als “Frasques du poisson masturbateur”, “Emblématique de l'éléphant monogame” of “Les contempteurs du nez” slik je wel even, maar dat mag uiteraard niet afschrikken. Hetzelfde geldt overigens ook voor de vier volumes erg diverse essays en artikels van zijn “Journal Hédoniste” (1996-2005).

Onfray gaat verder ook didactisch werk niet uit de weg en een voor jongeren (en ouderen) toegankelijker inleiding tot de wijsbegeerte dan zijn succesvolle “Antimanuel de Philosophie” (Bréal, 2001) ligt bijv. niet zo dadelijk voor. Ook al ligt het opzet ervan anders, toch sluit zijn “Traité d'Athéologie” (2005) nauw bij zijn vroeger werk aan. Religieuze ideeën vonden in zijn werk al vroeg weinig genade, en het was enigszins voorspelbaar dat hij daarop vroeg of laat een frontale aanval zou inzetten. Het inleidende citaat van Nietzsche is terzake overduidelijk :

“La notion de Dieu a été inventée comme antithèse de la vie… La notion d'au-delà n'a été inventée que pour déprécier le seul monde qu'il y ait… La notion d'âme, d'esprit et, en fin de compte, même d'âme immortelle a été inventée pour mépriser le corps… La notion de péché a été inventée en même temps que l'instrument de torture… pour brouiller les instincts… ”

Steunend op Nietzsche verwijt Onfray de monotheïstische religies die het in het Westen, het Midden-Oosten en grote delen van Azië toch nog in ruime mate voor het zeggen hebben dat zij :

  • Rede en verstand veroordelen en bekampen teneinde gehoorzaamheid en onderwerping aan God en zijn agenten te bevorderen, en dit tot het totalitaire toe ;
  • Het reële leven (l'ici-bas) en het streven naar geluk vanuit een sterke doodsdrang en onderwerping aan objectief medeplichtige autoriteiten achteruitstellen met de uitvlucht van fictieve latere compensaties ;
  • Het lichaam en de vrije ontplooing daarvan veroordelen via een dualisme : het zondige lichaam versus de gedematerialiseerde en superieure ziel, asexueel angelisme e.a. ;
  • De waardigheid van vrouwen ondergraven met mannelijke superioriteit, alleen op ruime autochtone voortplanting gerichte sexualiteit, onreinheden en uitsluitingen allerhande.

Onfray's opzet kan, terloops gezegd, in dit verband wat voorbijgestreefd lijken. Hedonisme klinkt in tijden van A.Z.G. niet zo geëngageerd en als God dan toch al lang dood is, waarom dan Nietzsche nog herkauwen ? Alleen is hedonisme zoals gezegd breder dan tegenstanders dit willen doen geloven en vertoont God in tegenstelling tot wat men hoort, blijkbaar nog behoorlijk wat stuiptrekkingen. Zie de heisa rond de figuur van J.P. II en het feit dat dagdagelijks personen worden gevonden om via zelfmoordaanslagen het Moslim-paradijs te betreden. Zelf overtuigd atheïst heeft Onfray trouwens zo zijn vragen rond de dood van God. Hoe sterft immers een mythe ? Tant que les hommes auront à mourir… une partie d'entre eux … inventera des subterfuges. On n'assassine pas un subterfuge, on ne le tue pas … Integendeel zelfs : Ce serait même plutôt lui qui nous tue : car Dieu met à mort … la Raison, l'Intelligence, l'Esprit Critique … Het hondje wil een meester en God's dood is dus niet voor morgen.

Onfray opent zijn boeken doorgaans in schuifjes en in een van de eerste vermeldt hij, vrij kort, enkele eigen mystieke ervaringen, waaraan hij uiteraard niet zo zwaar tilt, maar die hem de gelegenheid bieden te noteren dat : …partout j'ai constaté que les hommes fabulent pour éviter de regarder le réel en face… In dit verband valt het woord Bovarysme : Plutôt la foi qui apaise que la raison qui soucie - même au prix d'un perpétuel infantilisme mental…

Men kan voor deze gemoedsrust medelijden opbrengen, en er zelfs een vorm van palliatieve zorg in zien. Velen onder ons zagen inderdaad een verwante rustiger heengaan met het naieve idee dat iemand hem hogerop opwachtte. Intussen noteert men niettemin dat het waardiger kan en vooral dat hier in feite een best begrijpelijke menselijke reactie onderhouden en uitgebuit wordt door des profiteurs embusqués, waarvoor men alleen een fors misprijzen kan opbrengen, temeer waar hun exploitatie van een angoisse existentielle personnelle leidt tot une gestion du corps et de l'âme d'autrui.

Onschuldig is religie dus zeker niet. Enerzijds debiliteert zij het denken en anderzijds opent zij de weg tot exploitatie en geestelijke verslaving. Want aan dat zg. rustiger einde gaat vaak een leven aan ingeplante miserie vooraf :

“La misère spirituelle génère le renoncement à soi ; elle vaut les misères sexuelles, mentales, politiques, intellectuelles et autres… ”

In tegenstelling met wat een vluchtige lezing van de titel zou laten vermoeden is de Traité geen betoog voor het atheïsme. Gelet op God's on-dood lijkt Onfray daarin nl. niet de beste antidote te zien. Persoonlijk ziet hij onze westerse wereld niet langer als een christelijke, maar veeleer als een overwegend nihilistische maatschappij, waarin een substratum aan platonisch-christelijke ideeëngoed aanwezig blijft, terwijl verderop aan de basis monotheïstische ideeën van verkoren volk en daaraan verbonden superioriteit het Midden-Oosten en van daaruit de geglobaliseerde wereld onveilig maken.

Zijn objectief blijft een post-judeo-christelijke en post-moslim maatschappij en in de aanloop daartoe meent hij dat het misschien meer zin heeft een nieuwe discipline in het leven te roepen die de theologie geleidelijk zou terugrollen. Een atheologie dus die – in naam van de filosofie, rede, nut, pragmatisme en individueel en sociaal hedonisme – de fysika van de metafysika zou bestuderen : haar oorsprong, haar werking, haar procédés e.a. En daarbij uiteraard deconstructief de zwakheden en de voortdurende falsificaties daarvan zou blootleggen.

Dit is een zeer brede objectief, waaraan hij echter al dadelijk wel een aantal chantiers inauguraux wil toewijzen, nl. de deconstructie van de monotheïstische religies, van het christianisme en de théocratiën in het algemeen. Wat Onfray dan ook zo'n 200 p. lang, op zijn eigen flamboyante manier (en volgens zijn eigen prioriteiten…) van het anti-intellectuele en anti-feministische gebeuren in Genesis tot de kerkelijke sympathiën voor het nazisme doet. Men leest, denk ik, de Traité best als een afwijzing van de monotheïsche ideeën en van de agenten daarvan. Een en ander is (voor de atheïst althans…) reeds lang vrij bekend, en eerder dan bijv. een vrij lange kritiek van, zeg maar, de staatsgreep van Constantijn en de communie in vlees en bloed, had men een grondiger analyse verwacht van, zeg ook maar weer, de fundamentalistische tendensen in de Islamietische (en Amerikaanse !) maatschappij, maar ondanks deze kleinere beperkingen loont de lektuur van de Traité best de moeite.

Het is, in tijden van new wave spiritualisme, christelijke jongeren conventies en politieke correctie inderdaad niet overbodig de bezwaren weer eens op een rijtje te zetten en de anti-humanistische objectieven en de inherente contradicties van het judeo-christianisme en de Islam nadrukkelijk te onderlijnen. Toegegeven dat Onfray dit in zijn Traité ietwat overhaast doet. En repetitief. En dat ook zijn weerkerende klemtoon op de doodsdrang wel eens niet geheel overtuigt. Nuttig blijft het niettemin.

Intrigerend is wel dat hij een en ander slechts als een inzet ziet, en dat hij – voorbij de deconstructie – ook een reactie lijkt te willen bevorderen t.o.v. wat hij het dezer dagen overheersende nihilisme noemt. Zie bijvoorbeeld het werk van Houellebecq. De athéologie kan verder gaan dan de déconstruction en in dat verband loont het hier een vrij lange passage van zijn inleidende tekst te hernemen :

“Déconstruire les monothéïsmes (…) voilà des chantiers inauguraux pour l'athéologie. De quoi travailler ensuite à une nouvelle éthique et produire en Occident les conditions d'une véritable morale post-chrétienne (…) A quoi pourrait dès lors s'ajouter une politique moins fascinée par la pulsion de mort que par la pulsion de vie. L'autre ne s'y penserait pas comme un ennemi, un adversaire, une différence à supprimer, réduire et soumettre, mais comme la chance d'une intersubjectivité à construire ici et maintenant, non pas sous le regard de Dieu ou des dieux, mais sous celui des seuls protagonistes, dans l'immanence la plus radicale. De sorte que le Paradis fonctionnerait moins en fiction pour le Ciel qu'en idéal de la raison ici-bas. Rêvons un peu… ”

Het loont het uitkijken naar verder werk, dacht ik.

Robert Smets.

Michel Onfray : Een korte bibliografie

  • 1989-2002 : Physiologie de Georges Palante (Folle Avoine). Portrait d’un nietzschéen de gauche.
  • 1989 : Le ventre des philosophes (Grasset-Fasquelle). Critique de la raison diététique.
  • 1990 : Cynismes (Grasset-Fasquelle). Portrait du philosophe en chien.
  • 1991 : L’art de jouir (Grasset). Pour un matérialisme hédoniste.
  • 1993 : L’œil nomade (Folle-Avoine). La peinture de Jacques Pasquier.
  • 1993 : La sculpture de soi (Grasset). La morale esthétique. (Prix Médicis de l'Essai, 1993)
  • 1994 : Ars moriendi (Folle-Avoine). Cent petits tableaux sur les avantages et les inconvénients de la mort.
  • 1995 : La raison gourmande (Grasset). Philosophie du goût.
  • 1995 : Métaphysiques des ruines (Mollat). La peinture de Monsu Desiderio.
  • 1996 : Les formes du temps (Mollat). Théorie du Sauternes.
  • 1996 : Le désir d’être un volcan (Grasset). (Journal hédoniste I).
  • 1997 : Politique du rebelle (Grasset). Traité de résistance et d’insoumission.
  • 1998 : Les vertus de la foudre (Grasset). (Journal hédoniste II).
  • 1998 : À côté du désir d’éternité (Mollat). Fragments d’Égypte.
  • 2000 : Théorie du corps amoureux (Grasset). Pour une érotique solaire.
  • 2001 : L’archipel des comètes (Grasset). (Journal hédoniste III).
  • 2001 : Antimanuel de philosophie (Bréal). Leçons socratiques et alternatives.
  • 2002 : Esthétique du pôle Nord (Grasset). Stèles Hyperboréennes.
  • 2002 : L’invention du plaisir (Libr. Génér. Franç.). Fragments Cyrénaïques.
  • 2002 : Célébration du génie Colérique (Galilée). Tombeau de Pierre Bourdieu.
  • 2002 : Splendeur de la catastrophe (Galilée). La peinture de Vladimir Velikovic.
  • 2003 : Les icônes payennes (Galilée). Variations sur Ernest Pignon-Ernest.
  • 2003 : Archéologie du présent (Grasset). Manifeste pour l’art contemporain.
  • 2003 : Féeries anatomiques (Grasset). Généalogie du corps faustien.
  • 2004 : La lueur des orages désirés (Grasset). (Journal Hédoniste IV).
  • 2004 : La philosophie féroce (Chroniques).
  • 2004 : Épiphanie de la séparation (Galilée). La peinture de Gilles Aillaud.
  • 2004 : La communauté philosophique (Galilée). Manifeste pour l’Université populaire.
  • 2005 : Traité d’athéologie (Grasset). Physique de la métaphysique.

Naar Inhoudstafel

Het Rusland van Peter de Grote (1672-1725) tot Catharina II (1729-1796)

4. De paleisrevoluties na de dood van Peter de Grote (1725)

Het fenomeen was niet nieuw, meer nog, het was een oud zeer in Rusland. Een Franse ambassadeur schreef in de XVIIe eeuw : Wie voldoende militairen achter zich heeft en dit wil zeggen mild is met wodka en steekpenningen kan hier keizer worden… Bovendien had Peter de Grote de oude opvolgingsregels veranderd om te verhinderen dat een kind van zijn zoon Alexis de troon zou erven. Tussen 1725 en 1741 (zie 5) regeerden 2 tsarina's en 1 tsaar [1]. De willekeur en corruptie gingen samen met een strijd tussen conservatieve en hervormingsgezinde Russen. Want ondanks de oppervlakkige resultaten is sedert Peter de Grote steeds een hervormingsgezinde beweging in Rusland blijven bestaan.

5. Elizabeth (1741-1762)

Een nieuwe staatsgreep bracht een dochter van Peter de Grote op de troon in de plaats van Ivan VI die als achterneef van de vorige tsarina door haar was aangeduid als opvolger (toen 2 jaar). Elizabeth was niet alleen een dochter van Peter de Grote maar ook een levendige en aantrekkelijke persoonlijkheid. Ze was populair bij de soldaten van de garde en een beetje goud en veel wodka deden de rest… Als hervormingsgezinde tsarina trachtte Elizabeth het economisch en cultureel leven in haar land te stimuleren. Zo richtte ze te Moskou een universiteit en een academie voor Schone Kunsten op. Haar regering stond bekend als de periode van de Franse invloed. Elizabeth had een extreme bewondering voor de Franse cultuur ; ze liet zelfs haar kleren en meubels uit Parijs komen. De toplaag van de Russische maatschappij volgde haar voorbeeld. Iedere familie die het zich kon permitteren nam een Franse gouvernante en/of leraar in dienst. De Franse taal werd een statussymbool in Sint Petersburg en Moskou. Fransen van allerlei beroepen kwamen hun geluk zoeken in Rusland : dokters, artiesten, kappers, koks, officieren, enz… Het regent hier Fransen, zoals insecten in tropische landen… aldus een diplomaat.

6. Catharina II (1729-1796)

Vanaf 1729 tot het einde van de eeuw werd Rusland geregeerd door tsarina Catharina II, ook wel Catharina de Grote genoemd. Elizabeth had haar neef (en kleinzoon van Peter de Grote) aangeduid als haar opvolger. Deze Peter III was totaal onbekwaam voor zijn taak (een luiaard, dronkaard en niet bijster verstandig) en zijn vrouw, een Duitse prinses, Catharina d'Anhalt-Zerbst, weet hem met de steun van enkele officieren opzij te zetten. Hij werd 4 dagen erna dood teruggevonden ; officieel luidde de doodsoorzaak inwendige bloeding, maar het is meer dan waarschijnlijk dat hij door de medeplichtigen van zijn vrouw gewurgd werd.

hermitage_petersburg.jpg
De Hermitage in St. Petersburg (Foto: Eric W. Elst)

Catharina was 33 jaar toen ze tsarina werd en ze regeerde 34 jaar. Ze was buitengewoon intelligent, moedig en ambitieus. In tegenstelling tot Elizabeth was ze ook erg ontwikkeld : opgevoed door een Franse, kende ze het werk van de grote Franse schrijvers. Ze werkte ook heel hard en gaf weinig om uiterlijk vertoon. Als tsarina correspondeerde ze met verschillende Franse auteurs en filosofen, waaronder Voltaire, Diderot, d'Alembert –deze laatste had ze graag als leraar gehad voor haar zoon.

In de eerste jaren van haar regering was ze zeer liberaal. Zo kwam tussen 1767 en 1769 een commissie samen onder haar leiding, die zou werken aan een soort grondwet, een code waarin ideeën van vrijheid, verdraagzaamheid en zelfs gelijkheid zouden worden vastgelegd. Deze commissie bestond uit zo'n 600 leden, afgevaardigden van verschillende klassen en beroepen uit de Russische maatschappij. Deze commissie kwam zo'n 200 keer samen en de sfeer was enigszins euforisch (zoals onder meer blijkt uit de correspondentie van de tsarina met Voltaire). Door de oorlog (tegen de Turken) werd de commissie ontbonden en een code is er nooit gekomen. Bovendien blijkt Catharina meer en meer te evolueren naar een soort Realpolitik (cfr. Frederik II van Pruisen). Meer nog : voor het grootste deel van de Russen nl. de moejiks (boeren) zal de toestand zelfs nog verslechteren. Onder Catharina werd het principe van de lijfeigenschap nog strenger toegepast en het was de moejik zelfs niet meer toegestaan zich rechtstreeks bij de soeverein te beklagen over eventueel machtsmisbruik van de landeigenaren. Tussen 1771 en 1775 werd het Oosten van Rusland dan ook geconfronteerd met een hevige boerenopstand. De leider ervan, Poegatsjev wist op verschillende plaatsen volksregeringen op te richten ; maar hij werd uiteindelijk verraden en geëxecuteerd.

De belangrijkste hervormingen van Catharina II situeren zich op het vlak van administratie en rechtspraak en de strijd tegen de corruptie. Zij slaagde er wel in een scheiding tussen administratieve en rechterlijke macht door te voeren. Het feit echter dat er verschillende rechtbanken bestonden voor de verschillende sociale klassen doet dan weer middeleeuws aan. Ook bleef haar strijd tegen de corruptie vruchteloos, tot haar grote frustratie. Op binnenlands vlak was haar project om de Oekraïne en de streek van de Wolga te koloniseren wel succesvol. Deze zeer vruchtbare streken waren namelijk uiterst dun bevolkt.

Naar het voorbeeld van Pruisen werden agenten gestuurd naar Duitse gebieden om er migranten te recruteren die die vruchtbare gebieden in het zuiden van Rusland zouden exploiteren. De migranten –boeren en ambachtslui– kregen allerlei faciliteiten van de Russische regering en werden na 10 jaar eigenaars van het stuk grond, het vee, de werktuigen enz… Dit project werd uitgevoerd door één van de favorieten van Catharina, Potemkin. Toen hij aan het werk begon woonden in de genoemde gebieden nog geen 200.000 mensen ; bij zijn dood, in 1791 waren dat er reeds ruim 800.000.

Net zoals dat gold voor Peter de Grote, was de buitenlandse politiek succesvoller dan de binnenlandse hervormingen. Zonder hier op de complexe situatie in Europa en de oorlogen en allianties in te gaan, kan men zeggen dat ze het rijk verder in westelijke en zuidelijke richting wist uit te breiden. Dit gebeurde ten koste van Polen enerzijds en van het Turkse rijk anderzijds, waarbij Oostenrijk (Jozef II) haar bondgenoot was. We kunnen besluiten dat, toen Catharina II stierf, het grondgebied groter geworden was, de administratie tot op zekere hoogte gemoderniseerd en de bovenlaag meer ontwikkeld was. De grote massa echter leefde verder in onwetendheid, bijgeloof en quasi-slavernij. De corruptie, de oude kwaal, bleef verder bestaan.

Monique De Croock.

Voetnoot :

  1. In 1725 regeerde Catharina I, de vrouw van Peter de Grote, gedurende slechts 16 maand –d.w.z., dat haar favoriet Mensjikov regeerde terwijl zij dronk… Peter II, zoon van Alexis volgde haar op ; hij was 12 jaar en stierf op 15 jaar –de conservatieve bojaren zwaaiden de plak. De hoofdstad wordt opnieuw Moskou. In 1730 stelden de bojaren Anna, dochter van Peter de Grote aan ; ze dachten haar macht aan banden te kunnen leggen maar ze regeerde gedurende 10 jaar met ijzeren hand. Ze werd Anna de bloeddorstige genoemd omdat ze haar vermeende/echte vijanden genadeloos liquideerde. Via Duitse raadgevers stond haar regering onder Duitse invloed.

guirlandes_petersburg.jpg
Guirlandes in het gebouw van de voormalige Franse Ambassade in St. Petersburg (Foto: Eric W. Elst)

Naar Inhoudstafel

Een Symfonie van de Revolutie

Het is mij al dikwijls opgevallen dat de muziek van componisten die als voorstanders van de Franse Revolutie bekend staan, in het verdomhokje zit. Uiteraard kan men niet aan Beethoven voorbij, maar componisten als Gossec en Méhul worden, in verhouding met gelijkwaardige andere collega's, nogal verwaarloosd. Daarbij vind ik het erg dat een Oostenrijkse volksvertegenwoordiger op het internet de loftrompet moet steken van Gossec, die zich in een brief Gossec d'Anvers noemt. Hij is in Wallonië geboren en is in zijn jeugd ook in Antwerpen bezig geweest. Dit alles als inleiding voor de bespreking van een symfonie van Antonin Rejcha. In Tsjechië ging, en gaat men anders om met musici, al zijn die ook uitgeweken. Je vindt er vrijwel alle belangrijke werken van Rejcha op cd en er is ook een uitgebreide biografie van de componist verschenen, ook al heeft die de Franse nationaliteit aangenomen. Eigenaardig genoeg is daar één symfonie niet bij : Musique pour les grands hommes et les grands événements de la République Française. Ik heb er in Praag in een platenwinkel naar gevraagd, maar men kende die symfonie zelfs niet. Gelukkig beschik ik over een oude elpee waarop de symfonie staat en de biografie van de componist.

Rejcha is niet de eerste de beste, als je onder je leerlingen Berlioz, Liszt en Franck mag rekenen, moet je iets van muziek afweten. Rejcha is net als Beethoven in 1770 geboren, maar dan in Praag. Zijn oom Jozef, ook musicus, was werkzaam in de kapel van de keurvorst van Keulen en Bonn en hij bracht zijn neef mee. Rejcha ging enige tijd om met Beethoven, maar nadat de kapel gesloten was, trok hij de wijde wereld in, eerst naar Hamburg, dan voor de eerste keer naar Parijs, en later naar Wenen, waar hij zijn muzikale opleiding vervolmaakte bij Haydn, Salieri en Albrachtsberger. In 1808 vestigde hij zich definitief in Parijs. In 1818 werd hij professor in het Conservatorium en lid van het Comité d'enseignement waarvan o.a. ook citoyens Méhul, Cherubini en Gossec deel uitmaakten. Hij trouwde met een Franse vrouw en nam de Franse nationaliteit aan.

De symfonie waarover ik het heb, is niet gedrukt en er staat zelfs geen datum op het manuscript. De bedoeling van de componist wordt wel duidelijk bij de inleiding van het werk :

Dit werk is gecomponeerd om te herdenken :

  1. De herinnering aan grote acties,
  2. De dood van helden en grote mannen
  3. Om gelijk welke gebeurtenis in de toekomst te vieren.

Uit de titel blijkt dat de symfonie niet kan ontstaan zijn in de Empire of in de Restauratie. Ze is waarschijnlijk geschreven rond het jaar 1808, Olga Sotola, de auteur van de biografie, denkt dat het vóór 1808 gebeurde, dus nog in Wenen.

Carl de Nys, de auteur van de biografie op de plaat, vermoedt dat ze in Parijs geschreven is, waarschijnlijk in 1808 of kort daarna. Het is twijfelachtig of het werk in die periode ooit is uitgevoerd, en als je de instructies leest die de auteur voor de uitvoering van zijn symfonie schreef, zal dit niet verwonderlijk overkomen. Ik denk niet dat er ooit striktere regelingen voor de uitvoering van een symfonie geschreven zijn : Men moet de uitvoering ervan toevertrouwen aan een goede dirigent, die er goed zal aan doen ze zelf te bestuderen, vooraleer ze te laten uitvoeren. Men moet een ruime, open plaats kiezen, waar het orkest ongeveer 50 stappen van de luisteraars verwijderd dient te zijn en het exacte aantal instrumenten gebruiken aangegeven in de partituur ; anders gaat het stuk zijn effect missen. Het instrumentarium bestaat uit : 3 kleine fluiten, 6 hobo's, 6 klarinetten, 6 fagotten, 6 hoorns, 6 trompetten, 3 contrabassen, 6 regiment-trommels en 6 kleine kanonnen. De musici mogen niet te dicht bij elkaar staan om de verspreiding van de klank te bevorderen. Er mogen in de plaats van de contrabassen geen andere instrumenten gebruikt worden, omdat ze absoluut noodzakelijk zijn (geen enkel ander instrument kan zo laag afdalen), nog het aangegeven aantal verhogen, tenzij men er nog 1 of 2 exemplaren zou bijvoegen. De trommelaars moeten ongeveer 100 stappen achter het orkest geplaatst worden en slechts met drie tegelijk slaan, om aflossing mogelijk te maken. Ze moeten doffe rollers slaan, piano, ook wanneer het orkest forte speelt. De dirigent dient er voor te zorgen dat de trommelaars exact in de maat beginnen en eindigen. Het zou passend zijn om de kanonnen niet te veel in het zicht van de kijkers te stellen, om de verrassing te vergroten. De mars word 3 keer herhaald, de eerste keer zonder trommels en kanonnen, de tweede keer met trommels en zonder kanonnen, de derde keer met trommels en kanonnen. Bij de derde mars mag men, als er voldoende ruimte is, 1 of 2 regimenten infanterie laten manœuvreren, de aard van de mars volgend… En zo gaat het door, met specifieke opmerkingen over het gebruik van trommels, van kanonnen, en van blazers. De symfonie is vrij klassiek opgebouwd. De eerste beweging start met een vrij lang adagio, gevolgd door een allegro in poco presto. Minder gewoon is de herhaling van het adagio in het midden van het snelle gedeelte. De tweede beweging is een adagio, waarin de schijnbare rust brutaal onderbroken wordt door kanonnengebulder. De derde beweging is in poco presto en komt over als een gematigd scherzo. De finale wijkt af van het klassieke schema, het is een dodenmars, die geleidelijk aan een meer martiaal karakter krijgt en eindigt als maestoso in poco adagio met kanonnengebulder. Bij de opname is zo goed mogelijk rekening gehouden met de eisen van de componist, maar vermits die niet in openlucht plaats had maar in het Rudolfinium Praag, geldt dat uiteraard hoofdzakelijk voor de samenstelling van het orkest. Rejcha moet er vanuit gegaan zijn dat de uitvoering mogelijk was, maar dan zal hij wel aan de situatie in Frankrijk gedacht hebben. Ik heb de elpee dikwijls beluisterd en ik ben de symfonie altijd als een waardevol muziekstuk blijven beschouwen.

Carlos Devriese.

Naar Inhoudstafel