Je sais respecter toutes les convictions, j’estime tous ceux qui parlent et agissent d’après la leur, je ne fais pas de reproche de leur foi à ceux qui ne savent que croire, mais j’ai en horreur le mensonge et l’hypocrisie, et je ne saurais marcher avec ceux en qui je n’ai aucune confiance. A eux, aux philosophes et aux théologiens modernes, la lutte contre l’orthodoxie par la diplomatie, par la ruse et par le poison ! A moi la guerre pour le progrès à la façon des encyclopédistes, la visière levée et la lance au poing, la guerre à la façon de Jean Meslier.
Rudolf Charles d’Ablaing van Giessenburg

Jaargang 1 Le Petit Cuistre Nr 2

Verschenen op juni 2002 - Inhoudstafel

Woord Vooraf

De Feestelijke Voorstelling van de Holbach Vereniging op 15 December 2001 werd door een groot aantal leden en sympathisanten bijgewoond. Er waren natuurlijk ook verontschuldigingen. Jammer, want we hadden alle Holbach-mensen graag bij elkaar gezien; om nog met meer luister en enthousiasme de Vereniging officieel te openen. Enthousiasme was er echter genoeg, vooral dan na de iets te lange inleiding door de voorzitter; maar die was zo moe van de voorbereiding voor de Opening en door het gejaag op virussen in zijn geïnfecteerde PC, enkele dagen voordien, dat die volkomen de tijd vergat. Maar na de champagne begonnen de gesprekken zich te specifiëren en te intensifiëren. Iemand vond dat er iets te veel “materialisten” aanwezig waren, niet onze fout, want d'Holbach, Helvétius en Diderot, om er maar enkelen te noemen, waren dat ook, weliswaar dan een hele tijd geleden, en in Parijs. Anderen vonden weer dat er te weinig over God werd gesproken, en dat er toch misschien wel iets meer is dan alleen maar materie en beweging. Goed, de Holbach-beweging ontwijkt zeker niet de thematiek van het vermeende goddelijke, maar dan wel vanuit een rationele benadering, en zeker niet gevoelsmatig, want dan beschikt men niet meer over een universele discussie-basis; zoals Montesquieu (1689-1755) het in “L’Esprit des Lois” (1748) geschreven heeft. Gevoelens, gedragingen en morele waarden zijn immers afhankelijk van de plaats waar je min of meer toevallig geboren bent. Ook onze vriend Jaap Schippers liet zich verontschuldigen met een schrijven waarin hij zei, dat de wereld van Holbach hem iets te koud was en dat hij opteerde voor de oneindige liefde van zijn God. Dat staat hem natuurlijk vrij. Holbach, als groot mensenvriend, zou zeker de laatste zijn om met een verwijtende vinger naar Jaap te wijzen; maar hij zou wel benadrukken dat het goddelijke een illusie is, en dat alle godsdiensten ontstaan zijn als product van de menselijke verbeelding, om op emotionele en onbegrepen problemen een antwoord te vinden. Voor Holbach zelf ligt elk antwoord op eender welke vraag besloten in de natuur; voor zekere mensen weliswaar een te harde waarheid.

Naarmate de avond vorderde werden de gesprekken nog onstuimiger, todat zelf één van de leden wenend bij de voorzitter haar beklag kwam doen. Dat was een droeve noot, terwijl onze penningmeester toch zoveel katoen gaf op zijn gitaar. Maar men kan haar troosten, en we zijn haar dankbaar dat zij, vooral dan op de Feestelijke Opening van de Holbach Vereniging, haar geschil met een van de aanwezigen kon relativeren.

De Vereniging wenst hier uitdrukkelijk Alain Meerbergen (gitaar en zang), Jaak en Wendeline Vande Putte-Froger (zang) en Felix de Jager (clavichord) te bedanken, voor hun luisterrijke muzikale inzet.

In het voorliggend nummer maken we kennis met een belangrijk document uit de Verlichting, van de Franse schrijver-filosoof Denis Diderot (1713-1784). Het betreft hier zijn “Lettre sur les aveugles à l’usage de ceux qui voient” (1749). Dit pamflet mag beschouwd worden als een eerste radikale aanval van de schrijver op het deïsme en, specifiek, op de gevestigde mening dat onze ideeën over zedelijkheid van goddelijke oorsprong zouden zijn. Uit het experiment met een blindgeborene, die van staar genezen wordt, besluit Diderot dat moreel gedrag ontegensprekelijk afhankelijk is van de zintuigen. Voor het neerschrijven van die vermetelheid werd de schrijver voor meer dan 3 maanden opgesloten in de gevangenis van Vincennes. Een van onze leden heeft zich de moeite getroost een vertaling te maken van de brief, die in meerdere afleveringen in “Le petit Cuistre”zal veschijnen.

Er wordt in dit nummer tevens een begin gemaakt met de publikatie van de vertaling van het uittreksel door Voltaire van het “Testament” van Jean Meslier, waarvan reeds een uitvoerige inleiding verscheen in het eerste nummer van ons tijdschrift. Bij deze gelegenheid hecht ik eraan enkele leden te bedanken die zich bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt voor de Vereniging : Kristina Leterme (reisverhalen en vertalingen), Yvonne Van Overloop (redaktie-hulp bij het Meslier-document), Koen Vanvinckenroye (samenstelling van een CD-rom met waardevolle informatie over de naamgever van onze Vereniging), Sigyn Elst (eindredaktie van alle teksten), Herman Vanvinckenroye (helpdesk software Powerpoint) en tenslotte Staf Beeckmans (enthousiasme voor de Vereniging en ledenwerving). Nu rest me nog het grote genoegen uit naam van de Holbach Vereniging alle leden en sympathisanten uit te nodigen op een tuinfeest, dat zal plaatsvinden eind augustus op de zetel van de Vereniging te Kapellenbos.

Juni 2002 - De voorzitter

Naar Inhoudstafel

De Filosofie van de Verlichting

“Pour peu qu’on considère avec des yeux attentifs le milieu du siècle où nous vivons, les événements qui nous agitent, ou du moins qui nous occupent, nos mœurs, nos ouvrages, et jusqu’à nos entretiens ; il est bien difficile de ne pas apercevoir qu’il s’est fait à plusieurs égards un changement bien remarquable dans nos idées ; changement qui, par sa rapidité, semble nous en promettre un plus grand encore. C’est au temps à fixer l’objet, la nature et les limites de cette révolution, dont notre postérité connaîtra mieux que nous les inconvénients et les avantages.” (D’Alembert, Essai sur les Eléments de Philosophie ou sur les Principes des Connaissances humaines, 1759).

De man, Jean le Rond d’Alembert (1717-1783), die deze woorden schreef was wiskundige en filosoof en de naaste medewerker van Denis Diderot (1713-1784) bij het tot stand komen van de Encyclopédie. Beroemd omwille van zijn Mechanisch Beginsel (Stelling van d’Alembert, 1743), dat in de ontwikkeling van de Theoretische Mechanica (Bewegingsleer) een belangrijke rol heeft gespeeld, vervolmaakte hij tevens meerdere disciplines in het grote gebied van de wiskunde. Ook kon hij een analytische oplossing formuleren voor het verschijnsel van de precessie (teruglopende beweging van de nachtevenings-punten), een sterrenkundig probleem. Hij toonde grote interesse voor de muziek, zowel vanuit wiskundig als artistiek oogpunt; wat hem weliswaar in botsing deed komen met de opvattingen over muziek van Jean-Jacques Rousseau (1712-1778).

Voor de Encyclopédie die schreef hij zijn beroemde inleiding Discours préliminaire (1751). Onverschillig voor rijkdom weigerde hij het presidentschap over de Berlijnse Akademie, dat hem door Koning Frederik II werd aangeboden. In 1762 vroeg Catharina II van Rusland hem zich te ontfermen over de opvoeding van haar zoon, tegen een salaris van 100.000 francs, een fortuin. Ook dit aanbod wees hij van de hand. Catharina schreef hem daarop verbitterd: dat zijn weigering om in één mens een geheel volk op te voeden, met zijn eigen beginselen en overtuiging in tegenspraak kwam.

D’Alembert vervolgt :

“Moesten we onbevooroordeeld de huidige stand van onze intellectuele verworvenheden aan een onderzoek onderwerpen, dan zouden we moeten toegeven dat de “Wijsbegeerte” grote vooruitgang heeft geboekt. Onze eeuw wordt trouwens bij uitstek “De Eeuw van de Filosofie” genoemd. Maar ook het onderzoek van de Natuur kenmerkt zich door een snelle evolutie en verrijkt ons iedere dag met nieuwe wetenswaardigheden; de Meetkunde, die haar grenzen heeft verplaatst, werpt thans haar licht op een aantal aanverwante disciplines van de Natuurkunde. Het “mechanisme” van het heelal is gekend, een model ervan ontwikkeld en vervolmaakt. De ruimte tussen aarde en Saturnus, de sterrenwereld, het insectenrijk, alles wordt nu doordrongen van de nieuwe denkwijze; de Natuurkunde heeft hierdoor een metamorfose ondergaan. Maar ook in vele andere disciplines van het wetenschappelijk onderzoek is haar impact niet te loochenen…

Men zou kunnen opwerpen dat het onderzoek van de natuur koud en eentonig is. Het genoegen van de studie van de natuur zou daardoor slechts van geringe aard zijn. Maar daar vergist men zich in, want nooit als tevoren heeft de mens zich met zoveel enthousiasme en vreugde op het natuuronderzoek geworpen” (id.)

D’Alembert getuigt hier van de stroomversnelling waarin het intellectuele leven van de XVIII-de eeuw was terechtgekomen. De onderzoekers stelden zich niet meer tevreden met sluitende verklaringen voor telkens weer nieuwe natuurkundige verschijnselen, zij wilden nu ook het antwoord op het gedrag van de vorsende mens en als ultieme doel, zijn bewustzijn doorgronden. Oorsprong en bestemming van deze allesomvattende intellectuele beweging moest worden begrepen; want het was misschien mogelijk de richting ervan om te buigen, en zo vat te krijgen op de toekomst :

“Ce n’est pas seulement que la pensée s’efforce vers des fins nouvelles, inconnues jusqu’alors, c’est qu’elle veut maintenant savoir où son cours l’entraîne, elle veut elle-même diriger son propre cours” (Ernst Cassirer “La Philosophie des Lumières”, Fayard, 1966, p.40).

discours_de_la_methode.jpg
Titelblad van René Descartes “Discours de la méthode”

Men was nu definitief van het paradigma van René Descartes (1596-1650) en Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716) afgestapt, waarbij een vooropgestelde hypothese met behulp van gegevens en feiten werd bevestigd. Nu ging men op zoek naar de gemeenschappelijke hypothese die achter een veelheid van vaak heel uiteenlopende fenomenen schuilde. Hiervoor opteerde men voor het model van Sir Isaac Newton (1643-1727), die met zijn analytische methode een nieuwe weg.

“Le XVIIe siècle voyait la tâche propre de la connaissance philosophique dans la construction de “systèmes” philosophiques. Pour lui sembler vraiment “philosophique”, il fallait que le savoir eût atteint et fermement établi l’idée première d’un être suprême et d’une certitude suprême intuitivement saisie… C’est bien ce qui se produit lorsque, par la méthode de la démonstration et de la déduction rigoureuse, on rattache médiatement à la certitude première d’autres propositions afin de parvenir, au moyen de cette connexion médiate, à parcourir tout entière la chaîne du connaissable… ”

“Le XVIIIe siècle a renoncé à ce mode et à cette forme de “déduction”, de dérivation et d’explication systématique… Il cherche une autre conception de la vérité et de la “philosophie…” Il le façonne à l’exemple de la physique contemporaine dont il a le modèle sous les yeux. Au lieux du “Discours de la Méthode” de Descartes, il se reporte aux “Regulae philosophandi” de Newton… La voie newtonienne n’est pas celle de la déduction pure mais celle de l’analyse.” (id., p.42-43).

In overeenstemming met de opvatting van de Oude Grieken, primeert voor Newton het fenomeen, waaraan niet geraakt mag worden om het eventueel in overeenstemming te brengen met een vooropgestelde hypothese. Het verschijnsel moet verklaard worden, niet de verklaring (hypothese). De waarneming is het gegeven (datum), de wetmatigheid het gevraagde (quaesitum). D'Alembert plaatst deze werkwijze in zijn “Discours préliminaire de l’Encyclopédie” in het centrum van het debat, en Etienne Bonnot de Condillac (1715-1780) geeft het in zijn “Traité des Systèmes” (1749) zijn definitieve vorm en rechtvaardiging :

“Que l’esprit donc s’abandonne, à toute la richesse des phénomènes, qu’il se mesure à elle inlassablement: loin qu’il risque de s’y perdre, il est assuré d’y trouver sa vérité et sa mesure propre. C’est ainsi qu’on établira la vraie réciprocité, la vraie corrélation du “sujet” et de l’ “objet”, de la “vérité” et de la “réalité” et qu’on produira entre ces termes la forme d’ “adéquation”, de correspondance qui est la condition de toute connaissance scientifique.” (id, p.44).

Wil men dus voor een natuurverschijnsel een verklaring vinden, dan zal het niet voldoende zijn aard en bestaanswijze ervan te beschrijven. Men moet de bijzondere voorwaarden en de afhankelijkheid van die voorwaarden aan het licht brengen die dit verschijnsel tot gevolg hebben.

Ook Voltaire (1694-1778) , die een groot bewonderaar was van Newton, en zijn werken becommentarieerde voor een breder publiek in Frankrijk, spreekt eenzelfde taal :

“Il est clair qu’il ne faut jamais faire d’hypothèse : il ne faut point dire : Commençons par inventer des principes avec lesquels nous tâcherons de tout expliquer. Mais il faut dire : Faisons exactement l’analyse des choses… Quand nous ne pouvons nous aider du compas des mathématiques, ni du flambeau de l’expérience et de la physique, il est certain que nous ne pouvons faire un seul pas.“ (Traité de Métaphysique, Gallimard).

Voor Descartes, Nicolas de Malebranche (1638-1715), Benedictus Spinoza (1632-1677) en Leibniz was de Rede het gebied van de eeuwige waarheden, gemeenschappelijk bezit van de goddelijke en menselijke geest. Hetgeen in het licht van de Rede werd aanschouwd (contemplatie), dat was God. De XVIII-de eeuw vat de Rede bescheidener, maar ook dynamischer op; want voor haar is zij geen voorraad van waarheden, kennis en beginselen, maar de kracht die de mens kan leiden naar het ontdekken van die waarheden. Haar taak is het in de menselijke geest hat kaf van het koren te scheiden, de geest te bevrijden van waardeloze dingen, van elk geloof dat zich beroept op openbaring en van het juk van traditie en gezag.

De Duitse dichter en filosoof Gotthold Ephraim Lessing (1729-1781) voegt eraan toe : Qu’il faut chercher le véritable pouvoir de la raison non dans la possession de la vérité, mais dans son acquisition.

Charles-Louis de Secondat (Montesquieu, 1689-1755), die een verklaring zoekt voor de drang naar kennis, die de geest stuwt van idee naar idee, schrijft op zijn beurt : Onze geest is gemaakt om na te denken, om inzicht te verwerven. Een ding waarover wordt nagedacht bewerkt het ontstaan van een ketting van ideeën. Een niet te stuiten intellectuele nieuwsgierigheid stuwt de geest onophoudend verder naar de volgende gedachteschakel.

Ook blijkt voor de Franse schrijver-filosoof Denis Diderot (1713-1784) dat de geest heel wat meer vermag dan alleen het verzamelen van gegevens : Het doel van de Encyclopedie is niet om een arsenaal van kennis aan te bieden, maar om een verandering in de wijze van denken teweeg te brengen.

Maar bestaat er misschien een verschil tussen wat men een wetenschappelijke geest en wat men een filosofische geest zou kunnen noemen ?

Blaise Pascal (1623-1662) had in de vorige eeuw getracht in “De l’esprit géometrique” de draagwijdte van de natuurwetenschap en van de geestes-wetenschap af te grenzen. Hij meende zelfs te kunnen aantonen hoe verschillend beide werkwijzen wel waren in hun onderscheidelijke territoria, zowel in structuur en als in gebruik.

Maar Bernard de Fontenelle (1657-1757), bekend om het geschrift “Entretiens sur la pluralité des mondes” (1686), had de strenge scheiding van beide disciplines al ontkracht in “De l’utilité des mathématiques et de la physique” (1708):

“L’esprit géométrique (Red: in de betekenis van wetenschappelijke geest) n’est pas lié si exclusivement à la géométrie qu’iI ne puisse s’en séparer et se transporter en d’autres domaines. Un ouvrage de morale, de politique, de critique, voire un ouvrage d’éloquence ne sera jamais, toutes choses égales d’ailleurs, si beau et si parfait que s’il est conçu dans un esprit géométrique.”

De XVIII-de eeuw bereikte dan ook vlug consensus wat de onbeperkte toepassing betrof van de nieuwe wetenschappelijke denkwijze. Een discipline, of die nu van natuurkundige, psychische, sociale of zedelijke aard was, werd verklaarbaarin de optiek van de rede, zodra zij zich onderwierp aan de newtoniaanse methode van analyse en synthese. De psychische werkelijkheid onttrok zich weliswaar aan het experiment, en liet zich daardoor moeilijk bestuderen. Het geestelijke kon trouwens onder verschillende gedaanten en vormen verschijnen, en geen twee psychische beelden waren identiek aan elkaar. De heersende opvatting was echter dat de heterogeniteit van de verschijnselen slechts schijn was, en dat een nauwgezet onderzoek uit de veelheid van geestelijke momenten de invariante en bestendige elementen aan het licht kon brengen; die dan op hun beurt perfect bestudeerbaar waren met de nieuwe methode. De psychologie van de XVIII-de eeuw zet zelfs een stap verder, waar hun leermeester John Locke (1632-1704) was blijven staan. De Engelse filosoof van het sensualisme opteerde immers voor twee verschillende bronnen voor het geestelijke of psychische leven; van de ene kant de gewaarwording en van de andere kant de reflectie, deze laatste een zelfstandige en niet te herleiden entiteit. Zijn leerlingen en opvolgers probeerden echter de dualiteit weg te werken, om er een zuiver monistisch systeem van over te houden. Zo verdichten George Berkeley (1685-1753) en David Hume (1711-1776) gewaarwording en reflectie tot één enkele eenheid : waarneming. Condillac behoudt het systeem van Locke, maar breidt het uit tot het gebied van de geest. De geest wordt dus voor het eerst bestudeerd door middel van de geest. Locke had aangetoond dat een psychisch beeld wordt opgebouwd (reflectie) uit de elementen die bekomen waren door gewaarwording. Condillac bemerkt echter dat Locke hier met zijn onderzoek is gestopt, en zich niet de vraag heeft gesteld naar het hoe van de werking van de geest :

“Or, dans cette direction s’ouvre à l’exploration un domaine encore à peine exploité et d’une immense richesse. A côté des simples données de la vue, de l’ouïe, du toucher, du sens du mouvement, du goût et de l’odorat, Locke a laissé subsister comme des totalités originales et irréductibles, les diverses classes d’activités psychiques.”

Ook aandacht, vergelijken, onderscheiden, samenstellen, voelen, verlangen enz., het is voor Locke alles zelfstandigeen ogenblikkelijke geestelijke activiteit, die men weliswaar kan beschrijven aan de hand van de verschijnselen, maar niet verklaren met behulp van de oorspronkelijke gewaarwordingen. Maar dat is weer een stap terugzetten naar de deductieve methode van zijn voorgangers. Eens temeer blijkt dat die hypothetisch gestelde “zelfstandigheid en ogenblikkelijkheid” slechts schijn is, en dat alle psychische activiteit een gevolg is van een werking op de oorspronkelijke gewaarwordingen :

“Les actes singuliers de l’esprit, chacun pris à part, ne sont nullement des données originales, mais des résultats et des produits. Pour comprendre leur constitution, pour reconnaître leur vraie nature, il faut suivre leur genèse, observer pas à pas comment s’éveille dans l’âme, à partir de simples données sensorielles qui l’affectent, la faculté de remarquer ces données, de les comparer, de les distinguer, de les abstraire et de les combiner.” (Condillac: Traité des Sensations, 1754).

Er blijkt nog een derde realiteit te bestaan. Ook deze zal eerst moeten worden geanalyseerd vooraleer er een synthese van kan gemaakt worden. Het betreft hier de verzameling van dingen waarmee we geconfronteerd worden door het bestaan van een Staat en Maatschappij. De mens wordt in een maatschappij geboren, die hijzelf niet heeft ontworpen of georganiseerd; hij aanvaardt die niet zonder meer. Nochtans verlangt men van hem dat hij zich aanpast aan de bestaande normen. Begint hij over die dingen na te denken dan stelt hij zich vragen over de aanwezigheid van gezagdragers, over wetten, waarheid en rechtsgeldigheid van die maatschappij.

Men kan nu een Staat opvatten als een lichaam, mits men de gezamenlijke wil van die Staat beschouwt als het resultaat van individuele verlangens. Die opdeling maakt het mogelijk dat men haar kan onderwerpen aan dezelfde methode van analyse en synthese die heeft geleid tot de ontdekking van de natuurkundige wetten in de materiële wereld en de psychische wetten in de geestelijke wereld.

Het blijkt nu dat die gedachte niet nieuw is en dat de Engelse filosoof Thomas Hobbes (1588-1679) ze al in de vorige eeuw had uitgesproken :

“Thomas Hobbes a précédé dans cette voie le XVIII-e siècle. Le fondement et le principe de sa théorie politique, la thèse selon laquelle l’Etat est un “corps” a exactement cette signification : les procédés de pensée qui nous mènent à la connaissance exacte de la nature des corps physiques lui sont également applicables sans restriction.” (Cassirer, id. p.53).

Tenslotte bespreekt Condillac in “Traité des Systèmes” (1749) de sociologie van Hobbes :

“Het komt erop aan te herkennen dat een maatschappij een kunstmatig lichaam is, dat samengesteld is uit delen die elkaar wederzijds beïnvloeden. Men moet dat lichaam zo inrichten dat het onmogelijk is voor een klasse van bevoorrechte personen dat ze hun voorrechten gaan gebruiken voor het vernietigen van het evenwicht en de harmonie van het geheel. Uitzonderlijke belangen moeten ten goede komen aan die maatschappij en aan haar ondergeschikt worden.”

Met deze formulering wordt een sociologisch probleem omgezet in een probleem uit de “Statica”(Krachtenleer). Maar ook Montesquieu in “L’Esprit des Lois” (1748) ziet het essentiële van zijn taak, de bewerking van een omvorming :

“Décrire les formes et les types de constitutions –despotisme, monarchie constitutionnelle, constitution républicaine– et exposer empiriquement leur manière d’être : Reconstruire ces régimes politiques à partir des forces qui les constituent. Il est nécessaire de connaître ces forces pour les faire aboutir à leur véritable but, pour montrer de quelle façon et par quels moyens elles peuvent être utilisées pour l’instauration d’une constitution réalisant l’exigence de la plus grande liberté possible. Une telle liberté n’est possible que dans le seul cas où toute force particulière est limitée et contrainte par une force opposée.”

De belangrijke doctrine van de Scheiding der Machten is niets anders dan een consequente ontwikkeling en toepassing van deze fundamentele gedachten.

Referenties :

Ernst Cassirer : La Philosophie des Lumières, Fayard, 1966.

Naar Inhoudstafel

De zonnekorona, gefotografeerd met de satelliet SOHO

soho_zonnekorona.jpg
Links van het zonnelichaam ziet men een komeetje dat zich op het oppervlak van de zon zal storten
(Cliché JPL)

Naar Inhoudstafel

Afspraak te Étrépigny

eclipselune_patience.jpg
Eclipse de lune - Jeu de patience (Cliché: F-J. Holler)




Een ouderwets prentje van een zonsverduistering, alhoewel de tekenaar zich blijkbaar vergist heeft in het opschrift.

Maansverduisteringen, de maan verdwijnt in de schaduw van de aarde, grijpen alleen maar plaats als het al volledig duister is. De zon staat nog behoorlijk hoog aan de hemel. De maan schuift van rechts naar links vóór de zon : tweede fase van het verschijnsel. Het meisje kijkt door een beroet glaasje naar het hemelverschijnsel, terwijl de volwassenen hun ogen beschadigen met respectievelijk een verrekijker en een «lunette».

Uiteindelijk is het allemaal met hem begonnen: Jean Meslier, dé aanleiding die ons een aantal keren heeft doen belanden in een klein onooglijk dorpje in de Franse Ardennen, Etrépigny in het kanton Flize, een drietal kilometer ten zuiden van de weg Mézières-Sedan. Enkel nog een vervallen kasteeltje, met bijbehorend kerkje en een imposante rij oude beuken vertellen ons iets over het verleden.

Toen we op zekere dag besloten om op zoek te gaan naar het dorp waar Jean Meslier had geleefd en gewerkt, wisten we nog niet waar ons dit zou naar leiden. Eric was hem toevallig op het spoor gekomen. Tijdens een conferentie in 1995 over René Descartes, aan de Universiteit Louvain La Neuve te Ottigny, - moe van het gepalaber of Descartes nu wel of niet zelf in de onsterfelijkheid van een ziel had geloofd - was hij tijdens de middagpauze een universitair boekenwinkeltje binnengestapt, en aldaar op een anthologie van filosofie gestoten en in Deel II blz. 63 de volgende passage gelezen uit het werk van een zekere Jean Meslier (1664-1729), curé d’Etrépigny :

“La véritable délivrance, ou rédemption, dont les peuples ont besoin, et dont même les susdits prétendus saints prophètes entendaient parler, est celle qui les délivrera, ou qui devrait les délivrer de tout esclavage, de toutes idolâtries, de toutes superstitions, et de toutes tyrannies, pour les faire vivre heureusement sur la terre en justice et en paix dans l’abondance de tous biens.”

Dat bleek voor hem voldoende om zich te gaan verdiepen in het zogenaamde Testament van de verlichtepastoor.

Maar wie was die Jean Meslier eigenlijk ? Hij was een priester-atheïst die leefde op het einde van de 17e, begin 18e eeuw. Hij leidde een dubbel leven: als priester en tegelijkertijd als schrijver van een atheïstisch-filosofisch werk, in die tijd helemaal een waagstuk. Dit is misschien te verklaren door het feit dat hij volledig afhankelijk was van zijn « broodheer », de seigneur van het dorp, M. de Toilly, en dus niet openlijk en vrij voor zijn mening kon uitkomen. Voor die houding was hij waarschijnlijk al verbannen geweest naar een minuscule parochie in een Ardens dorp. In zijn « testament » waarvan hij een tweetal exemplaren kon veiligstellen (een derde exemplaar had hij uit wraak naar de aartsbisschop van Reims M.de Mailly gestuurd, want hij was door deze laatste ettelijke malen vernederd geworden) verklaart hij zijn ideeëngoed en blijkt hij een wegbereider te zijn geweest voor de ideeën van de Franse Revolutie. Na de October-Revolutie in Rusland (1917) zal hij zelfs beschouwd worden als een communist avant la lettre.

Dit scherpte onze nieuwsgierigheid, en op zekere dag vertrokken we, gewapend met een thermosfles koffie en een kaart van Frankrijk, op zoek naar een spoor van Jean Meslier. Het enige wat we wisten was dat hij had gewerkt in Etrépigny. Het was even zoeken in Flize, want richtingswijzers staan er zo maar niet naar zo een klein gehucht; maar uiteindelijk zagen we toch een wegwijzer met de vermelding « Etrépigny ». Een stille rustige plaats in niets verschillend van zovele andere anonieme plaatsjes ware het niet dat we aan de gevel van het huis dat dienst deed als gemeentehuis een gedenkplaat zagen hangen waarop vermeld stond dat Jean Meslier door zijn gedachtengoed een précurseur, een voorloper, was geweest van de Franse Revolutie. Voor de kerk op het pleintje stond nog de dubbele rij oude bomen die ééns de oprijlaan naar het kasteel hadden gevormd. Daarnaast een vervallen sprookjesslot, zeer romantisch begroeid met klimop en rozen. Mijn verbeelding sloeg al op hol, toen ik door het ijzeren hekken naar de verwilderde tuin keek en naar het torentje met de kapotte ramen. Eric was enigszins ontgoocheld door de geringe afmetingen van het kerkje, maar hij begreep dat de priester hier min of meer verbannen was geworden omdat ze van die lastpost bevrijd wilden zijn. Nu werd hij natuurlijk wel geëerd en geprezen omwille van zijn vernieuwende ideeën en kreeg hij waarempel een koperen gedenkplaat.

Ook op het kerkhof werden we niet veel wijzer, er was alleszins geen graf met de naam Meslier te bespeuren. Toen we de poort van de kerk openduwden sloeg de muffe klamme lucht ons tegemoet. Het interieur was er erg sober en ik vermoed dat er niet dikwijls meer gebruik van werd gemaakt. Terug buiten in de zonneschijn volgden we de muur rondom en kwamen aan de andere kant van het kasteeltje uit. Een plaat verwees ons naar een artisanale speelgoedmaker die in het huis ernaast woonde. Met kleinzoon Ilias in het achterhoofd gingen we eens een kijkje nemen.

Toen Eric terloops informeerde naar Jean Meslier, bleek het dat de overleden vader van de speelgoedmaker een heel archief had aangelegd over deze bijzondere figuur. Op zijn aanwijzingen belden we even later aan bij het grote herenhuis in de hoofdstraat. Dadelijk werden we binnen gelaten, want de weduwe was erg trots om haar schatten met ons te kunnen delen. In de bibliotheek van haar man liet ze ons geschriften en studies zien over de priester maar we waren blijkbaaar niet de eersten geweest die door deze controversiële figuur werden geboeid. De documenten mochten we niet meenemen; de vrouw en haar knappe boerenzoon die er inmiddels was bijgekomen, zouden ons fotokopies opsturen. Opgetogen verlieten we het huis; het beeld van Jean Meslier werd al maar duidelijker, onze zoektocht was niet vergeefs geweest. We gingen nog wat prospekteren rondom het dorp, en volgden een weg die naar hogerop leidde, naar But-Balaives, het tweede dorpje waar Meslier zijn ambt vervulde, een weg die de priester blijkbaar dikwijls te voet heeft afgelegd. Te voet inderdaad, want wij raakten bijna vast in de karresporen die diep in de grond ploegden en die niet geschikt waren voor auto's.

We wilden ons een beeld te vormen van zijn wereld en probeerden te vatten wat die man had bezield om z'n leven op die manier verder te zetten, in een tijd waarin men niet openlijk voor zijn atheïstische ideeën mocht uitkomen en waar hij dus onmogelijke compromissen had moeten sluiten om zijn gedachten toch op papier te kunnen zetten en te zorgen dat ze clandestien bewaard konden blijven. Toen we alles goed in ons hadden opgenomen was het al laat geworden en we bereikten terug de hoofdweg op zoek naar een logement voor de nacht.

Het werd vlug donker en steeds moeilijker om iets te vinden. Toen ik opeens een bord zag met «Chambres d’Hôtes» verwijzend naar een klein zijweggetje. We volgden de richtingaanwijzers door velden en langs bossen om uiteindelijk te belanden bij een prachtig kasteel. Er bleek nog een kamer vrij te zijn, een mooie, ruime kamer met ongelooflijk zicht op de bosrijke omgeving. Dit is zo fantastisch aan Frankrijk, voor je het beseft kan je logeren in een kasteel met een ophaalbrug en een slotgracht en voel je je eeuwen terug verplaatst in de tijd.We verlieten het oord met het vaste voornemen om hier ooit nog eens terug te komen.

zonsverduitsering.jpg
1999-08-11 - Zonsverduistering te Étrépigny (foto: E.W. Elst)

Enkele jaren later (1999).

Het evenement van het jaar. De zonsverduistering van 11 augustus 1999. Die strook liep nu net door het Noorden van Frankrijk, dus ook door Etrépigny. Eric besloot dan ook onmiddellijk dat hij van daaruit de zonsverduistering wou waarnemen, als symbool voor de duisternis waarin Jean Meslier  meer dan 250 jaar geleden heeft moeten leven. In de loop van de maanden die hieraan vooraf gingen groeide de groep mensen die met ons meewilden steeds maar aan. Het werd een leuke boel. We gingen het «wetenschappelij» aanpakken en namen een thermometer, een hygrometer en een telescoopje met ons mee. Tenslotte hadden we een kooi met een kanarievogel bij, op het laatste moment nog geleend van een vriend, om het effect van de verduistering op de dieren te kunnen nagaan. Onze kat hadden we thuis gelaten wegens zwaar protest van onze jongste dochter, die vreesde dat het beest zou weglopen. De nacht ervoor hadden we overnacht in een klein motel vlakbij, dat volgeboekt was met zoneclipsgasten. De volgende morgen installeerden we ons op het pleintje vóór de kerk. De afspraak was te Etrépigny, en de ene na de andere arriveerde dan ook in het godvergeten dorp, vol verwachting en vol vertrouwen dat ze met een astronoom verzekerd waren van een spectaculaire zonsverduistering. De jongste deelnemer was kleinzoon Felix, 1 week oud, die ondanks al die heisa filosofisch lag te slapen in zijn kinderwagen. De verwachtingen waren hoog gespannen. Iedereen werd ingelicht waarom we te Etrépigny hadden afgesproken: niet om de gunstige astronomische of klimatologische omstandigheden, maar omdat Jean Meslier een priester-atheïst, hier had geleefd, die ...

We volgden de aftelling op de radio en toen werd het snel duister en koud, de vogels werden stil; met onze speciale brilletjes op zagen we de maan langzaam voor de zon schuiven, maar toen helaas óók wolken voor zon en maan schuiven, en o ramp! de totale eclips moesten we missen ! Toen de wolken weg waren was de eclips reeds op haar terugweg de teleurstelling was groot. Enkele kilometers verderop was ie wel volledig geweest met corona, protoburansen en vliegende schaduwen incluis.

Gelukkig werd deze ontgoocheling goed gemaakt door het liedrecital waarop we werden vergast door onze vrienden Jacques en Wendeline in het kerkje van Meslier. Ze hadden ontdekt dat het harmonium nog werkte en met hun tweeën zongen ze een aantal liederen waaronder Händels verrukkelijke Lascia ch'io pianga. Voorwaar een existentieel moment in die sobere omgeving waar waarschijnlijk sedert tientallen jaren geen muziek meer had weerklonken. In Charleville-Mézière, de stad van Arthur Rimbaud, zijn we dan nog met zijn allen iets gaan eten en drinken en hebben we de voorbije evenementen in gepaste vrolijkheid herkauwd.

Kristina Leterme.

Naar Inhoudstafel

Het Testament van Jean Meslier

Bedenkingen [1] van de pastoor van Etrépigny en But [2], gericht aan zijn Parochianen. Een keuze van François-Marie Arouet [3], uit het werk van Jean Meslier (1664-1729)
Hoofdstuk I

Over de Godsdiensten

Meslier: I,75,7 : Om het even welke godsdienstige sekte beweert dat haar leer steunt op het gezag van God. Daardoor zou ze volledig vrij zijn van leugens en bedrog. Dit, in tegenstelling tot de leer van andere sekten [4].

Een sekte die zoiets beweert [5] moet kunnen aantonen dat haar leer werkelijk haar oorsprong vindt in God [6]. Zij zal dit moeten doen met behulp van duidelijke bewijzen en betrouwbare getuigenissen. Indien zij daartoe niet in staat is, dan mag men er zeker van zijn, dat die sekte er één is van menselijke makelij; en dus niet vrij van vergissingen en bedrog. Nu is het niet denkbaar dat een almachtige en oneindig goede God wetten en voorschriften aan de mens zou gegeven hebben, als hij er niet tegelijkertijd voor gezorgd zou hebben, dat deze zich door duidelijk herkenbare tekens zouden onderscheiden van de wetten en voorschriften die door vele bedriegers werden uitgedacht [7]. Het blijkt echter dat tot nu toe nog geen enkele sekte er in geslaagd is de goddelijke oorsprong van haar godsdienst aan te tonen. Dat moeten we wel aannemen, want we zien, gedurende vele eeuwen reeds, de verschillende groeperingen op dit punt met elkaar wedijveren. Zij hebben het er zelfs voor over elkaar hiervoor bloedig te vervolgen. Tot nu toe heeft geen enkele partij de andere partij van haar waarheid kunnen overtuigen; dat zou nochtans wel het geval geweest zijn, had een sekte over argumenten en duidelijke bewijzen van haar goddelijke oorsprong beschikt.

Een eerlijk en verstandig mens, van welke godsdienstige strekking hij ook is, zal leugens en bedrog niet goedkeuren, maar hij zal wel voor zijn overtuiging willen uitkomen. De enige mogelijkheid dus om leugens, vergissingen en bedrog uit de wereld te helpen, en mensen met dezelfde gevoelens en een gelijkaardige ingesteldheid in eenzelfde vorm van godsdienst te verenigen, zodat zij in vrede met elkaar kunnen leven, bestaat erin aan te tonen dat slechts die betreffende godsdienst waarachtig van goddelijke oorsprong is. Voor dit doel moeten bewijzen en ondubbelzinnige getuigenissen van haar waarheid geleverd worden.

Als het bewijs gebracht is van de goddelijkheid van die ene godsdienst, zal eenieder zich aan haar onderricht onderwerpen. Niemand zal het dan nog wagen de geleverde getuigenissen in twijfel te trekken, of de tegenpartij te geloven, die nu op haar beurt in verwarring wordt gebracht door de onweerlegbare bewijzen. Maar wat blijkt: geen enkele sekte beschikt over zulke onfeilbare bewijzen of getuigenissen. Hierdoor hebben vele bedriegers de gelegenheid gekregen om alle mogelijke leugens te verzinnen [8].

Ziehier een aantal bewijzen die al even duidelijk het bedriegelijke van de menselijke godsdiensten aantonen. Dit geldt in het bijzonder voor wat onze eigen godsdienst [9] betreft : Meslier I,77,37.

Meslier I,79,1 : Een godsdienst die zich beroept op mysteries, en voor haar leer en morele voorschriften vanuit een foutief uitgangspunt [10] vertrekt, die een verderfelijke bron is van geschillen en een eeuwige scheiding tussen de mensen veroorzaakt, kan noch een ware godsdienst zijn, noch er één zijn van goddelijke oorsprong. Alle godsdiensten, en in de eerste plaats de christelijke godsdienst, steunen voor hun leer en hun morele voorschriften op een foutief uitgangspunt. Het besluit dat men hieruit kan trekken is dus duidelijk. Ik zie niet in op welke wijze men deze stelling kan ontkrachten. Zij is te evident opdat men er aan zou kunnen twijfelen [11].

Ik ga nu over tot het bewijs van het foutieve van de tweede stelling , namelijk, dat de christelijke godsdienst de waarheid van haar leer en morele voorschriften afhankelijk maakt van hetgeen zij "geloof" noemt, d.w.z., een blind, krachtdadig en absoluut vertrouwen in de godheid en in een aantal wetten en voorschriften die door goddelijke openbaring [12] aan de mensheid zouden zijn meegedeeld. Het is noodzakelijk dat ze op dit ene punt zo insisteert; want het is juist dit resolute vertrouwen, dat borg staat voor de christelijke godsdienst en haar het nodige gezag verleent in de gehele wereld. Zonder dit blind vertrouwen zouden de gelovigen geen gevolg geven aan hetgeen hun godsdienst hen voorschrijft. Dat is dan ook de reden waarom alle godsdiensten van hun volgelingen eisen dat zij in hun geloof onwrikbaar moeten zijn (Estote fortes in fide). En het is ook de reden waarom onze christvrienden [13] het standpunt verdedigen dat geloven begin en basis is van het heil in de wereld, de bron van alle gerechtigheid en de heiliging der dingen, zoals trouwens onderstreept werd tijdens het Concilie van Trente, Deel 6, Hfst.VIII [14] : Meslier I,80,30.

Meslier I,82,25 : Maar het is duidelijk dat een blind vertrouwen in al hetgeen zich voordoet onder de naam en het gezag van God, een uitgangspunt is dat aanleiding kan geven tot bedrog en leugens. Bewijs hiervan is dat alle godsdienstbedriegers zich verschuilen achter de naam en het gezag van God. Alleen beweren zij Gods gezant te zijn en door hem te worden geïnspireerd.

Niet alleen is dit blind vertrouwen, dat zij tot basis maken van hun leer dus een foutief beginsel, maar het is ook een verderfelijke bron van onlusten en verdeeldheid tussen de mensen die voor hun eigen godsdienstige overtuiging willen opkomen. Die godsdientige verschillen [15] worden dan telkens opnieuw als voorwendsel gebruikt om alle mogelijke schurkerijen uit te denken om zo elkaar te kunnen bestrijden. Maar het is ook niet geloofwaardig dat een almachtige, oneindig goede en wijze god, zich van zulke bedrieglijke middelen zou bedienen, om zijn wil aan de mensheid kenbaar te maken; want dat zou uiteindelijk betekenen, dat hij de mens bewust wil misleiden en voor hem een valstrik spant, opdat de mens zich in zijn keuze zou vergissen.

Ook is niet aannemelijk dat een god die houdt van samenhorigheid en vrede, insgelijks belangrijke voorwaarden voor het geluk van de mens, als basis van zijn godsdienst, een zo fatale bron van onlusten en eeuwige verdeeldheid tussen de mensen zou kiezen : Meslier I,86,1.

Hieruit volgt dat dergelijke godsdiensten noch waar, noch van goddelijke oorsprong kunnen zijn (Besluit van Voltaire).

Meslier I,86,28 : Maar ik zie al hoe onze christvrienden zullen komen aandraven met hun zogenaamde beweegredenen, en dat zij zullen beweren, hoewel hun vertrouwen in een zekere zin blind is, dat hun geloof ondersteund wordt door een aantal betrouwbare getuigenissen en duidelijke bewijzen voor haar waarheid. En het zou niet alleen onvoorzichtig zijn, maar zelfs dom en roekeloos, om hiermee geen rekening te houden.

Die zogenaamde beweegredenen zijn zijn de volgende :

I - Het vermeende heilige van hun godsdienst, die de ondeugd veroordeelt en de gelovigen aanspoort tot een deugdzaam leven. Dit idee is zo verheven, zuiver en eenvoudig, dat niemand er kan aan twijfelen, dat die leer een oneindig heilige, goede en wijze God, als uitgangspunt heeft.

II - De onschuld en de vroomheid van diegenen [16], die hun godsdienst zo liefdevol omhelsd en verdedigd hebben, dat ze er de wreedste folteringen voor over hadden, en eerder de dood verkozen dan hun geloof te verloochenen. Als godsdienst alleen maar op leugen en bedrog zou berusten, dan is het niet geloofwaardig dat die personen zich zodanig zouden hebben laten misleiden, dat ze er alle voordelen en geneugten van het leven zouden voor opgegeven hebben, en zich aan de meest wrede vervolgingen zouden hebben laten blootstellen.

III - De waarzeggingen en voorspellingen die lang geleden binnen het bestek van hun godsdienst werden gemaakt, en die vervuld werden op een wijze waaraan niemand kan twijfelen.

IV - De veelvuldigheid en de grootsheid van de wonderen, voor onze christvrienden, de belangrijkste beweegreden om in hun geloof te volharden, die ten allen tijde, tot meerdere glorie van hun godsdienst, op vele plaatsen in de wereld zouden zijn gebeurd : Meslier I,88,8.

Meslier I,89,25 : Maar het is heel eenvoudig om al deze holle redeneringen te weerleggen, en de bedrieglijkheid van dit soort getuigenissen aan te tonen. Want al de argumenten die onze christvrienden uit hun vermeende beweegredenen halen, kunnen evengoed gebruikt worden ter verdediging van de leugen als ter bevordering van de waarheid; want men kent geen godsdienst, hoe bedrieglijk [17]; zij ook is, die niet steunt op gelijkaardige beweegredenen; allen beweren zij over de ware en oorspronkelijke leer te beschikken. Allen, -weliswaar ieder op zijn eigen specifieke wijze- veroordelen de ondeugd en sporen de gelovigen aan tot een deugdzaam leven. Alle godsdiensten tellen onder hun aanhangers geleerden en geestdriftige volgelingen, die om het behoud en ter verdediging van hun godsdienst grove wreedheden hebben ondergaan. Tenslotte maken allen gewag van voorspellingen en wonderdaden die de goddelijkheid van hun godsdienst moet bevestigen.

Maar evenals de christenen, beroepen ook de mohammedanen, de Indiërs en de heidenen zich op zulke beweegredenen. Als onze christvrienden dus al prat gaan op hun wonderen, orakels en voorspellingen, dan mogen de heidenen met evenveel recht hetzelfde doen. Alle sekten hebben dergelijke vermeende beweegredenen met succes gebruikt ten gunste van hun godsdienst [18] : Meslier I,91,9.

Meslier I,92,17 : Hieruit volgt klaarblijkelijk, de stichtelijke verhalen en de godsdienstige gebruiken tonen dit overduidelijk aan, dat al die vermeende bewijzen en getuigenissen, waarop onze christvrienden zich zo graag beroepen, in alle godsdiensten terug te vinden zijn. Daarom kunnen ze niet als bewijs dienen voor de waarachtigheid van hun eigen godsdienst, of voor om het even welke andere godsdienst. Het besluit dat men hieruit kan trekken ligt voor de hand : Meslier I,93,4.

Meslier I,99,1 : Tussen heidense en christelijke wonderen blijken duidelijk overeenkomsten te bestaan. Maar vooraleer verder hierop in te gaan, eerst deze bemerking : zou het misschien niet zinvoller zijn meer vertrouwen te schenken aan Philostratus [19], waar die het wonderbaarlijke leven beschrijft van Apollonius [20]), dan aan de Evangelisten, waar die het hebben over de wonderen van Jezus-Christus ? Van Philostratus weten we tenminste dat hij een geleerd man was en daarbij nog vlot van taal. Keizerin Julia, de vrouw van keizer Severius [21], vroeg hem het leven en de heldendaden van Apollonius te beschrijven. We mogen dus aannemen dat Apollonius erg beroemd moet geweest zijn, want zijn exploten hadden de nieuwsgierigheid van een keizerin gewekt.

Dat kunnen we niet beweren van Jezus-Christus, noch van diegenen die over hem hebben bericht; want de evangelisten waren ongeletterden, eenvoudige mensen uit het volk, arme handelaars en vissers, die niet alleen de bekwaamheid misten om de gebeurtenissen waarover zij schreven op de juiste wijze [22] weer te geven, maar op vele plaatsen van hun relaas zich onderling op de meest frappante wijze tegenspraken [23]. Op hun beurt hebben de evangelisten over het leven en de wonderdaden van hun held bericht. Maar als Jezus-Christus werkelijk de wonderen heeft verricht die men aan hem toeschrijft, dan zou hij zonder enige twijfel door eenieder aanbeden zijn geworden. Iedereen zou hem bewonderd hebben en men zou standbeelden voor hem hebben opgericht, zoals men dat deed voor alle andere goden. Maar niets daarvan, hij werd beschouwd als een mislukkeling en een fanatiekeling [24] : Meslier I,100,7.

Meslier I,101,16 : Josephus Flavius [25], de beroemde Joodse geschiedkundige, spreekt eveneens over de wonderen die in zijn land en binnen het bestek van de joodse godsdienst (Oude Testament) gebeurd zijn; maar hij voegt er snel aan toe, dat ze verdacht zijn en dat men er dus maar weinig geloof moet aan hechten. Eenieder is echter vrij er over te denken wat hij wil. Daaruit blijkt wel dat hij er zelf niet hoog mee opliep [26]. Dat is ook wat de verlichte geesten er over dachten, die dit soort verhalen altijd beschouwd hebben als absurde verzinsels (Zie hiervoor Montaigne: Apologie des grands hommes). Het loont ook de moeite na te kijken bij Relation des missionnaires de l’île de Santorini : Meslier I,101,27.

Meslier I,104,21 : Men zou nog heel wat over dit onderwerp kunnen schrijven. Maar het is duidelijk dat die vermeende wonderen evenzeer uitgedacht kunnen worden ter verspreiding van de ondeugd en de leugen, als voor de bevordering van de gerechtigheid en de waarheid.

En ik toon dit aan met behulp van wat onze christvrienden het woord van God noemen, en met de getuigenis van hun leermeester. Want volgens onze christvrienden bevatten de heilige boeken het woord van God. In die boeken wordt er meermaals gewezen op het bestaan van valse profeten. Maar ook de "mens geworden god" heeft er nadrukkelijk voor gewaarschuwd, dat er niet alleen valse profeten zullen opstaan, d.w.z. bedriegers die beweren van god gezonden te zijn en in zijn naam te spreken, maar dat zij zulke grote wonderdaden zullen verrichten, dat zelfs de rechtvaardigen er door verleid zullen worden (Mattheus, Hfst XXIV,11-25) : Meslier I,105,25.

Meslier I,106 : Meer nog, die zogenaamde wonderdoeners verlangen dat men alleen geloof hecht aan hun wonderen, en niet aan deze van de tegenpartij. Beide partijen zijn daardoor niet meer geloofwaardig.

Zo vindt men in de Bijbel het verhaal van de profeet Sedecias, die in het openbaar met de profeet Micha in tegenspraak kwam. Daarop gaf Sedecias [27] hem een klap in het gezicht, en voegde er schrander aan toe (II, Paral. Hfst XVIII,23) : Zie de geest van God die eerst bij mij was, is nu bij u ? (III, Reg., Hfst XVIII,40) : Meslier I,107,5.

Nederlandse vertaling : Eric W. Elst.

Voetnoten :

  1. Het volledige werk van Jean Meslier bestaat uit een 1200-tal bladzijden. De selectie, gemaakt door Voltaire, die hier naar het Nederlands werd vertaald, betreft een 400-tal bladzijden.
  2. Het tweede dorpje, But-Balaives, waar Jean Meslier pastoor was.
  3. François-Marie Arouet (Voltaire, 1694-1778).
  4. Met deze paragraaf begint de selectie door Voltaire uit het werk van Jean Meslier. Dit uittrekselwerd onder de benaming van Testament van Jean Meslier voor het eerst in 1762 clandestien gepubliceerd. In een recente uitgave van het volledige werk van Jean Meslier (Œuvres complètes de Jean Meslier, Editions Anthropos, Paris 1970-1972) vinden we dit begin terug in Deel I, bladzijde 75, zevende regel: Meslier I,75,7. In onze vertaling worden op die wijze alle paragrafen van het uittreksel van Voltaire aangeduid.
  5. Het probleem stelt zich of er misschien meerdere secten van goddelijke oorsprong bestaan, in de veronderstelling dus dat God tot meerdere groeperingen zou gesproken hebben, en dit misschien zelfs op een onderscheidelijke wijze. Het is nu eenmaal zo dat de meeste sekten allen wel iets gemeenschappelijks hebben, zodat zij allen gedeeltelijk van goddelijke oorsprong zouden kunnen zijn. Maar tussen het protestantisme en het katholicisme, om maar één voorbeeld te noemen, blijkt al een enorme kloof te bestaan; in ieder geval hebben zij, op basis van die verschillen, elkaar bloedig vervolgd. Meslier meent dan ook terecht dat elke sekte er van overtuigd is, dat zij de enige ware en volledig goddelijke is, en dat alle andere secten, ofwel navolgingen zijn van één of andere oersecte, ofwel nieuwscheppingen. Een groot aantal sekten ontstonden uit de zogenaamde eerste christelijke sekte, zelf een amalgaam van een aantal joodse secten, incluis enkele vernieuwingen op het vlak van de leer.
  6. Meslier spreekt hier van institution divine, wat niet helemaal overeenstemt met het idee van steunen op het gezag van God uit de vorige paragraaf. Dat zou immers betekenen dat God zelf niet de betreffende godsdienst heeft ingesteld, maar alleen maar met een waakzaam oog, om niet direct te zeggen, met Argusogen, heeft toegekeken, of die godsdienst wel volgens zijn beginselen werd gesticht. Zo gezien ligt de oorsprong van die godsdienst dus ook wel bij hem, als opziener van de werken, of om het met een moderner tintje te versieren, als projectleider
  7. De christenen beweren dat de mohammedaanse godsdienst, de mormoonse, en nog vele anderen, louter op bedrog steunen, omdat ze, volgens hen, niet door God werden geopenbaard.
  8. Hier komt Meslier tot een eerste besluit: het is niet mogelijk bewijzen te vinden van een eventueel goddelijk aspect van een godsdienst. Bedriegers krijgen hierdoor hun kans om godsdiensten te stichten, à volonté; want geen godsdienst laat zich op haar waarachtigheid onderzoeken.
  9. Meslier bedoelt hier in het bijzonder de katholieke godsdienst.
  10. Doordat men er nog nooit in geslaagd is om de goddelijke oorsprong van om het even welke godsdienst aan te tonen, wordt het geloof dat dit wel in het verleden zou zijn gebeurd, door Meslier een foutief uitgangspunt genoemd. Vervolgens zal hij bewijzen dat het zogenaamde blind vertrouwenin de leer van een godsdienst, eveneens een foutief uitgangspunt is.
  11. Men kan hier slechts van een overeenkomst met het concept van de Ethica van Spinoza spreken. Meslier zal dit werk wel gekend hebben.
  12. In de Catéchisme de l’Eglise Catholique, Mame/Plon 1992, lezen we hier omtrent het volgende: Eerste Deel, par. 26: Ik geloof - Wij geloven. Wanneer wij ons geloof belijden, beginnen we met te zeggen: Ik geloofof Wij geloven. Eerste Deel, par.51 : In zijn grote wijsheid en goedheid heeft God er behagen in gevonden zich aan de mens te openbaren...
  13. Het zo typische begrip christicolesdat Jean Meslier gebruikt om diegenen aan te duiden die de christelijke godsdienst beleiden: theologen, priesters en gelovigen, kan men het best weergeven door christvrienden. Het begrip deicoles (deisten, zie verder) wordt dan analoog vertaald door godsvrienden.
  14. De exacte referentie is: Deel 5, Hfst VIII: Het geloof is het begin van het heil van de mens, de basis van alle gerechtigheid, zonder dewelke het onmogelijk is aan God te behagen en deel uit te maken van  zijn kinderen.
  15. Nu spreekt men weliswaar niet meer van godsdienstige verschillen, maar van ethnische verschillen. Het resultaat is echter hetzelfde, de verbrokkeling van het eertijdse Joegoeslavië, met al de gevolgen vandien is er een voorbeeld van.
  16. Hun zogenaamde martelaren.
  17. Als voorbeeld de godsdienst van De Heiligen van de laatste Dagen, beter bekend als de sekte der Mormonen.
  18. Alle secten hebben immers zulke vermeende beweegredenen opgesteld, en dit met het doel om het geloof in hun godsdienst te kunnen verantwoorden.
  19. Philostratus Flavius, de Athener (Lemnos 175 - Rome 249). Op latere leeftijd vestigde hij zich in Rome en verwierf er de gunst van keizerin Julia. We bezitten van hem Het leven van Apollonius (opgedragen aan keizerin Julia), Het leven van de Sophisten, Over het belang van de lichamelijke opvoeding en een 70-tal brieven, waarvan het merendeel schooloefeningen zijn.
  20. Apollonius van Tyane: een beroemd filosoof uit de neo-pythagoreese school (? Tyane, Capedociën - 97 Ephese). Hij ondernam vele lange reizen waarbij hij de gelegenheid nam om over de morele beginselen volgens de Pythagoreese school te spreken. Hij werd overal geroemd omwille van zijn geleerdheid en deugd. Het buitengewone verhaal dat Philostatus over hem heeft geschreven is echter fel overdreven, en blijkt meer weg te hebben een een fabel.
    Het voorbeeld dat Meslier hier dus kiest om aan te tonen dat zekere schrijvers de voorkeur verdienen boven anderen, komt zijn betoog zeker niet ten goede. Van de andere kant duidt het echter aan dat eenieder, of het nu een profaan of religieus schrijver betreft, het niet altijd zo nauwgezet met de waarheid neemt.
  21. Keizer Severius.
  22. In zijn juiste context. Het is duidelijk dat Meslier weliswaar niet twijfelt aan het historische bestaan van Jezus, maar het is voor hem een mislukkeling en een fanatiekeling. Historisch onderzoek uit heeft uitgewezen dat de figuur van Jezus als fictie moet beschouwd worden. Ook de Nederlandse theoloog Edward Schillebeeckx in Jezus, het verhaal van een Levende, meent dat een historische Jezus weinig belang heeft voor het christendom; daarentegen is het geloof in de verrijzenis hiervoor van essentieel belang. Voor deze ketterse opvatting heeft hij zich bij het Vatikaan moeten verantwoorden.
  23. E. Schillebeeckx vermeldt in verband met tegenspraak, dat oud-oosterse en klein-aziatischelevensopvatting andere normen handhaven over tegenspraak dan moderne, westerse mensen hebben. Anderzijds houdt men ook in de discispline paraconsistensie rekening met het gelijktijdig zinvol optreden van tegenstrijdige uitspraken. Maar het zou te eenvoudig zijn om de tegenspraken in het Nieuwe Testament, die duidelijk een gevolg zijn van slordigheid, onwetendheid en lef, op die wijze te willen goedpraten.
  24. De zin wordt hier abrupt door Voltaire afgebroken. De betreffende zin eindigt met : en tenslotte als ellendig galgenaas eindigde. Dat was zelf voor Voltaire te veel !
  25. Josephus Flavius, de bekende joodse geschiedschrijver die ten tijde van het vroege Christendom heeft geleefd, maar daarover nooit iets heeft bericht. Hij is vooral bekend geworden door zijn Geschiedenis van de joodse Oorlog en zijn Over de Oudheden.
  26. Josephus Flavius heeft in geen enkel geschrift een allusie op het christendom gemaakt; het zogenaamde Testemonium Flavii is een inlassing in de oorspronkelijke tekst van Josephus Flavius.
  27. Sedecius wilde natuurlijk niet zijn gezicht verliezen. Dit verhaal is een goed voorbeeld van het feit dat zelfs tegenstrevers elkaar steunen, als het erop aan komt een gemeenschappelijk doel te verdedigen.

Naar Inhoudstafel

Rudolf Charles d’Ablaing van Giessenburg

In 1848 schreef de Nederlandse uitgever Rudolf Charles d’Ablaing van Giessenburg (1826-1904), bekend als “Rudolf Charles ” het volgende :

“L’ouvrage, que je présente aujourd’hui au public, est un de ceux, que tout le monde connaït, mais que personne n’a lu, ou, si ce mot est considéré comme un peu trop exclusif, qui ont eu moins de lecteurs encore que n’en compte la fameuse “Messiade de Klopstock”, - ce qui n’est pas peu dire, il me semble.”

Rudolf Charles verwijst hier naar een werk van de Duitse dichter Friedrich Gottlieb Klopstock (1724-1803) die verschillende stichtelijke werken schreef, waaronder Der Messias, een groot bijbels epos in het voetspoor van Miltons Paradise lost.

“Et cependant j’ose présager au “Testament du Curé Meslier” un avenir d’immense durée. Les siècles se succèderont, la Messiade sera oubliée, son héros sera relégué dans quelque coin du Panthéon parmi les grandes figures mythiques des siècles passés, à l’ombre du puissant Buddha peut-être, et l’oeuvre du vénérable curé d’Estrepigny sera encore consultée et étudiée, ne fut-ce que comme une curiosité dans les annales de la libre pensée.”

Het blijkt dat Rudolf Charles in 1857 toevallig in het bezit kwam van een kopij van het manuscript van Jean Meslier. We hoeven ons dus niet te vewonderen dat hij begin Januari 1858, de volgende brief schreef naar de L’Eglise Wallonne d’Amsterdam :

“Messieurs,
J’ai l’honneur de vous prier formellement de ne plus me considérer comme membre de votre église. Depuis que le libre examen m’a donné la conviction personnelle que les dogmes, les fictions, le surnaturalisme tout entier enfin, ne font que nuire à la morale qu’ils obscurcissent et que diviser les hommes qui sont appellés à la solidarité, j’ai cessé d’être chrétien et partant d’être membre de toute secte chrétienne.”

In Quelques mots sur la Théologie prostestante, dite moderne (Préface, Testament de Jean Meslier, XXIX) lezen we vervolgens :

“La classe civilisée, en France surtout, a tellement dégénéré, grâce au venin de la réaction, que cent après le siècle d’un Meslier, d’un Holbach, d’un Helvétius, d’un La Mettrie, des grands auteurs de la grande Encyclopédie enfin, les hommes les plus avancés, les grands penseurs du temps, les porte-drapeau du parti libéral pâlissent et se récrient chaque fois qu’à la moindre imprudence de leur part, leurs antigonistes aux abois leur jettent dédaigneusement au visage l’épithète d’athée ou l’accusation d’athéisme.”

“Tant que les plus éclairés n’osent s’avouer athées, s’ils le sont, et qu’ils n’ont pas le courage de leurs opinions, on n’a pas à s’étonner que les rêveries moitié mystiques, moitié fantastiques de Mr E. Renan ( Red: Het betreft hier zijn “Histoire de Jésus”) aient eu ce succès prodigieux. En France plus qu’ailleurs, la forme a étouffé la pensée, les mots ont conservé leur prestige longtemps aprés que l’idée est abandonnée, et ceux qui ignorent complètement l’histoire des religions, -du christianisme y compris,- croient aveuglément aux dogmes de leur église, à l’infaillibilité du pape ou à l’inspiration divine de la Bible, à un créateur de leur imagination, à une vie éternelle après une végétation plus que suffisante, à la réalité personnelle de la respiration, ce signe de vie dont le temps et l’ignorance ont su fabriquer l’âme …”

“Enfant du XIXe siécle, j’ose le dire hautement, et je veux par-là faire acte de mon amour de la vérité et de la justice: le siècle actuel a en soi le germe des grandes choses, que le XVIII-e siècle a déposé dans une terre fertile et généreuse; mais les frimas de la restauration ont passé par-là, et la lourde croûte qu’ils ont déposée sur ce sol fécondé, oppresse encore le germe et entrave son développement. La génération actuelle regarde l’ère des d’Alembert et des Helvétius à travers l’époque de Joseph de Maistre et de Chateaubriand. Les successeurs des encyclopédistes viennent seulement de naître en France ou tout au plus ils reposent encore emmaillottés dans les langes de la réaction; mais ils grandiront à vue d’œil, ils marcheront à grands pas vers l’âge de la maturité, et alors ils ressaisiront le sceptre de leurs aïeux, ce vieux esprit gaulois, ce bon-sens français, cet amour de la vérité, que les événements peuvent paralyser pour un temps, mais que le fanatisme et le mensonge de la réaction ne sauraient jamais détruire; car le XIX-e siècle a devant lui un avenir brillant, autant que le XVIIIe lui fait dans les annales de la libre pensée un passé plein d’éclat.”

“Je sais respecter toutes les convictions, j’estime tous ceux qui parlent et agissent d’après la leur, je ne fais pas de reproche de leur foi à ceux qui ne savent que croire, mais j’ai en horreur le mensonge et l’hypocrisie, et je ne saurais marcher avec ceux en qui je n’ai aucune confiance. A eux, aux philosophes et aux théologiens modernes, la lutte contre l’orthodoxie par la diplomatie, par la ruse et par le poison! A moi la guerre pour le progrès à la façon des encyclopédistes- je ne dis pas du prince des penseurs- la visière levée et la lance au poing, la guerre à la façon de Jean Meslier - que voici.”

In zijn inleiding tot het leven en werk van Jean Meslier vinden we veel gegevens terug die we reeds kenden van bij Voltaire (Le petit Cuistre: V1,1,30), toen die meer dan honderd jaar voordien zijn uittreksel uit het Testamentvan Meslier liet verschijnen. Rudolf Charles maakt wel gewag dat de correcte schrijfwijze van de naam Meslier Mellier zou zijn geweest, zoals het de geboorteacte te Mazerny het zou vermelden. Maar het is bekend dat Meslier de officiële acten van zijn parochie (Etrépigny) ondertekende met Meslier

Ook blijkt er enige onduidelijkheid te zijn wat betreft de respectievelijke benamingen van de Seigneur van Etrépigny en van de aartsbisschop van Reims. Maar dat heeft inzover niets te maken met de inhoud van het Testament, reden waarom we er nu niet verder op ingaan. Rudolf Charles vermeldt wel een gebeurtenis die meer licht op de persoon van Meslier en zijn directe omgeving werpt :

Dans un voyage que Meslier fit à Paris, vers 1723, il se trouva un jour à dîner chez le Père Bassier, jésuite, son ami. La conversation roula sur le “Traité de la Religion”, publié par Houteville en 1722. Un jeune homme, esprit fort plutôt par vanité que par principes, et qui sans doute était du nombre de ces incrédules, que Boileau caractérisait si bien en disant, que Dieu avait en eux de sots ennemis, s’abandonna à des sorties malignes. Le curé (Meslier) lui répliqua avec un grand sang-froid: “qu’il ne fallait pas beaucoup d’esprit pour se railler de la religion; mais qu’il en fallait beaucoup plus pour la soutenir et la défendre.”

In het totaal zouden er een honderdtal afschriften zijn geweest van het oorspronkelijke (volledige) manuscript van Meslier. Toevalligerwijze vindt Rudolf Charles een overblijvend exemplaar bij een Hollandse antiquair :

“Malgré les cent copies manuscrites du Testament du Curé Meslier, qui existaient à Paris vers la fin du XVIIIe siécle, malgré les trois extraits que Voltaire, d’Holbach et S. Maréchal en avaient fait et dont plusieurs éditions avaient été successivement mises en vente, l’ouvrage original, manquant d’éditeur, commençait à devenir de plus en plus rare, lorsque le hasard me fit trouver chez un antiquaire de la Hollande un exemplaire (copie manuscripte) du précieux document. Cette trouvaille fut pour moi une bonne fortune, et, bien que les publications rationalistes que j’avais faites jusqu’à ce jour m’eussent causé des pertes considérables et eussent exércé sur mon commerce une influence des plus funestes, je résolus immédiatement d’exécuter la volonté du vénérable défunt, et de publier, bien qu’un peu tard, le testament qu’il avait laissé.”

“Cependant, comme le passé m’avait appris d’une manière si onéreuse,… , je résolus de publier l’ouvrage de façon à ce que, même sans la moindre marque de sympathie et malgré l’antipathie la plus active, je pusse l’achever sans achever en même temps ma ruine.”

In het prospect dat Rudolf Charles op 1 september 1860 lanceerde, in verband met de voorziene publicatie van het Testament, schrijft hij het volgende :

“Un siècle à peu prés s’est écoulé depuis que Voltaire a révélé au monde l’existence de l’auteur, et celle de son oeuvre. L’humble curé de village, immortalisé par cette volonté toute-puissante, a atteint les dimensions d’un athlète de première force. Son nom, vénéré par tout ce qui pense, abhorré par tout ce qui croit, est connu jusqu’aux recoins les plus obscurs, jusqu’aux confins les plus éloignés du monde civilisé. Les deux extraits de son oeuvre, anathématisés par les “Christicoles”, le second supprimé et confisqué même pas les “Tyrans”, sont lus avidement… et le manuscrit, le précieux Testament, écrit de sa main, est encore là dans sa demi-obscurité, sans avoir trouvé un éditeur, - au risque de devenir un jour pour les savants et les érudits un sujet de discussion et de recherches laborieuses, afin de déterminer s’il a réellement existé, ou bien si le Curé Meslier n’a été qu’un prête-nom à Voltaire et à d’Holbach …”

“Parmi les causes de cette négligence des éditeurs, on peut mettre sur la première ligne la peur des poursuites qu’avait subies l’extrait du baron d’Holbach, et qui ne manqueraient pas d’être renouvelées d’une manière plus acharnée encore à la publication de l’œuvre originale …”

“Je sais d’avance que des milliers de croyants crieront au scandale, quand ils apprendront ce nouvel acte de témérité de ma part; mais que me fait le mépris de tout un monde, si je marche dans la route, que m’a tracée mon amour de la justice et de la vérité ? Je reconnais à chacun le droit de dire son opinion, je sais respecter toutes les convictions, c’est pourquoi je demande voix au chapitre pour l’honnête curé d’Etrépigny. Loin de vouloir prôner mon auteur, comme arbitre souverain de la vérité, je ne demande pour lui que l’attention respecteuse que réclame et que mérite tout penseur sérieux. S’il a tort, qu’on le réfute, moi-même j’ai trouvé dans son ouvrage des endroits que je pense réfuter; mais s’il a raison, -quelle que soit la clarté de la lumière, qui émane de ces écrits, qu’on ne craigne pas alors de la mettre en évidence, et de reconnaître, en face d’un monde hostile, que cette lumière - c’est la vérité.”

Rudolf Charles.

Naar Inhoudstafel