De Russen doen het niet bepaald beter. Geen onderhandelingen met de oproerlingen, zelfs ten koste van het leven van een groot aantal jonge mensen die zich verheugden op de eerste dag van het nieuwe schooljaar. Men kan een heleboel begrijpen, goedkeuren is weliswaar een andere zaak; maar dit gebeuren in Beslan (Zuid Rusland) kan op geen enkele wijze goedgepraat worden, zowel van de zijde van de oproerlingen als van Russische zijde.
De Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken Bot vroeg bij het Russisch parlement om uitleg; niet de barre feiten interesseerden hem –die kende hij wel na meerdere recente gelijkaardige aanslagen– maar hij interpelleerde naar de oorzaak van de gebeurtenissen. Hier ving hij bot (nomen omen est), want Poetin dacht er niet aan hierover enige informatie te geven. Meer nog, de Russische president wenst geen onderzoek naar de reden van de tragedie, maar wil wel zijn interventiemacht versterken opdat die beter een nieuw gijzelingsdrama het hoofd zou kunnen bieden.
Onderhandelen zit er dus duidelijk niet in, en dit doet ons aan een gebeurtenis denken die reeds meer dan 3000 jaar geleden plaatsgreep in het Troja van Koning Priamos (Homeros, Ilias, Zang X, Dolonie, Franse vertaling van Victor Magnien 1930, Payot, Paris) : Na meerdere jaren belegering van hun stad door de Grieken besluit Priamos zijn zoon Dolon uit te zenden, gedurende de nacht, naar het Griekse kamp, om er de toestand van te verkennen. Dolon echter, die zich met een wolvenhuid en een steenmartershuid heeft getooid (fouine = steenmarter; fouiner = snuffelen in andermans zaken) wordt op zijn pad naar de Griekse schepen, gekruist door de listige Ulysses en zijn wapenbroeder Diomedes. Beide krijgers kunnen hem zonder veel moeite overmeesteren, maar laten hem in het ongewisse wat er met hem zou gebeuren, zolang hij inlichtingen verschaft over het Trojaanse kamp. Dolon geeft hen die informatie en onderhandelt en smeekt om zijn vrijlating, maar wordt nochtans erbarmelijk door Ulysses onthoofd –avec son glaive, il lui traversa le milieu du cou, et il coupa les deux tendons et pendant qu'il parlait encore, sa tête se mêla à la poussière–.
De Ilias staat niettemin in het teken van onderhandelen. Homeros kiest resoluut voor een wereld waar het zwaard het moet afleggen tegenover het gesprek; maar de goden beslisten er toen nog anders over. Recenter schrijft Brian Marsden –directeur van het Minor Planet Center, Massachusetts, USA– aan de voorzitter het volgende :
We never seem to learn from past belligerencies, do we ? Sure, terrorism cannot be condoned, but it is an international problem and as such demands an international answer. We should work together to uncover its causes and thereby find some way of resolving them. But, the human race never learns from past mistakes.
We zijn maar een detail : We hebben misschien wel enige betekenis voor onze naastbestaanden en voor een aantal vrienden, maar in vergelijking met de enorme massa aan stoffelijke materie, de massa van levende wezens –fauna en flora op aarde en op verre planeten– en een grote hoeveelheid interstellaire macro-moleculen waaruit potentiëel het leven kan ontstaan- zijn we zelfs minder dan een detail in dit universum. Het grenst dan ook aan het criminele dat zekere staatshoofden zonder enige scrupule over het frêle leven van mensen beschikken, die naargelang het hen uitkomt gerangschikt worden in burgers, soldaten, huurlingen, opstandelingen, weerstanders of vrijheidsstrijders. Het stellen van een losprijs op iemands hoofd is daarbij meer dan verderfelijk en wakkert de meest laaghartige gevoelens van de premiejager aan. Judas kreeg voor zijn verraad een aantal zilverlingen –dertig zilverstukken, de prijs van de man voor wie een prijs werd vastgesteld (Mattheus, 27,9). Uit wroeging benam hij zich nadien van het leven. De schrijver van dit legendarisch verhaal gaf hiermee te kennen dat zulke praktijken menselijk onwaardig zijn. Meer recente premiejagers zijn ons bekend uit films zoals “For a fistfull of dollars”.
Zoals te verwachten was heeft het amerikaanse volk voor behoud van de oorlog in Irak en het bezit van Iraks rijke oliebronnen gekozen, daarmee het terrorisme in eigen land en de rest van de wereld bestendigd. De stem van vele democraten, waaronder die van een een zeer groot aantal beeldende kunstenaars –Michael Moore : Fahrenheit 9/11–, schrijvers en wetenschappers, heeft deze ramp niet kunnen voorkomen. Maar wie in werkelijkheid gekozen heeft voor de Bush-dynastie is niet het amerikaanse volk, maar een aantal fanatiek religieuze groeperingen die –met de steun van hun onwetende en onnozele schapen– erop uit zijn het christendom in de wereld te bestendingen– zo worden bijvoorbeeld op vele plaatsen in Europa missionarissen opgeleid om het christendom in Irak en elders te gaan prediken– als een dam tegen –de finantiële belangen van– de Islam. Dit getuigt van weinig religieuze tolerantie en van heel veel zakelijk belang, en houdt een groot gevaar in van een algemene godsdienstoorlog. Dat er voorlopig geen wijziging zal komen in het amerikaanse beleid wordt ondersteund door een reeds jarenlang durende statistische verhouding van een 50/50% democraten/republiceinen; een impasse die moeilijk te doorbreken zal zijn, zolang er misschien niet een derde partij aan bod komt. Besluiten we dit gedeelte van het voorwoord met een uitspraak van de filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) :
“A quick test of the assertion that enjoyment outweighs pain in this world, or that they are at any rate balanced, would be to compare the feelings of an animal engaged in eating another with those of the animal being eaten” (On the Suffering of the World, Penguin Books, translated by R.J. Hollingdale, 2004)
In het voorliggende nummer van “Le petit Cuistre” belichten we in het kort de figuur van N. A. Boulanger (1722-1759), een tijdgenoot van d'Holbach en schrijver van “Recherche sur l'origine du despotisme oriental” (Genève 1761).
In dit nummer wordt de analyse van Holbachs “Système” (Hoofdstuk IV) en de vertalingen van “Le Christianisme dévoilé” (Carlos De Vriese) en “Lettre sur les Aveugles” (Kristina Leterme) voortgezet. We maken tevens kennis met een bijdrage Het Verlichtingsproject in de 21e eeuw van onze sympathisant en wiskundige Wim Mielants. We besluiten dit nummer met een fotografische bijdrage van het derde tuinfeest van de Holbach Vereniging (28/08/2004), waarop we een grote opkomst van de leden mochten begroeten. Bob Cools, Henri, André Hadermann en Theo Geuens hebben zich op die dag bijzonder verdienstelijk gemaakt, met de opvoering van een dialoog (Voltaire) en een toneelstuk (de Genlis). We danken hen daar zeer hartelijk voor. Een bijzondere vermelding verdient onze medewerker Philip de Jager die eenieder in vervoering wist te brengen met enkele uitzonderlijk mooie composities voor marimba.
We verheugen ons natuurlijk over de recente nieuwe vertaling naar het Nederlands van de Bijbel. Men heeft geopteerd voor een meer gebruiksvriendelijke taal, zodat eenieder nu de finesse van het geschrift kan vatten. De Heer Ludo Abicht betoont, dat eenieder het werk zou moeten lezen, voor de wonderbaarlijke schoonheid die ervan uitgaat. We wensen hierop geen commentaar te leveren, maar we brengen wel in herinnering, dat dit werk –zg. Oude Testament– uitsluitend gericht was aan het Joodse volk van circa -2800 tot -100 vT, als instructie- en geschiedenisboek –zie bv. de verheven beschrijving van de offerrituelen in Leviticus–. Een aantal decaden na het begin van onze tijdrekening heeft Paulus ons een eigen geschrift –Nieuwe Testament– in het gebruiksvriendelijke koine Grieks=volkstaal bezorgd (in 4 verschillende versies, de zogenaamde apocriefe versies niet meegeteld!). Het geschrift is uiteindelijk ook bij andere volkeren terecht gekomen, die het met enthousiasme hebben begroet (redenen hiervan bij de redactie bekend).
Tenslotte nog enkele bedenkingen over de toekomst van Irak :
The administration has been so dazzling in misleading the public with audacious, mendacious malarkey that the Democrats fear the Bushies are capable of any level of deceit. Iraq is a vision of hell, and the Republicans act as if it's a model kitchen. The president and vice president brag about liberating Iraqis and reassure us that they are stopping terrorist violence at its source and inspiring democracy in the region by bringing it to blood-drenched Iraq. But what they haven't mentioned is that they have known since July that their rosy scenarios are as bogus as their W.M.D. That's when the president received a national intelligence estimate that spelled out “a dark assessment of prospects” for stability and governance in Iraq in the next 18 months, as Douglas Jehl wrote in today's Times. Worst-case estimates include civil war or anarchy (Doug Reports: Sep 16, 2004 5:57 am)
De voorzitter.
On 18th August 1770 an arrêt was issued by the Parlement de Paris ordering seven sacrilegious books to be publicly burnt in the king's name. Four of them were the work of Paul Thiry, Baron d'Holbach: one a translation of Thomas Woolston's discourses on miracles, the other three, original com positions. These were his “Système de la Nature”, a methodical rejection of the supernatural on the grounds that it was unnecessary, and two works –“Le Christianisme dévoilé” (1761) and “La Contagion sacrée” (1768)– which between them held Christianity responsible for the tyranny and military agression of princes, the duplicity and power of the priests, and the ignorance and misery of man. The books were duly burnt; but, nonetheless, copies continued to circulate; and, while the occasional vendor was prosecuted, nothing happened to d'Holbach who remained unidentified as the author. He possessed two foreign retreats –one in Liège, the other in the Rhenish Palatinate– but at no point did he need to take refuge abroad.
Lacking any inclination to martyrdom, he took immense trouble to conceal his authorship. Not only did he leave his name off the title-page, but in preparing for publication, he carefully covered his tracks. Thus the manuscript in d'Holbach's hand was taken by his secretary Naigeon to Sedan, where Naigeon's brother, having made a copy, destroyed the orginal. The new manuscript was sent in a parcel of wax-sealed cloth to a Mme Loucin in Liège who passed it to the publisher, Marc-Michel Rey, in Amsterdam. D'Holbach also took care, in an act of cunning pseudonomy, to attribute his works to plausible but defunt authors.

Thus, the “Système” appeared under the authorship of Jean Baptiste de Mirabaud, once secretary to the Academie Française and author of several freethinking works. In addition, d'Holbach took the precaution of establishing a friendship with N. S. Bergier, canon of Notre Dame and chief opponent of his anti-religious works. Having made a name for himself in 1768 with “Apologie de la religion chrétienne”, a refutation of “Le Christianisme dévoilé”, Bergier was then commissioned by the Assemblée du Clergé in 1770 to demolish d'Holbach's “Système”, receiving in return a handsome pension. Failing to recognise him as the author, Bergier not only attended d'Holbach's salon but also, moved by his friendship, sought d'Holbach's advice on improving these diatribes prior to publication. As a result of the care taken, which also involved employing a chaplain to hold Sunday mass, d'Holbach managed to avoid persecution completely. But only at a price : for, in his lifetime, he had to forego public recognition for his considerable achievement in the field of free thought.
This achievement rested essentially on three works : “Le Christianisme dévoilé, ou Examen des principes et des effets de la religion chrétienne” (1761); “Système de la nature, ou des Lois du monde physique et du monde moral” (1770); and “Le Bon-sens, ou Idées naturelles opposées aux idées surnaturelles” (1772). Two of them, “Christianisme dévoilé” and “Le Bon-sens” were brief, powerfull, angry onslaughts upon religion and the priesthood. Diderot wrote of d'Holbach exploding bombs in the house of God. The first volume of “Système de la nature” was something different. Rather than to attack and demolish, it sought to construct an alternative system of belief. It was lengthy and repetitive. His friends and collaborators, Diderot and Naigeon, considered it drab and long-winded, so much so that they tried to liven it up. But the style was arguably a consequence of the task d'Holbach had set himself and the approach he chose to use.
The work appears as if composed by a machine, going through a formal process which, direct and thorough, left nothing to implication, intuition or chance. Much of the opposition to it –for example from Voltaire, Goethe and Rousseau– focused upon its grey inhumanity rather than its true radicalism. Arguably, all its ideas can be found in previous works –notably those by English deists such as Toland, Collins, Tindal and Woolston, and by French philosophers such as Maupertuis, La Mettrie, Condillac and Helvétius– but nowhere else is this set of ideas so explicitly co-ordinated in one universal scheme; and nowhere else, in the previous literature of freethought, is atheism so directly proposed, the after-life so decisively denied, and God so firmly shut out.
D'Holbach was well qualified to act the part of a machine, having not only a powerfully logical and classifying intellect but also an amazing memory. Several in his circle commented upon these qualities. Thus Marmontel wrote of D'Holbach's twice-weekly salon in Paris :
it was there that baron d'Holbach, who had read everything and never forgot anything that was interesting, poured out the abundant riches of his memory.
Garet confirmed this impression, showing how d'Holbach's intellectual powers were placed at the service of his friends :
he used to devour everything that came from the printing presses of all countries, and let nothing escape from his vast memory, beyond what he wished to forget… He used to read the books that Buffon and Diderot needed to consult and, when he had talked them over with them, they were sure of knowing them better than if they had read them.
Nonetheless, the lines of enquiry he followed and the conclusions he reached sprang not simply from the retentiveness and logic of his intellect but also from family background and personal friendship.
Paul d'Holbach was born a German in the Rhenish Palatinate. He came of a non-noble, landowning family which had served as tax officials to the prince-bishop of Speyer. Baptised a Catholic, he remained one, ostensibly, for the rest of his life. At the age of seven his mother died; then at the age of twelve, he moved to Paris to live with her brother, the extremely wealthy Francis Adam d'Holbach who, as a financier, made a fortune out of the wars of Louis XIV, and who, in 1722, a year before Paul's birth, secured entry tot the French nobility through purchasing a lettre de noblesse. In the absence of offspring, the uncle adopted Paul and a niece as his heirs. In the 1740s, Paul took his uncle's surname. Upon his uncle's death in 1753, he inherited half his fortune, which included the barony of Heeze and Leende, situated near Maastricht in the episcopate of Liège. By this time, Paul was a naturalised Frenchman. Shortly afterwards, he married Basile-Geneviève, the daughter of the cousin with whom he shared his uncle's inheritance. Basile-Geneviève's father was a conseiller-secrétaire du roi, a venal office which admitted him to the noblesse de robe. His sudden death in 1756 enabled Paul to purchase this office and to acquire, along with it, entry to the French nobility and a substantial annuity. Thus, within the space of three years, and largely by virtue of the accident of death, Paul was established in a position of economic and social security, one he continued to enjoy untill his death in 1789. But, amidst all the good fortune, Paul's first wife died at the age of twenty-five. Within a year, he had married her sister Charlotte, obtaining the Pope's dispensation to do so, but things were never the same again.
How did all this affect the development of d'Holbach's irreligious beliefs ? He admitted in the mid-1760s to becoming a deeply committed atheist following the death of his young wife in 1755. Witnessing the unjustified terror she suffered in the process of dying, thanks to a priest-inculcated fear of damnation and hell-fire, he became convinced that belief in the after-life, and the religious teachings upon which it rested, caused more trouble than they were worth; and therefore were best abandoned. D'Holbach came to see Christianity as a source of evil rather than good, an expression of sin, not a virtue, an act of cruelty, not a benevolence. This low view also sprang from the way the religious schism and divine right gave rulers the excuse to go to war; a reflexion upon his early upbringing in a region, the Palatinate, that had been repeatedly ravaged by religious war. Influences of this sort, however, only tipped him into atheism. Preparing for his conversion was a set of ideas associated with the deism and libertarianism of early eighteenth-century England.
A major influence upon d'Holbach's scholarly career was his work as a translator. For this, he received some recognition. Having translated into French thirteen or so scientific works from the German, he was rewarded with membership of the princely academies of Berlin, Petersburg and Mannheim. Secretly in the 1760s, he was also involved in translation the works of British freethinkers : notably John Toland, Thomas Woolston, Peter Annet, Anthony Collins and John Trenchard. The original inspiration for these writers had been John Locke who, while remaining a professed Christian, had undermined Christianity first by denying the innateness of ideas, second, by insisting that religious belief ought to be susceptible to reason, and third, by proposing that the true church was a tolerant one, thereby implying that many of the doctrines and practices associated with Christianity were man-made rather that divinely appointed. In England, this did not lead to a profession of atheism but, nonetheless, it did produce a declaration of doubt as to the divine grounds of Christianity. The latter depended upon the evidence of prophecy and miracle : for the divinity of Christ rested, on the one hand, upon accepting as true the prophecy that Christ was the Messiah foretold by Isaiah and, on the other, upon regarding his miracles as actual happenings. However, under the scrutinity of reason this vital source of revelation wilted and withered. Associated with such scepticism was an extreme hostility to the Church, especially on account of the way the clergy had tricked the laity through advocating the value of mystery, and by deliberately corrupting the evidence of Scripture with deletion, mistranslation, substitution and gloss.
While none of these sceptics professed atheism, this was not because they necessarily believed in the existence of God or in a future state. Riding the nimble steed of reason, Toland, Collins and Annet probably crossed the border into atheistic territory. However, they either claimed not to have done so, or refrained from advertising the fact, or took refuge in ambiguity. Their behavior was moved by the blasphemy law of 1698 which made the denial of God and the divinity of the Christian religion a criminal offence. Moreover, for English freethinkers there was always the deists' retreat of natural religion and its ethical sufficiency. Blount had made God acceptable, if different, by presenting him as interchangeable with nature; Shaftesbury had done likewise by presenting him as the good. There had developed, then, a morality which relied upon the existence of God while dispensing with the inherent sinfulness of man and the compensatory need for his redemption through the sacrifice of Christ.
It was English deistic beliefs –along with the view of the universe as a perpetual, self-operating process of matter in motion (derived from Newtonian physics, probably through the filter of Toland's “Letters to Serena”) and of man as no more than a material object (derived from the sensationalism of Locke)– that helped d'Holbach to create his system. He was initially affected when a student at the Dutch university of Leiden. He entered its Law faculty in 1744 and left in 1749. In this time he established several close friendships with English students, notably the libertine and libertarian, John Wilkes. He and Wilkes were freshmen together; and d'Holbach remained deeply affectionnate towards him for the rest of his life. It was with Wilkes that he first acquired a taste for free discussion on politics and religion. Over the years, Wilkes brought him the books from England that fuelled his religious doubts. Seen through Wilkesian eyes, and stirred by Wilkes' conflicts with the government, d'Holbach became fascinated with the British, entertaining a host of them –David Garrick, Adam Smith, Lawrence Stern, David Hume, Edward Gibbon, Joseph Priestley as well as Wilkes– at his house in Paris. The magic only wore off when he paid a visit to England in 1765 and found that it fell far short of his expectations. During his time at Leiden, La Mettrie's materialistic “L'Homme machine” was publicly burnt there, which may have brought the work to d'Holbach's notice.
The interest in free discussion that d'Holbach contracted at Leiden became a life-long passion. It caused him to establish an intellectual salon which met on Sundays and Thursdays. The venue was either his Parisian house in the rue Royale, or, during the summer, the family chateau of Granval at Sucy, east of the capital. Hume termed the regular guests the sheiks of the rue Royale. With affectionate deprecation, they called their meetings the boulangerie or synagogue. It was a gathering of wits and savants where nothing was sacred, apart from d'Holbach's wife. Contradiction was de rigueur and in discussion matters were driven to speculative extremes.
Atheism cropped up frequently at the salon. Its chief advocates were Diderot, Roux and d'Holbach. Within the club, nothing was hidden. To its members, d'Holbach openly revealed his Godless position. At least, he was doing so by the mid-1760s when the termination of the Seven Years War led a swarm of Englishmen and Scotsmen to descend upon his house and bear witness. There they were shocked to find the deism, with which they were familiar, challenged by a complete denial of the existence of God. When the sceptical Hume attended and remarked to the host that rather than disbelieving in the existence of God he could not believe in the existence of atheists since he had never seen one –implying that atheism was a chimera invented by clerics to disparage free enquiry– d'Holbach retorted with jocular seriousness : I am lucky enough to be able to show you fifteen atheists at one glance. The other three have not yet made up their minds. This was undoubtedly an exaggeration. Yet it was by no means a complete lie.
The d'Holbach group was a mixture of disbelievers and believers. Among the disbelievers, those prepared to deny the existence of God formed but a small proportion. Besides d'Holbach, they were Denis Diderot, Jacques André Naigeon, Augustin Roux, Jean-François de Saint-Lambert and Claude-Adrian Helvétius. Within this small group a variety of opinion existed on the nature of man. Roux was a noted supporter of atheism in the salon debates; but his attitude to materialism was sceptical, wheras d'Holbach's was presumptive. Roux's more important role was to collaborate with d'Holbach on translating scientific works, something he was well qualified to do as a doctor and chemist. Saint-Lambert –soldier, poet and eventually philosopher– privately admitted to being an atheist, but essentially on the grounds that the notion of God… is the seed of a folly. His concern was the obnoxiousness of religion rather that its philosophical unsoundness. He clearly had much in common with d'Holbach, but not with the machine-man who wrote volume one of the “Système”. He was more closely related to d'Holbach the evangelist, the author of “Christianisme dévoilé” and “Le Bon-sens”. In fact, Saint-Lambert was responsible for arranging the publication of the former. Exerting greater influence upon the “Système” was Helvétius. Moving d'Holbach was his long-term friendship with him. There was also Helvétius notorious work “De l'Esprit” (1758), with its refusal to accept either the immateriality of the soul or the existence of a moral purpose other than what reason could establish in the preservation of happiness. The persecution of Helvétius, following his unwise decision to declare authorship, must have served as a warning to d'Holbach. Preeminent among the circle in the composition of the “Système”, however, were Diderot and Naigeon, with both making a direct, if marginal contribution to its actual content.
Diderot and d'Holbach first met in 1749, shortly after Diderot had served a prison sentence for his tract “Lettre sur les aveugles”. Also by that time his “Pensées Philosophiques” (1746) had been publicly burnt on the orders of the Parlement de Paris. Over the next fifteen years, the two collaborated on Diderot's “Encyclopédie”, to which d'Holbach contributed almost four hundred articles. They remained close friends for over thirty years. Diderot, moreover, was a star performer at d'Holbach's salon, where his powers of improvisational idea-play astounded the other guests. Diderot's atheistic beliefs developed out of a deism implanted by Shaftesbury's Characteristics. Like d'Holbach, he was initially inspired by English freethought, translating some Shaftesbury. He composed in 1746-7 an extension to his “Pensées Philosophiques” entitled “De la Suffisance de la religion naturelle”, which encapsulated the findings of Wollston, Toland, Collins and Tindal. But, like d'Holbach, he came to reject that school, his scepticism achieving a state of complete disbelief in the supernatural. In taking that radical leap, they must have egged each onther on. Their outlook, however, differed in two respects : one related to style, the other, to their view of nature. These differences, in fact, accounted for Diderot's direct contribution to the composition of the “Système”, since he supplied not only the ludicrous hymn to nature that serves as its conclusion but also some footnote commentary and quotation. Diderot's preferred approach was one of telling levity : imparting an idea almost as if it were a quip or in the form of a spoof. This caused him to have misgivings about d'Holbach's style. He remarked to Naigeon that the Baron's prose was too lengthy, flat and diffuse. Consequently, it is fatiguing, it is boring, and it makes a book fall from ones hands. The purpose of Diderot's direct contribution seemed, then, not only to get in on the act as a hidden hand (he had done the same with works by other members of the circle, notably Helvétius and Raynal), but also to liven things up. In addition, he was seeking to impose his own view of nature on the work. D'Holbach had attributed no quality to nature. He found it dispassionate and amoral. In contrast, Diderot conceived it, in the Shaftesbury manner, as a benevolent force. The concluding hymn to nature represents both his attempt to spice up the writing as well as to impose a moral discourse alien to the rest of the work.
When the “Système” was written, Naigeon had a closer working relationship with d'Holbach than Diderot had. He entered the d'Holbach circle in the mid-1760s, at the age of twenty-seven, through the agency of Diderot, becoming the Baron's secretary and confidant. He was deeply attached to d'Holbach, remarking on the latter's death : I weep for him as for a father. His appreciation of the salon caused him to enthuse : et in Arcadia ego. It has already been shown that he figured in the clandestine process of publication. He also played some part in the composition. Following d'Holbach's death he detailed the nature of his contribution to the Baron's works. Apart from the “Lettre de Thrasibule à Leucippe” (1768), which he substantially altered, Naigeon contributed, it seems, no more than notes and introductions. The preface that he wrote for the “Système” had two purposes : to provide a lively overview, as well as to conceal more securely the identity of the true author. The preface stated the purpose of the work. This was to destroy the evil of superstitution and restore truth to its proper temple. In addition, it was to direct man to be just, kind and peaceable and to instil the belief that happiness, the true end of man's existence, can never be attained but by promoting that of his fellow creatures. In the final, precautionary paragraph, the author is presented as elderly, something in keeping with its attribution to de Mirabaud, who had died in 1760 aged eighty-four, but not with the true author who, at the time of publication, was no more that forty-seven. Naigeon appeared to be an atheist by faith. His belief was not to be turned into agnosticism through the operation of reason. Nor was it to be diluted by deism or pantheism. Arguably, his role was to prevent the Baron's basic disbelief from drifting into compromise, making sure it retained the objective of erecting a physical world and a human morality upon a Godless base.
The philosophical meaning of the “Système” is best seen in relation to Voltaire's anti-atheistic epigram : “if God did not exist, it would be necessary to invent him”. This was originally coined not in response to the “Système” but in a poem, published in 1769. The “Système” essentially upturned this epigram, arguing that “even if God existed, it would be best to ignore the fact”. D'Holbach's system rested upon the knowable. It humbly accepted certain epistemological limitations. Man cannot know everything : he cannot discover his origins, or penetrate to the essence of things, or return to first principles. So what is to be done ? To assume the existence of God as a means of compensating for these intellectual limitations had been proven unwise, since the consequence was religions that rulers and clerics ruthlessly used to terrorise innocent people with divinely appointed wars or treats of perpetual torment. If it were possible to substitute a non-religious system capable of explaining the physical nature of the world and providing an adequate morality, then that would be progress. The “Système” sought to do just that by proceeding from a doctrine of necessity. If it is unnecessary to believe in the existence of God, what is it necessary to believe ? First, that the world consists of but one substance; second, that it consists of matter in motion; third, that man, like other living matter, is a finite, materialistic organism extinguished completely by death but surviving through a constant process of physical decomposition and regeneration. Since this world is utterly amoral, it is necessary to create a morality for man. This, d'Holbach thought, could be reasonably constructed upon two other identifiable necessities : on the one hand, man's need for happiness; on the other, his need for survival. The morality proposed was utilitarian, but not hedonistic. It contained no room for the rakish likes of John Wilkes.
While the component ideas were derivative, their systematisation was original. To the history of freethought, the “Système” made a vital contribution. Prior to d'Holbach, several philosophers had published statements of sympathy for atheism. Thus Francis Bacon had declared it preferable to superstition and Pierre Bayle had regarded atheists as not necessarily wicked. Others, notably Hobbes, Spinoza and some of the philosophes, such as La Mettrie, Diderot and Helvétius, had proposed ideas which might easily be taken as atheistic. Yet in no case was atheism publicly asserted. Each of these philosophers would have denied the charge of being an atheist; and in most cases, they took care to do so. In this respect, the “Système” was quite different from what had gone before. Explicit atheism was at its core. For this reason, to term it the atheist's bible is not far off the mark. The “Système” transformed the nature of freethought as it was actually practised. So far, freethought had repudicated religion without rejecting God or some equivalent. Deism or pantheism had held sway. As well as rejecting God, the “Système” cast out, in Volume II, the theistic forms free-thought had adopted. The effect was not to obliterate this strand of freethought but to establish explicit and avowed atheism as a major argument for getting rid of Christianity in particular and religion in general.
Michael Bush.
Augustus 1765, Abbeville, twee adellijke jongelui lopen een processie voorbij zonder de hoed af te nemen. Verklikkers beweren dat ze goddeloze liederen zongen en in de buurt werd een kruis beschadigd. Een van de beschuldigden ontkomt naar het buitenland, maar Jean-François Le Févre, chevalier de La Barre, wordt opgepakt. Bij een huiszoeking treft men een beduimeld exemplaar aan van Voltaires pas verschenen “Dictionnaire philosophique”. De negentienjarige La Barre wordt op 4 juni 1766 tot de tortuur veroordeeld –tong uitgetrokken, hoofd afgehakt, lichaam verbrand.
Dat is het klimaat waarin het eerste werk van baron d'Holbach verscheen, “Le Christianisme dévoilé” (1761), een felle aanklacht tegen religieus fanatisme en intolerantie. Het boek, dat nu gedateerd aandoet, sloeg in als een bom op het huis van de Heer (Denis Diderot). Wie werd betrapt met een van de brandstapel gered exemplaar riskeerde negen jaar dwangarbeid.
Paul-Henri Thiry, baron d'Holbach (1723-1789), was een van de radicaalste denkers van zijn tijd, militant atheïst en materialist. Op zijn zevenentwintigste erfde hij een fortuin dat hij onder meer een een kring intellectuele vrienden besteedde. Dertig jaar lang kwamen de philosophes tweemaal per week samen in d'Holbachs Parijse salon (l'hôtel de la philosophie, café Europe) of op zijn kasteel Grandval (la Citadelle des Encyclopédistes). Ze kregen er het allerbeste voorgeschoteld : eten, drank, discussie, geziene gasten en beroemdheden op doortocht (David Hume, Adam Schmidt, Benjamin Franklin …).
D'Holbach schreef 376 artikels voor de Encyclopédie, vertaalde tal van Duitse en Engelse filosofische en politieke werken en droeg ook met eigen filosofisch werk (“Système de la nature”, “Le bon sens”) bij tot de Verlichting. Hij legde mee de ideologische basis van de Franse Revolutie.
In “Le Christianisme dévoilé” stelt hij dat mensen geloven omdat dat van jongsaf aan geleerd hebben. Ze weten niet beter, bevragen hun geloof nooit, beseffen niet dat het tegen rede en natuur indruist. Een christelijke natie die haar principes consequent zou toepassen, zou in diepe inertie verzinken. Alle bezittingen opgeven, bij elke slag de andere wang toekeren, huis, bezit, ouders en vrienden opgeven om Christus te volgen –het lijkt wel een complot om de maatschappij te ontwrichten !
Vrede op aarde aan alle mensen van goede wil, maar het christendom deed meer bloed vloeien dan alle andere religies samen. Niet verwonderlijk, gezien in de bijbel voorgehouden model : een God met een slecht karakter, wraakzuchtig en boosaardig, die van bij het begin valstrikken spant voor zijn schepsels, wel wetend dat ze er zullen in tuimelen (de zondeval), om ze dan voor eeuwig en altijd te straffen (de erfzonde).
Die hen ziek en sterfelijk maakt, graag kwelt (hel en vagevuur). En hij is nog partijdig ook, met dat uitverkoren volk dat op zijn bevel andere volkeren bedriegt, besteelt en uitmoordt. God beminnen, maar hoe liefhebben wat je vreest ?
Gods woord getuigt al evenmin van wijsheid, alwetendheid of perfectie. Wie schept nu eerst het licht en pas dan de zon ? De mens man één vrouw scheppen om dan een mannenrib tot vrouw te transformeren ! De bijbel staat bol van de tegenstrijdigheden, alsof de duivel er de hand in had. De openbaring is zo duister dat ze voortdurend geïnterpreteerd moet worden. Daarbij lopen de meningsverschillen zo hoog op dat er sekten ontstaan die elkaar, in Gods naam naar het leven staan.
De Kerk maakte God nog ongelooflijker. Almachtig, maar manipuleerbaar, iemand die op bevel van priesters duivels uitdrijft (het doopsel), brood en wijn in vlees en bloed omtovert en zich laat paaien en omkopen door gebeden en offergaven. Algoed, maar om goed te doen wil hij geflatteeerd en aanbeden worden.
Het christendom is tegennatuurlijk, verbiedt de mens van zichzelf te houden en van de schepping te genieten, predikt abstinentie, zelfkwelling en ledigheid. Wat moet een mens met een religie die moord en brand schreeuwt als je ?s zondags de akker bewerkt om je gezin te voeden ? Wat moet je met een God die zich zorgen maakt over wat, hoeveel en wanneer je eet ? Met een Kerk die niet opkomt voor de uitgebuiten maar gemene zaak maakt met de onderdrukkers ?
Godsdienst voert mensen dronken van enthousiasme, wiegt ze in slaap met de belofte van onaards geluk, zodat ze hier en nu in ellende berusten. Maar, besluit de baron, waarheid zal zegevieren over leugen, de ketenen van het (bij)geloof zullen verbroken worden. Hij maakte dat niet meer mee, enkele weken voor het uitbreken van de Franse Revolutie gaf d'Holbach de geest.
Gie Van den Berghe, in de Standaard der Letteren, 20-11-2003
(met dank aan Staf Beeckmans, die ons attent maakte op dit artikel).

Wim Mielants (1943) is hoogleraar wiskunde aan de Universiteit van Gent, met opdrachten in de algebraïsche topologie, de fractaalmeetkunde en de filosofie van de wiskunde. Met talrijke publicaties in internationale tijdschriften gaat zijn huidige interesse uit naar platonisme, intuïtionisme, formalisme, wiskundige concepten en biologisch bewust humanisme.
De bedoeling van deze tekst is de nieuwe richting aan te wijzen waarin de Verlichting vandaag evolueert, althans vanuit het standpunt van de wetenschapsfilosofie. Ik heb het hier vooral over de vorming van een nieuw mensbeeld dat steeds meer afstand neemt van het klassieke humanistische mensbeeld. Het is een mensbeeld dat veel dichter bij de dieren staat, het is een mensbeeld dat ook vrouwelijker is. Verschillende ingebeelde eigenschappen die het humanisme de mens heeft toebedeeld hebben inderdaad een eerder mannelijk karakter, zoals de mogelijkheid om een zuiver rationele controle te kunnen uitoefenen op eigen gedachten, gevoelens, emoties en daden. Bij het nieuwe mensbeeld vallen die allemaal weg en daardoor krijgt dit een vrouwelijker karakter. Ik zal trachten te beschrijven hoe wij ons langzaam en met heel veel moeite trachten los te maken van een hele hoop illusies die heel sterk in ons onderbewustzijn leven. Het is onvoorstelbaar hoeveel wij onszelf kunnen wijsmaken, zeker als het om zaken gaat die ons zelfzekerder maken. Wie denken wij feitelijk wel dat wij zijn ? Maar het staat natuurlijk in een oude mythe geschreven : God schiep de mens naar zijn eigen beeld, en dat zit diepgeworteld in ons onderbewustzijn, daar geraken we niet zo gemakkelijk van af. Het resultaat is echter dat we daardoor nu nog met een erg verwrongen kunstmatig en onvolwassen beeld van onszelf zitten. Onze zelfkennis zit nog in zijn kinderschoenen. Wij zullen het humanistisch mensbeeld niet deconstrueren zoals vele postmoderne filosofen doen. We zullen het verdiepen. Deze poging tot verdieping, zoals de wetenschapsfilosofie die nu ziet, is het onderwerp van deze tekst. Hoe gaat het met de Verlichting vandaag vanuit het standpunt van de postmoderne filosofie ? Lyotard, een postmodern filosoof van Parijs verklaarde ooit: wij hebben de Verlichting nooit willen doden, ze is vanzelf doodgegaan. Juist zoals bij het Marxisme zijn er alleen nog maar een paar idealisten die daarin geloven.
Bekende postmoderne filosofen zoals Rorty en Derrida geloven echter nog wel in het sociaal-politiek Verlichtingsproject. Alleen het filosofisch-wetenschappelijk project is voor hen dood. Ze geloven dus nog voor de helft in de Verlichting. De meeste wetenschapsfilosofen geloven nog in beide projecten, op voorwaarde echter dat de inhoud van verschillend klassieke fundamentele begrippen zoals : rationaliteit, objectiviteit en waarheid verder worden uitgediept en gewijzigd. Hillary Putnam noemde dit geheel van nieuwe ideeën en begrippen omtrent de Verlichting : de Derde Verlichting. De eerste Verlichting was dan die van de oude Grieken, de tweede deze die in de 17e eeuw begonnen was en die nu nog bestaat. Ik vind die benaming nogal pretentieus, het doet denken aan het Derde Rijk van Hitler, en het is ook niet eerlijk. De eerste Verlichting is inderdaad uitgedoofd, maar de tweede gaat gewoon continu over naar de derde. Een andere naam hiervoor die ook beter de nieuwe geest aanwijst is de Pragmatische Verlichting. Deze staat in zekere zin tussen de tweede –klassieke– Verlichting en het postmodernisme. Postmoderne filosofen zien de klassieke begrippen van rationaliteit, objectiviteit en waarheid als de zuilen waarop de tempel van de wetenschap steunt. Vallen die om dan stort het hele gebouw van de Wetenschap ineen. Deze klassieke begrippen waren zeker briljant voor de 18e eeuw, maar het waren in feite toch maar de eerste benaderingen van iets dat veel complexer is. Als kleine wortels voor de kleine boom die de wetenschap van de 18e eeuw toen nog was volstonden ze echter. Voor de reusachtige snelgroeiende boom van de wetenschap van vandaag zijn er echtersterkere, meer diepgaande wortels nodig.
Bij het Postmodernisme ligt de nadruk op deconstructie. Bij de Pragmatische Verlichting ligt de nadruk op verdieping. Ook het mensbeeld van de Pragmatische Verlichting heeft niet meer dat zelfgenoegzame, zich centraal stellende van het klassieke humanisme, maar ook niet het wanhopige en losgeslagene van de postmoderne mens. Het is een mensbeeld dat concreter is. Ik zal ook trachten aan te tonen dat men binnen de Pragmatische Verlichting het maakbaarheidsideaal –van mens en maatschappij– kan verdedigen. Maar om de Pragmatische Verlichting goed te kunnen begrijpen moeten we eerst weten wat de klassieke Verlichting is en wat de twee verlichtingsprojecten juist zijn.
Laten we nu teruggaan naar de 18e eeuw en meer bepaald naar het jaar 1784, dus vijf jaar voor het uitbreken van de Franse Revolutie in Parijs. Dat jaar stelde de academie van Berlijn de vraag : wat is de Verlichting ? Het welbekende eenvoudige en duidelijke antwoord van de belangrijkste Verlichtingsfilosoof van die tijd : Imanuel Kant was de bedoeling van de Verlichting is in de eerste plaats de mens volwassen te maken. Hij moet durven zelfstandig en kritisch na te denken. Hij moet alles in vraag durven stellen en los van elke autoriteit opinies opstellen, hij moet mondig worden.
Een maatschappij waarin iedereen zijn eigen persoonlijke overtuigingen heeft kan alleen maar werken als iedereen tolerant is t.o.v. de overtuigingen van de anderen. We zullen zien dat de Pragmatische Verlichting nog meer volwassenheid zal vragen. Een kind ziet zichzelf in het centrum van de wereld. Dat doet de mens uit het klassieke humanisme ook. Daar moeten we ook van af geraken. De rest van de brief van Kant is minder belangrijk : hij is geschreven omdat Kant wist dat de toenmalige koning van Pruisen, Frederik de tweede deze brief zou lezen. Hij wilde de wantrouwige koning geruststellen dat zijn ideeën nooit tot burgerlijke ongehoorzaamheid zouden leiden, omdat verlichte burgers dit nu eenmaal nooit zouden doen. Dit was wel 5 jaar voor het uitbreken van de Franse revolutie. Belangrijker echter is : wat zijn die twee beroemde verlichtingsprojecten ? Het filosofisch-wetenschappelijk project stelt dat we met zuiver rationele middelen de waarheid steeds beter moeten benaderen. We moeten een steeds objectiever beeld vormen van de wereld en onszelf. Het sociaal-politiek project stelt dat we met rationele middelen moeten werken aan de opbouw van een maatschappij waarin vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid heersen, en waarin wreedheid en onderdrukking moeten uitgebannen worden. Om deze vooruitgang mogelijk te maken moet ook ieder mens eerst aan zichzelf werken. Het eerste project is wetenschapsfilosofie en kennistheorie. Het tweede is ethica en sociologie. Wij zien dit nu als duidelijk gescheiden onderwerpen. Maar in de 18e eeuw werd dit als een enkel project opgevat. Hoe is dit te begrijpen ? Al de verlichtingsfilosofen van de 17e en 18e eeuw hadden de overtuiging dat de waarheid ons zou bevrijden, ons zou verlossen. De Verlichting van de 17 eeuw had een jonge vader : de nieuwe wetenschap van Galileï, en een oude moeder : het Christendom. Men geloofde niet dat de waarheid die de wetenschap zou geven deze van het Christendom zou zijn, maar men geloofde wel dat ze een gelijkaardig karakter zou hebben, en het Christendom is zoals vele godsdiensten en mythen een verlossingsleer. Alles eindigt goed. Men geloofde oprecht dat als de deuren van de waarneming zouden gereinigd zijn alles ons zou toeschijnen zoals het is : oneindig, diepgaand en prachtig. Die Verlichtingsdenkers geloofden in het bestaan van God, een onsterfelijke ziel en de zin van het menselijk bestaan. Let wel, ze volgden geen autoriteit, geen tekst geen profeet. Descartes, Spinoza, Leibniz, Kant ze deden het elk op hun manier. Hun Godsbegrippen waren verschillend, hun Godsbewijzen ook. Bewust waren ze zelfstandig en rationeel bezig, maar in hun onderbewustzijn leefde nog het mythische aspect van het Christendom. En daarom geloofden ze dat de waarheid die de wetenschap zou ontdekken iedereen zou gelukkig maken, wat ook de godsdienst was waarin men geloofde. Alle godsdiensten zouden zich door die waarheid verrijkt voelen en ze zou de mensen over heel de wereld ongeacht hun overtuiging binden. Voor het eerst werd er niet meer gesproken over de trots van het eigen volk, eigen ras, eigen cultuur, eigen godsdienst en over de verdediging ervan tegenover de barbaren daarbuiten.
Men geloofde dat al die volkeren, rassen, culturen, en godsdiensten nu hun eenheid zouden vinden in die waarheid die de Verlichting op rationele wijze zou ontdekken. En zo zou men dus een wereldmaatschappij kunnen opbouwen waarin alle mensen broeders zouden zijn. Daarom zagen ze dus beide Verlichtingsprojecten als een geheel. Geen van hen heeft er ooit aan gedacht dat de waarheid misschien iets verschrikkelijks zou kunnen zijn voor ons mensen, dat velen zich fanatiek zouden verschuilen achter hun respectievelijke mythen en dogma's en de wetenschap zouden haten. Wanneer is dit begonnen ?
Zulke ideeën kwamen pas echt naar boven na 1859, na de publicatie van de evolutietheorie van Darwin. Want hoe prachtig die evolutietheorie ook is, ze voldoet helemaal niet aan de eisen van een mythisch verhaal. Wij worden niet voortgebracht door iets dat hoger is, maar door iets dat lager is, door het domme toeval. Er is helemaal geen doelgerichtheid, geen zin, er zijn alleen toevallige mutaties die in feite drukfouten zijn en natuurlijke selectie. Dat die evolutie de meest prachtige wonderlijke structuren heeft voortgebracht inclusief onszelf is voor velen blijkbaar bijzaak. Het ontbreken van elke vorm van doelgerichtheid weegt voor velen te zwaar en gaat te hard in tegen ons verlangen naar het mythische. Nietzsche was een van de eerste filosofen die deze niet-mythische visie van de waarheid beschreven heeft. Hij sprak over een mensheid die misschien kon doodbloeden aan de waarheid, over een mensheid die ronddwaalde in een oneindig Niets. Dit is al een heel andere taal dan deze van de verlichtingsfilosofen. In het begin van de 19e eeuw had men nog een eerder overdreven harmonisch beeld van de Griekse cultuur of dus van de eerste Verlichting. Door een analyse te maken van de Griekse tragedie doorprikte Nietzsche deze toverachtige bovenlaag van harmonie, filosofische wijsheid, democratie en wetenschap. Daaronder lag een angst voor de zinloosheid van het menselijk bestaan. Dit is het beroemde onderscheid tussen de cultus van Apollo en deze van Dionysos. Apollo was de God van de sereniteit, de harmonie, de rationaliteit, de objectiviteit, de wijsheid, de geest, het abstracte. Dionysos was de god van de wijn, van de levenslust, van het passionele, maar ook van het tragische en het zinloze in het menselijk bestaan. Het is de God van het vlees. In de Griekse tragedie wordt het Dionysische vertolkt door een koor van saters. De toeschouwer identificeert zich eerst met dit betoverend koor en met het passionele en ook het verschrikkelijke van het menselijk bestaan. Daarna echter brengt de illusie van Apollo de redding, het is een soort van sublimatie tegenover de frustraties opgelopen door dat koor van saters. Het is een vlucht van de harde realiteit naar een harmonische droomwereld. De klassieke Verlichting ligt duidelijk binnen het kamp van Apollo. De Pragmatische Verlichting ligt eerder in het kamp van Dionysos.
Ik zou ze zelf de Verlichting van het Vlees durven noemen. Rationaliteit en morele intuïties liggen daar diep in het vlees. Ze zijn heel erg afhankelijk van de erg toevallige structuur van ons lichaam en in bijzonder van onze hersenen.
Maar wat voor zin heeft het om over de waarheid te spreken en over het feit dat de waarheid iets prachtigs of iets verschrikkelijks is voor ons als het fragment dat we van de wereld kunnen opvangen misschien verwaarloosbaar klein is. Alles hangt er van af hoe complex de wereld is, en dat kunnen we niet weten. Als de wereld oneindig complex is, of eindig maar zeer groot complex dan zal dit fragment voor eender welk levend wezen, of het nu een virus of een plant, of een mier, of een dolfijn of een mens of een hypothetisch wezen dat zich in complexiteit verhoudt tot ons als wij tot een virus, steeds verwaarloosbaar klein zijn. Misschien zijn er fundamentele waarheden over de wereld in zijn geheel te vertellen, maar dan zullen ze wel in een taal moeten uitgedrukt worden die zo complex is dat onze menselijke hersenen er niets mee kunnen aanvangen. Juist zoals belangrijke waarheden over het menselijk leven niet uitdrukbaar zijn in de taal van de bijen. Het enige wat voor elk levend wezen zinvol is, is zijn eigen fragment hoe klein dit ook mag zijn. Het boeiendste zijn natuurlijk de verste grenzen van dit fragment, de limieten van wat op een of andere manier nog verstaanbaar kan gemaakt worden als een mogelijke structuur van ervaring. In wat voor taal kunnen uitspraken over de verste limieten van de menselijke ervaring uitgedrukt worden ? Er zijn natuurlijk ervaringen die men alleen maar moet ervaren en waarmede de taal niet veel kan doen. Mystieke ervaringen bijvoorbeeld. We hebben het hier feitelijk meer over limieten van beschrijfbaarheid. Plato, misschien de meest belangrijke figuur uit het kamp van Apollo had zulk een bewondering voor het fantastische werk van al die meetkundigen van Pythagoras tot Euclides dat volgens hem God heel de tijd niets anders dan meetkunde deed. Voor Plato waren alleen de wiskundige vormen reëel, ruimte, tijd, stof en energie waren daar maar schaduwen van. Voor Plato was die taal dus zeker de taal van de wiskunde. Nu in de 21 eeuw is dit veel duidelijker en concreter geworden. Als we nu vast zitten met diepgaande problemen over ons fysisch wereldbeeld, dan is dit meestal een taalprobleem in die zin dat de taal van de wiskunde op het ogenblik nog niet krachtig genoeg is, en dat dus nieuwe geschikte wiskunde moet bijgemaakt worden. De problemen die we nu hebben om relativiteitstheorie en kwantumtheorie onder een hoed te brengen zijn daar een klassiek voorbeeld van.
Zo wordt het steeds duidelijker dat ruimte-tijd niet zo fundamenteel is als we vroeger dachten, en eerder moet opgevat worden dan benadering van iets dat veel fundamenteler is. Of we in staat zullen zijn een wiskundige taal te kunnen opstellen die dit kan beschrijven weten we nog niet. Het feit echter dat de wiskunde onvoorstelbare voorspellingen kan doen, zoals het bestaan van nieuwe elementaire deeltjes met bepaalde massa en lading, die perfect uitkomen met cijfers die juist zijn tot 12 decimalen na de komma, is niet niets.
In 2007 wanneer de nieuwe deeltjesversneller in Geneve zal klaar zijn zullen we op gelijkaardige wijze nieuwe theorieën kunnen testen, zoals super-symmetrie. Dit zijn dus geen mythische droomwerelden meer zoals in de tijd van Plato. Dit is heel concreet geworden. Wiskunde is juist zoals muziek een creatieve kracht die diep gegrond is in de menselijke natuur. Zij maakt voortdurend nieuwe structuren die ze zelf analyseert, en die ze soms terugvindt in de wereld en in onze eigen gedachten we projecteren deze wiskundige structuren in de wereld, soms passen ze daar zeer goed in. Dan kunnen we soms een wiskundig model van de werkelijkheid opstellen die een heel sterke voorspellingskracht heeft, die logisch heel samenhangend is en die zeer vruchtbaar en mooi is. Dit wijst er op dat we iets van die werkelijkheid hebben begrepen. En zo gaan we op een pragmatische wijze stap voor stap verder. De grenzen van de beschrijfbare menselijke ervaring zijn dus gebonden aan de grenzen van de wiskundige taal die we kunnen voortbrengen. Daar is de zoektocht naar de waarheid het meest avontuurlijk. Het belangrijkste verschil met de visie in de klassieke Verlichting is dat men beseft dat theorieën geen spiegels kunnen zijn van de wereld. Men spreekt hier van fragmenten van de wereld en van het opstellen van modellen met een sterke voorspellingskracht en logische coherentie. Die modellen die samengesteld zijn uit wiskundige begrippen vertellen ons niets over het wezen van de dingen, maar enkel over de relaties tussen die dingen. Er wordt voortdurend vooruitgang gemaakt, in die zin dat nieuwe modellen uitbreidingen zijn van oude waarin men echter meer problemen kan oplossen. Wel is het zo dat er altijd meer nieuwe problemen worden gesteld in het nieuwe model dan dat er opgelost worden in het oude. Het Licht wordt dus steeds groter, maar de Duisternis groeit sneller als het Licht. We begrijpen hoe langer hoe meer van de wereld, maar we hebben soms het gevoel er hoe langer hoe minder van te begrijpen omdat het aantal open vragen steeds groter wordt t.o.v. het aantal beantwoorde vragen.
Maar dit alles is natuurlijk niet wat de mensen nodig hebben. Dit is allemaal veel te complex en te abstract. De God van Plato of van Einstein gaat de mensen zeker niet binden. Wat we nodig hebben is iets hogers dat ons gewild heeft. We verlangen naar een wereld die zwanger is geweest van de mensheid of toch op zijn minst van het leven. Het leven kan dan wel bij toeval ontstaan, er zijn toch bepaalde voorwaarden waaraan de wereld moet voldoen opdat leven zou kunnen ontstaan, zoals het bestaan van materie, stabiele atomen, en de vorming van stabiele sterren en planeten. Naargelang de natuurkunde evolueerde bleek de kans dat aan die voorwaarden allemaal voldaan werd steeds kleiner te worden. Alleen maar voor het bestaan van materie was er al een symmetriebreuk nodig heel kort na de Big Bang die eerder onwaarschijnlijk bleek te zijn.
Het komt er op neer dat we enorm veel geluk hebben gehad dat we in een wereld leven waarin leven kan ontstaan. Het design argument zegt dat als we een structuur tegenkomen die heel erg onwaarschijnlijk is, dat de kans dan groter wordt dat er een ontwerper bestaat die deze structuur doelbewust heeft gemaakt. Vroeger werd dit argument al gebruikt i.v.m. het bestaan van eender welk levend wezen. Darwin heeft dit argument ontkracht door aan te tonen dat elk levend wezen niet direct geschapen is maar het resultaat is van miljarden jaren evolutie, waarbij elke elementaire stap of mutatie helemaal niet onwaarschijnlijk is. Gaat men er echter vanuit dat verschillende onwaarschijnlijke symmetriebreuken binnen de eerste seconde na de Big Bang nodig zijn, en dat die Big Bang werkelijk het begin van de tijd zou zijn, dan moeten we ofwel onvoorstelbaar veel geluk gehad hebben ofwel moet er een Ontwerper hiervoor bestaan. Theologen vinden het laatste het eenvoudigste. Ze noemen dit het Anthropisch princiep. De wereld is zo gemaakt dat het leven er in kan –sommigen zeggen zelfs er in moet– ontstaan. Er is natuurlijk nog een alternatief. Dat is dat er iets mis is met het Big Bang model. Dat er een Big Bang is geweest blijkt duidelijk uit vele waarnemingen. Maar het is niet zo duidelijk of dit als het begin van het heelal moet gezien worden, of eerder dan een faseovergang tussen twee gebieden van een veel groter heelal. Men weet op het ogenblik niet goed hoe dit te verifiëren. Na de ontdekking in 1998 dat het heelal versneld uitdijt werden mogelijke Big Bang scenario's hoe langer hoe ingewikkelder en de kans voor de vorming van een heelal waarin leven kan ontstaan werd hoe langer hoe kleiner. Het idee van de Big Bang te zien als een faseovergang wint steeds meer veld. In de huidige stand van de membranentheorie, een theorie die zeker nog niet af is, maar die wel de sterkste blijkt te zijn om relativiteitstheorie en kwantumtheorie onder een hoed te brengen is het aantal mogelijke heelal oplossingen eindig, maar wel zeer groot –getal waarvoor ongeveer 10100 decimalen nodig zijn om het uit te drukken–. Men denkt nu dat al die oplossingen ook reëel voorkomen en door faseovergangen met mekaar verbonden zijn. Susskind noemt dit het Anthropisch landschap. Deze wereld is niet zo groot als het oude wereldbeeld van Newton –want die is oneindig–, maar ze is veel minder saai. Alle mogelijke werelden zitten er in, het aantal ruimtedimensies van elk daarvan kan van alles zijn (in onze wereld is die 10 waarvan er maar 3 glad genoeg zijn om te kunnen waargenomen worden), en de natuurwetten van elke wereld volgen uit de meetkunde ervan. Ons heelal betekent in die grote wereld onvoorstelbaar veel minder dan een druppeltje in de oceaan. In zo een grote complexe wereld moeten er onvoorstelbaar veel soorten van levensvormen bestaan. De mensheid betekent hierin natuurlijk helemaal niets meer. In de Oosterse filosofie heeft men in tegenstelling met het Westen helemaal geen problemen met zulk een wereldbeeld. Decentratie, zich uit het centrum stellen ligt daar voor velen aan de basis van elke ernstige vorm van religiositeit. In het Westen leggen vele filosofen er zich nu bij neer dat de mens geen centrale rol speelt in de wereld.
Er zijn echter postmodernisten die vreemd genoeg ook daar problemen mee hebben, misschien omdat ze het heel de tijd alleen maar over de mens hebben. Anderen zeggen : het komt er niet op aan of de mens in het centrum staat, het komt er alleen op aan of hij een centrum heeft. Misschien is God dood, als de mens maar niet dood is. Misschien heeft de mens geen onsterfelijke ziel, als hij maar een centrum, een Zelf heeft.
De neurobiologie wijst in een andere richting. De hersenen blijken wel uit de vele miljoenen bits informatie die het elke seconde ontvangt vanuit het lichaam, de zintuigen, het geheugen, de genen enz… een soort van film te monteren voor het bewustzijn. Deze film bestaat uit een heel klein gedeelte van al die informaties, ze bevat visuele beelden, beelden van de andere zintuigen, emoties, gevoelens, intuities, gedachten, begrippen, herrinneringen enz… We noemen deze film de organische virtuele realiteit voortgebracht door de hersenen. We hebben soms het gevoel dat deze film afgespeeld wordt op een bepaalde plaats in de hersenen –het Cartesiaans Theater– en dat daar iets naar zit te zien (het Zelf). Niet alleen speelt dit Zelf de hoofdrol, dit Cartesiaans theater is ook het commandocentrum van waaruit al de acties van het lichaam worden bestuurd –in bijzonder het vervolg van die film–. Het idee is nogal absurd, want dan zou dit Zelf in zich weer een dieper Zelf moeten bevatten die naar de film opgesteld uit de waarnemingen van dit Zelf kijkt, en zo kan men blijven voortdoen. In de neurobiologie weet men trouwens al geruime tijd dat er geen centrale waarnemer of actor of cartesiaans theater bestaat. Alles is heel erg gefragmenteerd. Het Zelf wordt nu meer gezien dan een gevoel, zelfs een gevoel van een gevoel, een deel dus van die organische virtuele realiteit gemaakt door onze hersenen. Het is een zeer nuttig gevoel in de strijd voor het voortbestaan. Sommige filosofen zeggen, eerst hadden we de dood van God, nu hebben we ook nog de dood van de mens. Bestaan wij dan niet ? Natuurlijk wel, er is een lichaam een geheugen, bijzondere karakteristieke manieren van reageren, dus een persoonlijkheid, en nog zoveel meer. Maar er is geen centrum. Wel een zeer flexibel spel van miljarden moleculen. Maar er is nog meer. Als we kijken naar de neurale patronen binnen het pijncentrum van iemand die pijn heeft, en we voelen het gevoel van pijn, dan nemen we twee verschillende dingen waar. Het ene is materie en het andere is informatie, maar meer als louter bits van informatie, het is kwalitatieve informatie, men noemt dit ook qualia. We hebben hier een fundamenteel belangrijke overgang van neurale patronen naar mentale patronen en veel begrijpen we daar nog niet van. Welke neurale patronen liggen aan de basis van welke gevoelens en gedachten ? Het is nog science-fiction, maar wel de belangrijkste die denkbaar is. Het is de basis van onze zelfkennis in de toekomst. Artificiële intelligentie wordt algemeen ook gezien als een van de belangrijkste projecten voor de mensheid in de 21e eeuw
Mogelijk, maar dan zal men toch eerst moeten te weten komen hoe men mentale patronen, of qualia kan produceren. Een robot zal in de eerste plaats moeten kunnen ervaren, moeten kunnen een subject zijn, anders blijft het een soort van veredeld fototoestel. Zonder mentale beelden geen gevoelens, geen emoties en geen gedachten. Daarom twijfel ik er ook aan of artificiële intelligentie iets voor de nabije toekomst zou zijn of alles zou onverwacht in een soort van stroomversnelling moeten geraken. Het zou natuurlijk iets fantastisch zijn, juist zoals die op de rotswanden van de prehistorie gedrukte en geschilderde hand zou ze zeggen –ook al zijn wij er al lang meer–: dit is de mens, zijn denken en voelen. Men spreekt soms over rationaliteit los van alle emotie. Dit is onzin tenzij voor erg triviale gevallen. Personen die hersenletsels opliepen met emotionele stoornissen als gevolg bleken achteraf niet meer in staat te zijn om bepaalde rationele redeneringen of beslissingen te maken. Emotionaliteit en gevoelens liggen aan de basis bij de opbouw van een rationele redenering. Dit is in feite logisch, omdat de neurale patronen die aan de basis liggen van de opbouw van emoties en gevoelens evolutionair bekeken veel ouder zijn als deze die aan de basis liggen van rationele redeneringen. Die laatsten liggen dus ingebed, en zijn als het ware gegroeid uit de eerste. We weten helemaal niet hoe die neurale patronen groeien. Veel wijst er echter op dat oude patronen soms nieuwe functies krijgen. Zo heeft men bijvoorbeeld al gezien dat een bepaald molecule dat nodig is bij een cel deling, een functie die al bijna zo oud is als het leven zelf, ook gebruikt wordt om overbelasting in het geheugen tegen te gaan. Dit molecule vernietigt regelmatig geheugenvorming bij dieren –ons in begrepen–. Dit is een nieuwe bijfunctie voor dit molecule. Sommigen denken nu dat de abstracte menselijke taal –met grammatica– een nieuw bijproduct is van een reeks van patronen in het sensorisch-motorisch systeem. Enkele wiskundigen hebben er zich mee bezig gehouden biologische functies te zoeken waarvan de onderliggende patronen dezelfde logische structuur zouden moeten hebben als deze die nodig zijn voor sommige intuïties of redeneringen. Het patroon nodig om tijdens de droom niet goed gesloten programma's van overdag te sluiten zou eventueel kunnen dienen om een bepaalde redenering uit het bewijs van de beroemde stelling van Gödel te construeren. Het patroon nodig om instructies te sturen geassocieerd aan de werking van een biologische klok zou kunnen dienen voor onze intuïtie van het keuzeaxioma –een belangrijk axioma uit de verzamelingenleer dat zegt dat we bij een familie van verzamelingen uit elke verzameling een element kunnen kiezen. Dit axioma ligt aan de basis van veel problemen in de filosofie van de wiskunde–. Bij elke gedachte die we denken, bij elk gevoel dat we voelen zouden we feitelijk blij mogen zijn dat de nodige patronen hiertoe aanwezig zijn (we kunnen nu eenmaal niet in het luchtledige denken of voelen). Anderzijds zouden we kunnen treuren dat we zovele sublieme gedachten of gevoelens niet kunnen kennen bij gebrek aan patronen.
De rationaliteit uit de klassieke Verlichting verheven boven emoties en toevalligheden staat hier ver van af. Maar zulk een rationaliteit is volledig onrealistisch. De mens zou daarvoor bijna een halfgod moeten zijn. Zijn we echter met de rationaliteit zoals we ze nu beginnen te kennen nog tot objectiviteit in staat ?
Wij beschikken over een ingewikkeld netwerk van geloofselementen. Enkele zijn rationeel opgebouwd maar de overgrote meerderheid is intuïtief. Het grootste gedeelte is onbewust, wij geloven in veel zaken zonder het zelf te beseffen. Vanaf het ogenblik dat de mens ook over een taal beschikte hebben we ook geloofselementen die uitspraken zijn. We zullen deze geloofsovertuigingen noemen. Dit netwerk staat in erg direct contact met het netwerk van gevoelens emoties en verlangens. Wij streven er naar beide netwerken in harmonie te houden en ook om het netwerk van geloofselementen zo coherent mogelijk te houden. Dit is meer als gewoon een streven, het is een heel sterk instinct dat we niet zomaar naast ons kunnen neerleggen. Als die harmonie of coherentie erg kwijt is, zijn we ook niet meer tot zinvol handelen en denken in staat. We voelen ons dan als drenkelingen die geen houvast vinden. We willen ook steeds onze kennis van de wereld en onze omgeving groter maken, en zo komen we soms tot inzichten die verschillende van onze geloofsovertuigingen tegenspreken.
Een conservatieve reactie is ontkenning of verzwijgen. Dit wordt gesterkt door de aanmaak van intuïties die deze inzichten als vijandig of vals voorstellen. In het andere geval komt het er op neer dat we een nieuwe coherentie moeten zoeken. Hiervoor moet soms een geheel nieuw begrippenschema opgesteld worden. Dit was zo het geval bij Copernicus, Darwin, Freud, Einstein of bij de ontdekking van de kwantumtheorie. Vooral bij Darwin ging dit ook gepaard met een storing in de harmonie met ons netwerk van verlangens. We spreken dikwijls over ons zoeken naar waarheid. Waarheid is weer zo een subliem woord dat we niet kunnen missen. In de praktijk is het een begrip waar we dikwijls niet veel mee kunnen aanvangen en die voor veel verwarring zorgt. Ze wordt te pas en te onpas gebruikt. Van een morele intuïtie bijvoorbeeld kan men zeggen dat ze vanuit een bepaald standpunt bekeken goede resultaten geeft en dat ze vruchtbaar is, maar men kan toch niet zeggen dat ze waar is. In de praktijk is ons zoeken naar waarheid, meestal een zoeken naar meer coherentie. Vooral postmoderne filosofen hebben gewezen op het feit dat vooral de geloofsovertuigingen die we overgekregen hebben van de culturele gemeenschap waarin we geboren zijn onbewust de geest en de richting van ons denken bepaald, zelfs al hebben we het gevoel heel autonoom en kritisch te denken. Ik kan ze daarin alleen maar gelijk geven. De vraag is dan of objectiviteit nog wel mogelijk is.
Misschien kunnen we niet zuiver rationeel los van alle intuïtie denken, we kunnen soms wel achteraf het intuïtieve schrappen en in onze tekst alleen het zuiver rationele overhouden. Zo werkt het toch in de wiskunde. Wiskunde is in feite de diepste kern van rationaliteit en objectiviteit. In wiskunde ziet men dan ook het duidelijkst wat de limieten zijn van rationaliteit en objectiviteit. In 1918 is David Hilbert –misschien de grootste wiskundige aller tijden– aan de uitwerking van een reusachtig programma begonnen. De bedoeling van het Hilbert programma was de wiskunde los te maken van alle intuïtie en ze te herleiden tot een spel van tekens die geen betekenis hebben en die alleen maar herkenbaar moeten zijn. Niets mag enige betekenis hebben, want zodra iets betekenis heeft is er intuïtie in het spel. De bijbel begint met : In den beginne was het Woord, of dus de wereld begint met betekenis. Hilbert begint zijn programma met : In den beginne was het teken (dat een vorm is zonder betekenis). Het is zoals de moleculen van ons D.N.A., vormen die op zich geen betekenis hebben. Het is pas door de werking die ze veroorzaken dat ze betekenis krijgen. Door een vernuftig systeem van coderingen kon Hilbert de uitspraken en axioma's van een gegeven wiskundige theorie omzetten in rijen van streepjes, en logische deducties in eindige manipulaties met die streepjes. Voor verschillende eenvoudige wiskundige theorieën konden zijn medewerkers de consistentie en de volledigheid op die manier bewijzen –een theorie is volledig als elke uitspraak of zijn negatie kan bewezen worden–. Zulke wiskundige theorieën konden dus volledig van alle intuïtie gereinigd worden. Alles kan herleid worden tot een eindig spel van betekenisloze tekens. Het doel van Hilbert was ook de verzamelingenleer los te maken van alle intuitie. Zo zouden we het Oneindige los kunnen maken van alle intuïtie, en zouden we dus voor het eerst de werkelijke natuur van het Oneindige kunnen begrijpen. Dit zou een van de grootste overwinningen voor de menselijke geest zijn. Dit was echter te ver gegrepen. Eerst moest men nog de elementaire rekenkunde los kunnen maken van intuïtie. Dit is dus de wiskunde van de lagere school, de natuurlijke getallen : 1,2,3,4, …met de optelling en de vermenigvuldiging. Het was in 1930 dat de jonge Kurt Gödel bewees dat dit niet meer mogelijk was. Deze stelling wordt door velen gezien als de belangrijkste stelling van de wiskunde, en het was de doodsteek voor het Hilbertprogramma. Gödel toonde aan dat men de consistentie van de rekenkunde onmogelijk met eindige rationele middelen kon bewijzen en dat ze onvolledig was, en dat ze dat ook steeds zou blijven, ook al voegt men nieuwe axioma's bij. Men moest echter wachten tot 1978 tot er eindelijk voorbeelden gevonden werden van gewone stellingen over natuurlijke getallen die niet met eindige rationele middelen konden bewezen worden. Men kan die stellingen wel bewijzen als men gebruik kan maken van het begrip van een oneindige verzameling, maar die is niet reduceerbaar tot het eindig rationele. Hier zijn we dus onze objectiviteit kwijt. Sommige wiskundigen geloven niet in oneindige verzamelingen.
En voor heel hoge vormen van oneindigheid, is er veel discussie tussen de wiskundigen. Hoge vormen van oneindigheid zullen pas in bewijzen aanvaardt worden door de wiskundige gemeenschap als ze veel praktisch nut hebben. Dat is op het ogenblik nog niet voldoende, maar het begint toch. Men heeft onlangs stellingen omtrent knopen weten te bewijzen –topologie– gebruik makend van heel hoge vormen van oneindigheid. Dat is een goed begin. Het Hilbertprogramma is dus mislukt, maar het was een van de meest geniale mislukkingen uit de geschiedenis. Dank zij de technieken ontwikkeld in het Hilbertprogramma hebben twee geniale leerlingen van Hilbert : von Neumann en Turing in 1947 respectievelijk in de U.S.A en in Engeland, de eerste computers geconstrueerd. Er zijn geschiedkundigen die beweren dat zonder het Hilbert-programma we nu nog geen P.C's zouden hebben. Maar de filosofische gevolgen zijn voor mij belangrijker. Met rationaliteit alleen kunnen we niet veel doen. We moeten ze combineren met intuïtie, maar niet met eender welke vorm van intuïtie. Ze moet samen opgegroeid zijn met de rationaliteit van vandaag, die twee moeten mekaar beïnvloeden. En we moeten het ook pragmatisch bekijken : deze intuïties moeten vruchtbaar zijn. Het eerste verlichtingsproject verloopt niet zo volmaakt als eerst gedacht werd. Het gebeurt niet perfect rationeel en objectief, en absolute waarheid is er ook niet bij. Dat was gewoon grootheids-waanzin.
Het doel is een wereldmaatschappij op te bouwen waarin veel minder wreedheid, onderdrukking en uitbuiting zou heersen, en waarin ieder mens het recht en de mogelijkheid heeft om vrij en gelukkig te zijn. Het is een ideaal waar velen naar verlangen, maar het gaat niet. Enkel binnen de extreem rijke landen krijgen we gedeeltelijke verwezenlijkingen in die richting, zoals democratie, emancipatiebewegingen en sociale zekerheid. Maar ook hier blijft het gevaar van terugval steeds reëel, zeker als het slechter zou gaan met de economie. Als we in de dierenwereld kijken, heerst daar natuurlijk ook veel wreedheid en onderdrukking, zeker tussen soorten onderling –men eet mekaar gewoon op–. Maar er bestaan toch ook vele soorten waarbinnen heel weinig wreedheid en onderdrukking bestaat –olifanten bijvoorbeeld–. Het is natuurlijk een interessante vraag of dat zo zou blijven moesten die dieren een abstracte taal ontwikkeld hebben waarmede ze logisch kunnen denken. Als ze grote gemeenschappen zouden vormen waarbij sommigen voedsel en water in overvloed zouden hebben en sommigen niets zou die vreedzame situatie misschien ook in gevaar kunnen komen. Dit wordt nog gevaarlijker als bovendien geld zijn intrede zou doen, en de mogelijkheid er was om sterke wapens te maken. Dit is natuurlijk moeilijk te simuleren. Toch heb ik het gevoel dat het tweede verlichtingsproject een meer haalbare kaart zou zijn voor ontwikkelde olifanten als voor ons mensen die een toch eerder agressieve diersoort zijn.
Er bestaat echter ook bij de mens een duidelijke gevoeligheid voor het leed van anderen, ook al behoren ze tot een ander ras of volk. Anders zou Boeddhisme, Christendom en andere mythen niet mogelijk geweest zijn en zou het verlichtingsproject zelf niet geformuleerd geworden zijn. Het kon natuurlijk allemaal nog veel erger zijn, maar dat is geen troost, zeker niet voor hen die in de miserie zitten. Nu maken verschillende antropologen een sterke verband tussen de snelle groei van de menselijke hersenen tussen twee miljoen jaar en 60000 jaar geleden, de vorming van een abstracte taal en de vorming van meer gevoeligheid voor de pijn van anderen maar ook voor schoonheid, en de vorming van de eerste culturen. Dit door er een nieuwe gemeenschappelijke verklaring voor te geven. Verschillende diersoorten hebben een groei gekend van hun hersenen die echter gestopt is zodra ze zo aangepast waren aan de omgeving dat de meerderheid van de dieren hun genen konden doorgeven voor ze dood waren, ook al waren ze helemaal niet begaafd. Geen van die dier soorten –zoals dolfijnen– hebben echter zo een ongelofelijke snelle hersengroei gekend als de mens –men zou bijna zeggen dat die groei abnormaal was, zoals de slurf van de olifanten, of de nek bij giraffen–. Dit wijst op een seksuele selectie in dit geval. Vermits mensen en bonobo's een bijna volkomen gelijkaardig seksueel gedrag hebben is het volgens verschillende antropologen het ook waarschijnlijk dat ze vroeger een gelijkaardig sociaal gedrag hadden. Dit betekent een dominantie van de vrouwen in het sociale leven die dan ook de partners uitkiezen die met hen kunnen paren. Zoals veel voorkomend in de dierenwereld zouden de mannetjes dan langs dans en eventueel zang –nog zonder woorden– die vaardigheden tonen die de vrouwen belangrijk vonden. Men denkt nu dat die vaardigheden die de vrouwen belangrijk vinden van kracht en jachtvaardigheid zijn omgeschakeld naar het kunnen uiten van gevoeligheden, waaruit bleek dat ze niet alleen met zich zelf bezig waren, dat ze zich een deel voelden van een groter geheel en vooral dat ze meer interesse hadden voor de kinderen. Een gevolg was dat het gemiddeld testosteron gehalte bij de mannetjes begon te dalen. De competitie was te sterk, en het mannetje dat het meeste gevoel kon leggen bij dans en zang bij ritualen kon met vele vrouwen en meisjes paren. Zijn genen werden dan langs vele kanten doorgegeven. Het opmerken en uitdrukken van genuanceerde gevoeligheden is echter niet zo eenvoudig voor de hersenen We weten bijvoorbeeld dat bij zekere hersenletsels, men nog alle voorwerpen kan herkennen behalve gezichten van mensen. Bijzondere structuren moeten in die periode geconstrueerd zijn om emoties op menselijke gezichten te kunnen aflezen, en dit heel genuanceerd. In bijzonder moet ook zo 50000 jaar geleden de gesproken taal als bijproduct van de zang zijn ontstaan. Men heeft sterke vermoedens dat de gesproken taal niet langzaam is geëvolueerd, maar op een bepaald ogenblik gewoon is uitgevonden, en dan van generatie op generatie, en van stam op stam is overgebracht en geëvolueerd. Het feit dat het centrum van de taal maar in een van beide hemisferen –meestal de linkse– zich heeft ontwikkeld is een van die aanwijzingen. We hebben natuurlijk ook het geluk gehad dat alles wat hiertoe nodig was aanwezig was. In bijzonder de nodige neurale patronen, maar ook goede stembanden en alles wat nodig is om te kunnen articuleren, iets dat de andere apen missen. Gevoelens voor het leed van anderen, gevoelens van schoonheid, muziek en rituaal waren toen al gevormd. Ook was er al een basis voor intuïtieve religiositeit.
De gesproken taal was eerst nog volledig ingebed in dans, zang en rituaal. Het waren eerst verhalen over dieren, de geesten van de overledenen, en de Goden. Het waren de eerste mythen. En onze morele intuïties werden hierin geprojecteerd. Later begon die gesproken taal zich los te maken van dans, zang en rituaal. Toen begonnen onze gedachten en ook onze morele intuïties een eigen leven te leiden. Er ontstond zoiets als planning, en gevoel voor tijd en het begin van rationaliteit. En toen begon er een eind te komen aan de vrouwelijke dominantie. Eerst waren het nog mooi gezongen verhalen die de criteria waren om te mogen paren, maar daarna werd dit vervangen door het vermogen om goed te kunnen plannen en leiding te geven. En zo begon het testosteron gehalte van de mannen terug te stijgen, en werden ze agressiever, wreder en dominanter. De vrouwen geraakten hun macht kwijt en het waren niet meer de vrouwen zelf, maar hun vaders die beslisten wie met hun dochters mocht samenwonen. En de criteria waren nu helemaal niet meer gevoelig dansen, maar sterk, hard en wreed zijn in oorlog voeren. Erger nog, dit alles bleek dan ook nog gepaard te gaan met het op grote schaal doden van pasgeboren meisjes. Zulke fenomenen zijn in zekere indiaanse stammen in Zuid-Amerika nog terug gevonden. Geen goede tijd voor vrouwen dus. De asymmetrie tussen de twee hersenhelften werd ook groter. Het was echter ook het begin van de cultuur en van het cultureel overdragen van mythen en morele intuïties, die echter hoe langer hoe mannelijker werden. De mannen begonnen zich steeds meer met woorden te identificeren en minder met gevoelens. De rationaliteit komt steeds meer naar boven en verdeelt alles in stukjes, geïsoleerde onderwerpen, geïsoleerde acties. Taal wordt steeds abstracter en verder van het lichaam. Het Ego groeit, en het gevoel een deel te zijn van het geheel verliest aan kracht. Er komt een Patriarchaat. Kort daarop ook de diaspora van de Homo Sapiens uit Afrika. De gemeenschappen werden groter en complexer, opperhoofden werden koningen, geld deed zijn intrede, steeds sterkere wapens werden gemaakt en de oorlogen werden hoe langer hoe bloediger. Massamoorden, foltering van gevangenen en slavernij deden hun intrede. Om die grotere gemeenschappen stabiel te houden werden wetten uitgevonden. Zij hebben morele intuïties en rationeel denken als basis. Onze sociale instincten vormen het geraamte van die morele intuïties. Bij erg arme en onveilige gemeenschappen zullen agressieve sociale instincten het belangrijkst zijn. De morele deugden zijn dan sublimaties hiervan, zoals vaderlandsliefde en heldenmoed. Meestal hoog in aanzien bij rechtse regeringen. Bij gemeenschappen die rijker en veiliger zijn kunnen sociale instincten gevoeligheid voor het leed van anderen meer kans krijgen en hebben we geassocieerde morele deugden als tolerantie, en emancipatie van onderdrukten. Men vergeet dan soms dat men tolerant is omdat men in de eerste plaats het geluk heeft in een rijk land geboren te zijn. In die omstandigheden zijn redelijke mensen tolerant. Als wij echter in een gemeenschap leven waar wij onze kinderen geen hoop voor de toekomst kunnen geven, omdat voor hen de enige mogelijkheid om aan ondervoeding te ontsnappen, criminaliteit of prostitutie is, en als wij bovendien weten in wat voor een overvloed men in de U.S.A en in West-Europa leeft, dan kan men toch niet meer tolerant zijn. Intolerante mensen zijn niet minder redelijk dan wij, ze hebben alleen minder geluk gehad. Democratie en verlichting opdringen in arme onveilige landen zal nooit stabiele oplossingen geven. Eerst een economisch systeem geven dat aangepast is aan hun cultuur en traditie, ze eerst wat rijker en veiliger maken, en dan pas kan men aan de rest beginnen.
We beginnen soms te theoretiseren over ideale maatschappij en ideale mens. Ons irationeel geloof in de overdreven kracht van de menselijke rationaliteit brengt ons er soms toe te geloven die te kunnen vinden. Meestal zijn die utopieën niet haalbaar omdat ze een te sterke rationele controle vereisen op ons denken en handelen. Men noemt dit soms maakbaarheidwaanzin. Ik zal hier nu een verdediging geven van de maakbaarheidgedachte binnen het kader van de Pragmatische Verlichting. Eerst wil ik echter opmerken dat men het geloof in de maakbaarheid van mens en maatschappij en meer algemeen het vooruitgangsgeloof zeker niet mag identificeren met de Verlichting. Dit heb ik de laatste tijd op verschillende plaatsen in de literatuur tegengekomen. Hitler had bijvoorbeeld een sterk geloof in de maakbaarheid van een nieuw menstype, de Übermensch, raszuiver, dapper, edel, vrij van alle corruptie, alles gevend voor het vaderland. Zijn duizendjarig rijk was volgens hem maakbaar, ook al moest men daarvoor eerst een wereldoorlog winnen, het joodse ras uitmoorden en alle andere niet arische rassen tot slaven maken, een voor een perfect haalbare operaties althans volgens Hitler. Dit alles heeft vanzelfsprekend niets met verlichting te maken, maar er is hier wel geloof in vooruitgang en maakbaarheid. En zo zijn er nog meer voorbeelden. Kan men binnen de verlichting ook spreken van maakbaarheidwaanzin ? In sommige gevallen wel. Van zodra men niet alleen spreekt over universele rechten van de mens, maar ook van een universele wijze van leven, van zodra men een te duidelijk omschreven beeld van de ideale Verlichtingsmaatschappij geeft kan het gevaarlijk worden. Naar mijn gevoel heeft Marx dit gedaan met zijn ideaal beeld van een klasseloze maatschappij. Het is een mogelijk model van de Verlichting, zuiver theoretisch bekeken misschien zelfs het beste. Hier ligt de maakbaarheidwaanzin niet in de immoraliteit van het doel.
De rationele controle die hier gevraagd wordt om het doel te bereiken is niet haalbaar. Men kan het erfrecht zomaar niet afschaffen omdat ons verlangen om voor eigen kinderen te sparen te groot is, juist zoals men jalousie ook zomaar niet kan afschaffen. En als men dan zoals Stalin, miljoenen boeren laat doodschieten of naar kampen in Siberië stuurt, omdat ze hun graan niet willen weggeven aan de gemeenschap, wordt het helemaal waanzinnig. Men was de controle zodanig kwijt geraakt dat de staat een karikatuur was geworden van wat Marx voor ogen had. Iets gelijkaardig is later met Mao gebeurd. De 21e eeuw is al begonnen met een confrontatie tussen twee vormen van maakbaarheidwaanzin. Al-Qaida –of het extreem terroristisch Islam fundamentalisme– is een modern nevenproduct van de globalisering, maar het einddoel is wel een erg conservatieve Moslimstaat. De neo-conservatieven van de regering Bush gaan steeds meer geloven in een soort van universele missie tegen de as van het kwaad. Hun waardensysteem wordt steeds rechtser en dat willen ze dan ook nog opdringen aan de rest van de wereld. Het oude Europa heeft na twee wereldoorlogen zijn buik al vol van utopieën en gaan al veel pragmatischer te werk. Geen specifieke doelgerichtheid, maar regelmatig emancipatie-bevorderende acties. Het grote voordeel van de pragmatische aanpak wordt duidelijk aan de hand van voorbeelden.
Zoals het verbod op discriminatie op gebied van ras, geloof, geslacht of seksuele geaardheid. Bijna iedereen ziet dit als een belangrijke stap in het Verlichtingsproject. Maar dit zou nooit een element geweest zijn van een ideale maatschappij voor eender welke verlichtingsfilosoof voor de eerste wereldoorlog. Men zou dit te verregaand en onredelijk vinden. Men was toen nog niet rijp voor zulke ideeën, omdat men nog een onvolwassen beeld had van bijvoorbeeld de zwarten in Afrika, of van homoseksualiteit. Zulke zaken kunnen niet op voorhand gepland worden, dat moet groeien. Hoogstwaarschijnlijk zullen er ook belangrijke elementen in de maatschappij van binnen honderd jaar bestaan die ook wij nu onredelijk zullen vinden omdat wij er nu nog niet rijp voor zijn. Morele intuïties moeten groeien met kleine stapjes, zoals de levende wezens in de darwinistische evolutie. Dan krijgt men de mooiste structuren. Ik weet trouwens niet of de mensheid wel zal evolueren naar een enkele stabiele tempel der mensheid, ik ben een beetje bang van eeuwenlange stabiliteit. Ik heb het gevoel dat er dan iets niet in orde is. Ik verkies dat we nog heel veel verschillende tempels der mensheid zullen meemaken. Met totaal verschillende levenswijzen, vol met steeds nieuwe avonturen. De ergste nachtmerrie –buiten het uitsterven van onze soort– is dat er een stabiele situatie zou komen met een kleine tempel van de extreem rijken, en een grote tempel van extreem armen. De nieuwste technieken van media en virtuele realiteit zouden dan gebruikt worden om de armen een gevoel van gelukzaligheid te geven. Zoals in de brave new world van Aldous Huxley. Misschien zal de verlichting eindigen in een gigantische orgie van virtuele realiteit.
Alleen, een gigantische orgie kan wel leuk zijn, maar als ze te lang duurt wordt ze wel vermoeiend, en zelfs vervelend. Ze kan alleen maar stabiel zijn als die virtuele realiteit wel heel erg verslavend is. Dit heeft niets meer met verlichting te maken, wat men ook uitspookt in die kleine tempel van de extreem rijken. Om zulk een toekomst te vermijden zouden we een minimum aan rationele controle moeten krijgen op de vrije markt en het globaal kapitalisme wat mij niet eenvoudig lijkt. Maar misschien heb ik een naïeve kijk op de dingen en loopt het vanzelf wel anders.
Wim Mielants.