Wat is de toekomst van mens en aarde ? Laten we ons hier omtrent geen illusies maken. Op astronomisch vlak zijn er een aantal zekerheden waaraan geen ontsnappen mogelijk is : in ongeveer 10 miljard jaar zal de zon door inwendige nucleaire processen zo onstabiel worden – een normaal proces dat het merendeel van de sterren doormaakt op het einde van hun bestaan – dat zij opzwelt, zodat zij met haar volume aarde en al de overige planeten van het zonnestelsel vernietigt. Geen ontsnappen mogelijk, tenzij we tegen die tijd een mogelijkheid hebben gevonden om de aarde buiten het zonnestelsel te plaatsen. Misschien geen onmogelijke opdracht; maar de mensheid, als die nog zou bestaan, onder welke vorm dan ook, zal wel wijselijk de voorkeur hebben gegeven om een ander oord in zijn melkwegstelsel op te zoeken.
Enkele zekerheden in een meer nabije toekomst zijn de volgende : het wisselend aspect van fauna en flora, een tendens die zich al van bij het begin van de schepping heeft ingezet. Deze verandering kan men als natuurlijk stellen daar het grote laboratorium van de natuur, zoals Holbach het uitdrukt, nooit rust en gedurigaan mogelijkheden uitzoekt om nieuwe vormen te ontwikkelen. Hiervoor moet de natuur wel een aantal oudere vormen opofferen. Dit zou ons alles misschien weinig deren, zouden we zelf geen intrinsiek deel uitmaken van de grondstoffen waaruit de nieuwere vormen tot ontwikkeling moeten komen. Maar dit is een langdurig proces en minstens in miljoenen jaren uit te drukken en past volledig in de natuurlijke evolutie van de soorten.
Heel wat nabijer is de werking van de mens op de natuur, hoe weinig ook die natuur zich daaraan stoort, en telkens wel weer een evenwicht vindt, een evenwicht echter waarin de mens niet meer besloten is. We denken hierbij aan klimaatsveranderingen, wat nu ook de werkelijke reden hiervan is, en de scheikundige en biologische manupulaties van de mensheid met het milieu. De machthebbers maken zich hierover niet druk; zij zijn nu eenmaal kortzichtig en leven uitsluitend in het heden.
Kunnen we hier iets aan doen, kunnen we de gang van de natuur beïnvloeden, haar op een nieuw spoor zetten ? Vergeten we het maar, de krachten waarmee we in het heelal geconfronteerd worden zijn enorm, om niet te zeggen gewelddadig. Vertrekken we vanuit het model van de Big Bang (er bestaan nog heel wat meer modellen ) dan zou het heelal ongeveer een 15 miljard jaar geleden zijn ontstaan, uit één grote explosie waaruit achter-eenvolgens de elementen, de materie dus, en vervolgens sterren en melkwegstelsels (galaxiën) zich hebben gevormd. Dit model voldoet ruim-schoots aan de vereisten om op korte termijn, en zelfs op lange termijn, een hele boel te voorspellen. In die voorspellingen is echter geen plaats voorbehouden voor de mens –laat staan voor de dieren; de insecten verdwijnen weliswaar het laatst van het toneel–.
De zon spat nadien uit elkaar. De vrijgekomen materie zal opgeslorpt worden door één of ander zwart gat in onze galaxie, die zelf, in een verre toekomst, met zekerheid, met een andere galaxie uit de zogenaamde lokale groep in botsing komt. Kijk zelf maar even naar de Magelhaanse wolken wat dat allemaal inhoudt ! Waarom ons dan nog druk maken, dat er bommen op Bagdad vallen, dat het Afrikaanse continent langzaam maar zeker aan het uitsterven is, dat nog steeds jonge vrouwen, onder afschuwelijke omstandigheden, besneden worden, zodat ze hun gehele leven, zwaar verminkt, in vervoering de prachtige werken van een alom liefhebbende god mogen bewonderen, dat onze mindere broeders, de dieren, nog steeds worden mishandeld ?
In de 18-de eeuw dacht men daar nog hoopvoller over. Condorcet schrijft in zijn “Esquisse d’un tableau historique des progrès de l’esprit humain” (1793) het volgende :
Si l’homme peut prédire avec une assurance presque entière les phénomènes dont il connaît les lois ; si, lors même qu’elles lui sont inconnues, il peut, d’après l’expérience du passé, prévoir, avec une grande probabilité, les événements de l’avenir ; pourquoi regarderait-on comme une entreprise chimérique, celle de tracer avec quelque vraisemblance, le tableau des destinées futures de l’espèce humaine, d’après les résultats de son histoire ? (Chap. 10)
En een beetje verder :
Il arrivera donc, ce moment où le soleil n’éclairera plus sur la terre que des hommes libres, ne reconnaissant d’autre maître que leur raison ; où les tyrans ou les esclaves, les prêtres et leurs stupides ou hypocrites instruments n’existeront plus que dans l’histoire et sur les théâtres.
Condorcet zet voor de verwezenlijking van zijn droom een initiële periode uit van ongeveer 2 eeuwen. Daar zijn we nu rijkelijk aan toe; maar de toestand op wereldvlak is van vandaag de dag nog nooit zo triest geweest. Wat is er verkeerd gegaan, waarom is Condorcets droom niet bewaarheid geworden ? Daar zijn vele redenen voor, waarvan de meesten tot het verleden behoren waarop we geen impact meer hebben, we kunnen er alleen nog maar uit leren.
De Holbach Vereniging heeft zich tot taak gesteld oplossingen aan te bieden. Die oplossingen zijn er en werden gedurende de Verlichting meermaals aangeboden, maar konden nooit aan bod komen; omdat er heel wat belangen van machthebbers op het spel stonden. En het is nu eenmaal bekend dat wie de macht bezit ook de wet stelt.
Het voorliggend nummer van “Le Petit Cuistre” staat in het teken van het dier. De grootvader van de voorzitter noemde de dieren : onze mindere broeders. Of dieren nu minder of meer zijn dan de mens staat hier niet ter discussie, maar die benaming belicht wel zijn ingesteldheid ten overstaan van de dieren. De houding t.o.v. de dieren is altijd al meer dan miserabel geweest :
Hierop zei Jehovah tot Jozua :
Vrees niet wegens hen, want morgen om deze tijd lever ik hen allen als verslagenen aan Israël over. Hun paarden zult gij de pezen doorsnijden en hun wagens zult gij in het vuur verbranden (Jozua 11:6).
Marin Cureau, Descartes en de Condillac komen aan bod in een bijdrage waarin wij het hebben over het leven van de dieren, hun gedragingen en gevoelens. In die context begroeten we eveneens een bijdrage van Peter Van den Eijnde, park manager van de Zoo te Antwerpen : De Zoo als microcosmos in de relatie mens-dier.
“Le Petit Cuistre” is een rationeel tijdschrift. Zogenaamde pseudo-wetenschap is hier niet aan de orde. Maar wat is wetenschap en wat is pseudo-wetenschap ? Die scheiding blijkt niet altijd zo eenvoudig te zijn. Meer nog, wetenschappers vertonen heel dikwijls de neiging hun wetenschap als enige waarheid te verkondigen. Het is nochtans bekend dat Holbach in 1778 een confrontatie aanging met de Oostenrijkse arts Mesmer, in verband met zijn vermeende magnetische heilkracht. Zogenaamde pseudo-wetenschap blijkt heel dikwijls aan de bron te liggen van echte wetenschap. Denken we maar aan de alchemie en de astrologie. Homeopathie wordt door vele weteschappers als puur bedrog afgedaan. “Le Petit Cuistre” wil hier geen standpunt innemen, om eindeloze discussie te vermijden; maar we vonden het wel zinvol een bijdrage van onze medewerker Herman Van Vinckenroye over Homeopathie in ons tijdschrift op te nemen. Het is ook de reden waarom we in dit nummer vrij uitvoerig over de scheikundige Lavoisier (1745-1790) berichten.
Het 2-de tuinfeest op 15 augustus jl verliep in alle vrolijkheid en werd door een groot gedeelte van de leden bijgewoond. Dat heeft ons bijzonder verheugd. Als dit tuinfeest een succes werd, dan hebben we dit grotendeels te danken aan de uitzonderlijke bijdrage van onze leden Theo (Galiani) en Henri (Le Marquis). We sluiten af met een fotootje, maar hopen in een volgend nummer uitvoeriger op dit gebeuren terug te komen.

De voorzitter.
Een spilfiguur uit de 18-de eeuw is de scheikundige Antoine Laurent Lavoisier, die een intens leven zou genieten en op wetenschappelijk en maatschappelijk vlak grote faam verwerven. Die faam weerhield de revolutionairen echter van hem op het schavot te onthoofden, wegens vermeende sympathie voor de Girondijnen.

Antoine Laurent Lavoisier werd eind augustus 1743 geboren. Zijn grote liefde voor wetenschap kwam al heel vlug tot uiting en zijn vader aarzelde dan ook niet hem hierin aan te moedigen. Buiten de studie van de wiskunde en de astronomie was er echter niet veel op dat vlak, zodat Lavoisier in zekere zin een braakliggend terrein betrad voor wat het natuuronderzoek betrof. Er waren wel wat botanische, biologische en natuurkundige onderzoeken aan de gang – ten behoeve van de geneeskunde –, maar die werden op dat ogenblik niet als zelfstandige universitaire disciplines beschouwd. Wat de scheikunde betrof, die was nog maar nauwelijks uit de greep van de alchemie ontsnapt.
Zijn vader nam het wijze besluit hemop het beroemde Collège Mazarin (Parijs) te laten studeren. De opleiding duurde negen jaar en er werd ook belangstelling gehecht aan het onderricht van wetenschappelijke vakken. Op 20-jarige leeftijd verliet Lavoisier het college met een grondige kennis van niet alleen de godsdienst, Frans, Latijn, welsprekendheid, geschiedenis en retorica, maar tevens van de wiskunde, experimentele natuurkunde en logica. De drie laatst vernoemde vakken zouden hem, in zijn nauwkeurige onderzoekingen naar het wezen van de scheikundige stofindeling, van groot nut zijn.
Op het college had hij les gehad van de beroemde sterrenkundige Nicolas Louis de la Caille (1713-1762) die had zijn interesse geprikkeld voor het wiskundige onderzoek, hoe men uitgaande van de definitie van punt en lijn en met behulp wiskundige bewijzen steeds meer complexe feiten kon verklaren.
Ter herinnering aan Lavoisier werd in 1995 een kleine planeet naar Lavoisier vernoemd (Minor Planet Bulletins, 1995, 12564). Het object, met een doormeter van nabij 10km, loopt in een nagenoeg cirkelvormige baan op een gemiddelde afstand van 240 miljoen km van de zon.
(6826) Lavoisier – Epoche 2003 Dec. TT=JDT 2453000.5
M=255.54965 a=2.90362832 e=0.0318531 Incl.=3.49397 Peri.=337.98250 Node=101.51863 P=4.95 H=12.9 (10 km)
M=Middelbare anomalie, a=halve baanas, e=excentriciteit, Incl=inclinatie, Peri=lengte perihelium, Node=lengte knoop, P=periode (jaar) en H=absolute helderheid.
Zoals reeds voorheen vermeld had Lavoisier experimentele natuurkunde op het college gevolgd bij abbé Jean Nollet (1700-1770). Die had hem eveneens vertrouwd gemaakt met de constructie van de instrumenten die noodzakelijk waren voor de proefnemingen. Nollet had er immers altijd de nadruk gelegd op directe waarnemingen (Leçons de physique expérimentelle, Paris 1754, 6 delen).
Tijdens zijn studie aan Collège Mazarin had Lavoisier ook nog een scheikunde-studie gevolgd bij Guillaume François Rouelle, in het laboratorium op de Rue Jacob te Parijs. De farmaceut Rouelle gaf privé onderricht en telde onder zijn leerlingen Jean-Jacques Rousseau (1743), Denis Diderot (1754-1756), Paul Henry Thiry d'Holbach (1745) en Anne Robert Jacques Turgot (1756). Rouelle betoonde weliswaar nog wel wat belangstelling voor alchemistische experimenten. Tussen 1690 en 1706 had de Académie Royale des Sciences in Parijs een onderzoeks-programma opgestart, dat erin bestond de geneeskundige stoffen uit het plantenrijk op te sporen, af te scheiden en te verwerken als geneesmiddel. Vele botanici werden daarop over de gehele wereld uitgestuurd. Dat was al een heel lofwaardig initiatief; maar met echte scheikunde had dat niet veel te zien want de geneeskundige stoffen zelf in de betreffende planten werden niet aan een analyse onderworpen.
Er wel een discipline die meer in de richting van de scheikundige analyse verwees, namelijk de metallurgie (Van Dale: wetenschap van het op economische wijze onttrekken van metalen uit hun ertsen). Op dat ogenblik was er een grote vraag naar verwerkte metalen (legeringen, afgewerkte producten etc). Dat bracht mee dat men zich gedachten ging maken over de samenstelling, eigenschappen en toepassingsmogelijkheden van het metaal zelf. Het is zeker geen toeval dat omstreeks diezelfde tijd d'Holbach meerdere artikelen over metalurgie uit het Duits vertaalt voor de Encyclopédie.
METALLURGIE, s. f. (Chimie) c’eſt ainſi qu’on nomme la partie de la Chimie qui s’occupe du traitement des métaux, & des moyens de les ſéparer des ſubſtances avec leſquelles ils ſont mêlés & combinés dans le ſein de la terre, afin de leur donner l’état de pureté qui leur eſt néceſſaire pour pouvoir ſervir aux différens uſages de la vie. Si la nature nous préſentoit toujours les métaux parfaitement purs & dégagés de ſubſtances étrangeres, au point d’avoir la ductilité & la malléabilité, rien ne ſeroit plus aiſé que la métallurgie ; cet art ſe borneroit à expoſer les métaux à l’action du feu pour les faire fondre & pour leur faire prendre la forme que l’on jugeroit à propos. Mais il n’en eſt point ainſi, il eſt très-rare de trouver des métaux purs dans le ſein de la terre ; & lorſqu’on en trouve de cette eſpece, ils ſont ordinairement en particules deliées, & ils ſont attachés à des terres ou à des pierres dont il faut les ſéparer avant que de pouvoir en former des maſſes d’une grandeur convenable aux uſages auxquels on les deſtine.
Beginfragment van Métallurgie, uit de Encyplopédie van Diderot en d’Alembert (zie voor de volledige text : Bijlage 3 (15 dec. 2003)
De scheikundigen konden zich daarom steunen op een schat van informatie omtrent de samenstelling van de mineralen (ertsen) en de behandeling van die ertsen om hieruit de metalen af te scheiden.
Als er iemand zich daadwerkelijk gedachten had gemaakt over de samenstelling van de stoffen dan was dat zeker de Duitse arts Georg Ernest Stahl (1660-1734). Die beschouwde de materie opgebouwd uit een niet brandbaar gedeelte – waaraan de betreffende stof haar benaming ontneemt – en een brandbaar gedeelte dat hij phlogiston noemde. Met behulp van de phlogistontheorie verklaarde hij verschijnselen zoals het verroesten van metaal en de verbranding van stoffen (indertijd calcineren=verkalken genoemd).

Holbach, in zijn vertaling van de “Traité du Soufre” (Stahl), schrijft in het voorwoord :
Avant Stahl, les chimistes et surtout les disciples de Paracelse, admettaient un principe de cette espèce (principe inflammable) auquel ils donnaient le nom principe sulfureux ou de souffre, mais l’idée qu’ils s’en faisaient était si peu exacte qu’on a eu raison de dire qu’ils donnaient ce nom à tout ce qu’ils ne connaissent pas.
Het idee van een ontvlambare stof in innige verbinding met de materie was dus al ouder, maar Stahl maakte het tot een algeheel beginsel van de natuur, zowel voor de kristallijne, vegetale als levende toestand van de materie.
Men had immers bemerkt dat door verhitting van het erts, door toevoegen van vuur=phlogiston, (brandend hout, later gloeiende steenkolen in de hoogovens) het metaal zich scheidde van het erts. Het lag dus voor de hand aan te nemen dat de metalen, en alle overige stoffen incluis, een verbinding waren aangegaan met het phlogiston, dat aan het betreffende metaal, en aan alle andere stoffen, hun specifieke eigenschappen, zoals kleur en dergelijke verleende.
Stahl schrijft dan ook in zijn “Traité du Soufre” :
Tous les corps mixtes contiennent sensiblement une portion plus ou moins grande de cette substance, et cela dans ce qu’on appelle les trois règnes de la nature… Un phénomène remarquable est l’uniformité que ce principe montre évidemment dans les trois règnes de la nature, au point qu’il passe immédiatement sans nulle difficulté et en un instant, du règne végétal et du règne animal dans le règne minéral et dans les substance métalliques… Le rétablissement de ces métaux (calcinés) dans leur état naturel, ou leur réduction, fait voir que la substance inflammable est réellement une partie des métaux ; par cette réduction les métaux reprennent leur éclat, leur ductilité, leur densité et leur consistance. En un mot, pour parler clairement, par la réduction on leur restitue le principe inflammable qui leur avait été enlevé par la calcination… C’est là le fondement de la métallurgie (vertaling uit het Duits door Holbach).
De phlogistontheorie zou het wetenschappellijk denken voor een groot gedeelte van de 18-de eeuw beheersen en tot in 1770 worden dan ook haar grondbeginselen door alle scheikundigen en natuuronderzoekers toegepast. Holbach eveneens onderschrijft de theorie en verwijst en passant naar de rijkdom van de Franse mijnen, die voor één of andere reden niet worden uitgebaat –hij meent uit reden van de vruchtbare gronden waar die mijnen zich bevinden– :
Qu’on ne me dise pas que la France est trop peu riche en mines pour pouvoir jamais espérer de retirer un avantage considérable de leur exploitation… En effet, pour ne parler que des principaux endroits, l’Alsace, la Lorraine, la Franche-Comté (Jura), l’Auvergne, le Lyonnais, le Dauphiné, le pays des Cévennes, toutes les provinces qui touchent aux Pyrénées, la Bretagne même, et une partie de la Normandie, ont des mines de toute espèce, qu’on traiterait avec d’autant plus d’avantage que ce sont les seules provinces où le bois ne manque point… (Voorwoord bij zijn vertaling uit het Duits van het werk van Orschal: Œuvres métallurgiques).
Holbach ziet dus vooral het practische in de phlogistontheorie, namelijk het scheiden van het metaal uit het erts door middel van toevoeging van phlogiston=vuur. Orschall betoonde weliswaar sympathie voor de alchemie en ondervond daardoor felle kritiek, die door Holbach breeddenkend gerelativeerd wordt :
Quant à ses idées alchimistes, nous ferons remarquer qu’il est peu de métallurgistes, même parmi ceux qu’on a regardé avec raison comme de très grands hommes, qui aient pu s’en défendre. D’ailleurs, la Chimie la plus raisonnable doit tant à ces idées, que des gens, peut-être trop peu instruits, traitent de chimériques, qu’il serait injuste ne ne pas faire grâce sur ce point à un auteur qui a si bien mérité du public par tant d’autres endroits.
In hetzelfde jaar waarin de vertaling van Orschal verschijnt (1760) publiceert Holbach de Pyritologie van Henckel waarvan hij zegt dat het : “le plus complet et le plus profond que nous ayons sur toutes les branches de la minéralogie et de la métallurgie”. Het werk werd geschreven in 1725 en wordt beschouwd als een nauwgezette samenvatting van de mineralogische kennis op dat ogenblik. In zijn voorwoord tot zijn vertaling schrijft Holbach :
Nos lumières sont trop étroites pour embrasser la masse totale des êtres, nous sommes réduits à examiner la nature par petites parties, et nous devons être contents lorsque nous réussissons à bien connaître les détails de l’objet auquel nous sommes arrêtés. Chaque page de cet ouvrage prouvera qu’il faut se pourvoir de matériaux avant de penser à élever un édifice durable ; on y verra les soins scrupuleux qu’exige l’examen des substances naturelles et communes ; la facilité avec laquelle les apparences extérieures peuvent tromper l’observateur le plus attentif ; la nécessité de s’assurer par des analyses exactes de la composition intime et de la combinaison des corps ; l’extrème réserve dont il faut user lorsqu’il s’agit d’établir des régles générales en physique… Il est vrai que, si l’examen de la nature qui se fait à l’aide de la chimie est le plus sûr, il est aussi le plus lent et le plus pénible : cette vie exige une patience dont peu de personnes sont capables.
In 1766 krijgen de aanhangers van de phlogistontheorie tegenwind te verduren. De Engelse natuurkundige Henry Cavendish (1731-1810) had namelijk door de inwerking van enkele zuren (zwavelzuur, zoutzuur…) op een aantal metalen (zink, koper…) een gas bekomen dat ontvlambaar was. Canvendish noemde het brandbare lucht, alhoewel de eigenschappen van het nieuwe gas totaal anders waren dan die van gewone lucht. Al vlug nam hij aan dat hij het hypothetische phlogiston van Stahl op het spoor was gekomen. Maar aan zijn bevinding werd door de wetenschappelijke wereld geen aandacht geschonken. De theoloog en natuurkundige Joseph Priestly (1733-1804) daarentegen was nieuwsgierig geworden, want die had al heel wat ervaring op het gebied van de gassen (cfr zijn publicatie: “Observations on different kinds of air”, 1772). Vermeldingswaard is ook dat kort daarvoor de arts Daniel Rutherford (1749-1819) het element stikstof had ontdekt, dat hij consequent met de gangbare theorie over het phlogiston gephlogistoneerde lucht noemde.
We lezen hierover het volgende :
Rutherford kept a mouse in a confined quantity of air till it died. He then burned a candle in what was left until the candle went out. He then burned phosphorus in what was left after that, until the phosphorus would no longer burn. Next, the air was passed through a solution that had the ability to absorb carbon dioxide. The air remaining now would not support combustion; a mouse would not live in it and a candle would not burn. Rutherford reported this experiment in 1772. Since Rutherford was convinced of the validity of the phlogiston theory, he tried to explain their results in terms of this theory. As mice breathed and as candles and phosphorus burned, phlogiston was given off and entered the air, along with the carbon dioxide that was formed. When the carbon dioxide was later absorbed, the air left behind still contained much phlogiston. In fact, it contained so much phlogiston as to be saturated with it; it would accept no more. That was why objects no longer burned in it. On this reasoning Rutherford called the gas he had isolated phlogisticated air (http://www.acd.ucar.edu/ education/textbook/ch1/box3/Rutherford.html).

Misschien voor onze lezers een vreemde redenering die daarom meer uitleg vereist : Volgens de phlogistontheorie verliest een stof bij verbranding het phlogiston waardoor de stof zelf omgezet wordt in kalk (de benaming gebrande kalk of ongebluste kalk voor calciumoxide is bewaard gebleven). De muis ademt – ademhaling wordt als verbranding beschouwd – waardoor haar phlogiston vrij komt en zich met de lucht verbindt; hetzelfde geldt voor de kaars en het fosfor. Resultaat : de lucht wordt gephlogistoneerd. Het is op deze plaats dat Lavoisier op het toneel verschijnt. Hij was ondertussen gehuwd met Marie-Anne Pierrette Paulze (1758-1836) die hem in zijn experimenten terzijde stond, nauwkeurige notizen maakte en de illustraties voor zijn boeken verzorgde. Haar vader Jacques Paulze had nog meegewerkt aan de “Histoire philosophique et politique des établissements et du Commerce des Européens dans les deux Indes” van Abbé Raynal. Lavoisier was inmiddels 29 jaar, zij nog geen 14 jaar.
Lavoisier had meerdere gewichtsanalyses uitgevoerd van de verbrande stoffen en moest hieruit besluiten dat de stoffen in gewicht waren toegenomen, een resultaat dat in schril contrast stond met de phlogistontheorie. Nochtans zou men er voorlopig nog niet de nodige besluiten uit onttrekken. Een experiment dat een doorbraak zou betekenen in de gedachtengang van Lavoisier die zou leiden naar het definitief verlaten van de phlogistontheorie kwam vanuit het verre Zweden.
Daar had de apotheker Carl Wilhelm Scheele (1742-1786), door zilver in salpeterzuur op te lossen, een neerslag bekomen – door middel van alkalisch wijnsteen –, dat door verhitting een gas vrijgaf waarin een kaars bleef branden.
Lavoisier, door zijn briefwisseling met Scheele, was op de hoogte van dit experiment. De apotheker had trouwens Lavoisier aangemoedigd om het experiment in zijn laboratorium in Parijs over te doen. Daardoor is het niet erg duidelijk wie nu de werkelijke ontdekker was van het element zuurstof; want dat was het gas dat de Zweedse apotheker uit Köping, in midden Zweden, uit het neerslag (zilvercarbonaat) had vrijgemaakt. Het blijkt later dat ook Priestley in 1774 het gas op het spoor was gekomen. Hij noemde zijn ontdekking gedephlogistoneerde lucht. De eer komt echter Lavoisier toe die aantoonde, dat door middel van dit gas stoffen branden en zich verbinden met zuurstof – de benaming oxygen stamt trouwens van Lavoisier –, zodat hun gewicht toeneemt en niet vermindert zoals men uit de phlogistontheorie had gevorderd.
Eric W. Elst.
Graaf Amedeo Avogadro (1776-1856) was hoogleraar aan de Universiteit van Turijn (Italië). Hij werd bekend omwille van zijn hypothese (nadien wet) dat twee verschillende gassen met identiek volume, dezelfde temperatuur en druk, een gelijk aantal moleculen (gasdeeltjes) bevatten. Deze bevinding zou later leiden tot het getal van Avogadro – voor het eerst, in 1865, proefondervindelijk bepaald door de Czech Loschmidt – dat staat voor het aantal deeltjes van om het even welke scheikundige stof in 1 grammol (gewicht van de betreffende stof aangeduid door zijn moleculair gewicht). Het atoomgewicht van zuurstof is 16 en een molecule zuurstof bevat 2 atomen, zodat het gewicht van een een grammol gelijk is aan 32 gram met een totaal aantal zuurstofdeeltjes gelijk aan :
Dit getal bepaalt dus hoeveel deeltjes (moleculen of atomen) van een welpaalde stof er zich bevinden in een welbepaald volume bij standaard waarden van druk en temperatuur. Dit getal speelt een belangrijke rol bij de tegenstanders van de homeopathie – in verband met de zeer hoge verdunningen (potenties) die volgens hen geen werkzaam gedeelte meer zouden bevatten –. Op de site van de Vereniging Sceptis, die de zogenaamde pseudowetenschappen bestrijdt lezen we hieromtrent het volgende :
Scheikundig is een verdunning van 30C zinloos en doorbreek je zelfs de grenzen van het surrealisme. Als je een molecule van een stof volgens deze verhouding in water oplost dan heb je 1060 moleculen water nodig (een verdunning van xC komt overeen met 1 deel homeopathisch middel op 102x oplossend middel, alcohol of water). Dat zou een container vergen die meer dan 30 miljard keer de omvang van de aarde heeft.
Eric W. Elst.
Supposez qu’un aveugle, à l’instant qu’il recouvrerait la vue, voie un cube et une sphère posés sur une table. Pourra-t-il discerner le cube de la sphère par la vue, sans les toucher ?
Cette question posée en 1688 à John Locke par l’Irlandais William Molyneux (1656-1698), soulève en fait le double problème de savoir comment pensent les êtres humains et comment ils savent ce qu’ils savent. Et ce problème, toujours actuel, se révéla être un véritable défi pour les penseurs des XVIIe et XVIIIe siècles.
Nicolas Saunderson, aveugle de naissance, qui fut professeur de mathématique à Cambridge, s’était fait de l’optique sa spécialité mais pour parvenir à imaginer les problèmes de géométrie et à faire des calculs, il avait inventé une sorte d’abaque ariméthique et géometrétrique, une arithmétique palpable, qu’il décrit dans ses “Elements of Algebra” qui ne furent traduits en français qu’en 1756 mais que Diderot (1713-1784) connaissait déjà bien puisqu’il s’y réfère dans sa “Lettre sur les aveugles à l’usage de ceux qui voient”, lettre qui l’expédia à Vincennes en 1749.
Le médecin philosophe Jules de La Mettrie (1709-1751), athée déterminé, banni de France et même de la tolérante Hollande, évoque en Diderot :
Ce jeune et célèbre savant à qui un aveugle a suffi pour éclairer l’univers et le conduire au donjon de Vincennes !
Le prétexte de cette Lettre de Diderot était la nouvelle qui se répandait à Paris que l’oculiste prussien Hilmer, parrainé par Réaumur –celui du thermomètre–, se préparait à extraire la cataracte d’une jeune fille aveugle de naissance. Diderot avait demandé à être présent quand le bandage serait retiré des yeux de la jeune fille afin de pouvoir l’observer au moment même où elle serait capablee voir pour la première fois. Mais Réaumur repoussa cette requête. “En un mot”, écrit Diderot, “il n’a voulu tomber le voile que devant quelques yeux sans conséquence”. Ces yeux étaient, nous le savons, ceux de Mme Dupré de Saint-Maur qui entretenait d’étroits rapports avec Réaumur.
Dans sa Lettre, Diderot fait état d’observations précises sur le comportement d’aveugles de naissance et particulièrement sur l’acuité qu’offrent chez eux les sens de l’ouïe et du toucher. Après avoir expliqué le fonctionnement de l’arithmétique palpable de Saunderson, il se lance dans les spéculations sur les concepts de Dieu, du Bien et du Mal tels que peuvent les concevoir un homme à qui il manque un de ses sens. Il laisse entendre que nos idées sur Dieu et la morale ne sont pas absolues mais bien relatives à nos conditions et capacités physiques. Ainsi un aveugle ne peut imaginer comme un voyant ce qu’est la pudeur mais, par contre, le vol sera perçu par lui comme un des crimes les plus abominables qu’il se puisse concevoir.
Rien d’étonnant à ce qu’on ait fleuré là du matérialisme philosophique d’autant que pour aggraver les choses, Diderot évoque une conversation qu’aurait tenue Saunderson sur son lit de mort et dans laquelle il aurait déclaré : “Si vous voulez que je croie en Dieu, il faut que vous me le fassiez toucher”.
Cette Lettre montre que pour Diderot et pour son jeune ami Condillac (1715-1780), la pierre angulaire de leur mode de pensée était la certitude, inspirée en partie par l’“Essai sur l’entendement humain” (1690) du médecin philosophe John Locke (1632-1704), que c’est le seul témoignage de nos sens qui forme notre esprit. Autrement dit, l’esprit ne vient pas au monde nanti d’idées innées comme le voulait encore Descartes (1590-1650), mais fonde ses concepts sur les seuls témoignages de ses sens relayés par les enseignements de l’expérience.
Cette doctrine connue sous le nom de sensualisme, vulgarisée par la fameuse statue imaginée par Condillac dans son “Traité des sensations” (1775), deviendra la base de cet aspect scientifique et critique que nous trouvons chez la plupart des rédacteurs de l’Encyclopédie, cette œuvre monumentale qui fut une véritable machine à transmettre les valeurs de son époque.
L’empirisme exposé par John Locke dans son “Essai sur l’entendement humain” critiquant l’innéisme de Descartes, relayé par le sensualisme de Condillac, constituèrent un laboratoire d’idées qui, diffusées par l’Encyclopédie, se révélèrent vite extrêmement subversives pour l’autorité religieuse, basée sur la Révélation, et donc aussi pour cette autorité politique qu’était la monarchie de Droit divin.
Mais revenons-en maintenant à William Molyneux. Nous pouvons classer les réponses à son problème en deux catégories selon les conceptions philosophiques des camps en présence :
1° Le camp des rationalistes, au sens XVIIe du terme, c’est-à-dire ceux qui avec et après Descartes croient aux idées innées et sont persuadés pouvoir connaître le monde par la seule pénétration de leur raison. Ces rationalistes sont persuadés de la justesse de leurs raisonnements, car la justesse en est cautionnée par Dieu dont l’existence est prouvée par trois fois dans le “Discours de la méthode” (1637). Or, ce Dieu étant réputé bon, il ne peut donc pas nous tromper. Pour ces rationalistes, la réponse est évidente : l’aveugle né pourra, par la seule force de raisonnement distinguer d’emblée le cube de la sphère !
2° Le camp des empiristes et surtout des sensualistes. Pour ces derniers, chaque ordre perceptif est assimilé à un langage appris. L’aveugle, livré au choc de l’impression visuelle pure, ne saurait former la moindre correspondance entre le toucher et la vue puisqu’il ignore tout symbolisme visuel. Dès lors, aucune traduction n’est possible d’un champ perceptif à l’autre et au lieu de cube ou sphère, l’aveugle ne verra que diversités de couleurs et de lumières et sans relief aucun. En confrontant les données visuelles, nouvelles pour lui avec son système tactile déjà élaboré, il devra alors élaborer aussi un système visuel, élaboration qu’il fera par comparaisons et confrontations avec son système tactile. C’est-à-dire qu’il devra mettre en correspondence le ce que je vois (diversités de lumières et de couleurs) avec le ce que je touche comme dur/mou, chaud/froid, rugueux/lisse, avec/sans arêtes, etc.
La statue imaginée par Condillac, esprit vide au départ, recevra successivement odorat, vue, ouïe, goüt et toucher avant d’être dotée enfin d’une double mobilité : d’abord la capacité de se toucher elle-même, ensuite celle se déplacer qui lui permettra de toucher les objets extérieurs. L’esprit, vide au départ, de cette statue acquerra ainsi conscience de son moi et d’être un sujet qui progressivement va pouvoir organiser les flux des diverses sensations en un système complexe et passer ainsi de la diversité des chocs sensibles bruts au spectacle du monde grâce à l’indispensable intervention de ces systèmes symboliques que sont les signes. C’est par la médiation de ces signes (arbitraires) qu’il nous est possible de franchir l’écart qui sépare la simple sensibilité passive de l’expérience concrète active.
C’est d’un seul mouvement que se forment la subjectivité et l’expérience du monde. Mais alors que les autres sens ne livrent que de simples impressions, seul le toucher implique en même temps une réflexivité (se toucher soi-même) et une référence extérieure (moi face au monde sensible). Sans le toucher, la vie sensible ne serait qu’un théâtre d’ombres. Avec le toucher, la statue de Condillac de passive qu’elle était devient un sujet, un corps parmi les corps.
Contre la philosophie idéaliste des idées préexistantes, seul le toucher peut assurer l’objectivité de nos perceptions. Inutile dès lors de supposer, comme Descartes, des idées innées et leur garantie divine.
Ainsi, Condillac peut-il répondre à Molyneux : “c’est la main qui apprendra à l'œil à regarder !” Cela suppose que nous renoncions aux sécurités de l’évidence. Ce que nous appelons raison et monde sensible ne sont pas des données intuitives mais bien des productions complexes et toujours révisables.
Paru dans Reliures, No 11, Automme-Hiver 2003. Met vriendelijke toestemming van de auteur, Alain Dawance
en Reliures, Avenue de Péville, 198, B-4030 Liège-Grivegnée. Contact Reliures

Etienne Bonnot de Condillac werd op 30 september 1715 te Grenoble geboren, in een familie van magistraten.
Hij werd voorbestemd voor het religieuse leven en gaat dan ook de geschiedenis in als l'abbé Condillac. Door zijn werk nochtans, in navolging van de filosoof van het sensualisme John Locke, wordt hij terecht als filosoof beschouwd.
Hij treedt regelmatig in contact met de filosofen van zijn tijd, zoals Diderot, d'Alembert en Voltaire. In 1746 verschijnt zijn eerste belangrijke en meest bekende werk “Essai sur l'origine des connaissances humaines” en in 1749 de “Traité des systèmes”.
Het is echter met de “Traité sur les Animaux” (1755) dat hij een zelfstandige koers vaart en een resolute houding aanneemt ten overstaan van het gedachtengoed van Descartes en Buffon, inzover voor wat hun zienswijze betreft over het gevoelsleven van de dieren. De ondertitel van zijn “Traité” vermeldt expliciet :
Où, après avoir fait des obſervations critiques sur le ſentiment de Deſcartes, & ſur celui de M. de Buffon, on entreprend d’expliquer leurs principales facultés.
Condillac was niet de eerste die opkwam voor het welzijn van de dieren. Hij had voor hem al twee illustere voorgangers, nl Aristoteles (384-322 vT) en Marin Cureau de la Chambre (1594-1669).
Aristoteles besteedt in zijn “De Animalibus” (19 boeken) heel wat aandacht voor de dieren. Dank zij de Arabische geleerden is het werk niet verloren gegaan. Duns Scotus (1266-1308) vertrekt van de Arabische vertaling van het geheel van de werken van Aritoteles om er een Latijnse vertaling van te maken. In “De Generatione Animalium” lezen we het volgende :
In all this Nature acts like an intelligent workman. For to the essence of plants belongs no other function or business than the production of seed; since, then, this is brought about by the union of male and female, Nature has mixed these and set them together in plants, so that the sexes are not divided in them.
But the function of the animal is not only to generate (which is common to all living things), but they all of them participate also in a kind of knowledge, some more and some less, and some very little indeed. For they have sense-perception, and this is a kind of knowledge (The basic works of Aristotle, The Modern Library New York, 2001 Paperback Edition, p 679).
Die passage hebben de scolastiekers wellicht overzien.
Met Marin Cureau betreden we een tijdperk waarin voor het eerst de dieren een eigen gevoel, geest en denken wordt toegekend. Descartes (1596-1650) hield het nog altijd bij zijn uitspraak Pas d'âme voor de dieren; hij beschouwde ze louter als automaten, in beweging gezet door God, zonder gedachten of taal :
C’est aussi une chose fort remarquable que, bien qu’il ait plusieurs animaux qui témoignent plus d’industrie que nous en quelques-unes de leurs actions, on voit toutefois que les mêmes n’en témoignent point du tout en beaucoup d’autres : de façon que ce qu’ils font mieux que nous ne prouve pas qu’ils ont de l’esprit, car à ce compte ils en auraient plus qu’aucun de nous, et feraient mieux en toute autre chose ; mais plutôt qu’ils n’en ont point, et c’est la nature (l’ordre que Dieu a établi dans les choses créées) qui agit en eux selon la disposition de leurs organes : ainsi qu’on voit qu’une horloge, qui n’est composée que de roues et de ressorts, peut compter les heures et mesurer le temps plus justement que nous avec toute notre sagesse (Discours de la Méthode)
George Louis Leclerc, comte de Buffon (1707-1788) doet het al niet beter :
En effet, que de ressorts, que de forces, que de machines et de mouvements sont renfermés dans cette petite partie de matière qui compose le corps d’un animal ! … Une différence plus essentielle pourrait se tirer de la faculté de sentir, qu’on ne peut guère refuser aux animaux, et dont il semble que les végétaux soient privés ; mais ce mot sentir renferme un si grand nombre d’idées, qu’on ne doit pas le prononcer avant que d’en avoir fait l’analyse ; car si par sentir nous entendons seulement une action de mouvement à l’occasion d’un choc ou d’une résistance, nous trouverons que la plante appelée sensitive est capable de cette espèce de sentiment, comme les animaux ; si au contraire on veut que sentir signifie apercevoir et comparer des perceptions, nous ne sommes pas sûrs que les animaux aient cette espèce de sentiment, et si nous accordons quelque chose de semblable aux chiens, aux éléphants, etc., dont les actions semblent avoir les mêmes causes que les nôtres, nous le refuserons à une infinité d’espèces d’animaux, et surtout à ceux qui nous paraissent être immobiles et sans action. (Buffon, Œuvres complètes, Tome III, Histoire des Animaux)
Vergeten we echter niet dat Buffon, Indendat du Jardin Royal des Plantes te Parijs, de geschiedenis in gaat als een monumentale figuur die met zijn “Histoire naturelle” (44 dln!) een werk heeft geschreven (1749-1804) dat terecht vergeleken mag worden met de “Encyclopédie” van Diderot en d'Alembert, zij het alleen maar voor het impact dat dit werk op de beschaving heeft gehad. Van hem is een uitspraak bekend, die hij ter gelegenheid van zijn opname in de Franse Académie uitsprak :
Noch kennis, noch waardevolle feiten, noch nieuwe vondsten garanderen de onsterfelijkheid van een schrijver; Ces choses sont hors de l'homme, mais c'est le style de l'homme même, d.w.z. de stijl is het onvervreemdbaar eigendom van de schrijver, waardoor hij, als zijn ideeën reeds lang gemeengoed zijn geworden, bij het nageslacht voortleeft.
Echt begrip voor het dier komt er eerst met Marin Cureau's “De la connaissance des bestes” (1645), dat een hevige reactie uitlokt vanwege Pierre Chanet (“De l'instinct et de la connaissance des animaux, avec l'examen de ce que M. de la Chambre a escrit sur cette matière”, La Rochelle, 1646). Cureau beantwoordt de aanval met zijn “Traité de la connaissance des animaux, où tout ce qu a esté dict pour et contre le raissonnement des animaux a esté examiné” (1648). Aleen aan de titel allen al bemerken we reeds welke tendence bij Cureau wordt ingezet: het dier bezit de mogelijkheid tot zelfstandig denken :
Quand à l’Instinct, qui est le refuge le plus ordinaire de ceux qui ne veulent point reconnoistre le raisonnement des animaux, et qui leur est comme un mot consacré ou une parole magique, avec laquelle ils croyent fasciner les Esprits et arrester toutes les raisons qu’on leur objecte : Nous sommes obliges d’en examiner plus soigneusement la nature, de voir s’il est necessaire en quelques actions, et s’il exclud tellement la raison, que quand une chose se fait par son moyen, ce soit un argument infaillible que le discours n’y a aucune part.
Cureau gelooft niet in de hegemonie van het instinct bij het dier :
En effet, il arrive souvent que les Chiens et les Oyseaux de chasse, quoy qu’ils voyent la proye, ne la poursuivent pas : parce qu’ils jugent qu’elle est trop esloignée, et qu’elle ne peut estre prise : Quelquesfois mesme ils semblent douter, et ont apparemment de la peine à se resoudre s’ils la doivent poursuivre on non. Or il est certain qu’en ces rencontres, ils jugent que la chose qu’ils voyent est bonne ; mais parce qu’ils ne croyent pas la pouvoir prendre ils ne la poursuivent pas, la conclusion manquant par le defaut d’une des propositions, comme il arrive dans tous les vrais syllogismes.
Cureau eindigt zijn betoog als volgt :
Car quand ils disent, Que si les Bestes raisonnoient, elles raisonneroient non seulement ensemble, mais encore avec les hommes ; qu’elles parleroient les unes aux autres ; et que si elles estoient privées de la parole, du moins elles s’imagineroient auusi bien que les muets, quelques signes et quelques gestes significatifs pour se faire entendre…
Or tout le monde est d’accord qu’elles se communiquent leurs pensées, et sans consulter les Livres des Sçavans, chacun peut soy-mesme faire espreuve de cette verité. Car il faut estre estrèmement stupide pour ne remarquer pas que toutens les Bestes qui ont l’usage de la voix s’en servent pout faire connoistre leurs desirs, et qu’elles ont des cris et des accens differens selon les divers desseins que le Plaisir ou la Douleur, l’Esperance ou la crainte leur inspirent. Ne s'entr’appellent-elles pas quand elles sont en amour, quand elles ont besoin de secours, quand elles ont trouvé quelque pasture dont elles peuvent faire part aux autres ? Car il est certain si un Moineau peut entrer en quelque lieu où il y ait beaucoup de grain, il y fera venir tous les autres, et que le Loup ayant trouvé quelque charogne y appelle ses compagnons (alle uitreksels uit “Traité de la connoissance des animaux”, 1648).

Men moge zich dus wel verwonderen, na dit schitterend pleidooi voor de dieren, dat men nog eeuwen heeft volgehouden dat de dieren geen gevoel hebben, laat staan een geest.
De Condillac opent zijn betoog met een directe aanval op Descartes en Buffon :
Le sentiment de Descartes sur les bêtes commence à être si vieux, qu’on peut présumer qu’il ne lui reste gueres de partisans : car les opinions philosophiques suivent le sort des choses de mode : la nouveauté leur donne la vogue, le tems les plonge dans l’oubli ; on diroit que leur ancienneté est la mesure du degré de crédibilité qu’on leur donne (Chap.1, p.5).
Si les idées que Monsieur de Buffon a eues sur la nature des animaux, & qu’il a répandues dans son Histoire naturelle, formoient un tout dont les parties fussent bien liées, il seroit aisé d’en donner un extrait court & précis ; mais il adopte sur cette matiere des principes si différens, que, quoique je n’aie point envie de le trouver en contradiction avec lui-même, il m’est impossible de découvrir un point fixe, auquel je puisse rapporter toutes ses réflexions.
J'avoue que je me vois d’abord arrêté : car je ne puis comprendre ce qu’il entend par la faculté de sentir qu’il accorde aux bêtes, lui qui prétend, comme Descartes, expliquer méchaniquement toutes leurs actions.
Condillac reageert enigszins verveeld op de paragraaf waarin Buffon het heeft over het betekenis van sentir en sentiment (zie hoger) :
Cette analyse n’offre pas ce grand nombres d’idées, qu’elle sembloit promettre ; cependant elle donne au mot sentir une signification, qu’il ne me paroît point avoir. Sensation & action de mouvement à l’occasion d'un choc ou d’une résistance, sont deux idées qu’on n’a jamais confondues ; & si on ne les distingue pas, la matiere la plus brute sera sensible : ce que Monsieur de Buffon est bien eloigné de penser.
Voor Condillac is het afgedane zaak :
Monsieur de Buffon croit que les bêtes n’ont pas de sensations semblables aux notres, parce que, selon lui, ce sont des êtres purement matériels (Chap. 2, p.13).
Het merendeel van de hoofdstukken van Condillac's “Traité” tonen expliciet aan dat hijzelf een andere weg bewandelt : dieren kunnen denken en hebben een gevoelsleven :
PREMIERE PARTIE :
SECONDE PARTIE :
Er zal echter nog heel wat dierenleed moeten bestreden worden vooraleer de mens het dier als een broeder zal beschouwen, waardig om met hem het grote avontuur te beleven waarvoor de aarde in dit zonnestelsel heeft gekozen.
Eric W. Elst.

De kathedraal van Laon is waarschijnlijk wel een van de mooiste bouwwerken die we kennen. Ze werd gebouwd gedurende de periode 1160-1230. Ze getuigt niet alleen van een grote schoonheid, maar tevens van het respect dat de steenkappers hadden voor de ossen die al het materiaal voor de bouw van de kathedraal naar boven hebben gesleept op de berg (181 m hoog) waar het stadje zich bevindt.

Peter Van den Eijnde (1966) is germanist (IAU – zijn eindwerk betrof een studie van de Vlaamse schrijver Louis-Paul Boon), heeft grote belangstelling voor sterrenkunde (bestuurlid Volkssterrenwacht Urania en actief lid bij de VVS-Vereniging voor Sterrenkunde) en is daarbij nog de park-manager van de Zoo te Antwerpen; redenen genoeg om hem zijn visie te vragen omtrent de relatie mens-dier.
Vandaag zijn dierentuinen communicatiemedia. Hun dierenver-zameling bestaat uit ‘ambassadeurs’ die de bezoekers een verhaal vertellen over soortgenoten die over de ganse wereld verspreid zijn en over de grote uitdagingen die de mens te wachten staan in zijn relatie tot het globale ecosysteem. Wereldwijd bezoeken zo'n 600 miljoen mensen jaarlijks een plaatselijke dierentuin. Dankzij de World Zoo Organisation brengen de zoo's van vandaag één gezamenlijke boodschap over het belang van het behoud van de biodiversiteit en de noodzaak om onze relatie tot de natuur drastisch te wijzigen. Dit maakt zoo's tot een krachtig wereldwijd netwerk. Maar dat is in feite een heel recente evolutie
Zoo's zoals we ze vandaag kennen, ontstonden zo'n 250 jaar geleden, toen Maria-Theresa van Oostenrijk de keizerlijke menagerie omvormde tot Tiergarten Schönbrunn. In 1789 maakte de Franse Revolutie van de Jardin du Roi de Jardin des Plantes. De groeiende industrialisatie zorgde voor een toenemende verstedelijking die eerst in Engeland ontstond. Geen toeval dus dat de volgende ‘geboortengolf’ van dieren-tuinen daar plaatsgreep. In het Londense Regent's Park ontstond London Zoo in 1826. Nadien volgde zoo's in andere Britse steden. Het vasteland volgde snel : Amsterdam in 1838, Antwerpen in 1843 en Berlijn in 1844.
In alle oprichtingsakten vinden we dezelfde basisideeën terug, m.n. de studie van levende dieren in een zoektocht naar meer kennis (‘natural history’) en een verspreiding van die kennis onder de bevolking (‘educatie‘). Het is geen toeval dat dierentuinen net op dat moment van de geschiedenis ontstonden. Het einde van de XVIIIe en het begin van de XIXe eeuw lagen immers op het kruispunt van twee maatschappelijk evoluties : enerzijds de sterke groei van de wetenschap en anderzijds de wijzigende houding van de mens tegenover de natuur die hem omringde. Dat vraagt om een toelichting.
De manier waarop de mens met zijn natuurlijke omgeving omgaat, is onlosmakelijk verbonden met de wijze waarop hij over dieren denkt, schrijft, verhaalt en op welke manier hij ze behandelt. Antropologen zoals Binford gaan ervan uit dat de mens uit het jong-paleolithicum – zo'n 38.000 jaar geleden – een nomadisch bestaan leidde. Grond was gemeenschappelijk bezit. De mens was een jager en het dier leverde hem voedsel, warmte (vet, wol, vacht) en gebruiksvoorwerpen (hoorn, botten, pezen). Uit de grottekeningen van Altamira, Lascaux, Combarelles e.a. blijkt een groot respect voor het prooidier. Dat getuigt ook de rituele manier van slachten waarbij de handen in het bloed van het dier gewassen werden.
Deze ‘gelijkheid’ tussen mens en dier – noem het een ‘natuurlijk evenwicht’ – werd voor het eerst verstoord toen 12.000 jaar geleden de landbouw ontstond. Er kwamen agrarische nederzettingen en de grond was niet langer gemeenschappelijk maar privé-bezit, zij het in een vorm van feodaal systeem. Sommige diersoorten werden gedomesticeerd omwille van hun productie van levensmiddelen (vlees, melk, eieren) maar ook voor de bewaking van het – nieuw ontstane – persoonlijke bezit (honden, ganzen) en voor de jacht (valken). De mens begon op dat ogenblik van de geschiedenis het dier als gebruiksvoorwerp te beschouwen en toonde zijn superioriteit door het wilde dier te temmen.
Ondanks het superieure gevoel, blijft er een groot respect bestaan voor het dier en zijn specifieke eigenschappen. Zo vinden we bij de Assyriërs en Egyptenaren een sterk ontwikkelde dierencultus terug waarin stier, kat, scarabee, ibis e.a. een voorname plaats innemen. Het bezit van zeldzame, exotische soorten draagt bij tot het prestige van de eigenaar. Zo weten we dat in de Sumerische stad Ur reeds in 2300 vóór onze tijdrekening een dierenpark bestond dat publiek toegankelijk was en de macht van de heersers moest tentoonspreiden. We weten ook dat Ramses IX apen, krokodillen en de ‘ezels van het water’ (nijlpaarden) stuurde naar Assurs eerste grote koning, Tiglathpileser I. In 1490 vóór Christus organiseert de Egyptische koningin Hatshepsut een expeditie naar het huidige Somalië om er exotische apen en vogels te vangen voor haar dierenverzameling. Hierbij is het overduidelijk dat zij geen enkele rol weggelegd heeft om iets over de gevangen diersoorten bij te leren of hen beter te leren begrijpen. De mens-dierrelatie is op dat ogenblik in de geschiedenis louter gebaseerd op prestige, rijkdom en macht; symbolische macht over de eigenschappen van het dier. Het superioriteits gevoel van de mens t.o.v. het dier hecht zich op deze manier onlosmakelijk aan de oorsprong van onze Westerse cultuur, m.n. via de Grieks-Romeinse traditie. Het antropocentrisme is troef. In Genesis 1, 27-28 lezen we :
“ … heerst over de vissen der zee, de vogels in de lucht en over alle levende wezens die zich op de aarde bewegen“.
De kloof tussen mens en dier blijft in de geschiedenis verder groeien en uit zich op steeds meer vlakken. Alhoewel er ook lichtpuntjes waren. We weten dat Aristoteles (384-322 v.Chr.) een privé-menagerie had met als doel de dieren wetenschappelijk te bestuderen, waarmee hij zijn tijd ver vooruit was. Hij schreef een Geschiedenis der Dieren die uit 3 delen bestond en de anatomie, voortplanting en gedrag beschreef.
Vanaf dat ogenblik merken we dat de verhouding mens-dier zich in de geschiedenis opsplitst in twee evoluties : 1) een steeds grotere vervreemding en 2) een langzaam groeiende wetenschappelijke (of pseudo-wetenschappelijke) interesse. Deze twee ‘rode draden’ zullen in de loop van de tijd soms dicht bij elkaar komen, soms een grote onderlinge kloof vertonen. De beide evolutiestromen komen uiteindelijk samen op het einde van de XVIIIe, begin XIXe eeuw waar ze zorgen voor het ontstaan van dierentuinen, musea voor natuurlijke geschiedenis enz.

De Middeleeuwen mogen we als te antropocentrisch en theo-centrisch beschouwen om het dier als zelfstandig subject te erkennen. Het dier wekt dan ook enkel interesse als het de mens van nut is (last-dieren, veestapel) of het drager is van een symbolische en vaak moraliserende betekenis. In de 14e eeuw verschijnt een verzameling van 67 berijmde Middelnederlandse dierenfabels onder de naam Esopet. Volgens Jacob van Maerlant zijn ze in de XIIIe eeuw door de dichters Calstaf en Noydekijn vervaardigd. De fabels – zeg maar zedenlessen – vinden echter hun oorsprong in de dierenverhalen van de Griekse schrijver Aesopus (VIe eeuw v.Chr.) waar de naam Esopet ook naar verwijst, maar ze zijn ook schatplichtig aan de auteurs Phaedrus (Ie eeuw n. Chr.) en Avianus (IVe eeuw n. Chr.). Sommige van deze fabels kennen een aparte ontwikkeling. Zo ontstaan Ysengrinus (XIIe eeuw) en Reinaert de Vos, waarvan reeds in de tweede helft van de XIIIe eeuw een versie in de volkstaal verschijnt waarbij Reinaert wordt gesitueerd in het Land van Waas.
Het ‘betekenisvolle’ dier (en niet zozeer het fysische) vinden we ook in een ander genre terug, m.n. de Middeleeuwse bestiaria die een zogezegd realistische beschrijving van het dier geven maar in feite een sterk allegorische en moraliserende inslag hebben. Hiervan kennen we het typische beeld van de pelikaan die zijn borst open pikt om zijn jongen te kunnen voeden met zijn eigen bloed. De allegorie van Christus offerdood is duidelijk.
In de bestiaria van onder meer de Beauvais, de Fouilloy en de Fournival vinden we – naast zogenaamde realistische beschrijvingen – ook mengvormen terug tussen goed en kwaad, tussen mens en dier. Hier verschijnen de meerminnen en wolfsmensen op het toneel.
De stap van het moraliserende naar de ‘omgekeerde wereld’ is snel gezet. In de XIVe eeuw ontstaat een populair genre waarbij dieren werden afgebeeld die menselijke handelingen verrichten, waardoor de burgerlijke code van die tijd werd geridiculiseerd.
Het dier verwordt hier tot pure afbeelding en wordt samengebald tot één enkel kenmerk, één enkele betekenis. Op ditzelfde principe is de heraldiek gebaseerd : de klauwende Vlaamse leeuw, de Duitse keizerlijke arend. Het natuurlijke verband tussen het dier en zijn afbeelding is helemaal zoek, waardoor de vervreemding totaal wordt.
Springen we even over naar het tweede ‘evolutiespoor’ dat we volgen, merken we dat er rond het einde van de Middeleeuwen ook een fascinatie voor het dierenrijk groeit, die het louter symbolische en moraliserende overstijgt. Tot de XVe eeuw mogen we stellen dat de afbeelding van een dier een symbolische betekenis had. De uil als weerspiegeling van wijsheid is het bekendste voorbeeld. In feite wordt dus niet het dier afgebeeld, maar enkel een decoratief symbool.
Albrecht Dürer brengt daar verandering in en gaat dieren nauwkeurig weergeven, ontdaan van symbolen en moraal, in hun fysische verschijning. Hoefnagel (1545-1600), hofschilder van Rudolf II, volgt hem daarin en ook bij Rubens (1577-1640) merken we een gedetailleerde, realistische weergave van het dierenrijk. Van Rubens is bekend dat hij boeken over zoölogie in zijn bezit had.

Zoals eerder vermeld, vinden deze zoölogische werken hun oorsprong bij Aristoteles. Pas in de XIIIe eeuw volgt Albertus Magnus (1193-1280) met “De animalibus“, alhoewel hij zeer schatplichtig blijkt aan zijn grote Griekse leermeester; van de 26 delen zijn er maar 7 origineel, de overige zijn gebaseerd op zijn Griekse voorloper. Met Jacob van Maerlants “Der naturen bloeme” krijgen we voor het eerst een vertaling naar de volkstaal maar wetenschap en moraal worden stevig vermengd. Marco Polo (1254-1325) brengt ons in contact met de Oosterse fauna in zijn “Boek der Wonderen”. We moeten wachten op de Zwitser C. Gesner (1516-1565) alvorens we een basisencyclopedie over fauna krijgen. In “Historiae animalium” vinden we vele houtsneden van Dürer terug.
De fascinatie voor het dierenrijk groeit. Wanneer een potvis aanspoelt in Saegtinghe, is Adriaan Coen (1514-?) erbij en schrijft er zijn boek over walvissen, waarvan de Antwerpse Zoo een exemplaar uit 1584 in zijn collectie heeft.

En dan gaat het plots vrij snel. In de XVIIe eeuw krijgen we een wetenschappelijke revolutie en ontstaan er academische genootschappen in Rome (1603), Firenze (1651), Londen (1662) en Parijs (1666). Drukkerijen zoals Plantin-Moretus slagen erin het groeiende wetenschappelijke bewustzijn te voeden met kwalitatieve neerslagwerken. Wanneer in de XVIIIe eeuw de wetenschap de metafysica ‘onttroont’, verschijnen ook de eerste populariserende werken over fauna. Het “Spectacle de la Nature” van N. Pluche uit 1732 kent maar liefst 18 edities.
De belangstelling voor de pracht van het dierenrijk groeit recht evenredig met de afstand van de ontdekkingsreizen. Zij brengen het exotisme dichterbij. Realistische illustraties kennen in de XVIIIe eeuw hun hoogtepunt qua verfijndheid. In de Antwerpse Zoo is een van de meesterwerken op dit vlak te bewonderen : de “Histoire naturelle des oiseaux” (1771-1786) van G. Lerclerc, comte de Buffon (1707-1788).
Met zijn “Systema naturae” uit 1758 legt de Zweed C. Linnaeus de grondslag voor de zoölogische en botanische nomenclatuur en in de “Origin of Species” (1859) legt Ch. Darwin (1809-1882) de basis voor de evolutietheorie waarmee hij het dier opnieuw op het niveau van de mens tilt … of is het vice versa ? Het is logisch dat we in die periode het ontstaan van de dierenbescherming kennen. In 1824 ziet in Engeland de Royal Society for the prevention of cruelty to animals het levenslicht. Frankrijk volgt in 1845, België in 1863 en Nederland in 1865.
Vanaf 1908 vinden we in ons land dierenasielen. Een wet op dierenbescherming volgt in 1829 en wordt aangepast in 1986.
Dierentuinen ontstonden toen het dier – ontdaan van zijn eenzijdige symbolische en moraliserende betekenis – opnieuw ‘dier’ werd. Toen de wetenschap interesse kreeg om meer over de rijke biodiversiteit van deze planeet te kennen en deze kennis ook te delen met zoveel mogelijk mensen. De educatieve taak van de Antwerpse Zoo vinden we al terug in de statuten van 21 juli 1843. We moeten niet verhullen dat de dierentuinen van toen ook ‘postzegelverzamelingen’ waren met vaak slechts één dier per soort. Zoo's evolueerden met hun omgeving mee, gaven meer aandacht aan dierenwelzijn en verdiepten zich langzaam maar zeker in het natuurlijke gedrag om een betere omgeving voor de dieren te creëren.
Toen vele soorten – door toenemende druk op het ecosysteem – met uitsterven bedreigd raakten, bleken de ‘postzegelverzamelingen’ in zoo's plots van cruciaal genetisch belang te zijn voor het behoud van de soort. Momenteel werken de Antwerpse Zoo en het Dierenpark Planckendael mee aan zo'n 150 internationale kweekprogramma's voor bedreigde diersoorten. Voor 9 soorten coördineren ze internationaal de kweek, waaronder de okapi, bonobo en het goudkopleeuwaapje. Dierentuinen zijn door hun wetenschappelijke en educatieve taak zowel ‘kinderen van hun tijd’ als ‘voorlopers voor de generatie van morgen’.
Als besluit verwijs ik graag naar de wijze woorden van Chief Seattle, hoofd van de Dwamish-indianen, toen hij gouverneur Isaac Stevens toesprak bij de gedwongen verkoop van zijn land in 1855 :
“Als de dieren weg zijn, zal de mens sterven aan een gevoel van grote eenzaamheid. Want wat er gebeurt met de dieren gebeurt spoedig met de mens. Alle dingen hangen samen. Wat er met de aarde gebeurt, gebeurt met de kinderen van de aarde. De mens heeft het web van het leven niet geweven, hij is slechts een draad ervan. Wat hij met het web doet, doet hij met zichzelf.”
Peter Van den Eijnde.

Herman Van Vinckenroye (1947) is graficus van beroep (Instituut voor Tropische Geneeskunde, Antwerpen) maar heeft daarbuiten grote belangstelling voor Steiner-pedagogie, beeldhouwen en muziek (zowel klassiek als modern). Dat maakt dat hij openstaat voor alternatieve denkwijzen.
Een stokpaardje is de omstreden homeopathische therapie. In zijn schaarse vrije tijd beoefent hij met succes het kappen van het marmer..
Hippocrates, de bekende Griekse arts (eed van Hippocrates), die ± 400 jaar voor onze tijdrekening leefde, stelt drie grondregels op :
De moderne serumtherapie baseert zich op dit beginsel : men behandelt kinderverlamming met het bloedserum van mensen die aan kinderverlamming hebben geleden, preventieve inentingen bv. tegen tyfus, roodvonk, difterie, cholera, pokken enz. berusten op deze wet. Er was eens in Württemberg een beroemde genezer die uitgescheiden niersteentjes, op een speciale manier toebereid, gaf tegen nierstenen, met zulk geweldig goed resultaat dat uit heel Duitsland mensen met deze wel zeer pijnlijke kwaal bij hem kwamen. Dat was dus zuivere isopathie. De genezing werkt waarschijnlijk zo dat de afweerstoffen van het organisme bijzonder geprikkeld worden (van Dale: vaccin (1805) : preparaat dat oorspronkelijk afkomstig is van of gebaseerd is op (delen van) micro-organismen of andere parasieten en dat immuniteit opwekt tegen (infectie)ziekten.) Men kan ook de hormoontherapie tot het systeem van de isopathie rekenen. Hier probeert men de bloedklieren met inwendige secretie met hun eigen klierhormoon te beïnvloeden. Een bijzonder merkwaardige toepassing drong zich recent nog in Kikwit op tijdens de Ebola-epidemie. Verscheidene tientallen patiënten in quarantaine waren al bezweken aan de gruwelijke symptomen toen ook een jonge verpleegster ten prooi viel aan het killervirus. Men heeft toen beslist een volledige bloedtransfusie te doen met het bloed van een patiënt die de aanval had overleefd. Op spectaculaire wijze is de verpleeg-ster volledig gezond uit de nachtmerrie ontwaakt.
De moderne officiële geneeskunde is hierop gebaseerd : iemand met zware darmcatarre werd in de tijd van Hahnemann opiumdruppels gegeven tegen diarree. Dat had een uitgesproken samentrekkende, stoppende werking; dus het tegenovergestelde van de kwaal (van Dale : geneeswijze waarbij men geneesmiddelen toedient die de ziekteverschijnselen tegenwerken).
In het begin van de praktische beoefening van de homeopathi (dus ± 150 jaar geled en) was het met de wetenschappelijke grondslag van de schoolgeneeskunst niet best gesteld. Zelfs nog vóór die tijd werd er al heftige kritiek geuit op de aan de universiteiten gedoceerde geneeskunde, door Paracelsus von Hohenheim (XVI-de eeuw). Feitelijk kende de toenmalige schoolse geneeskunst niet veel meer dan purgeer-, aderlatings- en braakmiddelen. De meeste vergiften (veel gebruikte medicijnen) zoals belladonna (wolfskers), vingerhoedskruid (digitalis), kwikzilver, arsenicum, antimonium, metalen … werken volgens hetzelfde principe als ze in sterke doses worden toegediend. De laatste honderd jaar heeft deze officiële geneeskunde opzienbarende vooruitgang gemaakt als resultaat van ernstig onderzoek. Zij heeft veel geput uit de principes van de isopathie en ook ijverig gekeken naar de homeopathie. Eerlijke onderzoekers en artsen zijn zich bewust van de wetenswaardigheden en toepassingsgebieden van de volks- en de ervaringsgeneeskunst. Het zou absurd zijn de hedendaagse allopathie te vergelijken met de schoolgeneeskunst uit Hahnemanns tijd, maar belangrijk om weten is dat zij ook tot de drie geneesprincipes behoort die door Hippocrates werden aangehaald en ook in de volksgeneeskunst haar plaats heeft. Wanneer men in de volksgeneeskunst bijvoorbeeld als middel tegen diarree samentrekkende eikenschorsthee toedient dan is dat allopathie. Volgens M. Jourdain is de kleine dosis van Ipeca in hoestdrankjes, die klassieke allopaten voorschrijven, een toepassing van het homeopathisch principe; immers in hoge (toxische) dosis wordt het als braakmiddel gebruikt bij accidenteel oraal ingenomen vergif.
In Zuid-Amerika leeft een gif-slang, de Lachesis muta, de bosmeester. De beet van deze slang veroorzaakt o.a. ernstige moeilijkheden bij het slikken tot een gevoel van verstikking in het strottenhoofd, een opeenhoping van dikke slijmmassa's, gepaard gaand met een afschuwelijke smaak en stinken uit de mond. Tegelijk treden verlammingen in armen, benen en voeten op. Dit is het ziektebeeld van een septische difterie, d.w.z. dat door de beet van de lachesis symptomen optreden die gelijk zijn aan die van de septische difterie. Aan de dokter B.Withalm, die het boek, “De homeo-pathische huisdokter” schreef, waaruit dit uittreksel afkomstig is, werd gevraagd bij een patiënte, die levensgevaarlijk ziek was door septische difterie, als laatste redmiddel homeopathie te proberen. Het ziektebeeld deed onmiddellijk denken aan de vergiftigingsverschijnselen van de lachesis en dus legde hij tien korrels van de 10de homeopathische potentie van het gif (lachesis) op de tong. Dit werd elk uur herhaald en na de derde keer ontstond er een hevige zweetaanval met daarop een spoedige vermindering van de ziekteverschijnselen. De patiënte werd door het homeopathisch geneesmiddel gered.

De grondlegger, wetenschappelijk theoreticus en practicus van de homeopathie is de wereldberoemde arts dr. Samuel Hahnemann. Duitsland schonk de mensheid al geniale artsen die het lijden aanzienlijk hebben verzacht : Paracelsus von Hohenheim (1493-1541) blies de ideeën van Hippocrates, die lange tijd door die van Galenus (griekse arts uit de II-de eeuw van onze jaartelling) overschaduwd werden, nieuw leven in. Beklemtoning van : de individualisering van de zieke, de individualisering van de remedie, de wet van de gelijksoortigheid, Koch (1843-1910), Virchow (1821-1902), Ehrlich (1854-1915), Freud (1856-1936). Maar Hahnemann is een van de grootsten. Hij stamt uit een Meiszense Kunstenaarsfamilie. Zijn grootvader en vader maken in hun tijd naam als kunstschilder en werken voor de beroemde Meiszener Porseleinfabriek. Het derde kind van het echtpaar Christian Gottfried Hahnemann en Christine Spiess is de grote arts die geboren wordt op 10 april 1755 in Meissen, Saksen. Hij krijgt de namen Christian Friedrich Samuel. Hij is een tijdgenoot van Lavoisier (1743-1794), Beethoven (1770-1827), Goethe (1749-1832), Holbach (1723-1789), Bichat (1771-1802) en Laennec (1781-1826). Erg breed heeft het gezin het niet en zijn jeugd zal wel armoedig en sober geweest zijn, maar voor de opvoeding van zijn kinderen brengt de oude Hahnemann elk offer. Hij laat zijn twintigjarige zoon aan de universiteit van Leipzig (1775-1776) medicijnen studeren, maar kan hem niet méér meegeven dan twintig taler. Om in zijn levensonderhoud te voorzien geeft hij les en vertaalt 's nachts boeken uit het Frans en het Engels. In 1777 vinden we hem terug op de universiteit van Wenen. Na een kort oponthoud in Hermannstadt, waar hij de gast van de stadhouder van Siegenburgen is, beëindigt hij zijn studie in de medicijnen in Erlangen. In 1779 verdedigt hij zijn doctoraatsthesis : Conspectus adfectum spasmodicorum aetiologicus et therapeuticus (Etiologische – volgens de leer van de oorzaken der ziekten – en therapeutische overwegingen over de spasmodische (krampachtige aan-doeningen). Dan vangt een merkwaardige periode van zwerven aan. Nu eens praktiseert hij als arts, dan weer legt hij zich, om in het levensonderhoud van hem en zijn gezin te voorzien, geheel toe op het schrijven en vertalen van werken over chemie, farmacie, gezondheidszorg en opvoedings-vraagstukken. Hij vertaalt eerst de Klassieken : Hippocrates, de Arabieren en Paracelsus, en daarna, dichter bij zijn tijd, Van Helmont, Stahl en Haller. Dit was mogelijk omdat hij Arabisch, Hebreeuws, Grieks, Latijn, Italiaans, Frans en Engels sprak en schreef. In 1781 volgt hij bovendien nog een practische farma-ceutische opleiding in Dessau. In dat tijdperk lijdt hij vaak armoede en dat verbetert niet als hij in 1782 trouwt met Johanna Leopoldine Henriëtte Küchler (1764-1830), de dochter van een apotheker uit Dessau, die hem, niettegenstaande de armoede en het drukke rondtrekkende leven, tussen 1783 en 1806 elf kinderen schenkt. 25 jaar lang trekt Hahnemann, toen de beroemdste arts van Duitsland, van de ene stad naar de andere. Zo leeft hij in Hettstadt, Dessau, Gommern, Dresden, Leipzig, Gotha, Georgenthal, Göttingen, Pyrmont, Wolfenbüttel, Braunschweig, Hamburg, Altona, Mölln, nogmaals Leipzig en weer Dessau, dan in Torgau en voor een derde maal in Leipzig en eindelijk als oude man in Köthen; maar ook hier trekt hij als tachtigjarige grijsaard weg om naar Parijs te gaan. Overal blijft hij op zijn onrustige zwerftocht de grote arts, wetenschapsman en schrijver, de onbuigzame revolutionair van de geneeskunst, de fanatieke werker en onvermoeibare idealist. Zijn onvolprezen dappere vrouw met het grote gezin, die vast en trouw in hem gelooft, volgt hem door dik en dun ook in de jaren van de ergste armoede, steunt hem en verlicht zijn zware leven zo veel ze maar kan. Het vele vermoeiende reizen heeft ook zijn goede kanten. Paracelsus had immers gezegd :
Een arts moet niet op één plek blijven en van zijn kamer uit de wereld in gluren. Hij moet erop uittrekken en de wereld en de mensen leren kennen.
Dat doet Hahnemann met volle teugen en beiden behoren ze tot de grootste artsen die Duitsland heeft gekend. Op zijn lange zwerftochten kan hij zien en ervaringen opdoen en wordt al gauw de neergang van de toenmalige geneeskunst gewaar. Zijn nooit rustende geest zoekt en vorst naar nieuwe kennis om een nieuw gebied voor de geneeskunde te ontsluiten en hij geraakt hoe langer hoe meer overtuigd van de nutteloosheid van de toenmalige behandeling, en zelfs van haar schadelijkheid. Daarom besluit hij van de ene dag op de andere om niet langer de geneeskunde te beoefenen, zoals die hem werd aangeleerd. Hij uit onomwonden zijn mening en verzet zich op deze wijze tegen de hachelijke toestand van de toenmalige geneeskunde. Door zijn omvangrijke literatuurstudie kon Hahnemann de geneeskunde, de farmacologie en de chemie van de late XVII-de eeuw perfect van antwoord dienen en doet zich in zijn publicaties opmerken door kritische aantekeningen en commentaar, zijn devies getrouw : Aude sapere –Durf wijs te zijn–. Hij schuwt geen harde kritiek op het bestaande systeem en verschaft zich daardoor onder zijn collega's vele bittere vijanden, die hem tot op hoge leeftijd met hoon, spot en afgunst vervolgen.
In 1789 keert de rustelose arts van zijn reis terug naar Leipzig. Door zijn veelomvattende onderzoekingen komt Hahnemann ertoe sterk werkende geneeskrachtige middelen op zichzelf uit te proberen. Vooreerst zijn er de proeven met kinabast (van de kinaboom). In de Materia medica, het werk van de Schotse farmacoloog William Cullen, neemt hij in 1790 kennis van de stelling dat kinabast met zijn maagontzienende werking malaria genezen kan. Vermoedelijk wegens zijn maagklachten besluit Hahnemann dat middel uit te proberen en beschrijft de proef op zichzelf – die een toestand te weeg brengt die buitengewoon veel gelijkt op het ziektebeeld van malaria (wisselkoorts) – gedetailleerd voor het nageslacht :
Ich nahm des Versuchs halber etliche Tage zweimal täglich jedesmal 4 Quentchen (früher deutsches Handelsgewicht = 1,67 g) gute China ein, die Füße, die Fingerspitzen und so weiter wurden mir erst kalt, ich ward matt und schläfrig, dann fing das Herz an zu klopfen, mein Puls ward hart und geschwind; eine unleidliche ängstlichkeit, ein Zittern (aber ohne Schaudern), eine Abgeschlagenheit durch alle Glieder; dann ein Klopfen im Kopf, Röte der Wangen, Durst, kurz alle mir sonst beim Wechselfieber gewöhnlichen Symptome erschienen nacheinander; doch ohne eigentliche Fieberschauer. Auch die mir bei Wechselfieber gewöhnlichen besonders charakteristischen Symptome, die Stumpfheit der Sinne, die Art von Steifigkeit in allen Gelenken, besonders aber die taube widrige Empfindung, welche in dem Periostium über allen Knochen des ganzen Körpers ihren Sitz zu haben scheint, alle erschienen. Dieser Zustand dauerte 2 bis 3 Stunden jedesmal und erneuerte sich, wenn ich die Gabe wiederholte, sonst nicht. Ich hörte auf und ich war gesund.
Weetgierig als hij is, probeert Hahnemann in de loop der tijd meer dan 100 verschillende geneesmiddelen en medicijnen uit, eerst op zichzelf, later ook op zijn vrouw, zijn kinderen en zijn vrienden, alvorens de uitgeteste middelen bij de behandeling van zijn patiënten succesvol aan te wenden. In 1796 formuleert hij de eerste leerstelling van zij nieuwe behandelingswijze: Stoffen,die deze soort koorts teweegbrengen, doen ook de malariakoortsen verdwijnen. Maar pas na een periode van tien jaar onderzoekingen en vele proefnemingen op zichzelf, komt Hahnemann tot een helder inzicht in de principes van zijn nieuwe geneesmethode :
In bepaalde gevallen is het, om te kunnen genezen, alleen maar nodig een passend medicijn tegenover de aanwezige prikkels van de ziekte te stellen; dus een andere potentie die een uitwerking heeft die zeer veel gelijkt op die waarvan de ziekte blijk geeft (van Dale: homeopathie is een geneeswijze, waarbij men tegen een kwaal als geneesmiddel aanwendt, wat bij een gezonde juist de kwaal zou teweegbrengen, maar dat, in uiterst geringe hoeveelheid toegediend, de natuurlijke heelkracht van het organisme helpt).
In 1805 publiceert hij de resultaten van die uitgeteste geneesmiddelen in : “Fragmenta de viribus medicamentorum positivis in sano corpere observatis”. Hij eist van zijn leerlingen : Macht 's nach, aber macht 's genau nach. De zogenaamde klassieke homeopathie hecht veel waarde aan de vaststelling, dat alleen de precieze opvolging van Hahnemanns voorschriften de enige ware homeopathie is. In 1810 giet Hahnemann uitvoerig en op meesterlijke wijze zijn leer in zijn belangrijkste hoofdwerk : “Organon der rationellen Heilkunde” –Het organon van de rationele geneeskunst– (Organon komt uit het Grieks en betekent : werktuig in de betekenis van hulpmiddel). In 1811 volgt het eerste en in 1821 het laatste deel van zijn “Reinen Arzneimittellehre” (Zuivere geneesmiddelenleer). Ze worden gerekend tot de belangrijkste en geniaalste leerboeken van de geneeskunst. Ze dragen niet alleen bij tot gezondheid en welzijn over de hele wereld maar worden ook een bron van vernieuwing in de hele geneeskunde. Het zijn echter ook strijdschriften tegen de bestaande systemen van de officiële schoolse geneeskunde zoals dat van de vurige Hahnemann niet anders te verwachten is. De gevolgen blijven niet uit : enerzijds een enthousiaste aanhang van leerlingen en leken en een steeds breder wordende kring dankbare patiënten; anderzijds zijn tegenstanders : de artsen van de oude school. Er wordt een onophoudelijke strijd uitgevochten waarin van alles ondernomen wordt om Hahnemann te schaden en hem met publicaties en processen het leven zuur te maken. Ongeveer gelijktijdig wordt Hahnemann in 1812 privaatdocent aan de Universiteit van Leipzig en in 1819 lijfarts van de Hertog Ferdinand von Anhalt-Köthen, die zich op het goede ogenblik zijn lot aantrekt en ervoor zorgt dat hij rustig kan leven en werken in Köthen, waar hij tot 1835 als tachtigjarige onvermoeibaar blijft doorwerken. Hahnemann kent nu erkenning en welstand. De dood van zijn vrouw echter, in 1830, zet een domper op deze gunstige ommekeer. Duizenden en duizenden zieken komen uit heel Europa naar de beroemde arts. Velen moeten wekenlang in Köthen wachten tot ze aan de beurt komen, maar uiteindelijk kunnen ze genezen weer naar huis keren. Van de werkkracht van deze grijze meester kunnen we ons tegenwoordig nauwelijks nog een voorstelling maken. Naast het vorsingswerk komen de talrijke reizen in binnen- en buitenland de homeopathische leer van Hahnemann ten goede. Zo stelt hij zijn ervaringen in dienst van de bestrijding van typhus en cholera. De cholera-epidemie van 1831 brengt hij op wonderbaarlijke wijze tot stilstand door de modernste hygiëne en diëetvoorschriften met antiseptica (besmetting- en bederfwerende middelen), gekoppeld aan homeopathische medicijnen toe te passen. Hierdoor wordt zijn roem nog groter. Op dat tijdstip komt een jonge Française, Melanie d'Hervilly (1802-1878), bij de meester in Köthen om door hem behandeld te worden. Tussen de tachtigjarige weduwnaar en de mooie 45 jaar jongere vrouw ontvouwt zich een romantische liefde, die in 1835 uitmondt in een huwelijk. Melanie haalt haar echtgenoot over om met haar naar Parijs te gaan en daar vindt de arts zijn laatste arbeidsterrein. Nog acht jaar verzorgt hij dagelijks talrijke zieken van 's morgens vroeg tot in de nacht. Na dat overvolle uitputtende leven, na al die vele tientallen jaren, ononderbroken gevuld met onderzoekingen en strijd, vaak met armoede en vervolging, kan deze bovennatuurlijke geest nog duizenden zieken kracht, troost en genezing geven ! Tot de dag voor zijn dood blijft hij gezond, door zijn jonge vrouw als een afgod bemind en verzorgd. Op 1 juli 1843 vat Hahnemann een kou en slaapt op 2 juli op 88-jarige leeftijd vredig in. Zijn gebeente rust op het kerkhof Père Lachaise onder een, 50 jaar na zijn dood opgericht, waardig gedenkteken met de woorden : Hahnemann, grondlegger van de homeopathie.
Reeds tijdens Hahnemanns leven krijgt het principe van de homeopathie belangstelling en erkenning, maar verwekt ook heftige discussies en tegen-gestelde opvattingen, die tot op onze dagen levendig blijven. Toch heeft de homeopathie zich in de voorbije tweehonderd jaar ongewijzigd gehandhaafd en nog steeds geldt wat Hahnemann in zijn “Organon der rationellen Heilkunde” vastlegde :
Wähle, um sanft, schnell, gewiß und dauerhaft zu heilen, in jedem Krankheitsfall eine Arznei, welche ein ähnliches Leiden für sich erregen kann, als sie heilen soll –Kies om op zachte wijze, snel, zeker en duurzaam te genezen bij elke kwaal een geneesmiddel dat op zichzelf een dergelijk ziektebeeld kan veroorzaken–.
Dat is het grondprincipe waar alle andere voorschriften op berusten. De zachtmoedige rebel van toen is met zijn theorieën verbazend modern gebleven en zijn stellingen hebben tot vandaag aan geldigheid niet ingeboet. Daar is een aanvaardbare zakelijke verklaring voor : Hahnemann en zijn leerlingen gingen bij hun omvangrijke studies en vorsingen methodisch te werk. Zij stelden de resultaten met akelig precieze nauwkeurigheid vast, en deze werkwijze was voor die tijd hoogst ongebruikelijk. Wij zijn derhalve de eerste homeopathen voor hun inzet en ontzaglijke arbeid tot op de huidige dag de hoogste waardering verschuldigd. Bovendien zet Samuel Hahnemann zich niet alleen in voor een gezonde en op de totaliteit gerichte (holistische) behandeling die het zelfhelings-principe van het lichaam –de innerlijke arts– in het middelpunt van de therapie stelt, hij houdt zich ook in met stedebouwkundige problemen en hygiëne-vraagstukken. De eerste decennia van de XIX-de eeuw krijgt de homeopathie al met veel succes vaste voet in vele andere landen en enkele verwezenlijkingen kan de hoogbejaarde Hahnemann zelf nog meemaken. Sindsdien is het homeopathisch principe wereldwijd verbreid. Nationale en internationale homeopathische verenigingen en gezelschappen geven regelmatig vaktijdschriften uit en het principe Gelijksoortig geneest gelijksoortig geldt zowel voor de behandeling van banale alledaagse ongemakken als van chronische ziekten als voor zware hedendaagse therapievormen. Het tweede principe van Hahnemanns leer is te vinden in het hoge verantwoordelijkheidsbewustzijn van zijn grondleggers. Al zeer vroeg begrijpt Hahnemann dat de hoeveelheid oertinktuur verschillende reacties teweeg brengt. Er ontstond bij geringere hoeveelheid ofwel een hevige verergering van het ziektebeeld (Erstverschlimmerung) ofwel niet voldoende lichaamsreacties. Dit laatste was vooral het geval bij medicijnen van mineralische oorsprong. Deze verschijnselen kwam hij tegen, terwijl hij het geneesmiddel verdunde om daarmee de op dat ogenblik aangepaste dosis van het middel op de individuele behoefte van zijn patiënt af te stellen. Zo roept hij de verdunning van de geneesmiddelen, die geen ongewenste nevenwerkingen tot gevolg hebben, in leven en noemt deze vorm van voorschriften Potenz (potentie), wat in de betekenis van kracht te verstaan is. In 1811 gewaagt Samuel Hahnemann voor de eerste maal officieel van het begrip Verdünnung en veel later –in 1827– spreekt hij in deze samenhang van Potenzieren. Deze relatief late vermelding van de benamingen Potenz en Potenzieren wijst erop, dat Hahnemann niet licht met deze begrippen omspringt en eerst na uitvoerige proefnemingen besluit, ze openbaar te maken. De begrippen lopen als een rode draad door de homeopathische leer en hitsen nog altijd de gemoederen op. De daaropvolgende belangrijkste wet van de homeopathie is dat alle geneesmiddelen op gezonde mensen beproefd worden, voor wat betreft hun werking en verschijnselen. Er worden dus geen proeven op dieren of wezensvreemde objecten, geen vivisecties, geen laboratoriumproeven maar alleen proeven op het menselijk levende organisme zelf gedaan. Al tijdens Hahnemans leven hebben honderden van zijn leerlingen zich beschikbaar gesteld voor deze vaak gevaarlijke proefnemingen. De resultaten en bevindingen hiervan, samen met alle veelsoortige, wetenschappelijk vastgestelde symptomen werden daarna in de Homeopathische Geneesmiddelenleer vastgelegd. Homeopathische artsen en practici hebben hierbij vaak giftige geneesmiddelen als arsenicum, kwikzilver, belladonna (wolfskers), aconitum (monnikskap) enz. ingenomen, waarbij dikwijls zware vergiftigingsverschijnselen optraden. Zo verschaften ze zich een duidelijk inzicht in het ziektebeeld van deze stoffen. Want bij het verstrekken van een homeopathisch geneesmiddel wordt niet zozeer afgegaan op de naam van de ziekte dan wel op het ziektebeeld en de zich voordoende symptomen. Dit maakt van de homeopathie een uitgesproken individuele behandelingsmethode. In wezen bestaan er in de homeopathie geen volgens bepaalde schema's ingedeelde ziekten. Er zijn alleen zieke mensen, die lijden aan bepaalde ziekte-verschijnselen en die het spiegelbeeld vertonen van bepaalde vergiften. Zo komt het alleen in de homeopathie voor dat voor een bepaalde kwaal dozijnen, ja zelfs honderden geneesmiddelen kunnen bestaan. Eenzelfde kwaal immers kan bij ieder mens andere verschijnselen teweegbrengen die dus verwijzen naar andere aangepaste geneesmiddelen. Daarbij dient er nog rekening gehouden te worden met de omstandigheden, waaronder de kwaal verbetert of verslechtert, de invloed van de buitenwereld, wat voor soort pijnen er optreden, of ze branden, drukken, trekken, boren, … Ook de gemoedstoestand van de patiënt speelt een grote rol; is hij vrolijk of zwaarmoedig van natuur, wanhopig of hoopvol, onverschillig of opgewonden, wantrouwend of openhartig, gevoelig of hard. Een wezenlijk onderscheid wordt gemaakt voor een zieke vrouw of man, een kind of een bejaarde. Er zijn zelfs middelen die alleen vrouwen voorgeschreven worden zoals Sepia, Aletris, Cimicifuga, Helonias, Caulophyllum enz. en weer andere die blijken meer effect te hebben bij mannen zoals Nux vomica, Viscum (Vogellijm), Arnica (Valkruid). Door de precieze beschrijvingen van de uitwerking van de onverdunde vergiften is deze therapie dus uiterst nauwkeurig en gebaseerd op reële ervaring en strenge observatie. Uit deze korte aanduidingen kan men al afleiden wat een onuitputtelijk gebied de homeopathie bestrijkt. Dat in onze dagen de homeopathie een volwaardige wetenschap geworden is, die zowat overal in de wereld onderwezen en beoefend wordt en ontelbare aanhangers telt, is te danken aan de volgende feiten :
1. Er zijn de zogenaamde homeopathische polychresten. Dat zijn de enkele universeel werkende geneesmiddelen, voldoende voor een huisapotheek. Eenvoudig en overzichtelijk en de geneeskracht ervan is, goed toegepast, onovertroffen.
2. Alle homeopathische geneesmiddelen zijn niet giftig. Ze werken op grond van de wetten van de homeopathie en genezen, zoals Hahnemann het wilde : snel, zacht en duurzaam.
3. Door de inname van gepotentieerde homeopathische geneesmiddelen kan nooit ook maar de geringste schade aangericht worden. Geneesmiddelen-vergifting, beschadiging of verslaving is uitgesloten.
4. Het is mogelijk dat men individueel niet het juiste en voor het desbetreffende ziektegeval niet toepasselijke geneesmiddel neemt. In het ergste geval blijft het dan zonder uitwerking en ook zonder bijwerking of enig schadelijk nevenverschijnsel.
5. Het juiste individueel medicijn echter geneest snel en zacht, maar vooral duurzaam. Een genezing door middel van een homeopathisch geneesmiddel is altijd duurzaam omdat de ziekte niet onderdrukt of verdrongen, maar door stimulering van de tegenkrachten juist overwonnen wordt. Een bijzondere eigenaardigheid van de homeopathie is de geneesmiddelenbereiding. De geneesmiddelen worden in vloeibare vorm (druppels), als poeder of tabletten, ampullen en als korrels toebereid. Het essentiële van de bereiding is de potentiëring, dat is de steeds verder doorgevoerde verdunning. Het procédé is als volgt : uit de homeopathische oertinctuur, waarvan het medicinale gehalte wisselend is, wordt de eerste decimaalpotentie gemaakt door er zoveel verdunde alcohol bij te doen dat de ontstane oplossing 10% medicinale substantie bevat. Uit deze 1ste potentie bereidt men de 2de door ervan 1 deel met 9 delen 45 percentige wijngeest te mengen, die men dan krachtig schudt. Op dezelfde wijze verkrijgt men uit de 2de potentie de 3de, hieruit de 4de enz. Dus :
| de 1ste potentie is een verdunning van 1:10 : de 2de potentie is een verdunning van 1:100 : de 3de potentie is een verdunning van 1:1.000 : de 4de potentie is een verdunning van 1:10.000 : de 12de potentie is een verdunning van 1:1.0000.000 : |
D1. D2. D3. D4. D12. |
Men schrijft nog wel de 30ste, ja zelfs de 100ste en 200ste potentie voor en dokters, die met hoogpotenties werkten zoals de bekende homeopathische arts dr. Nash, gaven medicijnen nooit onder de 1000ste potentie en zouden daarmee de ongelooflijkste resultaten hebben geboekt. De homeopathische school, waarvan de bekendste vertegenwoordiger dr. Karl Stauffer is, schrijver van moderne homeopathische leerboeken, gaat niet boven de 30ste potentie en gebruikt deze ook alleen ter beïnvloeding van de constitutie. Overigens wordt van de geneesmiddelen, waarvan de oersubstantie vergiften zijn meestal de 4de tot de 6de potentie gebruikt; van niet giftige de 1ste tot de 3de. De poeders worden bereid met melksuiker en de potentiëring wordt verkregen door wrijving op analoge wijze. Ze kunnen ook tot tabletten geperst worden. Korrels die zeer aangewezen zijn in de kinderpraktijk, worden doordrenkt met de gewenste potentie en dan gedroogd. Het toedienen van de juiste potentie is helemaal niet zo gemakkelijk. Er moet met vele factoren rekening worden gehouden. Lichamelijke toestand, soort van kwaal, is het chronisch of acuut. De leeftijd van de patiënt speelt een rol enz. Ofschoon dus de homeopathie (juister zou zijn : homeotherapie) op absoluut exacte wetenschappelijke grondslagen en inzichten berust, kunnen we toch spreken van een volksgeneesmethode, want geen geneesmethode heeft zo 'n diepe en wijdverbreide waardering in alle lagen van de bevolking gevonden als de homeopathie. In Duitsland, Amerika, Engeland, Frankrijk en de noordelijke landen zijn aan de universiteiten leer-stoelen verbonden voor homeopathie. Daar zijn ook veel grote ziekenhuizen, waarin de zieken uitsluitend volgens de homeopathische geneesmethode met vaak uitstekende resultaten behandeld en genezen worden. Een van de mooiste is het beroemde Robert-Boschziekenhuis in Stuttgart. In die landen is er ook een grote reeks homeopathische poliklinieken, waar jaarlijks ontelbare patiënten genezing vinden. Een onberispelijke bereiding van homeopathische genees-middelen wordt vooral in Duitsland verzekerd door grote fabrieken zoals de firma Dr. Schwabe, Dr. Madaus, Dr. Müller en vele andere, die een wereldfaam genieten en voortreffelijke prestaties leveren. In België: Omnium Mercur.
In de rand genoteerd nog enkele typisch homeopatische begrippen : Similiaprincipe : Geval waarin de beschrijving van de door de remedie uitgelokte symptomen perfect overeenstemt met wat men bij de persoon heeft kunnen waarnemen -In dit geval hoeft de remedie niet geïndividualiseerd te worden-. Er zijn twee strekkingen : enerzijds de unicisten die, normaal genomen, meesters zijn in de kunst van de individualisering van de zieke en van zijn remedie, en anderzijds de complexisten, die soms de twee zijn, m.a.w.ze gebruiken complexen als draineermiddel en daarna een unitaire remedie. Het evenwicht dat zich tussen de verschillende bestanddelen van een complex vormt, staat borg voor zijn doeltreffendheid :
Deze begrippen,waarvan het primordiale belang op maat gesneden is van de mens en zijn toekomst, zullen op een dag doodgewoon lijken, want de fysieke en psychische persoonlijkheid van ieder mens is het resultaat van zijn eigen, specifieke aanpassing aan het universum (Pierre Vannier).
Door niets meer of minder dan de vooruitgang van de chemotherapie en de antibiotherapie wordt de pathologie in haar geheel veel meer een pathologie van klachten, van stoornissen, van evenwichtsverstoringen dan een welomschreven ziektepathologie, althans tot de persistentie en de som van de vele functio-nele stoornissen in een typische acute of chronische ziekte uitmonden (Pierre Vannier).
Samuel Hahnemann herkent in de potentiëring van de medicijnen een Methode zur Anhebung ihrer Wirkung -Methode ter verhoging van hun werking- Want het verdunningsproces opent mogelijkheden, die het zieke organisme niet enkel een middel tot genezing kunnen bieden, maar die ook het gezondmakings- proces niet storen en geen nevenwerkingen veroorzaken. Maar precies deze aanpassing van de dosering jaagt de tegenstanders van de homeopathische leer in het harnas. De verdediger van de allopathie verklaart, dat als gevolg van de geneesmiddelinname bepaalde nevenwerkingen normaal zijn en op de koop toe erbij genomen moeten worden. De werkzaamheidskracht van de grofstoffelijke medicijnen wordt zelfs door de onvermijdelijke nevenwerkingen verklaard.
Inderdaad, in het begin van vorige eeuw waren de scheikundigen niet in staat nog iets te ontdekken eenmaal dat de derde centesimale verdunning overschreden was (drie opeenvolgende verdunningen van één op honderd). Hun methoden lieten hen slechts toe substanties op te sporen tot een concentratie van 1/1.000.000 en daarbij was dat slechts voor sommige bestanddelen mogelijk. De tegenstanders van de homeopathie hebben daar dan haastig uit afgeleid dat die bereidingen bestonden uit water, alcohol of melksuiker en niet werkzaam waren ? Tot de dag dat men een inspanning leverde om door middel van alle fysische en chemische analyse-methodes de aanwezigheid van iets aan te tonen in de hoogste verdunningen. De homeopaten hebben zo aan de basis gelegen van het op punt stellen van de delicate procédés der infinitesimaalanalyse. Al vlug konden enkele zeer nauwkeurige technieken de aanwezigheid van het bestanddeel aantonen in de vierde centesimale verdunning (4CH). Hun gevoeligheid reikte dus tot concentraties van 1/100.000.000. Hoewel bemoedigend, waren deze resultaten nog te bescheiden om de overtuiging van de scheikundigen aan het wankelen te brengen. Tot het mogelijk werd zelfs in de achtste centesimale verdunning bestanddelen te ontdekken door het gebruik van radio-actieve metalen en hun dosering met de Geiger-Müllerteller. M.a.w. dank zij deze natuurlijke analysetechnieken was men in staat het domein te betreden van het echte, oneindig kleine, dat de procédés die tot dan gekend waren nog niet konden onderzoeken. Door extrapolatie, kon men dan wiskundig gezien, nagaan dat de negende centesimale verdunning nog verdunde grondstof bevatte, namelijk een zeer minieme concentratie van een kwintiljoenste : één deel van de substantie tegenover een miljard maal één miljard delen van het oplosmiddel.
Het was in het licht van deze kennis dat de homeopathische verdunnin-gen, die door de Franse Codex officieel erkend zijn, de negende centesimale verdunning volgens Hahnemann niet mochten overschrijden (De Codex bevat de officiële verzameling der geneesmiddelen met hun bereidingsmethode). Over het werkzaamheidsprincipe van zijn leer schrijft Samuel Hahnemann in 1839 : Homöopathische Dynamisierungen sind wahre Erweckungen in natürlichen Körpern der verborgen gelegenen arzneilichen Eigenschaften (Homeopathische dynamismen zijn ware opwekkers van de verborgen gelegen natuurlijke genees- krachtige eigenschappen in het lichaam). Hij spreekt hiermee de zelfhelings-kracht, eigen aan het lichaam, aan en bedoelt met de Erwecken verborgener Eigenschaften, de innerlijke arts. Het buitengewone aan de homeopathische therapie is, dat juist bij een groot aantal ziekten de nietig kleine doseringen van het geneesmiddel tot heel verbazingwekkende uitwerkingen leiden.
Hoe is het nu te verklaren dat in bepaalde wetenschappelijke kringen zo 'n tegenstand te vinden is, vaak ook ingegeven door de bezorgdheid van welmenende artsen, tegen een blijkbaar zo op wetenschappelijke principes gebaseerde toepassing van de geneeskunde ?
Vooreerst is er die uit de geschiedenis geërfde vijandigheid die groten-deels door de heftige kritiek van Hahnemann op de schoolgeneeskunde zelf in het leven werd geroepen. Daarbij, zoals de meeste vooroordelen, wordt de context uit het oog verloren. Elke moedige hedendaagse wetenschapper zou op de toestand van de aderlatingen, braak-en purgeermiddelen van die tijd ook kritiek hebben gehad. Elke nieuwe toepassing noopt de pioniers ertoe vaak méér aandacht te besteden aan het overtuigen van de goegemeente van een nieuwe zienswijze -in dit geval de allopathische, op wetenschappelijke principes gevestigde, therapieën - dan de gezondheid, dus de ware bedoeling van de geneeskunst, te dienen. Dat is ook een stadium waaraan, zo blijkt later, krediet moet gegeven worden.Ook de homeopathie vecht in die tijd voor zijn bestaans-recht en kan eveneens stoelen op een empirische, strenge observatie, alleen wil zij zich niet in het keurslijf van de gangbare bewijsvoering laten persen omdat zij juist als middelpunt de individuele mens kiest, die noodgedwongen volgens die exacte voorwaarden voor objectief bewijs wordt uitgesloten.
De benaming geneeskunst wordt vervangen door de term geneeskunde die aan beoefenaars van exacte wetenschappen nauwer aansluit bij hun geloof en idealen van objectief onderzoek. Dat houdt ook in dat de patiënt als individu eerder op het tweede plan wordt gezet en zeker veel meer als gegeneraliseerd objectief beschouwd waar zich de ziekte bij voordoet en waar buiten hemzelf om, dankzij de werking van het geneesmiddel, die ziektesymptomen moeten uitgeschakeld worden. De proeven die voorafgaan aan het erkennen van een werkzaam geneesmiddel bewijzen dat. Op mensvreemde proefobjecten, -dieren en in zuiver laboratoriumvoorwaarden worden op verbluffende wijze zeer nauwkeurige chemische reacties onderzocht en gemeten.
Meestal is het eindstadium in de dubble blind test een vergelijking met een placebo, zodat het absoluut zeker moet zijn dat de uitwerking niet beïnvloed wordt door subjectieve factoren. Het is immers al meermaals voorgevallen dat mensen die een placebo toegediend kregen genazen en anderen met het echte medicijn bezweken. Dat wordt ofwel stilgehouden ofwel toegeschreven aan spontane genezing. Fanatieke allopathen houden vol dat genezingen met homeopathische middelen zo tot stand komen ! Maar dit terzijde. De natuurlijke herstellingsdrang (de innerlijke arts) staat centraal in de homeopathie. Juist dit principe wil de allopathische zienswijze volledig uitsluiten. Het is zonder meer duidelijk dat als deze zienswijze een bewijsvoering eist van de homeopathische aanhangers, die verplicht worden hun belangrijkste kernpunt uit de bewijs- voering weg te laten, niet deze laatsten tekortschieten maar wel dat ofwel de allopathen moeten kunnen bewijzen dat er in de biologie geen enkele vorm van zelfherstel of individuele aspecten bij de genezing een rol spelen. Alleen al het feit dat zij geneigd zijn alle gunstige homeopathische resultaten aan spontane genezing toe te schrijven verraadt dat zij daar eigenlijk wel geloof aan hechten. Ofwel zullen zij, die bewijzen verlangen, naar voorwaarden moeten zoeken die beantwoorden aan de fundamentele stelregel van de homeopathie : de innerlijke arts (= de spontane wil tot herstel van een in onevenwicht gebrachte lichaams-ecologie) een soort etherische aansporing, een opwekken van de antistoffen, dus een hulpmiddel aan te bieden om een evenwichtig totaal functioneren weer mogelijk te maken.
Aangezien homeopathische artsen ook volledig op de hoogte zijn van de allopathie en de isopathie kunnen zij ook de juiste behandeling kiezen voor elk specifiek geval. Tot besluit zou ik enkele bedenkingen willen maken in verband met die fameuze bewijsvoering. Naast de wetenschappelijke proefnemingen van juffrouw Wurmser in Frankrijk met homeopathische arsenicumverdunningen bij dieren, de proeven met een preventief toegediende alloxaanverdunning bij kunstmatig verwekte diabetes bij dieren en de koperverdunningen bij planten stel ik mij de vraag waarom de Kirlian-fotografie geen gedetailleerd beeld zou kunnen geven van bv. een bloeduitstorting in de hand, behandeld met arnica, naast een onbehandelde ? (Kirlian : Russisch electro-technicus, ontdekte in 1939 dat levende organismen in een veld van hoog frequente trillingen -200 kHz- omringd zijn door een oplichtend aureool en spectaculair op fotopapier vast te leggen). De gezondheidstoestand van het organisme wordt duidelijk afgebeeld in het aureool en verdwijnt volledig bij het afsterven. Ook de Capillair-dynamische test (Stijgbeeldmethode, ontworpen door mevr. L. Kolisko), die één der meest gevoelige methoden is om allerlei subtiele invloeden te registreren, die op geen enkele andere manier meetbaar zijn. Een modificatie ervan leidde al tot de Kaelin-test die vroegtijdig kanker kan opsporen. Een derde al even spectaculaire methode is de druppelbeeldmethode van Ir. Theodor Schwenk (Directeur van het Institut für Strömungswissenschaften in Herrischried), die al volop gebruikt wordt om geneesmiddelen en homeopatische potenties op kwaliteit te onder-zoeken. Dus wanneer alle middelen die ons door de natuur, menselijk vernuft en wondere ontdekkingen worden aangeboden, op het juist beoordeelde doel kun-nen gericht worden zal de mensheid zichzelf ontwikkelen in vaardigheid en gezondheid en krijgt wetenschap meer de creatieve allure van kunstzinnig teleologisch inzicht dan van een intellectueel bekvechten om formele bewijs-voeringen. De tijd is zeker meer dan rijp voor een veelzijdige visie die eerder integratie dan separatisme, holisme dan specialisatie, zelfheling dan doping, synthese dan analyse wil nastreven.
Herman Van Vinckenroye.


Dr. Henri Debehogne (1928) is een bekend Belgisch astrometrist (astrometrie : astronomische discipline die het nauwkeurig vastleggen (meten ) van de stand van de hemellichten – in het bijzonder, van de hemellichten uit het zonnestelsel – beoogt).
Hij heeft ook heel wat kleine planeten ontdekt, een 700-tal nieuwe objecten (1965–1994), het merendeel vanop de ESO-sterrenwacht in Chili.
Hij was ook meerdere jaren gastprofessor aan verschillende Brazillaanse universiteiten waar hij de discipline van de astrometrie, de verschillende ontdekkingswijzen van kleine planeten en de nauwkeurigheid op de metingen heeft onderwezen.
Vers 1908, un petit village du Condroz namurois. On est à 15 km au sud de la cité du Bia Bouquet. Une jeune fille Joséphine, est la sixième et dernier enfant d’un menuisier. Sa mère, une belle rousse, Adélaïde, tient épicerie et débit de boissons. Adélaïde aimait narguer l’autorité. Enfant, elle soufflait à une condiciple de répondre non à la question du curé “Êtes-vous chrétienne, Virginie ?” Adolescente, elle criait “Vive Napoléon”, au passage en 1870, des officiers conduisant les soldats belges sur la frontière franco-belge pour assurer la neutralité du pays. Adélaïde est adulée pour son intelligence par le curé, futur doyen de Walcourt. Sa fille, Joséphine, a 18 ans. Ele devient la proie d’une déprime terrible. Naturellement, Adélaïde envoie la jeune déprimée chez le curé qui saura trouver le remède adéquat. Après la grand messe du dimanche, Joséphine expose au prêtre son état. Le curé, Barré, lui demande de prendre un œuf chaque jour et de revenir en fin de semaine. Joséphine obéit et toujours déprimée revient voir l’homme de Dieu. Celui-ci lui dit de prendre deux œufs chaque jour. La semaine suivante, la malheureuse se voit obligée de manger trois œufs toutes les 24 heures. Elle s’acquitte de son obligation : un œuf le matin, un œuf à midi, un le soir. La semaine se passe, rien ne change. Joséphine doit avaler quatre œufs par jour. Heureusement que le chien d’Adélaïde n’a pas encore dévoré la belle poule blanche de la voisine ! La semaine qui suit le nombre de jaunes (le blanc n’est pas nécessaire) passe à cinq. Joséphine les prend crus, cuits, avec du pain, dans la salade. C’est le statu quo. Voilà Joséphine obligée d’ingurgiter ses six jaunes quotidiennement. Puis sept. Mais cette fois elle se rebelle : elle n’en prend que six. Evidemment, en entrant chez le curé, elle se met à pleurer, trahissant ainsi sa faute. Le futur doyen lui impose huit jaunes : trois le matin, deux à midi, trois le soir. Enfin, le visage de Joséphine se couvre de boutons. Le curé en la voyant lui dit : “Tu es sauvée, je ne pouvais aller plus loin bien que les poules du village de Maillen soient de bonnes pondeuses”. Ma maman était sauve et je pouvais naître vingt ans plus tard, heureusement pour l’astrométrie et les “malik planet” comme disent nos amis russes, ainsi que pour la défense de la loi du SMAT (salaire maximum toléré).
Nicolas Bosret, organiste namurois aveugle, créa “li Bia Bouquet :”
| C’est dmwain li djou di m’mariatch Appwarto to vos bouquets Vo les mettros au cwarsatche Des bauchelles do banquet Main c’est l’menne li pu djolie Ossi vraiman dji m’raffie Do li donnais l'bouquet Elle aurait li bia bouquet |
C’est demain le jour de mon mariage Apportez tous vos bouquets Vous les mettrez au corsage Des filles du banquet Mais c’est la mienne la plus jolie Aussi vraiment je me réjouis De lui donner le bouquet Elle aura le beau bouquet |

Zomer 1993. We reizen met dezelfde vlucht naar St Petersburg – een stad met een magische aantrekkingskracht – maar we weten het nog niet van elkaar. In St Petersburg wordt het duidelijk. Onwennig staan we te dralen in de kleine groezelige terminal – aanschuiven voor de paspoortcontrole – dan worden we afgehaald door onze gemeenschappelijke gastheer aldaar. Monique en Rachel zullen de stad bezoeken, ik ga een kursus Russisch volgen. We logeren in dezelfde familie en al vlug trekken we 's namiddags samen door de stad, gegidst door zoon Sacha.
Onze gastheren, Lëv en Vera doen hun uiterste best om ons goed te ontvangen. In het piepkleine keukentje bereidt Vera me elke ochtend een uitgebreid en gevarieerd ontbijt. Lëv gaat meestal met de trein naar hun datcha, een lapje grond met een houten hutje erop om zelfgekweekte groenten, fruit en bessen te gaan oogsten. Na mijn kursus 's morgens ben ik 's middags afgesproken met Monique, Rachel en Sacha die ons de kunstschatten van de stad zal laten zien. De kleurrijke byzantijnse kerken en koepels, de prachtige paleizen, alles ademt een groots verleden van machtige heersers. En die zullen we ook leren kennen, want Rachel trekt met ons door de Ermitage, Tsarskoe-Selo, Peterhof (gebouwd voor Peter III) en andere paleizen, gewapend met het boek dat ze aan het lezen is van Henri Troyat : “Het leven van Peter de Grote en van Katharina de Grote”.
Na de verwoestende oorlogen werden die paleizen met veel geld, bloed en tranen gerestaureerd en van schitterend bladgoud voorzien. Veel van de machtige zuilen zijn van massief lapis lazuli of jade; er zijn amberen kamers, meubels met schitterende marketterie, vervaardigd door de grootste kunstenaars en ambachtslui uit de XVIIe en XVIIIe eeuw, want Katharina deed in grootheidswaanzin niet onder voor haar voorganger Peter de Grote. Op vilten pantoffels schuifelen we verder over de mooie parketvloeren. Ondertussen leest Rachel ons voor uit goede bron zodat we ons makkelijker in de leefwereld van Katharina kunnen verplaatsen. Ze werd geboren te Stettin (Pommeren 1729) en genoot een voortreffelijke opvoeding. Als jong meisje reeds begint ze alle Franse XVIIIe eeuwse filosofen te lezen en ze wordt dan ook volledig doordrongen van de verlichte ideeën van Diderot, D'Alembert, Voltaire, Montesquieu, Grimm en anderen. Zo schrijft ze naar d'Alembert :
Pour l’utilité de mon empire, j’ai pillé le président de Montesquieu, sans le nommer. J’espère que si, de l’autre monde, il me voit travailler, il me pardonnera ce plagiat, pour le bien de vingt millions d’hommes. Il aimait trop l’humanité pour s’en formaliser. Son livre est mon bréviaire.
Later onderhield ze een drukke correspondentie met ondermeer Voltaire die haar ten zeerste bewonderde en die al haar beslissingen steeds als voorbeeld stelde aan de europese hoven. Zo schrijft hij haar :
Diderot, d’Alembert et moi, nous sommes trois à vous bâtir des autels.
Ook uit haar talloze brieven aan Grimm blijkt dat deze haar vertrouweling was en haar toeverlaat. Ze bewonderde Diderot zo zeer dat ze zijn volledige bibliotheek opkocht toen deze in geldnood zat, met de bedoeling echter dat hij ze in zijn bezit mocht houden tot aan zijn dood. Ook de bibliotheek van Voltaire verhuist na zijn dood naar de Ermitage. Jammer genoeg zouden haar prachtige verlichte idealen later sneuvelen in de dagelijkse pogingen om dat uitgestrekte land te besturen. Onbeperkte macht bezitten, was ook niet makkelijk los te laten. Het was blijkbaar ook een ontzettend afrodisiacum want alleszins heeft ze aan knappe jonge minnaars geen gebrek gehad. Ik kreeg in ieder geval sterk de indruk dat er bij haar een hemelsbrede kloof was ontstaan tussen de verlichte liberale idealen die ze koesterde en haar autoritaire geest. Zo wilde ze aanvankelijk het slavendom afschaffen, maar in werkelijkheid gaf ze elke adellijke gunsteling paleizen ten geschenke met daarbijbehorend enkele duizenden slaven. Naarmate de jaren verstreken werd ze steeds conservatiever en was ze van oordeel dat die achterlijke moejiks hun vrijheid niet zouden kunnen beheren en benutten. Ondanks haar krachtdadig optreden – ze werd verdacht van de moord op haar labiele echtgenoot Peter III, die haar ambitie in de weg stond – en zelfbewuste manier van regeren dweepte de grote Voltaire ongeremd met zijn Katharina. Elke beslissing van haar werd door de Vos van Ferney op bewonderend gejuich onthaald :
Dank zij hem heeft ze een goede pers in centraal Europa een publiciteitsagentschap waarvan de lovende slogans hun weg vinden van salon tot salon (H.Troyat).

Terwijl Rachel vertelt en anecdotes aanhaalt slenteren we in prachtig vergulde zalen met kristallen luchters langs vitrines met juwelen en kostbare voorwerpen, brokaten gewaden rijkelijk bezaaid met edelstenen, schitterende tafels met goud en zilver, porseleinen serviezen, gedekt voor onzichtbare gasten. Het kontrast met de wereld buiten de muren van deze paleizen is groot. Het kontrast met de oorspronkuelijke idealen van Katharina ook. Als ze het nieuws van de Franse Revolutie verneemt – een ware nachtmerrie voor haar – realiseert ze zich met een schok dat dit de vrucht is van het gedachtengoed van de filosofen die ze zo bewonderd heeft. Uit angst censureert ze en verbiedt ze zogenaamd subversieve boeken, worden alle maçonnieke loges gesloten in heel Rusland, verbiedt ze om godsdienstige sekten aan te hangen, censureert ze kunst in het algemeen. Kortom, de repressie wordt groot.
Wanneer haar kleinzoon Alexander klaar is om haar op te volgen, merkt ze wel dat hij democratische, humane en liberale ideeën heeft – die hem nota-bene zijn bijgebracht door zijn republikeinse leraar Laharpe die ze zelf voor hem uitgezocht had –. Laconiek merkt ze op dat ze in haar jeugd dezelfde idealen heeft gekoesterd, maar ze heeft er vertrouwen in dat Alexander uit hetzelfde hout gesneden is als zijn grootmoeder, dus wanhoopt ze niet.
Tot de laatste dag van haar leven, tot de laatste uren voor haar dood (1796) heeft ze de touwtjes stevig in handen gehad. De drang om alles te controleren was jammer genoeg sterker dan haar fascinatie voor de Franse Verlichting; is het daardoor heeft ze de uitdaging om dit ideeëngoed in het nog zo duistere en verre Rusland te brengen niet durven aangaan?
Kristina Leterme.