L'âge viril n'est occupé que de vues ambitieuses, du soin d'acquérir des honneurs, du pouvoir, des richesses; en courant perpétuellement après le bonheur, l'homme ne l'atteint jamais; il ne se dit point, je suis heureux, il espère toujours l'être; il se promet de jouir un jour, et il ne jouit jamais; il atteint seulement une vieillesse qui pour l'ordinaire, n'est remplie que de dégoûts, d'infirmités, de chagrins, de désirs impuissants et de craintes de la mort.
d'Holbach : Système social

Woord Vooraf

Nog vol en bedwelmd van de tonen van het schitterende 12 uur durende Felix Mendelssohn festival in de Singel op 14 februari jl en het recital van romantische symfonische werken in het kerkje van St-Martin-in-the-Fields (Londen 8 maart jl, een driedaags reisje met het doel enkele van Holbachs werken in de British Library op te sporen), stelde ik me de vraag waarom het belangrijk is in deze wereld de weg van de ratio te bewandelen. Tegelijkertijd vroeg ik me af of we de wereld van kunst en fantasie zonder meer in een diepe afgrond zouden moeten storten. Natuurlijk zijn we geen fanatici van het allooi van een Dr. Goebbels, die wanneer hij het woord kunst hoorde naar zijn revolver greep (“wenn ich das Wort Kunst höre greiffe ich nach meinem Revolver”). Mijn vriend Leo Van Der Linden heeft er me eens op attent gemaakt, dat het niet Goebbels zou zijn geweest die deze uitspraak heeft gedaan maar iemand anders van de Nazi-kliek; maar dat is in deze context niet belangrijk.

Holbach speelde zelf heel behoorlijk clavecymbel. Er zouden trouwens nog wat composities van hem moeten bestaan, waarvan J.-J. Rousseau echter beweerde dat het gestolen werk was uit zijn “Le devin du village” (1752), een operette, die toen veel bijval genoot. We willen op deze plaats benadrukken dat we niet ten strijde trekken tegen emotie, fantasie en kunst. De 18-de eeuw met haar hoogtepunten van rationaliteit, haar talrijke ontdekkingen op natuurkundig gebied (fysica, wiskunde, scheikunde, botanica … en haar hoogstaande moraal (Helvétius, Kant …) kunnen we echter niet miskennen. Een persoonlijk geestelijk hoogtepunt bereikte Condorcet met zijn “Esquisse d'un tableau historique des progrès de l'esprit humain” waarin hij toekomst en vooruitgang van de mensheid in hoopvolle bewoordingen schetst. Condorcet, die zoals Holbach en vele anderen de Franse Revolutie geestelijk had voorbereid, werd voor zijn vermeende sympathiën voor de Girondijnen door diezelfde revolutie in zijn cel vergiftigd (1794). Enkele jaren nadien bloedde de Franse Revolutie al dood en het concordaat van Napoleon met de clerus bewerkte dat het merendeel van de verworvenheden van de revolutie teniet werden gedaan.

De eeuw van de Verlichting werd opgevolgd door de eeuw van de Romantiek – het begrip romantiek weliswaar zeer breed genomen –. Plotseling was het niet meer de vermeende koele rede die hoog in het vaandel werd gedragen maar de directe emotionele indruk, op welk vlak dan ook, werd nu als hoogste uiting van menselijkheid ondervonden : de impact van de werken van Chopin, Liszt, Mendelssohn …, Sand, de Musset, Keats, Shelley …, van Gogh, Gauguin, Renoir …, Rodin en zovele anderen …, hielden de menselijke geest in hun greep. Goethe's Werther, von Kleist en zijn geliefde, Niels Lyhne… worden voorbeelden die tot navolging strekken.

In de 20-ste eeuw maken een Debussy, een Skryabin …, om slechts enkele van de vertegenwoordigers op muzikaal gebied te vermelden, een hoek van 180° en verklanken, schilderen en boetseren vanuit hun innerlijke wereld. De emotionaliteit van buitenuit inspireert de kunstenaar niet meer. Op filosofisch vlak worden we geconfronteerd met een Hegel (1770-1831, weliswaar nog 18-de en 19-de eeuw) en zijn “Phaenomenologie des Geistes” (1806), een zeer moeilijk te begrijpen werk, door de mystieke en met gedachten strijdende stijl, op overschatting van de taal berustende, vaak in woordenspel ontaarde terminologie; een Husserl (1859-1938) die in zijn “Phaenomenologie der Erkenntniss” (1901) de gehele natuurlijke wereld en de daarop betrekking hebbende natuurwetenschappen aussschaltet en einklammert, waardoor hij het zuiver transcendenteel bewustzijn als residu overhoudt en tenslotte een Heidegger (1889-1976) die het rationalisme volledig loslaat en overgaat tot het irrationalisme en het existentialisme (“Sein und Zeit” , 1927).

Gelukkig dat Sigmund Freud (1856-1939), “Unbehagen in der Kultur” (1930), Friedrich Nietzsche (1844-1900) “Genealogie der Moral” (1887) en tot een zekere hoogte Sören Kierkegaard (1813-1855), “Die Wiederholung” (1840) waakzaam blijven om niet de gehele mensheid in een bodemloze put van het zogenaamde geestelijke te storten.

Het voorliggende nummer van “Le Petit Cuistre” neemt terug de link op met Holbach. De Vereniging heeft een exemplaar van zijn hoofdwerk “Système de la Nature” (1770) kunnen verwerven; de gelegenheid dus om op dit werk uitvoerig in te gaan. We maken tevens in dit nummer kennis met de filosoof John Locke (1632-1704) die aan de wieg stond van het sensualisme (leer van de zintuigelijke waarneming) waarop Voltaire, Helvétius, Holbach en vele anderen in hun geschriften verder hebben gebouwd: The empirical theory of knowledge offered by Locke influenced young Voltaire and others to persue new points of view, and a new outlook about knowledge past en present. This outlook involved considering human reason and human reason alone as solely adequate to comprehend the world and to deal with human problems (The Pimlico history of western philosophy 1999, p. 462)

We zijn ook gelukkig met de bijdrage van Dr. Aad Fokker, sterrenkundige, die het heeft over intrinsieke waarden en waarom we de neushoorn niet mogen uitroeien, daarmee een link leggend naar een wezenlijk deel van onze natuur, de dieren. Verder wordt er in dit nummer weer aandacht geschonken aan Diderots pamflet “Lettre sur les Aveugles” (voortzetting van de vertaling door Kristina Leterme). We besluiten dit nummer met een bijdrage over Voltaire door Bob Cools, ereburgermeester van Antwerpen, een bijdrage over de eetgewoonten van onze 18-eeuwse filosofen en met de voorstelling van Markiezin de Genlis (1746-1830), die door haar opvoedkundig werk voor kinderen en haar kritiek op de Verlichting bekendheid heeft verworven.

De voorzitter.

Naar Inhoudstafel

Belangrijke aanwinsten voor de Holbach Vereniging

sys_natuur01.jpg
Système : Titelpagina van Deel I, Hoofdstuk I

Zoals reeds in een vorig nummer van “Le Petit Cuistre” werd meegedeeld heeft de voorzitter enkele jaren geleden een mooie kans gemist, toen een bouquiniste langs de Seinekant in Parijs hem een exemplaar aanbood, voor een aannemelijke prijs, van Holbach's “Système de la Nature”. Te lang getalmd en het exemplaar was enkele weken later bij het betreffende boekenstalletje niet meer te vinden. Een tweede exemplaar bleek nog wel voorradig te zijn, bij een antiquair in Parijs, maar de prijs was te hoog zodat we het idee even lieten varen.

Heel toevallig vonden we vrij recent een exemplaar dat te koop werd aangeboden voor een redelijke prijs, op de site van een antiquair in New York (Timothy B. Wilder, Rochester) :

[HOLBACH, P.-H. T., Baron d'.] Système de la Nature. Ou Des Loix du Monde Physique & du Monde Moral. Par M. Mirabaud. Londres [i.e. Amsterdam: Marc-Michel Rey] 1770. [Bound with:] HELVETIUS [C.-A.]. Le Vrai Sens du Système de la Nature. Londres [i.e. La Haye] 1774. Together, 3 vols. in 2. 8vo. [12], 366; [6], 408; [2], iii, [1], 151 pp. Cont. mottled sheep, spines gilt with red and green morocco labels. Extremities rubbed and a bit worn with several corners showing, still a fairly attractive set, internally fresh. First edition, second printing of the Système, with the corrected text, first edition of Le Vrai Sens which has been attributed by some to Holbach himself, but is more generally ascribed to Helvetius. Kress 6737. PMM 215. Tchemerzine (1970) III, 727 (this issue). The Système, Holbach's most famous work (in which he was probably assisted by Diderot), is the “first--and only--example in the Enlightenment of a comprehensive, unmitigated defense of atheistic materialism.... It was suppressed by judicial decree, and among the flood of refutations were those of Voltaire … and Frederick the Great … The Système de la Nature defines man as a product entirely of nature, subject to the laws governing the physical universe, which in turn, constitutes the whole of reality. The soul, or spiritual substance, is an illusion; the moral and intellectual attributes of man are simply his organic machine considered in certain of its special, less visible operations."--Aram Vartanian, in EP.

Als schrijver van dit belangrijke werk uit de Franse Verlichting wordt een zekere Mirabaud vermeld, schuilnaam voor Holbach, die hierdoor aan vervolging kon ontsnappen. Dit kon echter niet beletten dat het Systeem enkele maanden na publicatie (1770) tot openbare verbranding werd veroordeeld. Het betreft hier een zg. Vercruysse A7 exemplaar (2-de druk te Amsterdam van de oorspronkelijke uitgave in hetzelfde jaar). Jerome Vercruysse was een Belgisch geleerde die zich bezig heeft gehouden met het catalogiseren van de filosofische werken uit de 18-de eeuw.

De Vereniging prijst zich dus zeer gelukkig dat ze bij een eerstkomende gelegenheid (vergadering, lezing of tuinfeest) aan haar leden en sympathisanten een mooi exemplaar van Holbach's meest beroemde werk kan voorleggen. Het blijkt immers dat er slechts een beperkt aantal exemplaren van de oorspronkelijke editie van 1770, en zelfs van latere edities, in omloop zijn. Een recente intensieve zoektocht op het internet toonde aan dat op de site http://www.livre-rare-book.com, waarbij 3886 antiquariaten van oude boeken zijn aangesloten, slechts een 5-tal exemplaren werden aangeboden van Holbach's Système de la Nature, 4 exemplaren van zijn Système Social en een 10-tal minder bekende werken van de meester-atheïst (een groot gedeelte van deze werken bevindt zich bij de Amsterdamse antiquair Arnoud Gerits op de Prinsengracht; geen toeval natuurlijk want het merendeel van de werken van Holbach werden bij de uitgever Marc-Michel Rey te Amsterdam clandestien gedrukt). We zijn trouwens tot hiertoe nog altijd de eerste vereniging (Erster Verein, zoals de Duitsers het zo mooi weten te omschrijven), die het werk van Holbach, en niet alleen zijn werk uit de Europeese Verlichting, officieel bestuderen. Nog steeds tracht men de Verlichtingsfilosofen te negeren : maar meer en meer verschijnen er op het internet pages die hulde brengen aan hun werk.

reflexions01.jpg
Réflexions philosophiques (1775)

Vrij snel na het verschijnen van Holbach's Système, verschenen er een aantal refutaties, d.w.z. geschriften die het werk probeerden te weerleggen en meestal zeer aanvallerig van toon waren en zich weinig vatbaar toonden voor de argumenten van de baron. Zo ook het werk van de Duitse wiskundige en filosoof Georges-Jonathan Holland (1742-1784). In het voorwoord van zijn Réflexions philosophiques sur le Système de la Nature (uitgave : Neuchatel, 1775) schrijft hij het volgende :

En liſant le “Syſtême de la Nature” avec l’attention que méritoit un Ouvrage ſur cette matiere, & un livre qui fait tant de bruit, j’ai jetté ces réflexions sur le papier à meſure qu’elles ſe préſentoient à mon eſprit. Etranger & Géométre je ne pouvois pas avoir deſſein d’écrire en françois pour le Public, & ſur des matieres de Métaphyſique ; cependant quelques amis auxquels j’ai communiqué ces obſervations, préſument qu’elles pourront être utiles. Je les offre à tous ceux qui cherchent de bonne-foi la vérité. Puiſſent-elles répandre quelque jour ſur un ſujet auſſi important ! Cet eſpoir qui m’anime eſt la récompenſe la plus chère à mon cœur.

Cette ſeconde édition a été faite ſous mes yeux ; je l’ai purgée d’un très-grand nombre de fautes & d’inexactitudes qui s’étoient gliſſées dans les précédentes, & ſur-tout dans l’édition in-12 qui en a été faite à Paris en 1773, et dont pluſieurs ont dû me faire d’autant plus de peine, que le ſens en est conſidérablement troublé. Outre ces corrections, j’ai retouché le texte en quelques endroits, & j’en ai éclairci d’autres dans des notes. Les premiers chapitres renferment des discuſſions abſtraites, où il ne s’agit que d’être clair & vrai; les ornemens y ſeroient non-ſeulement déplacés, mais même nuiſibles. Du reſte, je ſuis fort éloigné de donner ces réflexions pour un examen complet du “Syſtême de la Nature”; & l’extrême indulgence avec laquelle le Public les a accueillies, ne me ferme pas les yeux sur ce qui y manque. Je me ſerois fait un devoir d’y ſuppléer en partie, ſi le momens de mon loiſir y avoient pu ſuffire.

De schrijver getuigt hier van bescheidenheid en eerlijkheid. Het verwondert ons dan ook niet dat hij aan het einde van zijn verhandeling tot het volgende besluit komt :

D’où vient que l’Auteur prêche la vertu avec autant de zèle qu’il en emploie pour en détruire les principaux motifs, & pour anéantir juſqu’a l’idée de la morale ? Seroit-ce pour ne pas effaroucher du premier abord les ames honnêtes, tandis que ſous ce maſque impoſteur, on veut enhardir les méchans au crime, ſapper les fondemens de tous nos devoirs, montrer les paſſions comme les ſeules loix des mortels, roidir les ſcélérats contre les remords, & mettre la ſocièté en combustion ? Je frémis à la ſeule idée d’un projet auſſi noir, & je me ſens incapable de l’attribuer à l’Auteur du Systême de la Nature. Je n’héſite pas de croire (& je le dis ſans peine) qu’il aime la vertu, malgré tous les mauvais ſervices qu’il lui a rendus par ſon ſyſtême. Pendant que je ſuis occupé à méditer ſon ouvrage, j’ai toujours cru voir à travers tout ce cahos de contradictions & de mauvais raiſonnemens, un cœur véritablement ſenſible aux maux de l’humanité, une ame épriſe des charmes naturels de la vertu, un homme qui lutte continuellement contre les affreuſes conſéquences de ſes faux principes, et qui s’efforce de se perſuader qu’elles n’en découlent point. J’aime donc mieux attribuer cette diſcordance marquée des principes & du cœur, à l’amour du ſyſtême, qui a toujours été funeſte aux Philoſophes, qui manquant de juſteſſe d’eſprit, n’ont eu pour guide qu’une imagination auſſi ardente que peu lumineuse. Nous avons remarqué par-tout que ſa Métaphyſique est auſſi incohérente que ſa morale ; nous nous ſommes convaincus qu’il ne lui coûte rien d’allier dans ſa tête les principes les plus incompatibles ; L’eſprit de l’homme est naturellement porté pour les extrêmes.

L’Auteur a vivement ſenti la futilité des pratiques ſuperſtitieuſes, les effets déplorables du fanatiſme, les fourberies, les injuſtices & les cruautés qu’on fait couvrir du manteau de la religion, l’abſurdité de tant de dogmes, pour leſquels on exige une ſoumiſion indigne de tout être penſant, les horreurs du deſpotiſme, la grande corruption des mœurs, les vices de ceux même qui ſont particulièrement appellés à annoncer aux hommes l’Etre ſuprême, rémunérateur de la vertu et vengeur du crime. Pour avoir à peu près l’hiſtoire de ſon Ouvrage, joignons à ces ſentimens d’une ame allarmée, le malheur d’être mal inſtruit dans les vérités pures de la religion, les notions de Métaphyſique mal digérées, des connoiſſances fort médiocres de Phyſique, du goût & des talens pour cette dêclamation qui s’emporte & exagère toujours, qui brouille tout & qui étourdit le jugement par un vain bruit de mots, aucune idée de ce qu’on appelle “méthode”, enfin une ſuffisance peu commune, qui s’est bien promis d’établir ſes paradoxes à tout prix, & de ne s’en laiſſer détourner par aucune difficulté.

G.J. Holland : Réflexions philosophiques sur le Systême de la Nature : Conclusions p.375-377 (zekere passages werden door de redactie vetgedrukt om de aandacht erop te vestigen).

Mooiere hulde zou er aan de schrijver van het Systeem niet kunnen gebracht worden en geen betere samenvatting van zijn werk en gedachten.

Naar Inhoudstafel

Over het tweede belangrijkste werk van Paul-Henri Thiry d’Holbach : Système social (1773)

sys_soc_titel.jpg
Système Social - Londres, 1773

Het Système social van d'Holbach verscheen in 1773 (clandestien gedrukt bij de uitgeverij Marc-Michel Rey te Amsterdam). Het werk beleefde hetzelfde jaar nog twee herdrukken in Londen, steeds zonder vermelding van de auteur, zie hiernaast titelpagina in-12° van het betreffende werk het jaar daarop verscheen er opnieuw een herdruk in Londen (Londres, 1794) met als ondertitel : par l’auteur du Système.

Tenslotte kent men nog de herdruk die tijdens de Revolutie verschijnt (Paris, 1795). Het werk werd al in juni 1775 in beslag genomen en enkele maanden later (augustus) door de Kerk op de index van verboden werken geplaatst. In 1822 wordt het Système social opnieuw uitgegeven in Parijs, maar prompt daarop door de politie verboden en door een besluit van de correctionele rechtbank te Parijs tot vernietiging veroordeeld (Le Moniteur universel,15 mars 1823, 26 mars 1825). Het werk werd vertaald naar het Duits (Breslau, 1788), (Altona, 1795) en (Leipzig, 1898) en tenslotte in het Tsjechisch (Nakladatelstvi ceskoslovenské Akademie, 1960). In 1969 werd er door de uitgeverij Georg Olms Verlag te Hildesheim (Duitsland) een facsimile gemaakt van de uitgave van 1773 (Londres). Voornoemde uitgeverij heeft trouwens meerdere werken van Holbach onder de vorm van facsimiles uitgeven.

In 1994 werd de eerste moderne uitgave van het Système social uitgegeven door de Librairie Arthème Fayard (Parijs). Voor deze uitgave steunden zij zich op een oorspronkelijk exemplaar uit 1773 (Londres) dat zich bevindt in de Bibliothèque nationale du Québec (Canada). Het werk wordt als volgt ingeleid :

“La réédition des oeuvres politiques principales de d’Holbach, le théoricien le plus systématique de son époque comme le plus actuel aujourd’hui, en même temps qu’elle marque une date importante dans sa bibliographie permet de souligner le rôle décisif que joua le contestataire baron dans la propagation des Lumières, la diffusion de l’esprit critique et l’avènement de l’Etat de droit et des libertés du citoyen moderne.”

Het volledige werk bestaat uit drie gedeelten :

  • Deel I : Natuurlijke beginselen van de Moraal.
  • Deel II : Natuurlijke beginselen van de Staatsleer.
  • Deel III : Invloed van de machtshebbers op de Zeden. Oorzaken van corruptie en middelen hiertegen.

Als voorbeeld van wat er in een welbepaald gedeelte wordt behandeld lijsten we hieronder de hoofdstukken van Deel I (voorafgegaan door een algemene inleiding) :

  • Inleiding
  • Hoofdstuk I : Oorsprong van de zedelijke beginselen, opvattingen, deugden en ondeugden van de mens.
  • Hoofdstuk II : Over de rede, de waarheid en het belang ervan.
  • Hoofdstuk III : De godsdienstige moraal.
  • Hoofdstuk IV : De moraal van de Ouden.
  • Hoofdstuk V : De hedendaagse moralisten.
  • Hoofdstuk VI : Natuurlijke beginselen van de moraal.
  • Hoofdstuk VII : Zedelijke verplichtingen van de mens.
  • Hoofdstuk VIII : Onderzoek naar de ideeën van de moralisten over de deugd.
  • Hoofdstuk IX : Over smaak, het goede, schoonheid; orde en harmonie van de moraal.
  • Hoofdstuk X : De morele deugden.
  • Hoofdstuk XI : Zedenbederf, ondeugden van de mens, zijn misdaden, fouten, gebreken en zwakheden.
  • Hoofdstuk XII : Oorsprong van het gezag, de hiërarchie en de verschillen tussen de mensen.
  • Hoofdstuk XIII : Over waardering, geweten en eer.
  • Hoofdstuk XIV : Over het geluk. Over de passie en haar invloed op het geluk van de mens.
  • Hoofdstuk XV : Onderzoek naar de ideeën van de Ouden en de modernen over het geluk van de mens.
  • Hoofdstuk XVI : Over het maatschappelijk leven. De natuurlijke staat. Leven in de vrije natuur.

Als voorbeeld van de inhoud van een welbepaald hoofdstuk, een paragraaf uit hoofdstuk XV :

“L’âge viril n’est occupé que de vues ambitieuses, du soin d’acquérir des honneurs, du pouvoir, des richesses; en courant perpétuellement après le bonheur, l’homme ne l’atteint jamais; il ne se dit point, je suis heureux, il espère toujours l’être; il se promet de jouir un jour, et il ne jouit jamais; il atteint seulement une vieillesse qui pour l’ordinaire, n’est remplie que de dégoûts, d’infirmités, de chagrins, de désirs impuissants et de craintes de la mort.” (Système social, Chap. XV, p.190, Librairie Arthème Fayard, 1994)

De lezer zal zich dus wel verwonderen waarom dit werk tot vernietiging werd veroordeeld. Maar Holbach schrijft ook :

“Que dis-je ! Des Prêtres adulateurs ont eu le front de mettre les tyrans mêmes sous la sauvegarde du ciel ! Ils eurent la bassesse de sanctifier leurs usurpations, de leur attribuer des droits divins, de priver les nations de la juste défence d’elles-mêmes, droit que la nature donne pourtant à tout homme.” (Système social, Chap. III, p.48, Librairie Arthème Fayard, 1994)

Reden dus genoeg voor de magistraat om het werk te veroordelen en te laten verbranden. Als voorproefje op het “Système social” volgt nu een vertaling van de algemene inleiding tot het werk zodat de lezer die het ook graag eens in het Nederlands leest aan zijn trekken kan komen.

Inleiding

In de natuurkundige wereld staat alles met elkaar in verbinding door het beginsel van oorzaak en gevolg dat ook geldt voor de morele wereld. En toch blijft men zich verwonderen over het onbegrip op menselijk vlak zonder naar de oorzaak ervan te zoeken. Voortdurend houdt men ons de slechtheid van de mens voor en verbazen we ons over zijn ondeugd en zedenbederf. Voorschriften en opvoedkundige lessen van moralisten en priesters hebben uitsluitend oog voor de verdorvenheid van het menselijke geslacht; de strengste wetten en de zwaarste straffen slagen er niet in de wezens in een maatschappij met elkaar in vrede te laten leven. Onwetendheid, vooroordelen, verschil van mening, opvoeding, onrechtvaardige regeringen en luiheid : ziedaar de eeuwige bronnen van het zedenbederf van de volkeren; hun fouten en zotternijen zijn fatale en noodzakelijke gevolgen van hun onredelijke instellingen.

De rede van de mens is nog maar weinig ontwikkeld. Hoewel we ons mogen verheugen over een aantal verworvenheden moeten we toegeven dat we op velerlij vlak nog maar in onze kinderschoenen staan. De mens heeft de hemel opgemeten maar zijn geest verkende ook het lege gebied van de metafysika; zijn ijdele nieuwsgierigheid verzadigde zich aan hersenschimmen en met open ogen verdwaalde hij in de tastbare duisternis van de theologen; zijn geest werd gedwongen om zich de mysteries van een ideale wereld in te beelden terwijl hij geen idee had van de wereld waarin hij woonde. Met andere woorden, hij kent de middelen niet die hem echt gelukkig zouden kunnen maken. De eenvoudige en natuurlijke beginselen van de moraal en de politiek moeten nog gevonden worden. Zelfs de meest verlichte en beschaafde volkeren vertonen duidelijke sporen van onwetendheid en onredelijk gedrag. In de dingen die het belangrijkst zijn voor de mensheid blijken ze het minst vooruitgang geboekt te hebben. Ze zijn zich bewust van de waarde van de moraal, van de rede en van de deugd maar ze hebben er slechts vage en onzekere voorstellingen van. Ze onderwerpen zich aan gezagsdragers opdat die hen zouden leiden naar het geluk maar beseffen niet wat geluk nu eigenlijk inhoudt. Ze erkennen het nut van de rechtspraak maar zelden weten zij goed van kwaad te onderscheiden, rechtvaardigheid van onrechtvaardigheid. Ze vinden het een voordeel om in een maatschappij te leven die over het algemeen uit wezens bestaat die elkaar schade toebrengen en waarin men zich niet behaaglijk voelt. Regelmatig hoort men dan ook dat het leven in een maatschappij tegennatuurlijk zou zijn en dat de mens maar beter ver van alle beschaving gaat leven om gelukkig te worden.

Bij het zicht van al die dwalingen waaronder de volkeren lijden, van de ontelbare vooroordelen waarvan zij het slachtoffer zijn, van de meningen en ijdelheden waaraan zij halsstarrig zijn gehecht en van de enorme obstakels die de vooruitgang van de geest belemmeren hebben vele denkers gemeend dat de kwalen van onze soort niet te verhelpen zijn en dat men de mensheid maar best aan zijn lot moet overlaten. Andere weer ergeren zich in het mensenras en beschouwen de mens als een verachtelijk wezen dat men met het diepste misprijzen moet bejegenen.

Zich ergeren in de mens omdat hij ongelukkig is, is een vergrijp tegen gerechtigheid en menselijkheid; zich verwonderen over hun onnozelheden, zich smalend uitlaten over hun passies en niet naar de werkelijke oorzaken ervan zoeken is blind zijn voor zichzelf. Het is hetzelfde als zich boos maken over de onbezonnenheid van kinderen die zonder ervaring handelen omdat hun verstand niet tot ontplooiing kwam omdat het voortdurend in zijn ontwikkeling belemmerd werd.

Gebrek aan wijsheid, nalatigheid en verderfelijkheid van de leraars en van degenen die de mensheid zouden moeten onderrichten; ziedaar de oorzaak van het foute gedrag van de mens. We hebben niet het recht om te oordelen over hun ondeugden of hen te misprijzen, maar we moeten ons bezorgd maken over de gevolgen van een brand waarbij alles samenzweert om die te verspreiden. We mogen die ongelukkigen die onder een algehele malaise wegkwijnen niet berispen. Hun geneesheren ondernemen niets om die ellendige toestand te verhelpen. Beklagen we ons dus liever over het leed van de mens en laat ons de bron opsporen van zijn onbehagen. Die kennis zal ons ooit de efficiënte middelen verschaffen om de mens van zijn kwellingen te genezen, heel wat doeltreffender dan de middelen die de verbeelding ons ter beschikking stelde en die tot hiertoe niet mochten baten om onze kwalen te verlichten. Als de moraal nu zo vaag is en haar voorschriften zo onbruikbaar dan komt dat doordat diegenen die de moraal onderrichten, de mensheid niet goed kennen en geen rekening houden met de feitelijke oorzaken die gedurigaan op hem inwerken.

Daardoor verdwalen zij zelf en ontdekken zij nooit de bron van het kwaad en de middelen om het slechte in de mens te bestrijden. De theoloog beschouwt de mens als essentieel verdorven, van natuur ongeschikt om het goede te beoefenen en een geboren vijand van alle deugd. Als je hem zou vragen waarop hij zich steunt om zo?n ongunstig oordeel te vellen over de menselijke natuur dan zal hij u duizend fabels voorhouden. Hij zal u wijsmaken dat dit komt doordat de mens God heeft misprezen; omdat de eerste vader van het menselijke geslacht van de appel heeft gegeten. Alle ellende en ondeugden van zijn nakomelingen zijn een gevolg van die eerste zonde. Als je hem dan antwoordt dat je zo'n vergezochte oorsprong van het kwaad niet kunt aanvaarden dan staat hij klaar om je te zeggen dat het een groot mysterie betreft, dat men moet geloven zonder het te begrijpen.

Met de bedoeling om de onwetende en primitieve volkeren volgzaam te maken vonden de eerste machthebbers de godsdiensten uit. Men vertelde hen over onzichtbare geestelijke krachten; bij middel van kwade geesten trachtte men hun passies te beteugelen. Die geesten werden in de verschrikkelijkste termen afgeschilderd. Daardoor boezemde men de primitieve mens angst in zonder hem beter te maken. Maar zijn kwaadaardige, onrechtvaardige en wrede goden in staat de mens socialer, rechtvaardiger en menselijker te maken ?

Men leerde hen hoe ze de gunst van de goden konden verwerven. Hierdoor vormde zich een priesterklasse die in godenverering winst zag, tegelijkertijd wel het effect vernietigend dat ze hadden willen bekomen door het gemoed van de primitieve mens met angst te vervullen. Als die priesters erin geslaagd zijn de mens volgzaam te maken dan hebben ze dat uitsluitend gedaan uit eigenbelang. Zij hebben er zich wel voor behoed het verstand van hun bevreesde slaven te ontwikkelen. Een ware en bruikbare zedenleer werd hen niet onderwezen. Ze hebben de mens alleen maar denkbeeldige deugden voorgehouden en hen om de tuin geleid omtrent de ware oorzaak van hun zorgen. Zij hebben hen ideeën opgedrongen die hen niet gelukkig maakte en hen deden afwijken van de weg naar het geluk. Daardoor hebben ze hun verwarring tot binnenin de maatschappij gebracht. Met andere woorden, de op verbeelding steunende godsdienst-zedenleer, ontbloot van enige reële bron, ondergeordend aan de belangen van de priesters bevat niets dat vereist is om de passies van de mens in bedwang te houden of te leiden : in tegenstelling hiermee heeft die moraal wel aanleiding gegeven tot verderfelijke praktijken en de mens de meest heilige en voor de hand liggende taken van de menselijke moraal zonder gewetensbezwaar laten verkrachten.

In het algemeen bestond de taak van de leiders erin de tegenstrijdige passies van hun onderdanen te onderdrukken. De volkeren waren uit eigenbehoud verplicht zich te onderwerpen aan een machthebber en aan de wetten die hen beschermden tegen het voordurende gevaar van de willekeur van de machtsmisbruik en de anarchie waaraan ze op elk moment waren blootgesteld. Het gezag, bijna altijd misbruikt door machthebbers, veroveraars en tyrannen of door mensen aan wie het zonder voorbehoud was toegekend, werd een gesel die niet minder wreed was dan de anarchie zelf en een bron van corruptie. De gezagsdragers van de staten, ver van hun onderdanen te verenigen en van hen redelijke wezens te maken, zaaiden verdeeldheid tussen hen, besmetten ze met ondeugden en vooroordelen en maakten er slaven van die toegewijd waren aan hun grillen en niet wisten wat ze voor elkaar en voor hun Vaderland konden doen. De Wetten, in plaats van rechtvaardigheid uit te stralen, drukten alleen maar de onrechtvaardigheid, de willekeur en de geestesverwarring van de wetgevers uit; wetten waaraan hun onderdanen nochtans verplicht werden zich te onderwerpen. Zo werden de wettelijke belemmeringen die bedoeld waren de menselijke passies te beteugelen al even funest als de passies zelf. Onoverwinnelijk door hun macht verwaarloosden de Prinsen het om hun onderdanen aan te moedigen tot deugd, maar dachten er alleen maar aan om van hen gewillige instrumenten te maken ten behoeve van hun eigen passies en uitspattingen; in schrille tegenstelling tot het geluk van de maatschappij.

Regeerders en onderdanen zijn echter allebei het slachtoffer van een hele reeks van vooroordelen waaraan ze hun ware geluk offeren. Laten we hen beklagen omwille van hun blindheid die hen belet het uiteindlijke doel te bereiken dat ze zich hebben gesteld : laat ons zuchten omwille van hun talloze ingewortelde vergissingen die de ellende van de mensheid doet voortduren. Laten we de hoop uitspreken dat meer actieve beoefening van de verlichte rede ooit de grote duisternis verdrijft waarin de mensheid vertoeft, al was het slechts voor een gedeelte van hen. Als de stem van de waarheid nu nog niet voldoende luid klinkt om een halt toe te roepen aan de krachtige golven van de verderfelijke oorzaken dan kan ze misschien wel al dienen om de rampzalige gevolgen ervan aan het licht te brengen.

Zedenleer en maatschappij zijn ontegensprekelijk met elkaar verbonden. Ze kunnen hun belangen, op gevaar af van te ontaarden, niet zonder meer van elkaar scheiden, maar ze moeten hand in hand blijven gaan. De zedenleer kan niet tot ontplooiïng komen als de maatschappij haar niet ondersteunt. Op haar beurt zal de maatschappij wankel zijn en dwalen wanneer ze niet gekenmerkt wordt door deugdzaamheid. Het doel van de zedenleer is de mensheid in te lichten over het hoogste belang van de deugdzaamheid; het doel van een regering moet erin bestaan haar burgers de mogelijkheid te verschaffen om de deugd te beoefenen. De zedenleer nodigt de mensheid uit tot een deugdzaam leven. De regering kan door haar wetten overtreders bestraffen en anderen door waardering en weldaden aanmoedigen tot moreel gedrag. De zedenleer zal uiteindelijk slechts een speculatieve wetenschap blijven met niet te verwezenlijken lessen zolang diegenen die oordelen over de bestemming van de mensheid niet inzien dat zonder moreel gedrag geen enkele macht op aarde erin zal slagen de mensheid een zekere en gelukkige toekomst te verschaffen. Zonder moraal kan er geen gelukkige wereld worden opgebouwd.

Dit zijn de beginselen waarop men zal moeten steunen om een maatschappelijk en moreel systeem op te bouwen. Het systeem zal bruikbaar zijn als het een aaneenschakeling is van waarheden en duidelijk maakt dat de belangen van koning en onderdanen, d.w.z., de belangen van alle medeburgers onder elkaar moeten samenvloeien.

Naar Inhoudstafel

John Locke, initiator en inspirator van het Sensualisme

john_locke1.jpg
John Locke (1632 - 1704)

John Locke (1632-1704) is vooral bekend geworden door zijn “Essay concerning human Understanding” (1689), een werk dat enkele decaden vóór het begin van de Verlichting (Enlightenment) werd geschreven. Het essay heeft een grote invloed uitgeoefend op latere denkers, waaronder ook Holbach; een reden dus om John Locke en zijn werk hier uitvoerig te behandelen.

John Locke beperkte zich niet tot filosofisch werk maar had ook veel interesse voor het natuurkundig onderzoek van zijn vriend Robert Boyle (1627-1691) die beroemd zou worden door de ontdekking (1662) van een gaswet : bij constante temperatuur is het volume van een hoeveelheid verdund gas omgekeerd evenredig met de druk op dit gas (ook wel Wet van Boyle-Mariotte genoemd, omwille van het feit dat de Franse fysicus Edmé de Mariotte (1620-1684) eveneens tot die bevinding was gekomen). In 1689 verschijnt Locke's “Essay concerning human Understanding”. Hierover lezen we het volgende :

“Dès sa publication (1689), l’ouvrage a un énorme succès et connaît quatre éditions du vivant même de Locke, avec d’importantes additions et corrections : 1690, 1694, 1695, 1700. Une cinquième édition paraît en 1706. Coste traduit en français la quatrième édition et la première édition de cette traduction paraît à Amsterdam en 1700. C’est cette édition que Leibniz a sous les yeux lorsqu’il compose les “Nouveaux Essais” sur l’entendement humain. Il s’agit ici d’une enquête sur les fondements, l’étendue de la connaissance, ses degrés de certitude, ipso facto, ses limites. Par la découverte de l’origine de nos idées, par l’établissement de la nature et de la valeur de la connaissance, l’homme sera sauvé du dogmatisme pédant qui confond obscurité du langage et profondeur de la pensée, du scepticisme déraisonnable qui désespère de connaître quelque chose parce qu’il ne connaît pas toute chose.”

“Le Livre I de l’Essai est une polémique contre les idées innées (celle des platoniciens de Cambridge, de Descartes). La connaissance a pour origine l’expérience ; la sensation et la réflexion sont à l’origine de toutes nos idées. Tel est l’empirisme de Locke développé dans le Livre II : l’esprit est comme une feuille blanche, une table rase vide de tous caractères et sans aucune idée. Le Livre III établit les finalités du langage et leurs conditions, le Livre IV la valeur de la connaissance.” (Anthologie chronologique Philosophes & Philosophie, Tome 2, Editions Nathan, Paris 1992, p. 9-10).

Het werk van Locke brengt een ommekeer in de ideeën van Claude-Adrien Helvétius. In 1758 verschijnt zijn “De l’Esprit” waaruit dan ook blijkt dat uitermate veel belang wordt gehecht aan opvoeding en kennis.

Maar niet alleen het werk van Helvétius werd beïnvloed door het gedachtegoed van John Locke, maar ook dat van Holbach en Diderot. Nu is bekend dat Holbach een medewerker was van de “Encyclopédie de Diderot et d’Alembert” oftewel “Dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers”. Zo veel bewondering voor het werk van Locke moest zeker zijn neerslag gevonden hebben in het standaardwerk van “Les Savoirs et les Lumières du XVIIIe siècle”. Onder het naslagword Locke vonden we dan ook de volgende rubriek :

Il renouvella l’ancien axiome, il n’y a rien dans l’entendement qui n’ait été auparavant dans la ſenſation, & il en conclut qu’il n’y avoit aucun principe de ſpéculation, aucune idée de morale innée.

D’où il auroit pû tirer une autre conſéquence très-utile ; c’eſt que toute idée doit ſe reſoudre en derniere décompoſition en une repréſentation ſenſible, & que puiſque tout ce qui eſt dans notre entendement eſt venu par la voie de la ſenſation, tout ce qui ſort de notre entendement eſt chimérique, ou doit en retournant par le même chemin trouver hors de nous un objet ſenſible pour s’y rattacher. De-là une grande regle en philoſophie, c’eſt que toute expreſſion qui ne trouve pas hors notre eſprit un objet ſenſible auquel elle puiſſe ſe rattacher, eſt vuide de ſens.

Il me paroît avoir pris ſouvent pour des idées des choſes qui n’en ſont pas, & qui n’en peuvent être d’après ſon principe ; tel eſt, par exemple, le froid, le chaud, le plaiſir, la douleur, la mémoire, la penſée, la réflexion, le ſommeil, la volonté, &c. Ce ſont des états que nous avons éprouvés, & pour leſquels nous avons inventé des ſignes, mais dont nous n’avons nulle idée, quand nous ne les éprouvons plus. Je demande à un homme ce qu’il entend par plaiſir, quand il ne jouit pas, & par douleur, quand il ne souffre pas. Je avoue, pour moi, que j’ai beau m’examiner, que je n’apperçois en moi que des mots de réclame pour rechercher certains objets ou pour les éviter. Rien de plus. C’eſt un grand malheur qu’il n’en ſoit pas autrement ; car si le mot plaiſir prononcé ou médité réveilloit en nous quelque ſenſation, quelque idée, & ſi ce n’étoit pas un ſon pur, nous ſerions heureux autant & auſſi ſouvent qu’il nous plairoit. Malgré tout ce que Locke & d’autres ont écrit ſur les idées & ſur les ſignes de nos idées, je crois la matiere toute nouvelle & la ſource intacte d’une infinité de vérités, dont la connoiſance ſimplifiera beaucoup la machine, qu’on appelle eſprit, & compliquera prodigieuſement la ſcience qu’on appelle grammaire. La logique vraie peut ſe réduire à un très-petit nombre de pages ; mais plus cette étude ſera courte, plus celle des mots ſera longue.

Après avoir ſérieuſement réfléchi, on trouvera peut-être, 1°. Que ce que nous appellons liaiſon d’idées dans notre entendement, n’eſt que la mémoire de la coexiſtence des phénomenes dans la nature ; & que ce que nous appellons dans notre entendement conſéquence, n’eſt autre choſe qu’un ſouvenir de l’enchaînement ou de la ſucceſſion des effets dans la nature. 2°. Que toutes les opérations de l’entendement ſe réduiſent ou à la mémoire des ſignes ou ſons, ou à l’imagination ou mémoire des formes & figures.

Mais ce n’eſt pas aſſez pour être heureux, que de jouir d’un bon eſprit, il faut encore avoir le corps ſain. Voilà ce qui détermina Locke à compoſer son traité de l’éducation, après avoir publié celui de l’entendement.

Locke prend l’enfant quand il eſt né. Il me ſemble qu’il auroit dû remonter un peu plus haut. Quoi donc ? n’y auroit-il point de regles à preſcrire pour la production d’un homme ? Celui qui veut que l’arbre de ſon jardin proſpere, choiſit la ſaiſon, prépare le ſol, & prend un grand nombre de précautions, dont la plupart me ſemblent applicables à un être de la nature beaucoup plus important que l’arbre. Je veux que le pere & la mere ſoient ſains, qu’ils ſoient contens, qu’ils ayent de la ſérénité, & que le moment où ils ſe diſpoſent à donner l’exiſtence à un enfant ſoit celui où ils ſe ſentent le plus ſatiſfaits de la leur. Si l’on remplit d’amertume la journée d’une femme enceinte, croit-on que ce ſoit ſans conſéquences pour la plante molle qui germe & s’accroît dans ſon ſein ? lorſque vous aurez planté dans vôtre verger un jeune arbriſſeau, allez le ſecouer avec violence ſeulement une fois par jour, & vous verrez ce qui en arrivera. Qu’une femme enceinte ſoit donc un objet ſacré pour ſon époux & pour ſes voiſins.

Lorſqu’elle aura mis au jour ſon fruit, ne le couvrez ni trop ni trop peu. Accoutumez-le à marcher tête nue, rendez-le inſenſible au froid des piés. Nourriſſez-le d’alimens ſimples & communs. Allongez ſa vie en abrégeant ſon ſommeil. Multipliez ſon exiſtence, en appliquant ſon attention & ſes ſens à tout. Armez-le contre le hazard, en le rendant inſenſible aux contre-tems ; armez-le contre le préjugé, en ne le ſoumettant jamais qu’à l’autorité de la raiſon ; ſi vous fortifiez en lui l’idée générale de l’ordre, il aimera le bien ; ſi vous fortifiez en lui l’idée générale de honte, il craindra le mal. Il aura l’ame élevée, ſi vous attachez ſes premiers regards ſur de grandes choſes. Accoutumez-le au ſpectacle de la nature, ſi vous voulez qu’il ait le goût ſimple & grand ; parce que la nature eſt toujours grande & ſimple. Malheur aux enfans qui n’auront jamais vu couler les larmes de leurs parens au récit d’une action généreuſe ; malheur aux enfans qui n’auront jamais vu couler les larmes de leurs parens sur la miſere des autres. La fable dit que Deucalion & Pyrrha repeuplerent le monde en jettant des pierres derriere eux. Il reſte dans l’ame la plus ſenſible une molécule qui tient de ſa premiere origine, & qu’il faut travailler à reconnoitre & à amollir.

Locke avoit dit dans ſon eſſai sur l’entendement humain, qu’il ne voyoit aucune impoſſibilité à ce que la matiere penſât. Des hommes puſillanimes s’effrayeront de cette aſſertion. Et qu’importe que la matiere penſe ou non ? Qu’est-ce que cela fait à la juſtice ou à l’injuſtice, à l’immortalité, & à toutes les vérités du ſyſtême, ſoit politique, ſoit religieux ?

Quand la ſenſibilité ſeroit le germe premier de la penſée, quand elle ſeroit une propriété générale de la matiere ; quand inégalement diſtribuée entre toutes les productions de la nature, elle s’exerceroit avec plus ou moins d’énergie selon la variété de l’organiſation, quelle conſéquence fâcheuse en pourroit-on tirer ? aucune. L’homme ſeroit toujours ce qu’il eſt, jugé par le bon & le mauvais uſage de ſes facultés.

Extrait du Dictionnaire des sciences, des arts et des métiers (Diderot, D’Alembert).


entendementh01.jpg
Vertaling door Bosset van de zg.
Abridged version van John Wynne (1696)

Het “Essay” van Locke wordt in geheel Europa gelezen, ofwel in de oorspronkelijke Engelse versie (1689) ofwel in vertaling naar het Frans (Coste, 1700). Later komt daar nog de vertaling bij door J. P. Bosset van de zg. “Abridged version” van John Wynne (1696). Wat is zo belangrijk aan het werk ?

Voltaire formuleert het als volgt :

“Tant de raisonneurs ayant fait le roman de l’âme, un sage est venu qui en a fait modestement l’histoire. Locke a développé à l’homme la raison humaine, comme un excellent anatomiste explique les ressort du corps humain. Il s’aide partout du flambeau de la physique, il ose quelquefois parler affirmativement, mais il ose aussi douter; au lieu de définir tout d’un coup ce nous ne connaisssons pas, il examine par degrès ce que nous voulons connaître.” (Voltaire, Lettres philosophiques, 1734)

Over Locke zal gedurende de gehele 18-de geredetwist worden. De ene verwerpt hem, de andere bewondert en verdedigt hem. Niet alleen de filosofie komt in beroering maar ook de esthetiek, politiek en godsdienst. De cultuur wordt in één woord Lockiaans. Voltaire gaat zover dat hij Locke de Newton van de filosofie noemt. De 19-de eeuw zal echter alles verloochenen wat de 18-de eeuw in hem heeft gezien en bewonderd. Men beschuldigt Locke van verwerping van de godsdienst, van geestesverarming en van materialisme. Hij zou de inspirator zijn geweest van de Encyclopedisten en verantwoordelijk zijn voor de Revolutie.

Joseph de Maistre (1753-1824, Soirées de Saint-Pétersbourg, 1821) verkondigt dat filosofische wijsheid begint met misprijzing van Locke. Victor Cousin (1792-1876) die er in gelukt is voor meer dan een eeuw de materialistische leerstellingen van Diderot, Holbach, Helvétius en de La Mettrie van de Sorbonne weg te houden wijdt de helft van zijn cursus “Fragments de la philosophie” (1826) aan Locke. Tegelijkertijd rehabiliteert hij het inneïsme (leer van de aangeboren eigenschappen) van Descartes, omdat dit meer strookt met de geest van de godsdienst. Hij sleurt het sensualisme van Locke door het slijk, omdat het onredelijk zou zijn. In zijn cursus vervormt Cousin zozeer de gedachten van het essay dat ze onherkenbaar worden. Het gevolg is dat er geen vertalingen meer verschijnen van het essay. Terloops onderzoekt men nog wel eens zijn ideeën, zonder erop stil te blijven staan. De toestand is niet veel beter in Groot-Brittannië.Gedurende de 18-de eeuw hebben George Berkeley (1685-1753) en David Hume (1711-1776) het werk nog bestudeerd en er naar verwezen in eigen werk. De 19-de eeuw zet in met een gerichte aanval op Locke's werk. Samuel T. Coleridge (1722-1834) associeert hem met Hume en Thomas Hobbes (1588-1679). Locke's gedachten worden teruggevoerd naar het erfgoed van Hobbes : dus gebrek aan oorspronkelijkheid en materialisme zijn de twee grote dwalingen van Locke's filosofie. De cursus van Cousin wordt op de Europese universiteiten gebruikt ter bespreking, lees verwerping, van het essay. Eerst vanaf 1950 wordt Locke's belangrijke werk weer naar waarde geschat.

Alexis Tadié schrijft in zijn inleiding tot Locke hetvolgende :

“Cette histoire contrastée de la réception de celui qui reste l’un des plus grands penseurs de la philosophie occidentale, que ce soit pour sa pensée politique ou son épistémologie, reste étonnante. Les soupçons de matérialisme côtoient les accusations d’athéisme ; le dédain de l’empirisme s’allie à la défense de l’innéisme ; l’idéalisme allemand et le renouveau de Descartes lui ont porté un coup fatal.” (Alexis Tadié, Locke, Les Belles Lettres, 2000 p.17)

In het voorword tot zijn essay schrijft Locke hetvolgende :

“Thus he who has raised himself above the alms-basket, and not content to live lazily on scraps of begged opinions, sets his own thoughts on work, to find and follow truth, will (whatever he lights on) not miss the hunter's satisfaction; every moment of his pursuit, will reward his pains with some delight; and he will have reason to think his time not ill spent, even when he cannot much boast of any great acquisistion.” (An Essay... ,John Locke Penguin Classics ,1997, p.7)

De Franse vertaling luidt als volgt :

“Ainsi, quiconque ayant formé le généreux dessein de ne pas vivre d’aumône, je veux dire de ne pas se reposer nonchalamment sur des opinions empruntées au hasard, met ses propres pensées en œuvre pour trouver et embrasser la Vérité, goûtera du contentement dans cette chasse, quoi que ce soit qu’il rencontre.” (Alexis Tadié, id, p.18)

Ter verduidelijking dezelfde passage in het Nederlands : Eenieder die zich voorgenomen heeft niet van aalmoezen te leven, moedig ik aan niet in toevallig aangeleerde meningen te blijven berusten, maar met eigen gedachten op ontdekking te gaan naar de waarheid. Die jacht zal hem voldoening schenken, wat ook de jachtbuit mag zijn.

Dit zogenaamde Project van Locke zal in een volgend nummer van Le Petit Cuistre verder behandeld worden.

Eric W. Elst.

Naar Inhoudstafel

Enige Gedachten over de intrinsieke waarde van de Natuur

aad_fokker.jpg




Dr. Aad D. Fokker (b. 1928) is een sterrenkundige die werkzaam was aan de Sterrenwacht Sonnenborgh te Utrecht. Zoon van een beroemde vader, bekend omwille van de Fokker-Planck vergelijking (fluctuatietheorie), heeft hijzelf voortreffelijk werk geleverd op het gebied van de radio-astronomie (25m radiotelescoop Dwingeloo, Nederland). De voorzitter leerde hem en zijn muzikale familie kennen tijdens zijn verblijf te Utrecht (1966-1967). Aad is een veelzijdig mens, muzikaal, filosofisch en literair begaafd.

Als we zeggen dat een bepaalde diersoort een intrinsieke waarde vertegenwoordigt, wat bedoelen we dan daar mee ? Zijn wij zelf de waarderende instantie die over de intrinsieke waarde oordeelt ? Een kip heeft een zekere waarde voor de mens : eieren van de kip en de kip zelf kun je eten. Maar de kippenboer, die kippen in een legbatterij vetmest, heeft toch zeker geen oog voor wat je de intrinsieke waarde van de kippen zou kunnen noemen ! Voor hem (en voor de consument) heeft die kip alleen gebruikswaarde.

Verscheidene dieren waren er al, in ongeveer dezelfde gedaante als thans, voordat er mensen waren. Hebben die dieren hun intrinsieke waarde pas gekregen toen er mensen verschenen die hun een intrinsieke waarde konden toekennen ? Zo ook bijvoorbeeld met bloemen die wij mooi vinden. Voordat de mens verscheen waren sommige van die bloemen er ook al, net als nu; maar waren ze toen ook mooi ?

Ook voordat de mens er was ging de evolutie haar gang. Er zat een zekere trend in, een soort van drang naar steeds geraffineerder organismen. Mogelijkheden werden gerealiseerd, maar die realisaties hadden stuk voor stuk een contingent karakter, dat wil zeggen ze waren niet noodzakelijk zo ontstaan, onderhevig als zij waren aan een opeenvolging van toevallige samenlopen van omstandigheden. Als wij nu zeggen dat, bijvoorbeeld, een bepaalde vogelsoort een intrinsieke waarde vertegenwoordigt, dan bedoelen we daar mee dat die vogel bijzonder is, dat de creatie daarvan ons respect verdient, bijvoorbeeld omdat die vogel mooi is en fantastisch vernuftig in elkaar steekt.

Daarom vinden we het verkeerd om zo'n vogel af te schieten en eventueel op te eten. Totdat, misschien, die vogelsoort zich zo uitbreidt dat ze een plaag wordt voor onze gewassen. Dan is zo'n vogel opeens een waardeloos beest geworden.

De bioloog-filosoof F.J.K. Soontiëns schrijft op pag. 191 van zijn boek Natuurfilosofie en milieu-ethiek (Boom, 1993) : “We dienen respectvol om te gaan met de natuur, juist omdat de mens, die realisering van natuurlijke mogelijkheden is, waardevol is”. Dat respect voor de natuur zou dan dus gebaseerd zijn op de overweging dat “wij mensen dan toch maar een realisatie van natuurlijke mogelijkheden vertegenwoordigen die het hoogste respect verdient” (Soontiëns). Dit is een soort compliment aan het adres van de natuur : dat de natuur de potentie in zich borg dat er zoiets als de mens uit voort zou komen. Maar deze bewering is tevens nogal pedant ! Zij impliceert dat de menselijke soort een succes van de evolutie is. Maar dat is nog maar de vraag ! Biologisch kan de mens te gronde gaan, als hij zichzelf al niet te gronde richt. Wel is het fenomeen geest iets heel unieks. Ook als de mens als soort zal zijn uitgestorven, is het feit dat er ooit een denkend, van zichzelf bewust levend wezen op aarde heeft rondgelopen een uiterst opmerkelijk gegeven !

Intrinsieke waarde zouden we kunnen opvatten als : uniciteit. Iedere realisatie van evolutieve mogelijkheden is uniek. Als alle neushoorns zullen zijn afgeslacht zullen er later, als de neushoorn-vijandige mens zal zijn uitgestorven, heus niet vanzelf weer neushoorns ontstaan (wel andersoortige dieren). Het door menselijk toedoen verloren gaan van de neushoorn (en van andere diersoorten) is onherroepelijk. Het is het afbreken van een creatie die dankzij een samenloop van veel toevallige omstandigheden tot aanzijn is gekomen. Door natuurlijke omstandigheden zal de neushoorn wellicht eens verdwijnen. Maar het is onacceptabel dat deze diersoort voortijdig verdwijnt als gevolg van winstbejag van de mens (dat respectabele wezen !). Dat heeft die neushoorn, bij wijze van spreken, allerminst verdiend. Alhoewel : als je de mens evenzeer als een stuk natuur opvat, dan is de neushoorn gewoon slachtoffer geworden van een op prooi belust natuurlijk wezen, zoals dat in de natuur zo vaak gebeurt. Maar het bijzondere van de mens schuilt nu juist hierin, dat hij/zij z'n natuurlijkheid kan transcenderen.

Dat het onaanvaardbaar is om de neushoorn uit te roeien is een oordeel dat wordt gegeven door de zich verantwoordelijk voelende mens. Buiten de mens is er echter geen instantie die zich bekreunt om het teloorgaan van de neushoorn. Is er met het verschijnen van de mens iets essentieels aan de waarde van de natuur toegevoegd ? Dat een wezen, voortgekomen uit de natuurlijke evolutie (de homo sapiens), zich een oordeel kan aanmatigen over andere levensvormen is in elk geval iets volslagen nieuws en was op voorhand allerminst te verwachten.

Nogmaals : kun je zeggen dat een heel mooie vlindersoort, die er was voordat de mens verscheen, een intrinsieke waarde in zichzelf had ? Er waren toen geen vlinderkundigen die zich in dat bijzonder fraaie product van de evolutie konden verlustigen. Die vlinder was er gewoon en daarmee uit… ! Maar hoe zit het dan toch met die zogenaamde intrinsieke waarde ? Is er iets dat objectief in de werkelijkheid met dat concept intrinsieke waarde correspondeert ? Onder ietwat andere omstandigheden had de planeet aarde van leven verstoken kunnen blijven. Met een zeker recht kun je zeggen dat het heelal interessant is bij de gratie van de biogenese op aarde. Het is, om zo te zeggen, en lot uit de loterij, dat zich op deze plek in het heelal dat hele evolutionaire proces van het leven heeft kunnen afspelen. Alle levende wezens zijn, bij wijze van spreken, manifestaties van dat interessante.

Iedere soort representeert iets van dat wonderbaarlijke levensfenomeen. Daarom horen ze er allemaal bij en hebben ze alle een eigen intrinsieke waarde. En daarom mag de mens de neushoorn niet uitroeien.

Aad D. Fokker.

Naar Inhoudstafel

De eeuwige Jeugd van Voltaire

bob_cools.jpg




Bob Cools (1934), bekend als burgermeester van Antwerpen (1983-1994) is tevens een kenner van Voltaire die een belangrijk facet vertegenwoordigt in zijn leven : Immers sedert mijn schoolgaan in de “Nid d’Aiglons”, een onderwijsinstelling die in die jaren in Heide bestond (Naast 't Kapelleke) ben ik omringd door Voltaire, door boeken en kleine en grote borstbeelden. Hij begeleidt me nog steeds in het leven met het Vivre c’est Agir ! Bob Cools studeerde aan de VUB en behaalde er verscheidene diplomas in de rechten.

In deze tijden van vertwijfeling, groepsegoïsme, slechtbegrepen individualisme, godsdienstfanatisme, onverdraagzaamheid, ja zelfs oorlog, is het goed de groten op te roepen die in andere tijden dezelfde kwalen aan de kaak hebben gesteld en hierdoor de 18-de eeuw enige verlichting hebben geschonken. De namen die in dit verband het meest voorkomen zijn o.a. Voltaire, Rousseau, Diderot. Het lijkt mij echter aangewezen er voorafgaandelijk op te wijzen dat ook zij een grote voorganger hadden, m.n. Socrates. Deze lekenheilige, deze martelaar van de wijsbegeerte was hun patroon, de ideale illustratie van de weerstand tegenover onverdraagzaamheid en fanatisme. Hij was de dieu voor Diderot, l’honneur de l’humanité voor Rousseau en le sage au nez épaté voor Voltaire.

De Voltaire die wij nog steeds roemen is evenwel de filosoof op rijpe leeftijd, de man, die de laatste 20 jaar van zijn leven doorbracht in Ferney op de Frans-Zwitserse grens in zijn vossenhol. Vandaar kon hij immers snel vluchten naar één van zijn drie andere verblijfplaatsen in de omgeving, indien een koninklijke vervolger toesloeg. Gedurende zijn lange leven werd hij immers een aantal keren opgesloten in de Bastille. Gelauwerd door de Franse koning en dan weer beroofd van al zijn titels. Ontelbare keren vervolgd, zag hij zijn geschriften openbaar verbrand, verboden, werd hij meermaals verbannen en vluchtte hij naar ons land, naar Groot-Brittannië en tenslotte naar Zwitserland. Hij had ook een tijd aan het hof verbleven op het verzoek van Frederik II, maar hij was vlug tot inzicht gekomen dat deze zogenaamde verlichte koning in feite al even autoritair wezen was als de Franse koning.

Voltaire, met zijn werkelijke naam François-Marie Arouet, werd waarschijnlijk op 20 februari 1694 in Parijs geboren. We weten echter met zekerheid dat hij op 22 november 1694 in diezelfde stad gedoopt werd. Men zou zo lang geaarzeld hebben het jonge mannetje te dopen omdat hij zo'n wankele gezondheid vertoonde… de man zou echter 84 jaar oud worden, wat in die tijden uitzonderlijk was. Hij zou zich zelf snel herdopen in Voltaire, als anagram bedoeld van Arouet Le Jeune. Zeer jong reeds bleek de jongen veel talent te hebben om te dichten. Hij zou deze begaafdheid zeer spoedig gebruiken om een antal mistoestanden en de zwakheden van zijn tijdgenoten aan te klagen. Dit zal hem natuurlijk heel wat kommer bezorgen. Ditzelfde talent stelde hij tentoon wat het theater betreft. Hij ontpopte zich ook als een goed geschiedschrijver. In zijn Eeuw van Lodewijk XIX toonde hij zich haast als een grondlegger van de hedendaagse geschiedschrijving. Hij had eveneens een zeer goede kennis van de wetenschap van zijn tijd en was er een getalenteerd vulgarisator van.

Het is echter de Voltaire, die op 65-jarige leeftijd het onsterfelijke Candide schreef, die ons zal bijblijven. Vanuit Ferney zou hij immers gedurende 20 jaar de wereld overladen met teksten, vlugschriften, gedichten, novellen en brieven die de groten van zijn tijd koortsachtig gelezen hebben. Hij was de grote criticus en heeft ongetwijfeld een onvoorstelbare bijdrage geleverd tot de revolutionaire gedachten die tot 1789 zouden leiden. Hij was op bepaalde ogenblikken een echte volksheld. Werden ten tijde van de revolutie zijn frêle resten immers niet terug opgegraven, in triomf doorheen Parijs gedragen om ze tenslotte onder te brengen in het Panthéon.

Candide geldt als de voldragen vrucht van een gedurfd handelend leven, “vivre c’est agir”. Hij had tevens in Groot-Brittanië het handel drijven geleerd, wat hem in de mogelijkheid stelde goed voor zichzelf in te staan om aldus de vrijheid te kunnen beoefenen. Zijn grote vijanden waren fanatici, de hypocrieten, de schijnheiligen, de clericalen. Hij noemde zichzelf deïst. Zijn filosofie zou men echter eerder deze van een agnosticus, getemperd door een deïst kunnen noemen “le seul évangile qu’on doit lire c’est le grand livre de la nature. La seule religion est d’adorer dieu et d’être honnête homme“.

Vandaar dat de Franse schrijver André Maurois hem eerder een deïst de nom noemde, en een humanist de fait. Ik vind dit één van de betere definities die ik over Voltaire las. Men heeft hem ook soms streng beoordeeld, omdat men meende dat zijn filosofie in feite veel te eenvoudig was. Faguet noemde het een chaos d’idées claires. Een tijdgenote zou ooit gezegd hebben : “ce que je ne lui pardonne pas, c’est de m’avoir fait comprendre si bien les choses que je ne comprendrai jamais”. Uiteraard wist Voltaire ook wel dat we in een ingewikkelde wereld leven en dat het dus heel moeilijk is om dingen klaar te stellen. Toch probeerde hij dat te doen en daaraan dankt hij ook zijn groot succes. Hij wist ook wel dat je niet alles kan weten : onder het trefword ignorance van zijn Dictionnaire philosophique lezen we :

“j’ai ignoré absolument pendant le quart de ma vie les raisons de tout ce que j’ai vu, entendu et senti et je n’ai été qu’un perroquet sifflé par d’autres perroquets…”

voltaire_houdon.jpg
Houten borstbeeld van Jean Antoine Houdon, Parijs 1778

Dit is de Voltaire van Candide. De laatste woorden van dit boek zijn immers “il faut cultiver son jardin”. Dat wil zeggen de wereld is gek en crueel, koningen trekken ten strijde, kerken verscheuren elkaar, laten we dus maar trachten er het beste van te maken. Het is in feite een wetenschappelijke conclusie in de zin van “il faut agir, tout n’est pas bien, mais tout peut être amélioré, l’homme ne peut effacer la cruauté de l’univers, mais il y peut en protéger pour un temps certains cantons par la prudence”.

Ongeveer gedurende dezelfde periode als Candide werd geconcipieerd, schreef Voltaire Mémoires. Het betreft in feite een briljant stukje literatuur. In enkele tientallen bladzijden borstelt hij op virtuoze wijze een portret van zijn tijd en van een aantal markante persoonlijkheden zoals Frederik II en Lodewijk XV. Hij brengt de grote dingen in beeld, maar ook de kleine die, zoals hij het stelt, vaak de oorzaak van de grote dingen kunnen zijn. Hij vertelt er ook op eenvoudige wijze in hoe hij ertoe kwam enige kluiten bij elkaar te sparen. Ik breng deze passus graag in beeld :

“il faut être, en France, enclume ou marteau: j’étais né enclume. Un patrimoine court, devient tous les jours plus court parce que tout augmente de prix à la longue et que souvent le gouvernement a touché les opérations que le ministère, toujours obéré et toujours inconstant, fait dans les finances de l’Etat. Il y en a toujours quelqu’une dont un particulier peut profiter, sans avoir obligation à personne; et rien n’est si doux que de faire sa fortune par soi-même : le premier pas coûte quelques peines, les autres sont aisés.”

Op die wijze is Voltaire erin geslaagd een klein fortuin te vergaren, hetgeen hem dus in de mogelijkheid heeft gesteld vier eigendommen te verwerven in de omgeving van het Frans-Zwitsers grensgebied. Dit vermogen heeft hem tevens in de gelegenheid gesteld, zoals hij het stelt, om zich enige vrijheden te veroorloven en op te komen voor andermans vrijheid. Zo is hij erin geslaagd in Europa een aantal persoonlijkheden te overtuigen om mee te ijveren om de herziening te bekomen van het zogenaamde Calas-proces. Calas was een protestant uit Toulouse die ten onrechte veroordeeld was wegens de vermeende moord op één van zijn zonen. Na drie jaar is Voltaire erin geslaagd het vonnis te laten herzien en de ongelukkige weduwe van Calas een vergoeding te bezorgen. Voltaire heeft onmiddellijk daarna een tractaat over de verdraagzaamheid geschreven. Dit boek geeft hem vandaag nog steeds een grote actualiteit. Luister naar zijn conclusie :

“Tout homme a le droit d’avoir et d’exprimer telle opinion qui lui semble juste, pourvu qu’il ne trouble pas l’ordre public.”

Hij voegde eraan toe : Si vous voulez ressembler à Jésus Christ, soyez martyr et non pas bourreau. Laten we tenslotte de hoop uitdrukken dat deze grote man, als waakhond en aanklager in verband met alle vormen van fanatisme, schijnheiligheid en geweld, de eeuwige jeugd moge beschoren blijven.

Bob Cools.

Naar Inhoudstafel

Culinaire zwaargewichten of verlichte gastronomen ?

We komen in Le Petit Cuistre wel veel te weten over de filosofische ideeën van al die verlichte geesten, maar stond u er ooit bij stil dat veel van die gedachten blijkbaar ontstaan zijn rond de tafel bij het nuttigen van heerlijke spijzen en dranken. Wat serveerde Holbach zijn erudiete gasten tijdens zijn wekelijkse etentjes; en hadden die maaltijden enige invloed op hun geestelijke meditaties of was het misschien omgekeerd ? Was er enige wisselwerking tussen beide ?

Met deze bedenking kwam een goede vriendin, Marianne Van Lindt aandraven; ze zwaaide enthousiast met een brochure over een tentoonstelling te Parijs Livres en bouche ; Cinq siècles d’art culinaire français, in de Bibliothèque de l’Arsenal over de culinaire zeden en gewoontes door de eeuwen heen. Het voorstel viel in goede aarde en een week later zaten we met ons vieren in de hogesnelheidstrein, richting Parijs.

We namen ons Frans ontbijt, bestaande uit enkele croissants en een café-crème in een typische bistro en aldus gesterkt en helemaal in de juiste stemming begaven we ons op pad –richting Bibliothèque de l’Arsenal–. Een prachtige verrassing : de tentoonstelling bleek plaats te vinden in een vleugel van de bibliotheek, een juweeltje van gedempte stilte en erudiete sereniteit, zo karakteristiek voor oude bibliotheken. Het betrof de persoonlijke culinaire bibliotheek van de Marquis de Paulmy (1722-1787), diplomaat en minister, geleerde en homme de lettres, werken die hij gedurende 30 jaar verzameld had (1757- 1787) in zijn huis aan het arsenaal.

Alhoewel hij zelf zeer sober was en ongeïnteresseerd in eten, vond men na zijn dood een hele batterie de cuisine terug met o.a. 199 deegvormen, een groot aantal kookpotten en timbaaltjes. Zijn kelders waren gevuld met wijn uit Malaga, Bordeaux, Graves, uit de streek van de Moezel en de Rijn en verder vond men nog een duizendtal flessen likeur. De minister gaf echter geen diners voor ambassadeurs, hij verkoos daarentegen het gezelschap van academici en geleerden.

Het aantal werken dat in de 18-de eeuw aan de kookkunst werd gewijd is indrukwekkend. Tot in de 17-de eeuw bestonden er niet veel geschreven recepten. Het is pas in 1651 dat Le Cuisinier français verschijnt van François Pierre dit La Varenne, de eerste tekst die nieuwe recepten brengt die sedertdien klassiekers zijn geworden (bijvoorbeeld : spiegeleieren).

In de eerste helft van de 18-de eeuw verschijnt er slechts een nieuw kookboek, eerder een landelijk kookboek, bedoeld voor de boerenbevolking : Le ménage des champs de Liga. Een andere typisch 18-de eeuwse trend bestaat erin om bepaalde gerechten de naam van personaliteiten of plaatsen te geven : Pigeon à la Goubert. Nieuw zijn ook de illustraties en gravures die het boek verluchten.

gefrassigkeit.jpg
     La Gourmandise | Die Gefrässigkeit

In 1735 publiceert Vincent de La Chapelle met groot succes zijn Cuisinier moderne (4 delen, 12 gravures). Uitvinder van de nouvelle cuisine biedt hij een eenvoudige, licht verteerbare en voedzame keuken aan, zonder overvloed aan vet en suiker. Toen reeds redetwistte men over medische en gastronomische prioriteiten. Men verweet hem echter dat hij de cartesiaanse geest in z'n keuken toepaste en dat hij dacht dat er een verband bestond tussen hetgeen men at en wat men geestelijk voorstelde. De idee was echter gelanceerd en werd onderwerp van de gesprekken in de salons. Was het niet Brillat-Savarin die beweerde “Dis-moi ce que tu manges et je te dirai ce que tu es” ?

In de loop van de 17-de en 18-de eeuw bemerken we een progressieve ontplooiing van de sensualiteit. Dit fenomeen komt tot uiting in de kunst, de literatuur en de muziek; maar op culinair domein. De Franse keuken keert de rug toe aan de Middeleeuwen met zijn geneeskrachtige kruiden en gezonde keuken. Nu is er plaats voor het genieten zoals de Italianen het reeds zo lang hebben voorgedaan, aldus de auteur van Dons de Comus ou les délices de la table (1739). Voltaire looft de “homme de goût : Rien ne doit échapper à la promptitude de son discernement”, zo schrijft hij in zijn Dictionnaire philosophique (1764). De mens met goede smaak heeft zin voor het intellect, voor de schone kunsten en voor het sensuele. Zoals een fijnproever in een mengeling de verschillende likeuren kan onderscheiden zo zal een kenner even snel de vermenging van twee stijlen herkennen. Op het einde van de 18-de eeuw geeft die sensualiteit nog een extra duwtje aan de creativiteit en het experiment. Desserts krijgen nu ook veel aandacht. Zo wordt het dessertbuffet een oogstrelend spektakel. Het decorum wint trouwens meer en meer aan belang. De gedekte tafels die we te zien krijgen op de tentoonstelling te Parijs zijn rijkelijk voorzien van hele gebraden dieren : wild, gevogelte, varkentjes, vissen; dit alles overdadig versierd met een grote keuze van inheemse en exotische vruchten, opgediend in prachtig porseleinen serviesgoed, zilverwerk en kristal. Mes en vork waren nog niet zo lang in gebruik, vroeger at men immers met de vingers; het gebruik van de vork wordt pas echt vereist aan het hof van Lodewijk de XIV.

Het bestek, zoals wij het nu kennen heeft slechts schoorvoetend zijn intrede gedaan in het Frankrijk van de 18-de eeuw. Dit was echter niet zozeer om hygiënische redenen –toen nog een zeer relatief begrip– dan wel ten teken van aanzien. Langzaamaan wordt het gebruik van de vork (2 tanden) ingeburgerd en met het stijgen in aanzien krijgt ze er een tand bij, later een tweede. Aan tafel zitten bij Le Roi Soleil had dan ook meer iets weg van figurant spelen in een groots opgezet spektakel. Elk detail telde zoals de plaats van de genodigden ten opzichte van de amphytrion (gastheer, in het midden); de volgorde en opeenvolging van de verschillende gangen was essentieel, hun kleur en vorm bestudeerd met een bijna architecturale nauwkeurigheid, waarbij symmetrie synoniem stond voor goede smaak. In een tijdspanne van 20 jaar worden recepten en regels der etiquette opgeschreven en bijgehouden, niet enkel ten behoeve van de betere kok maar eveneens voor het grote publiek. Getuige hiervan de talloze artikels over dit onderwerp van Ridder de Jaucourt in de Encyclopédie van Diderot en d'Alembert. De tijd van Lodewijk XV is een culinair hoogtepunt maar in navolging van de Italiaanse meesters uit de Renaissance is het de bedoeling dat de spijzen het gehemelte in vervoering zouden brengen en niet vergiftigen met overbodige en ingewikkelde hoogstandjes. Deze meer gematigde houding bevalt Voltaire wel, die echter verdeeld blijft tussen zijn liefde voor de nouvelle cuisine en gevulde kalkoen met truffels. Deze gastronomische trek van Voltaire irriteert echter Jean-Jacques Rousseau waar hij schrijft : “De Fransen weten niet wat eten is,want ze moeten een speciale disicipline ontwikkelen om hun gerechten eetbaar te maken”. Claude-Lévy-Strauss beweert nochtans in Le cru et le cuit (1964) dat het al dan niet koken van voedingswaren een wezenlijke stap naar de beschaving sysmboliseert. De primitieve mens is zich immers gaan onderscheiden van het dier vanaf het ogenblik dat hij zijn eten is beginnen koken.

In filosofische controversen over de kookkunst –die toen meestal aan tafel werden uitgevochten– heeft men de neiging, zoals reeds voorheen aangeduid, om temperament met voedsel te associëren. Zo zweert Rousseau erbij dat vleeseters wreedaardige mensen zijn. Van gastronomische kritiek is de stap licht gezet naar sociale kritiek. Rousseau, nogmaals, weigert om kersen te eten in volle winter, uit gezondheidsoverwegingen, om de orde in de natuur te bewaren en om de gelijkberechtiging van de individuën niet in het gedrang te brengen.

In 1746 publiceert Menon “La cuisinière bourgeoise”. Dit is het eerste handboek dat bestemd is voor vrouwen (122 herdrukken, een ware culinaire bestseller). “La cuisinière républicaine” toegedicht aan Mme Mérigot betekent het einde van een eeuwenoude traditie waarbij uitsluitend mannen kookboeken schreven. Met de val van de aristocratie, in 1789, worden al die chef-koks, braders, sausmakers, pâtissiers en andere specialisten van de rijke burgerij werkloos. De beroemde Robert, chef-kok van de prins van Condé heeft de schitterende inval om een restaurant op zijn naam te openen te Parijs. De idee vindt navolging en algauw wordt de Franse hoofdstad bezaaid met restaurants.

De Franse keuken heeft nog steeds een grote naam; nochtans vind ik dit soms lichtelijk overtrokken, want het kan wel eens anders uitvallen dan verwacht. Toen we op zekere dag ergens in de buurt van Mâcon halt maakten bij een mooi ogend restaurant, verheugde ik mij op een lekker dineetje. Ik bestelde ragoût de volaille. De ober bracht met veel zwier en vertoon een schotel met ondefinieerbaar, taai vlees. Bij het afrekenen vroeg ik hem uit nieuwsgierigheid welk gevleugeld dier men eigenlijk had opgediend. Poulet, antwoordde hij uit de hoogte, waarop ik hem vroeg of het misschien geen bartavelle was geweest. Die vogelsoort is jammer genoeg uitgestorven, Mevrouw, was zijn antwoord. De film La gloire de mon père naar het werk (1957) van Marcel Pagnol was me nog te recent in het geheugen.

Kristina Leterme.

Naar Inhoudstafel

“Anti-philosophique primaire” Comtesse de Genlis (1746-1830)

comtesse_genlis.jpg
Comtesse de Genlis

Stéphanie Félicité Ducrest de Saint-Auban, later bekend als Comtesse de Genlis door haar huwelijk (1762) met Comte de Genlis, werd in 1770 de gouvernante van de kinderen van de Duc d'Orléans en tevens zijn minnares. In 1793 werden zowel haar man als haar minnaar door de Franse revolutie onthoofd. De comtesse verliet Frankrijk en vestigde zich in Engeland en Zwitserland. Ze werd bekend door haar opvoedkundige geschriften zoals Adèle et Théodore (1782) en Les Veillées du Château (1804)

Een minder gelukkig project waren haar refutaties tegen de filosofen zoals het bekende Les diners du Baron d’Holbach (1822). Hierin trekt ze van leer tegen de geschriften van de baron, tegen het werk van Helvétius, Diderot en van nog enkele andere encyclopedisten. Wat vooral opvalt is haar woede ten overstaan van Voltaire, die ze verwijt de 18-de eeuw met zijn geschriften te hebben bezoedeld. Daarmee heeft ze zichzelf natuurlijk de das omgedaan.

We bezorgden ons dus een exemplaar van het Les diners du Baron d’Holbach in de hoop hier niet alleen de weerleggingen van de markiezin te vinden maar tevens een aantal recepten van 18-eeuwse gerechten. We bekwamen bedrogen uit. Het enige wat maar enigszins naar een diner verwees was de aanduiding wanneer de ontmoeting bij de baron had plaats gegrepen. Zo vermeldt hoofdstuk VI, p. 97 : Première réunion des Philosophes diegenen die aanwezig waren : Le Baron, Diderot, d’Alembert, l’abbé Gagliani, l’abbé Morellet, Duclos, onmiddellijk gevolgd door : La scène est après dîner.

holbach_diners.jpg
Les Diners du Baron d’Holbach (1822)

De markiezin beweert dat zij meerdere filosofen persoonlijk heeft gekend :

“J’ai connu (à l’exception de MM. Helvétius et Diderot) tous les littérateurs qui se trouvoient à ces réunions, j’ai passé toute ma jeunesse dans la société la plus intime avec les gens de la Cour que j’ai placés dans cet ouvrage, dont les uns alloient en effet quelques fois chez le baron d’Holbach et les autres chez mesdames Necker et du Deffant : comme ma mémoire est fidèle, et que j’ai toujours eu d’ailleurs l’habitude d’écrire tout ce que j’ai entendu dire de remarquable, je puis assurer que j’ai conservé à tous ceux qui n’ont laissé ni mémoires, ni livres, leur caractère, leur ton, leur sentimens, et jusqu’au genre de leur esprit ; quant aux encyclopédistes, je ne place dans leur bouche que ce qu’ils ont écrit dans leurs lettres, leurs mémoires, leurs ouvrages … ”

Over de aard van de maaltijden en wat er juist werd opgediend worden we dus niet veel wijzer uit het geschrift van de Comtesse de Genlis. Op de tweede bladzijde van haar inleiding (Préface) schrijft ze echter het volgende : “les dîners du baron d’Holbach ne sont point une fiction”, met een verwijzing naar de Mémoires de l’abbé Morellet. Hierin is de passage bekend over de dineetjes bij Holbach : “Une grosse chère, mais bonne, d’excellents vins, d’excellents cafés”. W. H. Wickwar in zijn boek Baron d'Holbach, A Prelude tot the French Revolution (1935) luidt een gelijkaardige klok :

“The Baron d'Holbach held two dinner-parties regularly each week, on Sundays and Thursdays, where –without prejudice to the other days of the week– ten, twelve or even fifteen or twenty men of letters, men of the world, or foreigners, who loved and cultivated the things of the mind, were wont to meet together. There was plenty of food, and good food too; excellent wine, excellent coffee; plenty of discussion and never a quarrel; the simple manners that are suited to intelligent and educated men, … ”

Naar Inhoudstafel

Aan tafel met de filosofen (Voltaire, La Mettrie …) bij Frederik II (Sanssouci)

vonMenzel_Tafelrunde.jpg
Tafelrunde König Friedrich II in Sanssouci met Voltaire (links) en de leiders van de Berliner Akademie
Schilderij van Adolf von Menzel (1850), door brand verwoest (1945), copie J. Tietze (Public Domain)

Een receptje uit de 18-de eeuw (Artisjokken)

On mange les artichauts à la poivrade, on les frit, on les fricaſſe & on les confit. Pour les mettre à la poivrade, prenez-les tendres ; coupez-les par quartiers ; ôtez-en le foin & les petites feuilles ; pelez le deſſus ; jettez-les dans l’eau fraîche, & les y laiſſez, de peur qu’ils ne ſe noirciſſent & ne deviennent amers, juſqu’a ce que vous les vouliez ſervir : alors mettez-les dans un plat ou ſur une aſſiete, arroſés d’eau , & ſervez en même tems du poivre & du ſel mêlés. On met encore les artichauts à la ſauce blanche & à pluſieurs autres.

Pour les frire, prenez les culs ; coupez-les par quartiers ; ôtez le foin ; rognez la pointe des feuilles ; ſaupoudrez-les enſuite de farine détrempée avec du beurre, des jaunes d’œufs, du ſel, &c. & jettez-les dans la friture chaude.

Pour les confire, pelez les culs ; n’y laiſſez ni feuilles ni foin ; jettez-les dans l’eau fraîche ; faites-les paſſer dans une autre eau ; faites-leur jetter un bouillon : prenez un pot ; mettez-y de l’eau bien ſalée qui ſurnage de trois doigts ; ajoûtez-y une partie d’eau & une autre de vinaigre ; l’épaiſſeur de deux doigts de bonne huile ou de beurre qui ne ſoit pas trop chaud & laiſſez les artichauts dans cet état.

Naar Inhoudstafel