En vain des hommes répètent-ils que les vérités sont souvent dangereuses. En supposant qu’elles le fussent quelquefois, à quel plus grand danger encore ne seroit pas exposée la Nation qui consentiroit à croupir dans l’ignorance ? Toute Nation sans lumières, lorsqu’elle cesse d’être sauvage et féroce, est une Nation avilie, et tôt ou tard subjuguée. Au moment même qu’on interdiroit la connoissance de certaines vérités, il ne seroit plus permis d’en dire aucune.
C-A. Helvétius - De l’Esprit

Feestelijke Voorstelling van de Holbach Vereniging

holpic03.jpg
Paul-Henri Thiry, Baron d’Holbach




Feestelijke Voorstelling van de Holbach Vereniging te Kapellenbos
15 December 2001, 20h00

De Vereniging ontleent haar benaming aan een belangrijk filosoof uit de Franse Verlichting, Paul-Henri Thiry d’Holbach (Edesheim, Palatinaat 1723 - Parijs 1789).

Baron d’Holbach (hij erfde de titel van zijn oom) werd bekend door zijn filosofisch-natuurkundig werk “Système de la Nature” (1770), een oproep tot de mensheid om de natuur nauwgezet waar te nemen en te bestuderen, om zo het gedrag van de medemens beter te begrijpen. D’Holbach ging er immers van uit dat de mens, als deel van de natuur, onderworpen is aan al haar natuurkundige wetten.

Zoals een planeet onder invloed van de algemene aantrekkingskracht rond de zon draait (Wet van Newton), zo is de mens ook onderhevig aan een aantal krachten die zonder enige uitzondering van natuurkundige aard zijn. Alle vermeende “geestelijke” krachten die het lot van de mens zouden bepalen berusten op louter verbeelding.




Naar Inhoudstafel

Historiek van de Holbach Vereniging

De Holbach Vereniging werd op 16 Augustus 2001, als een vzw, opgericht door de volgende stichtende leden :

  • Eric W. Elst, Dr Rerum Naturalium, sterrenkundige
  • Alain Meerbergen, Lic. Kunstgeschiedenis, musicoloog
  • Sigyn Elst, Lic. Filosofie, redactrice

Doelstellingen

De Holbach Vereniging stelt zich tot doel de geschriften uit de periode van de Franse Verlichting (1712-1799) te verspreiden, te vertalen en indien wenselijk opnieuw uit te geven. De Vereniging wenst expliciet hulde te brengen aan een groep van tijdgenoten van d'Holbach, met name de Encyclopedisten, waaronder Diderot, Helvétius, Abbé Raynal, Condorcet en Montesquieu. De Vereniging wenst tevens bijzondere aandacht te schenken aan de priester-atheïst Jean Meslier (1664-1729) die met zijn “Testament” (1200 blz.) een voorloper mag genoemd worden van de filosofische beginselen van de Franse Revolutie.

Ledenwerving

Eenieder die de doelstellingen van de Holbach Vereniging wil bijtreden is welkom als volwaardig lid van de Vereniging, zonder enige verplichting voor daaropvolgende jaren. De jaarlijkse bijdrage van 12.50 € wordt integraal gebruikt voor de publicatie en verspreiding van het (voorlopig) meertalig Tijdschrift voor Verlichtingsfilosofie Le petit Cuistre. Regelmatig zullen voordrachten worden georganiseerd op het adres van de zetel van de Vereniging te Kapellenbos (Antwerpen).

Naar Inhoudstafel

D’Holbach : Textes choisis

Tijdens een astronomische conferentie op de Oude Sterrenwacht in Parijs (Ceres 2001-Workshop, october 2001), kwamen we in de gelegenheid om  het volledige werk van Guillaume-Thomas Raynal “Histoire philosophique et politique des Etablissemens et du Commerce des Européens dans les deux Indes” te verwerven (na een urenlange dooltocht langs de verschillende kleine boekenkraampjes aan de Seine). Op een andere plaats in dit tijdschrift zullen we uitvoeriger berichten over deze belangrijke aanwinst voor de Vereniging.

Wij probeerden ook nog een exemplaar van Holbachs beruchte werk “Système de la Nature” (1770) te bemachtigen, een geschrift dat we enkele jaren geleden in Parijs nog voor 12.000 BF (2000 FF) konden kopen. Jammer genoeg was dit exemplaar niet meer te vinden. Nochtans werd ons nog een “laatste” exemplaar aangeboden, door een handelaar in oude boeken, in de buurt van de Sorbonne, voor 72.000 BF.

De leden zullen begrijpen dat we het “voorlopig” met de herdruk (Fayard, 1990) van Holbachs Systeem zullen moeten stellen. Bij diezelfde gelegenheid konden we wel een pocket bemachtigen over het leven en werk van de filosoof : “D’Holbach : Textes choisis” (Paulette Charbonnel : Les Classiques du Peuple : Editions sociales, 1957) dat een uitstekend overzicht geeft van een aantal werken van Holbach : “Le christianisme dévoilé”, “La contagion sacrée” en “Histoire critique de Jésus-christ”. Er zou nog een Deel II bestaan (D’Holbach : Textes choisis, Tome II (Système de la Nature), maar jammer genoeg was dit niet meer ter plaatse te vinden. Uit de “Inleiding” van Deel I ontlenen we de volgende paragraaf :

“Il y a deux cents ans, vivait à Paris, rue Royale Saint-Roch, un rentier fort honorable, Allemand d’origine, dont le salon devint bientôt célèbre dans toute l’Europe. Pendant trente ans, cet hôte fastueux, deux fois par semaine, les jeudis et les samedis reçut à dîner savants, écrivains, artistes. Tout homme de talent ou de savoir sûr se tenait pour honoré d’être admis chez le baron d’Holbach. On ne peut ouvrir un recueil de mémoires ou de correspondances d’aucuns de ceux qui firent le siècle des Lumières sans rencontrer le baron, dont on loue le savoir universel, la modestie et le désintéressement, l’archarnement au travail”.

De affectie en de bewondering die Diderot voor hem had is bekend:

“Ce fut l’un des hommes les plus éclairés, les plus bienfaisants et les plus incrédules de son temps. L’athéisme était pour lui la base de toute vertu et, appuyé sur ce principe, il donna l’exemple des qualités sociales qui font le plus d’honneur à la nature humaine”.

Maar ook Jean-Jacques Rousseau, tegen alle verwachting in,  blijkt grote bewondering te hebben voor de baron:

“Il fait le bien sans attendre de récompense ; il est plus vertueux, plus désinteressé que nous.” (Julie, “La nouvelle Héloïse”).

In zijn “Confessions” tenslotte, wijst hij op de eminente plaats die Holbach in de wereld van Parijs bekleedt:

“Grimm, Diderot, d’Holbach au contraire, au centre du tourbillon, vivaient répandus dans le plus grand monde, et s’en partageaient presque entre eux toutes les sphères, grands, beaux esprits, gens de lettres, gens de robe, femmes, ils pouvaient de concert se faire écouter partout.” (Confessions, IX).

Na zoveel lofbetuig aan het adres van d'Holbach moeten we ons wel echt afvragen hoe het komt dat deze “spilfiguur” tijdens de  Franse Verlichting thans zo goed als vergeten is. Wat is de reden dat we in de hedendaagse geschriften hierover de naam d'Holbach niet aantreffen, van de filosoof die opteerde voor het geluk van de mensheid en die met heel zijn werk een belangrijke bijdrage leverde voor het verwerven van dit geluk ?

“Ce qui est faux ne peut être utile aux hommes, ce qui leur nuit constamment ne peut être fondé sur la vérité, et doit être proscrit à jamais. C’est donc servir l’esprit humain et travailler pour lui que de lui présenter le fil secourable, à l’aide duquel il peut se tirer du labyrinthe où l’imagination le promène et le fait errer sans trouver aucune issue à ses incertitudes.” (Abrégé du code de la Nature, Chapitre XIV, Système de la Nature, Tome II, 1770).

Naar Inhoudstafel

D’Holbach portatif

“Men heeft het Holbach nooit helemaal kunnen vergeven dat hij met een Duits accent sprak, dat hij zo rijk was, en dat hij niet in God geloofde”

Met deze woorden begint de inleiding tot D’Holbach portatif (LIBERTES), een voortreffelijke bloemlezing van Georgette en Bernard Cazes van het werk van de baron. De “portatif” werd gedrukt in Holland, een land dat van oudsher gekend is om zijn tolerantie tegenover andersdenkenden. Een traditie uit de periode van de Verlichting (1712-1799) wordt hiermee dus voortgezet. Het merendeel van de Franse verlichtingsfilosofen konden hun werk waarin ze openlijk strijd voeren tegen corruptie en onrecht van Kerk en Staat, niet in eigen land laten verschijnen. Meer nog, de meest verbeten strijders, zoals Holbach, waren verplicht, teneinde aan vervolging te ontkomen, hun geschriften niet alleen in het buitenland, maar ook onder een pseudoniem, openbaar te maken. Staat en clerus daarentegen beschikten over alle (wettelijke) middelen om hun corrupte geschriften en theologische onzin vrij op de markt te brengen. Die markt bestond voor het merendeel uit onwetenden, armen en verdrukten; die niet beter wisten of die geschriften (in de veronderstelling dat ze konden lezen) waren heil voor hun “ziel”. De Verlichting die hierin eindelijk verandering wilde brengen kwam niet aan bod. Staat en Kerk hadden er alle belang bij dat onderdanen en kerkgangers geen alternatief kenden. Wie wil er nu voor een hongerloon uit vrije wil gaan werken ? Maar als die keuze ondersteund wordt door machthebbers en clerus dan gaat men al vlug denken dat het niet anders kan. Daarom was het belangrijk om de mensen niet te “verlichten”.

Van Voltaire, die zijn gehele leven deïst en royalist is gebleven (waarschijnlijk uit opportunisme), is bekend, dat hij Diderot tot het atheïsme had verleid. Anderzijds, zoals reeds hoger vermeld, was Holbach meer dan bemiddeld (Rousseau beschimpte hem spottend met: “Tu es trop riche.”). Het bezit van meerdere landerijen, een rente van 60.000 goudfrank per jaar, een residentie in Parijs (Rue Royale ) en het kasteel Granval bij Sucy, in de buurt van Chenevières (Marne-vallei), was daarom voor zijn vrienden een aanleiding om zijn geschriften tegen corruptie, armoede en onrecht niet ernstig te nemen. Over het leven en het werk van Holbach is er nagenoeg niets geschreven. Wel is de passage bekend waarin Stendhal in zijn “Féder” de baron en zijn vriend Diderot op het toneel voert:

“Depuis le matin, Bridaire s’occupait à apprendre à peu près par cœur, les noms des principaux auteurs qu’il venait d’acquérir ; il en donna le catalogue, en commençant par les noms de Diderot et du baron d’Holbach, qu’il prononçait “d’Holbache”. Dites d’Holbach, s’écria le pair de France avec toute l’importance d’une science récemment acquise. L’on parlait avec assez de mépris de cet “homme de lettres” au nom barbare, lorsque Delangle laissa tomber négligemment que ce d’Holbach était fils d’un fournisseur et possédait plusieurs millions. Ce mot sembla donner à penser à la riche assemblée et l’on reparla encore quelques instants de Diderot et de d’Holbach. Comme la conversation allait cesser sur ce sujet, Mme Boisseaux osa élever la voix pour demander timidement si Diderot et d’Holbach n’avaient pas été pendus avec Cartouche et Mandrin. L’éclat de rire fut vif et général”.

Nochtans begint men nu, na meer dan 200 jaar, Holbach te waarderen. Niet alleen blijkt dat hij een spilfiguur was  tijdens de Verlichting, maar dat hij daadwerkelijk zijn fortuin ter beschikking stelde van de “filosofen”. En als hij bewust en vrijwillig voor anonimiteit koos, was dat juist om op die wijze zijn filosofische vrienden beter te kunnen helpen. Een feit blijft echter dat men Holbach, en met hem de gehele “materialistische” strekking van de filosofie, nooit aan bod heeft (willen) laten komen: Jean-Claude Bourdin (1998) schrijft in zijn inleiding tot de recente heruitgave van het volledige werk van Holbach het volgende :

“En effet, d’Holbach fait partie de ces noms de philosophes rencontrés au hasard d’une note en bas de page qui apprend au lecteur qu’il s’agissait d’un matérialiste athée de la seconde moitié du XVIIIe siècle. On se rappellera aussi, peut-être, que Rousseau, dans ses “Confessions” (Livre VIII ), avait longuement raconté ses rapports avec le salon de ce baron d’Holbach et comment s’y déroula la scène de ce qui devint le commencement de sa brouille retentissante avec les philosophes, dont Diderot. Enfin le lecteur de “La nouvelle Héloïse” se rappellera sans doute du personnage de Wolmar que Julie se résolut à épouser : il sait peut-être que sous ce nom Rousseau peignit un assez juste portrait de ce qu’on appelait au XVIIIe siècle un athée vertueux, dont les érudits nous disent que d’Holbach fut l’original. Mais à part ces maigres indices anecdotiques, la figure et l’œuvre de ce baron d’Holbach sont mal connus du grand public et même du public spécialisé des philosophes de profession qui ont tendance à le mépriser : un parfait inconnu donc. Les raisons de cet effacement sont multiples et équivoques. On sait que la pensée que représenta d’Holbach, le matérialisme athée, fut systématiquement réprimée, occultée dès le début du XIXe siècle par L’Ecole de Victor Cousin et ses disciples. Ce type de philosophie (representée également par La Mettrie, Helvétius et Diderot) a constamment été malmenée dans les Histoires de la philosophie et ne figure pas dans les programmes universitaires.”

Vergeten we ook niet dat Pierre Naville, in zijn “Paul Thiry d’Holbach et la philosophie scientifique du XVIIIe siècle” (1943), nu meer dan een halve eeuw geleden,  eenzelfde klok heeft geluid:

“Exposer les idées du baron d’Holbach, c’était sortir de l’oubli quelques-unes des conceptions qui ont fait l’importance du XVIIIe siècle. Oubli ? Ou bien systématique effacement de doctrines que le XIXe siècle préférait, dans ses idéologies officielles, rayer de l’histoire ?”

Dit onovertroffen werk werd onder zeer moeilijke omstandigheden geschreven en uitgegeven (tijdens de nazi-bezetting van Frankrijk), naar alle waarschijnlijk de reden waarom het bijna onopgemerkt bleef. Boudrin bemerkt in dit verband:

“Nous souhaitons rendre hommage à ce travail inégalé, écrit dans la clandestinité, au temps de l’occupation nazie et la domination cléricale et nationaliste du régime Pétain.”

In het vervolg van onze onderzoekingen over Holbach en zijn werk zullen we ons regelmatig laten leiden door de uitstekende keuze in de portatif van de verschillende themata en desbetreffende uittreksels uit het werk van de baron. Zo start de portatif in zijn anthologie met de “Filosofie van de natuur”. Dat is duidelijk een gevolg van de waardering die de samenstellers van de portatif hebben voor het hoofdwerk van de baron “Het systeem van de Natuur”. Maar niet alleen daarom. Wil men immers Holbach's verbeten strijd tegen godsdienst onderschrijven, zijn maatschappelijke zedenleer, grandioos weergegeven in het “Système social”, naar waarde schatten, of zijn staats- structuur (Politique naturelle, Ethocratie) begrijpen, dan is het noodzakelijk om zijn opvatting over de natuur en haar wetmatigheden grondig te kennen. Alle oorzaken en gevolgen van de natuurfenomenen, maar ook het lichamelijke en zedelijke gedrag van de mens, liggen voor Holbach in de natuur besloten. Er is geen plaats voor wonderbaarlijkheden die buiten de natuur zouden plaatsgrijpen (metafysica). Alle vermeende geestelijke krachten die het lot van de mens bepalen berusten louter op verbeelding.

Naar Inhoudstafel

Een korte geschiedenis van de Rede

Men zou zich kunnen verwonderen, waarom het filosofisch-natuurkundig Tijdschrift “Le petit Cuistre”, dat zijn benaming ontleent aan het attribuut dat d'Holbach gaf aan de schrijver-filosoof Jean Jacques Rousseau (1712-1778), zich richt op een periode uit de geschiedenis (1712-1799) die reeds lang tot het verleden behoort. In wat volgt zullen we verduidelijken waarom we zoveel belang hechten aan de zogenaamde Europese Verlichting (Die Aufklärung, The Enlightenment,…) en in het bijzonder aan de Franse invulling : Les Lumières.

In de geschiedenis van de menselijke rede tellen we een beperkt aantal  uitingen van “Verlichting”. We beschouwen als een eerste geschreven inzicht in mens en natuur (zijn woonplaats), het relaas van de “Sumerische zondvloed”, dat we aantreffen in het Gilgamesh-epos (2200-2100 vT=voor onze Tijdrekening). Dit verhaal (op het zogenaamde 11-de kleitablet) van een alles verwoestende overstroming, met slechts enkele overlevenden, zelf een kopij van een nog oudere Sumerische legende (Atrahasis) met geschiedkundige achtergrond, werd later overgenomen door de Bijbel (Oud Testament, Noah en zijn Ark).

Met het Gilgamesh-epos, dat al bekend was tijdens de regering van Hamurabi (omstreeks 1800 vT), bevinden we ons bij het begin van het ontstaan van de geschreven mythen, een boeiende periode uit de geschiedenis van de mensheid, die ons door middel van de mythologie inzicht verschaft hoe de mens zich toen tegenover de medemens en de natuur verhield. Omstreeks hetzelfde tijdstip zien we het onstaan van de godsdiensten (en van een priesterklasse). Hierdoor komt de mensheid terecht in een nog steeds voortdurende episode, die zich kenmerkt door een nefaste invloed op het gedrag en levenswijze van de mensheid (La religion est une source funeste, Jean Meslier).

Een millennium later schrijft de Griek Homeros zijn Ilias en Odysseia, zich steunend op de mondelinge overlevering van een aantal heldensaga's.

Deze werken, in tegenstelling tot de muurschilderingen in grotten van nog veel vroeger, die de mens als één voorstelt met de natuur, maken duidelijk aanspraak op het recht om de mens niet meer alleen als “dier” te beschouwen, maar ook nog als een wezen dat over zijn lot, zijn metgezellen en de omringende natuur ernstige overwegingen begint te maken.

Omstreeks hetzelfde tijdstip zien we ook het ontstaan van de eerste kronieken uit het vermeende geschiedenisboek van het joodse volk (Oud Testament), een handleiding dat specifiek voor dit volk werd geschreven, gedurende de periode van 1000 vT-400 vT. Het zou louter tijdverspilling zijn als we, hic et nunc, meer aandacht zouden schenken aan dit werk, een verzameling van een aantal geschiedkundige feiten, heel veel fictie en vooral van veel verantwoordingen om het gedrag van een volk goed te keuren doorheen de gang van haar geschiedenis. We zullen ruimschoots de gelegenheid hebben om hierop terug te komen, als we de lezer uitvoerig zullen berichten over het zogenaamde “Testament” (1200 blz.) van de atheïstische priester Jean Meslier (1664-1729). Het enige wat we nu in dit verband wensen aan te stippen is, dat we de Bijbel niet als bron van verlichting beschouwen, omdat we de mening zijn toegedaan, dat die niet appeleert aan de menselijke rede noch de mens verlicht. De rede moet zich immers in deze geschriften onderschikken aan de vermeende geopenbaarde waarheid. Alle theologische onzin die men gedurende meer dan 2000 jaar heeft geformuleerd, om toch maar de Bijbel als iets zinnigs voor te stellen, wuiven we hier met genoegen uit.

Een tweede, uiterst belangrijke, periode in de geschiedenis van de rede neemt een aanvang omstreeks 600 vT, op de westkust van het hedendaagse Turkije. In het zogenaamde Ionië beginnen op dat ogenblik een aantal natuurfilosofen, waaronder Thales van Milete, Herakleitos en Anaximander, de natuurfenomen te verklaren door natuurkundige wetten. De zon verduistert zich, niet omdat een of andere god er een scherm voorhoudt, maar omdat een ander hemellichaam (de maan) zich tussen aarde en zon beweegt. Op een gelijkaardige natuurkundige wijze worden regen en bliksem verklaard, en verdwijnen daarmee alle goden, die verantwoordelijk werden gesteld voor de betreffende fenomenen, voorgoed van het toneel.

Daarmee komen we aan de laatste en meest belangrijke periode van de Europese Verlichting (1712-1799). Het tijdschrift “Le petit Cuistre” wenst zich hiermee uitvoerig bezig te houden. Het blijkt immers dat vele geschriften uit die periode systematisch vernietigd werden. We denken bijvoorbeeld aan  “Système de la Nature” en “Le Christianisme dévoilé” van d'Holbach, maar ook aan “L’Histoire des deux Indes” van Abbé Raynal, die hiermee het kolonialisme, en het menselijk onrecht in het bijzonder, heeft aangeklaagd. Al deze werken blijken thans nog heel wat inzichten te bevatten die de mensheid ten goede kunnen komen, die de menselijke rede tenslotte over het obscurantisme kan doen zegevieren, die methoden aangeven om de armoede te bestrijden (Turgot), die de menselijke opvoeding, verheffing en ontvoogding hoog in hun vaandel hebben geschreven (Helvétius, “De l’Esprit”).

Een meer recente periode, die ver na de Verlichting valt, maar waaraan “Le petit Cuistre” tevens zijn aandacht wil schenken, wordt ingezet met het verschijnen van een aantal filosofisch getinte werken van Sigmund Freud (1856-1939). We denken hierbij aan zijn “Unbehagen in der Kultur” en het geschrift  “Zukunft einer Illusion”, maar ook aan een groot aantal spraakmakende geschriften van de omstreden schrijver Friedrich Nietzsche (1844-1900). We zijn er ons immers van bewust dat de menselijke geest, al is hij slechts de uiting van een gewis aspect van het materiële, vreemde bokkesprongen kan maken (zoals bijvoorbeeld het hele kunstgebeuren). We zouden onszelf de das omdoen moesten we hiermee geen rekening houden.

Eric W. Elst.

Naar Inhoudstafel

Guillaume-Thomas Raynal en zijn “Histoire des deux Indes”

Een omzeggens onbekend werk is de “Histoire des deux Indes” van Abbé Raynal (Guillaume-Thomas Raynal 1713-1796) :

“Pour renverser l’édifice de l’esclavage, étayé par des passions si universelles, par des loix si authentiques, par la rivalité de nations si puissantes, par des préjugés plus puissans encore, à quel tribunal porterons-nous la cause de l’humanité, que tant d’hommes trahissent de concert ? Rois de la terre ! Vous seuls pouvez faire cette révolution. Si vous ne vous jouez pas du reste des humains : si vous ne regardez pas la puissance des souverains comme le droit d’un brigandage heureux, et l’obéissance des sujets comme une surprise faite à l’ignorance, pensez à vos devoirs. Refusez le sceau de votre autorité ; au trafic infâme et criminel d’hommes convertis en vils troupeaux, et ce commerce disparoîtra. Réunissez une fois pour le bonheur du monde, vos forces et vos projets si souvent concertés pour sa ruine.
Que si quelqu’un d’entre vous osoit fonder sur la générosité de tous les autres l’espérance de sa richesse et de sa grandeur, c’est un ennemi du genre humain qu’il faut détruire. Portez chez lui le fer et le feu. Vos armées se rempliront du saint enthousiasme de l’humanité. Vous verrez alors quelle différence met la vertu entre des hommes qui secourent des opprimés, et des mercenaires qui servent des tyrans.”
(Histoire des deux Indes, Tome 6, XXIV, Origine et progrès de l’esclavage. Argumens imaginés pour le justifier. Réponse à ces argumens : 205-206)

Histoire des deux Indes
Histoire philosophique et politique des établissements et du commerce des Européens dans les deux Indes

Guillaume-Thomas Raynal, kortweg “Abbé Raynal” genoemd, was priester en geschiedkundige. Nadat de clerus hem uit zijn parochie te Parijs had gezet (zijn geschriften vielen niet in goede aarde)  begon hij te schrijven aan zijn meest bekende werk “Histoire des deux Indes” (1770). In 1781 werd dit schitterende werk veroordeeld door het parlement, omdat het godslasterlijk zou zijn (dat was het natuurlijk). Maar wat men het meest vreesde was, dat het werk ideeën bevatte omtrent het recht van het volk om in opstand te komen en het weigeren om nog verder belastingen te betalen. Dit kon echter niet beletten  dat de “Geschiedenis” uitzonderlijk populair werd, zodat er een 30-tal opeenvolgende uitgaven van verschenen (1772-1789). In 1774 werd het boek door de katholieke Kerk op de Index geplaatst, en elk exemplaar dat men kon vinden werd openbaar verbrand. Raynal zag zich genoodzaakt te vluchten naar het buitenland (1781). In 1791 keerde hij terug naar Parijs en werd er verkozen als lid van de Staten Generaal. Hij weigerde echter een functie te bekleden in het parlement van de Revolutie, omdat hij een grondige afkeer had van geweld. Onder het Directoraat werd hij verkozen tot lid van de Academie (Afdeling Geschiedenis).

Naar Inhoudstafel

Inleiding tot het denken van Claude-Adrien Helvétius

helvetiusm2.jpg
Claude-Adrien Helvétius (1715-1771)
Peint par L.M. Vanloo - Gravure de H. Godin.

Claude-Adrien Helvétius (1715-1771) kwam al op vroege leeftijd in contact met de auteurs van zijn tijd. Voltaire (1694-1778) spoort hem aan tot het schrijven van eigen werk. Sterk beïnvloed door het gedachtengoed van de Engelse filosoof van het sensualisme, Locke (1632-1704), ontwikkelt hij een atheïstisch-materialistische visie van de geest in “De l’Esprit” (1758). Het werk verwekt groot schandaal en het wordt  veroordeeld door de Kerk. Op bevel van  de Koning (Louis XV) moet het geschrift worden verbrand.

L’objet que je me propoſe d’examiner dans cet Ouvrage, eſt intéreſſant ; il eſt même neuf. L’on n’a, juſqu’à préſent conſidéré l’eſprit que ſous quelques-unes de ſes faces. Les grands Ecrivains n’ont jetté qu’un coup d’œil rapide ſur cette matière ; et c’eſt ce qui m’enhardit à la traiter.

“De studie van de menselijke geest, in zijn volledige omvang, is zo nauw verbonden met de kennis van de menselijke hartstochten, dat het niet mogelijk  is over de geest iets zinnigs te schrijven, als we in dit betoog, het gedeelte van de Moraal dat gemeenschappelijk is aan alle mensen op aarde, er niet zouden in betrekken Die“zedenleer” moet, zoals alle andere wetenschappen, onderzocht worden door middel van de proefondervindelijke natuurkunde.”

Helvetius acht de Moraal geschikt als studieobject van de “proefondervindelijke natuurkunde” (het experiment). Men zal de schrijver van “De l’Esprit” al lang vergeten zijn als het  “Behaviorisme” (Gedragspsychologie) zijn intrede doet. Wanneer Helvetius (en trouwens iedere filosoof uit zijn tijd) het heeft over “moraal”, verstaan we hieronder “psychologie”. Later zal men de zg. zedenleer (ethisch gedrag van de mens) als een onderdeel van de psychologie bestuderen. Bewust van de moeilijkheid van zijn opdracht vervolgt de schrijver :

Peut-être ai-je traité un ſujet au-deſſus de mes forces… Dans tout ce que j’ai dit, je n’ai cherché que le vrai, non pas uniquement pour l’honneur de le dire, mais parce que le vrai eſt utile aux hommes. Si je m’en ſuis écarté, je trouverai dans mes erreurs même des motifs de conſolation.

Helvétius beroept zich vervolgens op de Fontenelle (1657-1757):

…Si les hommes, ne peuvent en quelque genre que ce ſoit, arriver à quelque choſe de raiſonnable, qu’après avoir, en ce même genre, épuiſé toutes les ſottiſes imaginables.

De schrijver is er zich van bewust dat hij tegengewerkt zal worden in zijn zoektocht en dat men zich beter kan schuilen achter middelmatigheid:

Le découragement dans lequel des imputations, ſouvent calomnieuſes, ont jetté les hommes de génie, ſemble déjà préſager le retour des ſiècles d’ignorance. Ce n’eſt en tout genre, que dans la médiocrité de ſes talens qu’on trouve un aſile contre les pourſuites des envieux. La médiocrité devient maintenant une protection.

Zelfs al zou de kennis van de “waarheid” af en toe gevaarlijk zijn, toch moeten we er naar blijven streven:

En vain des hommes répètent-ils que les vérités ſont ſouvent dangereuſes. En ſuppoſant qu’elles le fuſſent quelquefois, à quel plus grand danger encore ne ſeroit pas expoſée la Nation qui conſentiroit à croupir dans l’ignorance ? Toute Nation ſans lumières, lorſqu’elle ceſſe d’être ſauvage et féroce, eſt une Nation avilie, et tôt ou tard ſubjuguée.

Au moment même qu’on interdiroit la connoiſſance de certaines vérités, il ne ſeroit plus permis d’en dire aucune.

de_lesprit-discours1m.jpg
Claude-Adrien Helvétius - De l’Eſprit (1758) - Discours 1 : De l’Eſprit en lui-même

ON diſpute tous les jours ſur ce qu’on doit appeler Eſprit : chacun dit ſon mot ; perſonne n’attache les mêmes idées à ce mot, & tout le monde parle ſans s’entendre. Pour pouvoir donner une idée juſte & préciſe de ce mot Eſprit, & des différentes acceptions dans leſquelles on le prend, il faut d’abord conſidérer l’eſprit en lui-même.

Ou l’on regarde l’eſprit comme l’effet de la faculté de penſer, (& l’eſprit n’eſt, en ce ſens, que l’aſſemblage des penſées d’un homme) ou on le conſidere comme la faculté même de penſer.

Pour ſavoir ce que c’eſt que l’eſprit, pris dans cette dernière ſignification, il faut connoître quelles ſont les cauſes productrices de nos idées.

Nous avons en nous deux facultés, ou, ſi je l’oſe dire, deux puiſſances paſſives, dont l’exiſtence eſt généralement & diſtinctement reconnue.

L’une eſt la faculté de recevoir les impreſſions différentes que font ſur nous les objets extérieurs : on la nomme ſenſibilité phyſique. L’autre eſt la faculté de conſerver l’impreſſion que ces objets ont faite ſur nous : on l’appelle mémoire, & la mémoire n’eſt autre choſe qu’une ſenſation continuée, mais affoiblie.

Naar Inhoudstafel

Het Systeem van de Natuur (1770)

Korte bespreking van het belangrijkste Werk van Holbach.

Geen enkel filosofisch of wetenschappelijk werk, met uitzondering misschien van Darwin's “Origin of Species” (1859), heeft bij de publicatie zoveel ophef gemaakt als "Système de la Nature" van Baron d'Holbach. Reeds tijdens het verschijningsjaar beleefde het werk meerdere (clandestiene) herdrukken. Enkele daarvan bevatten tevens de "Discours préliminaire de l’Auteur" (16 blz.) die Naigeon (1738-1810), gescheiden van het hoofdwerk, in Londen had uitgebracht. De zogenaamde “Abrégé du Code de la Nature”, op het einde van het werk, werd ook afzonderlijk gepubliceerd en wordt dikwijls toegeschreven aan de belangrijke schrijver en uitgever van de "Encyclopédie”, Denis Diderot (1713-1784). In 1774 verscheen er posthuum een kort werk “Le vrai sens du Système de la Nature” van Claude-Adrien Helvétius, dat op een uiterst heldere wijze het “Systeem” samenvat. Holbach zelf, gaf in 1772, een verkorte vorm uit van zijn hoofdwerk onder de benaming “Bon Sens”, ook wel eens verschenen als “Le bon Sens du Curé Jean Meslier”, en daardoor verkeerdelijk toegeschreven aan de atheïstische priester en filosoof Jean Meslier (1664-1729). In 1773 tenslotte verscheen er een werk "De la Nature et de ses Lois" van een zekere Payrard die het werk van Holbach vrijelijk parodieerde.

Oorspronkelijk vermelde men als auteur van het “Systeem” de enkele jaren voorheen overleden M. Mirabaud (Sécrétaire Perpétuel et l’un des Quarante de l’Académie Française). Dit om te voorkomen dat zijn werkelijke schrijver zou vervolgd worden. Men heeft er wel eens aan getwijfeld of het “Systeem” nu ook werkelijk van de hand van Holbach was en misschien moest worden toegeschreven aan Diderot, Helvetius, Damilaville of nog enkele anderen. Maar alle twijfel hieromtrent verdween, wanneer het manuscript van het werk werd terug gevonden. Hierop was trouwens uitdrukkelijk geformuleerd dat dit als zijn filosofisch testament moest worden beschouwd.

Het “Systeem” mag gerust de Bijbel van het wetenschappelijk materialisme en dogmatisch atheïsme genoemd worden. Tot nu toe is er nooit iets gelijkaardigs geformuleerd geworden dat zo openlijk en ondubbelzinnig een aantal standpunten verdedigt. Maar geen enkel geschrift werd ook zo fel aangevallen als het “Systeem” van Holbach. Vermelden we vooreerst het zogenaamde “Réquisitoire” van Séguier, waarin deze pleit om het “Système de la Nature”, samen met een aantal andere werken van Holbach (waaronder het “Discours sur les Miracles”, “La Contagion sacrée” en “Le Christianisme dévoilé”) te veroordelen.

Volgens M. P. Cushing in zijn “Baron d'Holbach (A study of eighteenth century radicalism in France)”, 1914, zou het parlement weliswaar het “Systeem” op 18 augustus 1770 veroordeeld hebben, maar zou het pleidooi van Séguier zo zwak en belachelijk zijn geweest, dat zij op hun besluit terugkwamen. Ik betwijfel dit ten stelligste want waarom zouden dan alle verdere exemplaren van het “Systeem” in het buitenland gedrukt zijn geworden. De literator Melchior Grimm (1723-1807) merkte in dit verband ironisch op, dat Séguiers doel waarschijnlijk alleen maar was geweest om de ongeletterden in kennis te brengen van het gevaarlijke boek zonder daarbij ook maar een van de stellingen te bekritiseren. Een perfecte handelswijze om alles bij het oude te laten.

De meest venijnige aanvallen op het werk kwamen uit onverwachte hoek, namelijk uit Ferney (Voltaire, 1694-1778) en uit Sans Souci (Frederik II, 1712-1786). Voltaire, zoals gewoonlijk, was in zijn talrijke brieven niet bepaald rechtlijnig in zijn mening over het “Systeem”. Grimm schreef zijn vijandschap voor het werk toe aan jaloersheid, en de angst dat dit werk het "ritueel" van Ferney in de schaduw zou stellen. George Leroy (1772) ging nog een stuk verder in zijn “Réflexions sur la jalousie, pour servir de commentaire aux derniers ouvrages de M. de Voltaire”.

De koning van Pruisen, Frederik II voelde zich natuurlijk geroepen om de koningen te verdedigen, die het in het “Systeem” niet bepaald beter deden dan om het even welke God. De correspondentie van Voltaire gedurende die periode is zo interessant dat het de moeite loont om hier wat meer aandacht aan te schenken. In mei 1772, kort na de publicatie van Holbachs berucht werk, schreef Voltaire aan een zekere M. Vernes: “Men heeft al zoveel onzin over de natuur geschreven dat ik er mee opgehouden ben daar nog iets over te lezen”. Maar in juli daarop schreef hij al naar Grimm : “Moest het werk wat meer ingekort zijn geweest dan zou het een enorm effect teweeg hebben gebracht; zoals het nu is, heeft het wel al voor heel wat beweging gezorgd. Het is in ieder geval heel wat eleganter geformuleerd dan Spinoza's werk… Ik ben heel nieuwsgierig wat men erover denkt in Parijs”. In een brief aan de bekende wiskundige en filosoof d’Alembert, medewerker van Diderot aan de “Encyclopédie”, is hij al veel gunstiger gestemd ten opzichte van het “Systeem”: “Zekere paragrafen zijn te lang geformuleerd, er zijn een aantal herhalingen en een aantal tegenstrijdigheden, maar er is te veel goeds in het werk, dat men er enthousiast over moet zijn”. Nog voor het einde van de maand lichtte Voltaire d’Alembert in over zijn eigen kritiek op het werk en de weerleggingen ervan door de koning van Pruisen. Diezelfde dag schreef hij aan Frederik II: “Ik vind dat uw bemerkingen omtrent het “Systeem” moeten worden gepubliceerd ; het zijn (wijze) lessen voor de mensheid. Aan de ene kant steunt u de zaak van God en aan de andere kant ontkracht u het bijgeloof.” Voltaire liep niet erg op met kerkelijke godsdienst, maar het godsidee wilde hij wel behouden. De deïst Voltaire is trouwens bekend omwille van zijn uitspraak : “Moest God niet bestaan dat zouden we hem moeten uitvinden”. Frederik echter aarzelde om zijn werk openbaar te maken en schreef naar Voltaire : “Toen ik mijn werk tegen het atheïsme had beëindigd meende ik dat mijn weerleggingen allen juist waren; maar helaas moet ik toegeven dat ik nog zeer ver van dit doel verwijderd ben. Er zijn verschillende gedeelten in mijn werk die de schroomvalligen zullen afschrikken en de devoten aanstoot geven. Een bemerking over de oneindigheid van de wereld is waarschijnlijk al genoeg om gestenigd te worden in uw land, moest ik er geboren zijn. Ik ben niet competent genoeg om zoiets te ondernemen, en daarbij heb ik geen theologische geest.” Voltaire van zijn kant, in een klein werkje “Petite drôlerie en faveur de la divinité”, vond geen argument scherp genoeg om het “Systeem” te veroordelen: “Dit werk is één en al chaos, een moreel kwaad, een werk ontstaan uit de duisternis, een vloek tegen de natuur, een stelsel van waanzin en onwetendheid”. Daarop schreef hij naar zijn vriend Delisle de Sales (1741-1816): “Ik zie niets dat onze eeuw meer vervuild heeft dan dit werk.” Naarmate de faam van het “Système de la Nature” steeg, werd Voltaire meer en meer verbitterd.

Vanuit Straatsburg, met name van Goethe en zijn universiteitsentourage, kwam een heel ander soort kritiek op het “Systeem”. De schrijver van “Werther” en “Faust” bemerkt: "Het is een oninteressant en naief werk, de kwintessens van ouderdom." (Red: Zo oud was Holbach ook weer niet). Maar voor deze vurige jongelingen, temidden van een bruisend romantisme, was de atheïstische visie van Holbach op de wereld te ondraaglijk en wierp als het ware een schaduw over de schoonheid van de aarde en verjoeg de sterren van de hemel. Ze kozen eensgezind voor Shakespeare en de Engelse romantische school. En Goethe vervolgt: “We hebben er geen behoefte aan om ons door filosofen te laten beleren, en wat godsdienst betreft, daar hebben we onze eigen mening over, en de heftige strijd van de Franse filosofen tegen het papendom interesseert ons nauwelijks. Boeken die verboden worden en aan het vuur toevertrouwd maken op ons geen indruk (Red: Zou hij dezelfde taal gesproken hebben als de nazi's in 1939 het werk van Heinrich Heine in het vuur wierpen ?). Ik denk bijvoorbeeld aan het “Système de la Nature” dat we uit louter nieuwsgierigheid ter hand hebben genomen. We hebben echter niet begrepen hoe zo'n een boek gevaarlijk kan zijn. Het werk is zo eentonig en onwezenlijk dat ik me er onbehaaglijk bij voelde, alsof ik een spook had gezien. De schrijver ervan, aan de rand van het graf, hoopt dat zijn geschrift eens in een verre toekomst naar waarde zal geschat worden. We hebben hem uitgelachen en dit bevestigde ons opnieuw hoe ouderlingen niet meer kunnen genieten van al het mooie en goede wat de wereld hen biedt. ‘Oude kerken hebben donkere vensters’ en ‘Hoe kersen en bessen smaken, dat moet men aan de jeugd en aan de mussen vragen’. Dat is ons genots- en ons leidmotief. Daarom is dit boek voor ons de kwintessens van ouderdom, van onsmakelijkheid, of zelfs van smakeloosheid.

Alles zou dus noodzakelijk zijn en daarom zou er geen god bestaan. Waarom kan god dan zelf niet noodzakelijk zijn ? We geven grif toe dat we ons niet kunnen onttrekken aan de werkelijkheid van dag en nacht, aan de gang van de jaargetijden, aan de veranderingen van het klimaat, en in het algemeen, dat we ons niet kunnen ontdoen van onze fysieke en dierlijke gedragingen: maar we bespeurden in ons iets dat zich met deze onvrijheid in evenwicht tracht te brengen. De hoop om altijd maar verder te komen, om ons steeds meer onafhankelijk te maken van de uiterlijke dingen, ja zelfs van onszelf, konden we niet opgeven. Het woord vrijheid klinkt zo mooi, dat we het niet kunnen missen, zelfs al zou het inbeelding zijn. Geen enkele van ons heeft het boek volledig uitgelezen; want we voelden ons bedrogen in onze verwachtingen.

De “mechanica” van de natuur was aangekondigd geworden, en we hoopten iets van onze afgod, de natuur te vernemen. Natuurkunde en scheikunde, hemel- en aardbeschrijving, geschiedenis van de natuur en nog zoveel anders gaven ons sinds vele jaren reeds, altijd maar weer een beeld van de wereld. Maar nu hadden we verwacht eindelijk iets van zon en sterren te ervaren, van planeten en manen, van bergen, dalen, rivieren en zeeën, en vooral van alles wat leeft en beweegt. Dat daarbij een heleboel dingen aan het licht zouden komen die voor de gewone mens schadelijk zouden blijken te zijn, voor de geestelijkheid gevaarlijk en voor de Staat ontoelaatbaar, daaraan twijfelden we niet. En we hoopten dat het boek waardig de vuurproef zou doorstaan. Maar we voelden ons leeg en het werd ons koud om het hart te zien hoe de aarde met al zijn schepselen en de hemel met al zijn sterren in deze trieste atheïstische wereld verdween.

De materie zou dus eeuwig bestaan hebben en eeuwig in beweging zijn. En die beweging, links en rechts, zou alle fenomenen van ons bestaan tot stand hebben gebracht. We zouden tevreden zijn geweest als de schrijver erin gelukt zou zijn, uit de beweging van de materie, de wereld voor onze ogen op te bouwen. Maar hij kent de natuur niet beter dan wij, want alhoewel hij begint met enkele algemenere begrippen, verlaat hij die onmiddellijk, om hetgeen wat hoger is dan de natuur, of wat als hogere natuur is in de natuur, in zware, richtingsloze en vormloze natuur om te zetten; en meent daarbij een heleboel verduidelijkt te hebben. Als dit boek ons dan toch enige schade heeft berokkend dan is het dat we nu wel echt kwaad zijn op de filosofie, en in het bijzonder op de metafisika. En wij, wij zullen ons met nog meer enthousiasme werpen op directe ervaring, actie en dichten.”

De meest belangrijke kritieken op het “Systeem” zijn :

  1. 1770, Rive, Abbé J. J., Lettres philosophiques contre le “Système de la Nature”. Portefeuille hébdomadaire de Bruxelles.
  2. Frederick II., Examen critique du livre intitulé, “Système de la Nature”. Political Miscellanies, p. 175.
  3. 1770, Voltaire, Dieu, Réponse de M. de Voltaire au “Système de la   Nature”.  Au château de Ferney, 1770, 8 vo, pp. 34.
  4. 1771, Bergier, Abbé N.F., Examen du matérialisme, ou Réfutation du “Système de la Nature”. Paris, Humboldt, 1771, 2 vols., 12mo.
  5. 1771, Camuset, Abbé J. N., Principes contre l’incrédulité, à l’occasion du “Système de la Nature”. Paris, Pillot, 1771, 12mo, pp. viii +335.
  6.  6. 1771, Castillon, J. de (Salvemini di Castiglione), Observations sur le livre intitulé, “Système de la Nature”. Berlin, Decker, 1771, 8vo (40 sols broché).
  7. Rochford, Dubois de, Pensées diverses contre le système des matérialistes, à l’occasion d’un écrit intitulé: “Système de la Nature”. Paris, Lambert, 1771 12mo.
  8. 1773, L’Impie démasqué, ou remontrance aux écrivains incrédules. Londres, Heydinger, 1773
  9. 1773, Holland, J. H., Réflexions philosophiques sur le “Système de la Nature”. Paris, 1773, 2 vols., 8vo.
  10. 1776, Buzonnière, Nouel de, Observations sur un ouvrage intitulé “Système de La Nature”. Paris, Debure, père, 1776, 8vo, pp. 126 (Prix I livre , 16 sols broché).
  11. 1780, Fangouse, Abbé, La religion prouvée aux incrédules, avec une lettre à l’auteur du “Système de la Nature” par un homme du monde. Paris, Debure l’ainé, 12mo, p. 150. Ditzelfde werk verscheen ook als : “Réflexions importantes sur la religion, etc.”, 1785.
  12. 1788, Paulian, A. J., Le véritable système de la nature. Avignon, Niel, 2 vols., 12mo.
  13. 1803, Mangold, F. X. von, Unumstossliche Widerlegung des Materialismus gegen den Verfasser des “Systems der Natur”. Augsburg 1803.

Eric W. Elst.

Naar Inhoudstafel

In de Voetsporen van Holbach

Het is tien uur 's morgens wanneer we vertrekken richting Duitsland. Zo reis ik graag, een beetje avontuurlijk, een beetje speurwerk verrichten en ons laten leiden door het toeval en door wat we onderweg zullen ontdekken. We gaan namelijk op zoek naar de leefwereld van Holbach, Frans filosoof uit de periode van de Verlichting en sedert enkele jaren voorwerp van bewondering van Eric. We gaan op onderzoek naar de geboorteplaats en de  respektievelijke verblijfplaatsen van deze verlichte baron. Want Holbach is onze baken, de motor die ons beweegt voor deze reis. Eric zit met zijn boek “Système de la Nature” op schoot en leest af en toe een passage voor. Ik luister een beetje verstrooid en heb meer oog voor de weg en het landschap om ons heen.

Een eerste etappe brengt ons naar Saarbrücken, waar een goede oude vriend woont, die we allang een bezoek beloofd hebben. We willen hem verrassen; maar het is al donker wanneer we hem vanuit een baanrestaurant telefoneren om de weg te vragen. Het blijkt moeilijk uit te leggen, dus spreken we uiteindelijk af op een bepaald punt aan een uitrit van de autostrade. Afspraken zijn nooit onfeilbaar en na enkele zoekpartijen vinden we toch de bewuste uitrit. Daar zie ik twee rode achterlichten op de parking staan, en ja hoor, we vallen in elkaars armen, het is een blij weerzien. Na een tochtje door enkele stille Duitse dorpjes komen we aan bij zijn woning waar we tot laat in de nacht bijpraten.

Wanneer we de volgende ochtend vertrekken zijn we beter gewapend met nuttige aanwijzingen die onze Duitse vriend op zijn nauwkeurige stafkaarten heeft gevonden om zonder omwegen ons doel te bereiken. Edesheim, zo heet het dorpje waar de oom van Holbach gewoond heeft, en waar hij als jonge knaap, samen met zijn moeder is komen wonen nadat zijn vader was gestorven. We weten niet wat we mogen verwachten en weerom laten we ons leiden door Erics filosofische nieuwsgierigheid en mijn avontuurlijke speurzin. Naarmate we verder rijden verschijnen de glooiende wijnvelden langs weerskanten van de weg. Palatinaat. De naam klinkt ons tegelijkertijd bekend en ongekend in de oren en roept herinneringen op aan geschiedenislessen uit onze jeugd met historische verdragen en concordaten. Rond de middag bereiken we Landau.

Op een grote kitcherige buitenmuurschildering ontdekken we tot onze verwondering, waar het woord “Landauer” vandaan komt. Dit was het eerste model van een koets waarvan de lederen kap naar voren en achteren in 2 helften opengeslagen kon worden. Ze werd voor het eerst gebruikt door Keizer Jozef I (1702) bij het beleg van Landau. We vluchten voor de regen een café binnen. Blijkbaar zijn we niet de enigen die honger, kou en dorst hebben. Als het weer een beetje beter wordt verkennen we het stadje en wandelen door de “Rue de l’Eglise”, een overblijfsel uit Holbach's tijd. De oude kerk is blijkt gesloten, duswandelen we verder langs de stadswallen en ontdekken een oude toren die destijds nog heeft dienst gedaan als gevangenis. Het blijkt dat tijdens de dertigjarige oorlog en ook in latere oorlogen met Frankrijk de stad vaak belegerd en ingenomen is geworden. In 1679 werd ze op bevel van Lodewijk XIV opnieuw bezet en daarop door Vauban (1) tot een sterke vesting gemaakt. Eerst in 1815 moest Frankrijk de stad teruggeven aan de staat Beieren.

Wanneer we Edesheim binnenrijden vertelt ons een bord dat dit de oudste wijnstreek van Europa is (400j !). Dit verklaart de zichtbare welgesteldheid van de wijnboeren uit de streek. Het wordt Eric nu ook duidelijk waarom de oom van Holbach, die voor zijn diensten geadeld werd, hier zijn optrekje heeft gebouwd. We beginnen met een drinkstop aan een wijnproef-stalletje. Daarbinnen zit een vrolijk gezelschap en we krijgen ook dadelijk enkele glazen om te “degusteren”. De wijn is voortreffelijk en we kopen niet alleen enkele flessen “Holbachwijn” maar eveneens een “Holbach-druivelaar” die we thuis kunnen planten, om zo onze eigen “Holbachdruiven” te kweken. Lichtelijk euforisch gaan we het dorp in op zoek naar sporen van de beroemde familie. Als we onweerstaanbaar worden aangetrokken door een mooi stijlvol huis zien we tot onze vreugde op een plakkaat dat dit de woonst is geweest van de bewuste oom Baron die dit in 1722, een jaar voor Holbach's geboorte, liet bouwen. Grote vreugde, gevolgd door film- en fotosessie. Voor het eerst is hier een tastbare confrontatie met het verleden en in gedachten zien we een kleine jongen lopen in de tuin en spelen met zijn nichtjes. We kijken naar de bergen in de verte, die zijn ogen ook hebben gezien en naar de fijne torentjes van het kasteel die enkele honderden meter verder tussen de dennenbomen uitsteken. Nadat we alles goed in ons hebben opgenomen wandelen we voldaan verder tot aan het kasteel (dat nu restaurant is geworden) en genieten van de romantische aanblik. In het dorp bewijzen de overdadige uithangborden en de rijkelijk versierde poorten dat hier welstellende wijnboeren wonen. Honger drijft ons naar een afspanning waar een luidruchtige gezelligheid ons tegemoet waait als we binnen komen. Het wordt ons al gauw duidelijk dat hier een “slachtfeest” aan de gang is. Overvolle borden worden aangedragen, beladen met worsten, pensen, spek, varkenspoten en dies meer. We besluiten dan maar een rustiger “etablissement” te zoeken en vluchten weer naar buiten.

Na enkele omzwervingen langs mooie oude dorpjes en via Pirmasens (Eric spreekt altijd van Primasens, een metathesis die mijns inziens te verantwoorden is) zoeken we 's avonds een plaats om te overnachten. We zijn nu in de Elzas en dat zullen we geweten hebben. De ooievaars vliegen langs onze oren voorbij en nestelen zich boven op de schoorstenen van de huizen. Met de camera in de aanslag installeert Eric zich op een strategische plaats om een vrouwtje te filmen waarvan het mannetje af en aan vliegt met huisraad. Net op het strategische moment wanneer het mannetje terugkomt en voor nazaten gaat zorgen geeft Eric het op en begint zijn camera terug in te laden. Tevergeefs doe ik moeite om zijn aandacht te trekken en te roepen dat hij vlug moet filmen. Wanneer het hem eindelijk duidelijk is, is het te laat en de vogel weer gaan vliegen. Jammer, dit was een unieke kans …

Bij de Elzas horen ook zuurkool met spek en worst; dus gaan we eerst eten in een plaatselijk restaurant. De typisch Duitse “Gemütlichkeit” gemengd met de Franse “joie de vivre”. De worst is echter niet te vreten en verhuist naar Erics bord en het spek is meer vet en vel, maar de zuurkool is voortreffelijk en de Elzasser wijn ontegensprekelijk ook. We logeren in een gîte de France waar de sympathieke waard ons 's morgens een Frans petit déjeuner brengt.

Holbach heeft echter niet alleen gefilosofeerd, hij heeft ook kuuroorden bezocht, zoals Contrexéville (2). Dit wordt dus ons volgende doel. Ik ben benieuwd om eens een echt kuuroord te zien, want buiten de beschrijvingen die ik erover gelezen heb in negentiende eeuwse Russische romans ben ik nog geen kuurgasten tegen gekomen. Het weer is verschrikkelijk en ik kan de plaats dus maar moeilijk associëren met mondaine, loom rondflanerende en flirtende jongelui die ‘s avonds goed uitgerust aan de casinotafel het fortuin van papa gaan verspelen. Nochtans brengt de blauw-mozaieken zuilengalerij en de ronde koepelplaats waar de bron zich bevindt, mij wel enigszins in de juiste stemming. Uiteraard drinken we ook enkele bekertjes bronwater en genieten van de rust die van deze plaats uitgaat en luistervinken naar de gedempte gesprekken die de gasten voeren. In een kerkje wat verderop vinden we nog een overblijfsel van een middeleeuwse muur en een vervallen kerkhof. Steeds zijn we op zoek naar sporen van Holbach. Op graven ? Op gedenkplaten ? In de plaatselijke bibliotheek vinden we informatie over de geschiedenis van Contrexéville. Het blijkt waarempel dat dit het favoriete kuuroord was van een Russische gravin, die hier met haar man en gevolg uiteindelijk  kwam wonen. Ze ligt begraven in haar eigen prieeltje, in een familiegraf.

Via Nancy, waar we ergens in de buurt hebben overnacht, vatten we de volgende morgen de terugreis aan. Maar eerst nog even Metz bezoeken. We zijn er zo dikwijls aan voorbijgereden, als Eric, na zijn jaarlijkse zending op de sterrenwacht van Haute Provence, niet snel genoeg weer thuis kon zijn. Metz is een mooie stad waar een rijke bourgeoisie haar sporen heeft nagelaten in statige huizen. De prachtige gotische kathedraal (St. Etienne, 14e-16e eeuw) bevindt zich vlak bij het marktplein. Eric snuffelt in een antikwariaat. De knappe verkoper, een veertiger met fluwelen vest, overhangende snor en pijp, straalt een rustige intellectualiteit uit en past perfect in zijn winkel. Eric vindt er “De l’Esprit” van Helvetius, en aarzelt dan ook niet dit werk te kopen. Ik vind nog een ouderwets wolwinkeltje en kan niet aan de verleiding weerstaan om enkele bollen wol te kopen, voor een vestje voor kleinzoon Felix. Thuis begint weer te lokken, tijd om een laatste koffietje te drinken en terug Noordwaarts te rijden. Het was goed, in gedachten verzonken snellen we voort, ieder zijn eigen droomwereld tegemoet.

Kristina Leterme.

Naar Inhoudstafel

Algemene inleiding tot leven en werk van Jean Meslier (1664-1729)

Op 30 november 1735 schreef de auteur François-Marie Arouet, beter bekend als Voltaire (1694-1778) naar een zekere Thiériot :

“Ik ben gelukkig te horen hoe goed je je voelt bij het lezen van het werk van Locke. Die Engelse filosoof is voor de metafysica wat Newton is voor de fysica. Maar wie is die dorpspastoor over wie je schrijft ? Je zou hem bisschop moeten maken van Saint-Vrain ! Wat ? Een pastoor, en dan nog wel een Fransman, die evenveel filosoof zou zijn als Locke ? Kan je me zijn manuscript niet bezorgen ? Stuur het maar naar Dumoulin in een pakje samen met de brieven voor Pope. Ik zal het je zeker terugbezorgen.”

Bijna dertig jaar later, in februari 1762, schrijft diezelfde Voltaire naar de wiskundige d’Alembert (1717-1783) :

“In Holland is een klein deel van het "Testament van Jean Meslier" uitgegeven. Toen ik het las, kreeg ik koude rillingen. De getuigenis van een stervend pastoor die God vergiffenis vraagt omdat hij het christendom heeft onderwezen… Dat zou wel eens heel wat gewicht in de schaal van de libertijnen kunnen leggen. Ik zal er je een exemplaar van bezorgen, want ik kan me best voorstellen dat je het wenst te bespreken. Laat me weten hoe je het wil ontvangen. Het is geschreven in een eenvoudige taal.”

Op 31 maart antwoordt d’Alembert :

“Door een misverstand, mijn beste filosoof, heb ik pas nu, een maand later, het werk van Jean Meslier ontvangen. Ik heb het willen lezen vooraleer je ervoor te bedanken. Ik stel voor om op het graf van deze pastoor te schrijven: "Hier ligt een eerlijk man, pastoor van een dorp in de Champagne. Stervende, vroeg hij God vergiffenis omdat hij Christen was, waarmee hij aantoonde dat 99 schapen en 1 Champagnard geen honderd beesten zijn …”
“… Nog even geduld, mijn beste filosoof, dan zullen we dit soort geschriften niet meer nodig hebben. De mens zal dan verstandig genoeg zijn om zelf in te zien dat 3 niet 1 is en brood niet God. Op dat ogenblik zullen de vijanden van de rede een gek figuur slaan. Ik geloof vast dat het is zoals in het versje :

Om van dat soort mensen af te geraken
Laat je ze best gewoon maar doen.”

Hieruit zou dus kunnen blijken dat Voltaire al in 1735 door een zekere Thiériot op de hoogte werd gebracht van het bestaan van een manuscript “dat de moeite waard was om gelezen te worden”. Vele jaren nadien waagde Voltaire het om een kleine gedeelte van dit zogenaamde “Testament van pastoor Meslier” in Holland te laten uitgeven. Waarom hij zolang gewacht heeft, weet niemand met zekerheid. Was de tijd er nog niet rijp voor ? Of kon de deïst en royalist Voltaire het niet hebben dat iemand op sublieme wijze afrekende met structuren waaraan hij zelf zoveel voordeel te danken had ? Maar wie was nu Jean Meslier ?

Hij werd geboren in 1664 in Mazerny, in het “Département des Ardennes”, als zoon van een eenvoudig handwerker. Hij genoot zijn opvoeding op het platteland. Nadien studeerde hij aan het seminarie en werd aangesteld als pastoor te Etrépigny, een dorpje gelegen in het kanton Flize, een drietal kilometer ten zuiden van de weg Mézières-Sédan. Ook in het naburige dorpje Butz vervulde hij een opdracht. In “Het leven van Jean Meslier” dat opgenomen werd in “Le bon Sens du Curé Jean Meslier” (1760) van Baron d'Holbach, vermeldt Voltaire :“Jean Meslier werkte met veel toewijding, en wat hem restte van zijn karig inkomen werd op het einde van het jaar onder zijn parochianen uitgedeeld. Hij was zeer deugdzaam, sober wat eten betrof, en men schreef hem geen vrouwengeschiedenissen toe”.

Voorstander van al wat gerechtigheid heette, ging hij af toe wel eens zijn boekje te buiten. Zo is bekend dat de beheerder van zijn dorp, een zekere M. de Toilly, enkele boeren slecht had behandeld. Daarom wilde de pastoor niet dat de gelovigen hem in hun gebeden nog zouden gedenken. Hiervoor werd hij door de aartsbisschop van Reims, M. de Mailly, tot de orde geroepen. De volgende zondag beklom Jean Meslier het preekgestoelte van zijn kerk en sprak de volgende woorden uit : "Ziedaar het lot van ons arme dorpspastoren; de aartsbisschoppen die grote heren zijn, luisteren niet naar hen, meer nog, wij worden door hen geminacht. Laten we dus voor Mijnheer Antoine de Toilly bidden. We vragen God dat hij hem genade schenkt, en hem bekeert, zodat hij geen arme lieden meer zou mishandelen en hen van hun schamele bezittingen zou beroven.”

M. de Toilly, in de kerk aanwezig, was woedend en ging zich opnieuw beklagen bij de aartsbisschop. Deze liet Meslier naar Donchery komen, en schold hem de huid vol. Jean Meslier stierf in 1729, op 55-jarige leeftijd. Hij was zo gaan walgen van het leven dat hij tijdens zijn ziekte geen voedsel meer tot zich wilde nemen. Na zijn dood werden, op zijn uitdrukkelijke wens, zijn schamele bezittingen onder zijn parochianen verdeeld. Zijn laatste wens was om in zijn tuin begraven te worden.

Tot eenieders verwondering vond men na zijn dood een drietal manuscripten van elk 366 bladzijden lang. Deze waren voorzien met het opschrift : "Mijn Testament". Het werk was opgedragen aan zijn parochianen en aan een zekere M. Laroux, procureur en advocaat bij het parlement te Mézières. In dit geschrift weerlegt hij, op een nogal vrij naieve wijze, alle religieuze dogma's, zonder er er een enkel te vergeten. Van deze drie manuscripten was er een bestemd voor de groot vicaris-generaal van Reims, een ander moest gestuurd worden naar M. Chauvelin, zegelbewaarder, en het derde tenslotte moest afgeleverd worden ter griffie van de rechtbank van Sainte-Menehould. Later zal echter blijken dat Jean Meslier het derde exemplaar reeds zelf naar Sainte-Menehould gebracht had. Zijn er dan in het totaal vier exemplaren van het werk geweest, of moet men hieruit besluiten dat men te Etrépigny slechts twee afschriften van het geschrift gevonden heeft ?

Graaf de Caylus had gedurende een zekere tijd een afschrift van het "Testament" in zijn bezit. Vrij vlug nadien circuleren er te Parijs een honderdtal afschriften van het werk die aan 10 gouden Louis per stuk worden verkocht: een priester op zijn sterfbed die zichzelf beschuldigt de christelijke godsdienst te hebben onderwezen, maakte blijkbaar een veel grotere indruk op de verlichte geesten dan de "Gedachten van Pascal".

Pastoor Meslier had de exemplaren van zijn testament in grijs papier gewikkeld. Hierop had hij de volgende merkwaardige woorden geschreven :

“Ik heb de fouten van de mensen gezien en herkend, hun vergissingen, hun ijdelheden, hun waanzin en hun slechtheid; Ik heb ze gehaat en misprezen; maar ik heb dit nooit tijdens mijn leven durven zeggen. Ik zal het nu doen, stervende, zodat men na mijn dood zal weten dat ik dit geschrift geschreven heb, opdat het zou kunnen dienen als getuigenis van de waarheid voor allen die het zullen zien en lezen.”

In het begin van zijn werk richt hij zich rechtstreeks tot zijn parochianen :

“Jullie hebben mij gekend, mijn broeders, en jullie kende mijn belangenloosheid; ik heb mijn geloof nooit gebruikt uit eigenbelang. Als ik nochtans een beroep heb uitgeoefend dat zo in tegenstelling stond met mijn gevoelens dan was dit niet uit hebzucht, maar omdat ik mijn ouders heb gehoorzaamd. Maar ik had julie reeds veel vroeger moeten inlichten, en ik had het gedaan, als ik dit zonder nadelige gevolgen had kunnen doen. Jullie zijn getuige geweest van wat ik nu opnieuw bevestig : Ik heb nooit mijn opdracht gebruikt voor de vergoedingen die er aan verbonden zijn. En ik zweer het bij de hemel, dat ik altijd diegenen in hoge mate heb veracht die lachten om de onwetendheid van het eenvoudige volk, dat hen in hun vroomheid grote sommen geld leverden voor hun gebeden. Hoe verachtelijk is die handel. Ik wil me niet uitspreken over hen die hun eigen mysteries en bijgeloof niet ernstig nemen en zich vetmesten ten koste van jullie zweet en bloed. Maar ik veracht hun onstilbare hebzucht en het duidelijk plezier dat ze er aan beleven de draak te steken met hun priesters die er zorg voor moeten dragen jullie in onwetendheid te houden. Dat zij tevreden lachen over hun eigen welstand, maar dat ze ophouden met nog meer fouten te begaan, door de vroomheid te misbruiken van jullie die hun; dit aangename leven verschaffen. Jullie broeders zult me zeker geen onrecht doen. De gevoeligheid die ik heb betuigd voor al jullie noden doet me hieraan niet twijfelen. Hoe dikwijls heb ik mijn ambt niet uitgeoefend zonder enige tegemoetkoming. Hoe dikwijls ook ben ik ongelukkig geweest omdat ik jullie niet meer en beter heb kunnen helpen, zoals ik gewenst had dit te kunnen doen. Heb ik niet steeds bewezen dat ik er meer plezier aan beleefde iets te kunnen geven dan zelf iets te krijgen ? Ik heb er altijd zorg voor gedragen jullie niet tot kwezelarij aan te sporen. En ik heb jullie zo zelden als het mij maar mogelijk was gesproken over onze ongelukkige dogma's. Als pastoor moest ik me wel van mijn taak kwijten. Maar hoe dikwijls heb ik zelf niet inwendig geleden, wanneer ik verplicht werd jullie deze vrome leugens, die ik in mijn hart verafschuwde, te prediken ! Wat een afschuw had ik dan voor mijn opdracht, en in het bijzonder voor die onzinnige mis, en de toediening van die belachelijke sacramenten, vooral dan dat ik dat op een plechtige wijze moest doen, om zo jullie vroomheid en goed geloof op te wekken. Wat een gewetenswroeging had ik toen om jullie lichtgelovigheid. Duizend maal stond ik op het punt om jullie ogen te openen, maar een vrees die groter was dan mijn fysieke kracht weerhield me ervan, en deze heeft me het stilzwijgen opgelegd tot aan mijn dood.”

Pastoor Meslier had aan twee collega's van naburige parochies een brief geschreven waarin hij melding maakte van zijn "testament". Hij schreef dat hij een exemplaar had toevertrouwd aan de griffie van Sainte-Menehould, maar dat hij vreesde dat men het geschrift zou laten verdwijnen. Dit was gebruikelijk, omdat men niet wilde, dat de eenvoudigen van geest zouden worden ingelicht en kennis zouden krijgen van de waarheid.

Jean Meslier, de meest bizarre persoonlijkheid tussen zovelen die het christendom hebben bestreden, werkte zijn hele leven in het geheim, om de gevestigde waarden van het geloof, waarvan hij overtuigd was dat zij verkeerd waren, aan te vallen. Om zijn geschrift tegen God, tegen elke godsdienst en tegen de katholieke Kerk in het bijzonder, samen te stellen had hij slechts de Bijbel, enkele werken van Moréri, Montaigne en een aantal kerkvaders ter beschikking.

Terwijl hij naief toegaf, dat hij niet tijdens zijn leven wilde verbrand worden, kon Thomas Woolston, een geleerde en priester te Cambridge, in zijn eigen huis, ongemoeid 60.000 van zijn "Pamflet tegen de wonderen van Jezus Christus" verkopen. Het is een vreemde zaak, dat twee priesters, op hetzelfde ogenblik een geschrift formuleren tegen de christelijke godsdienst. Pastoor Meslier gaat echter nog heel wat verder dan Woolston, want hij aarzelt niet “De verleiding van de Heer door de duivel”, “Het huwelijk te Cana”, de verhalen “omtrent broden en vissen”, allen als absurde verzinsels te brandmerken en beledigend voor het vermeende goddelijke. Aan dit soort verhalen werd voor meer dan driehonderd jaar geen aandacht geschonken in het Romeinse rijk. Maar vanaf het ogenblik dat ze pasten in het politiek bestel werden deze onnozelheden door de Romeinse keizers gebruikt om het plebs nog beter te kunnen onderdrukken.

De bezwaren van de Engelse priester evenaren echter niet deze van de priester uit de Champagne. Woolston is af en toe nog eens mild in zijn oordeel; Meslier kan dit gevoel echter niet meer opbrengen. We hebben hier met een mens te doen die te zeer gekwetst werd door de schurkerij waarvan hij getuige was; en hij stelt de christelijke godsdienst hiervoor verantwoordelijk. Niet één wonder of het is voor hem een voorwerp van misprijzen en afschuw; niet één voorspelling of hij brengt Nostradamus in herinnering. Hij aarzelt zelfs niet Jezus met Don Quichote te vergelijken, en de heilige Petrus met Sancho-Pancho. In de armen van de dood blijft hij hameren op de vermeende Christus, op een ogenblik dat de veinzers niet meer durven liegen en de meest geharden beven. Getroffen door de moeilijkheden die hij heeft voor het aanvaarden van de "Geschriften", gaat hij met nog meer woede te keer tegen de goddelijke prietpraat dan dat dit ooit Acosta, meerdere Joden, Porphyrus, Celsius, Iamblicus, Julius, Libanius, Maximus, Simacus en nog vele andere partizanen van de menselijke rede vóór hem hebben gedaan.

Vermelden we tenslotte nog dat men tussen de boeken van Meslier het werk “ Over de bestaan van God en zijn hoedanigheden” van Fénélon, aartsbisschop van Cambrai, heeft gevonden en de “Bemerkingen omtrent het Atheïsme” van de jezuit Tournemine. Beide geschriften had hij met bemerkingen in de marge voorzien.

Eric W. Elst.

Naar Inhoudstafel