L’Homme n’est malheureux que parce qu’il méconnaît la Nature.
d’Holbach, Préface au Système de la Nature

Lettre sur les Aveugles (1749) – Denis Diderot – Nederlandse vertaling : Kristina Leterme

KristinaLeterme0.jpg
Kristina Leterme.

flag_nl.png    Kristina Leterme deed haar studies Frans & Russisch aan de Tolkenschool (Schildersstraat) te Antwerpen. Nadien stond ze vele jaren in het Stedelijk avondonderwijs voor volwassenen (Eikenstraat). Thans houdt ze zich bezig met vertaalwerk en keramiek. Ze wordt zeer gewaardeerd in de Holbach Vereniging voor haar toewijding op het vlak van organisatie, vertaalwerk en eindredactie van de teksten voor het tijdschrift van de Vereniging, Le Petit Cuistre.

flag_fr.png    Kristina Leterme a effectué ses études d’interprète en français et en russe à l’école d’interprétariat (Schildersstraat) à Anvers. Elle a ensuite travaillé de nombreuses années dans l’enseignement communal du soir pour adultes (Eikenstraat). Elle s’occupe de traductions et réalise également de très belles céramiques. Elle est très appréciée au sein du Cercle d’Holbach pour son dévouement dans les domaines de l’organisation, de la traduction et de la rédaction finale des textes pour le périodique Le Petit Cuistre.

Introduction – Inleiding

Cette traduction en Néerlandais de la “Lettre sur les aveugles, à l’usage de ceux qui voient” est l’œuvre de Kristina Leterme. Elle est mais en bonne voie d’achèvement. Ceux et celles qui maîtrisent les deux langues se référeront à une version originale publiée sur wikisource.

Ainsi que mentionné en page Contact, la présente traduction est la propriété de son auteur, comme la plupart des textes contemporains de ce site.

Elle est parue en version papier dans le périodique du Cercle d’Holbach entre juin 2002 et juin 2006. Les références sont précisées, pour chaque partie, dans la liste ci-dessous. Vous trouverez, à la fin de chacune d’elles, deux liens renvoyant soit à cette liste, soit à la table des matières du Petit Cuistre d’origine.

Table des matières – Inhoudstafel

Brief over de Blinden – eerste deel

dioptrique.jpg



Lettre sur les Aveugles, à l’Usage de ceux qui voient (Denis Diderot, 1749)




La vue est conçue comme une espèce de toucher et l'aide réciproque que les sens se donnent est mise en évidence. Diderot se demande si les aveugles-nés peuvent avoir les mêmes idées, la même esthétique, la même morale, la même religion que les voyants...

La vraie originalité de Diderot ne peut être saisie que dans le temps. Aujourd'hui, grâce à des nouvelles données et au recul si nécessaire, nous pouvons juger plus justement, mais non encore absolument, de la valeur de l'œuvre (Robert Niklaus, 1963, Introduction à la “Lettre sur les Aveugles”




Possunt, nec posse videntur



Ik twijfel eraan, Mevrouw, of de blindgeborene, die M. de Réaumur van staar heeft kunnen genezen, u veel had kunnen leren omtrent de dingen die u zou willen te weten komen. Maar ik ben er me van bewust dat het niet haar fout is en ook niet de uwe. Ik heb haar weldoener gevraagd of u zou mogen aanwezig zijn wanneer het verband voor de ogen van de patiënte wordt weggenomen. Ook heb ik hiervoor zijn beste vrienden ingeschakeld. Reken daarbij nog mijn lofbetuigingen aan zijn adres ; maar dit alles heeft niet mogen baten. De blinddoek zal vallen zonder uw bijzijn. Hooggeplaatste personen, samen met de filosofen, delen in de eer van zijn weigering. In één woord, M. de Réaumur wil niet dat de sluier valt in aanwezigheid van personen die er ongewenste gevolgtrekkingen uit zouden kunnen maken.

U wil waarschijnlijk graag weten wat de reden is waarom deze sluwe academicus zijn experimenten liever in het geheim uitvoert, daar waar u terecht bemerkt, dat die juist zouden moeten bijgewoond worden door een zo groot mogelijk aantal verlichte geesten. Welnu, Mevrouw, weet dan dat de werkzaamheden van zo'n beroemd man niet veel toeschouwers vereisen, maar wel veel toehoorders, eenmaal het werk is uitgevoerd. Ik ben dus terug bij mijn eerste doelstelling beland, en bij gebrek aan een experiment waar ik noch voor mij noch voor u enig nut in zag, maar waar Mr. de Réaumur zeker veel meer baat bij zal hebben, ben ik, samen met enkele vrienden, aan het filosoferen gegaan over dit interessante onderwerp. Wat jammer dat ik u niet deelachtig kan maken van onze gesprekken ; al was het maar om mijn al te lichtzinnig gemaakte belofte omtrent het spektakel te kunnen goedmaken !

Op dezelfde dag waarop de dochter van Simoneau door de Pruis geopereerd werd, zijn we de blindgeborene van Puiseaux gaan opzoeken. Het is een man met veel gezond verstand. Velen kennen hem. Hij is redelijk goed op de hoogte van scheikunde en hij heeft met succes lessen in botanica gevolgd in de Tuin van de Koning. Zijn vader was een gevierd filosoof aan de Universiteit van Parijs. Met zijn niet onaardig vermogen had hij zonder problemen de zintuigen kunnen bevredigen die hij nog heeft. Maar in zijn jeugdige onbezonnenheid verbraste hij zijn fortuin, hierbij geholpen door zijn vrienden. Gekweld door materiële problemen leeft hij nu teruggetrokken in een klein provinciestadje. Eenmaal per jaar bezoekt hij Parijs. Tot ieders tevredenheid brengt hij zelfgedistilleerde likeur mee. U ziet, Mevrouw, dat dit alles weinig filosofisch klinkt, maar dit maakt de man des te menselijker.

Toen we omstreeks 5 u 's avonds aankwamen troffen we onze blinde man aan, bezig met het leesonderricht van zijn zoon, met behulp van letters in reliëf. Hij was nog maar juist één uur wakker, want, zoals u waarschijnlijk weet, begint de dag van een blinde wanneer die voor ons eindigt. Hij heeft de gewoonte om zich met het huishouden bezig te houden en werkt terwijl de anderen slapen. Tijdens de nacht wordt hij immers niet gestoord en stoort ook zelf niemand. Hij begint met alles terug op zijn plaats te zetten wat de anderen overdag verplaatst hebben. Wanneer zijn vrouw opstaat, vindt ze het huis volledig aan kant. Het feit, dat blinden verplaatste voorwerpen moeilijk terugvinden, maakt van hen ordelijke mensen. En ik heb bemerkt dat de mensen in hun nabijheid eveneens die gewoonte hebben ; misschien komt dit doordat ze het goede voorbeeld volgen. Of is het gewoon een uiting van menslievendheid ? Al deze kleine lieve attenties maken het leven van de blinden zoveel gelukkiger ! Als zelfs wij er al behoefte aan hebben ! Grootse gebaren zijn als goud- en zilverstukken die we zelden gebruiken, maar kleine attenties zijn als wisselgeld ; je gebruikt het de hele tijd.

Onze blinde stelt symmetrie erg op prijs. Symmetrie mag dan voor ons misschien een louter conventionele afspraak zijn, voor een blinde is ze van het hoogste belang. Met de tastzin leert de blinde de verhoudingen kennen van voorwerpen die wij mooi noemen. Hierdoor leert hij dit begrip op de juiste wijze toepassen. Maar wanneer hij zegt : Dat is mooi, dan velt hij zelf geen oordeel, maar geeft hij het oordeel weer van anderen, van hen die kunnen zien. Het merendeel van de mensen die een toneelstuk of een boek beoordelen doen trouwens niet anders.

Schoonheid is voor een blinde slechts een woord, wanneer het voorwerp voor hem van geen nut is. Hoeveel dingen bestaan er dus niet waarvan het nut hem ontgaat, daar hij over een zintuig minder beschikt ! Moeten we de blinden ook niet beklagen, wanneer mooi voor hen goed of bruikbaar betekent ? Hoeveel wonderbaarlijke dingen moeten zij niet derven ! Dit gebrek wordt weliswaar goedgemaakt door de gedachten die ze zich over schoonheid vormen, gedachten die misschien minder groots zijn, maar die heel wat diepzinniger zijn dan die van de vermeende helderziende filosofen die er uitvoerige traktaten aan hebben gewijd.

Onze blinde spreekt telkens weer over spiegels. U kunt zich echter voorstellen dat hij niet weet wat het woord spiegel betekent ; nochtans zal hij nooit het spiegelende oppervlak van een spiegel naar het daglicht houden. Hij doet even zinvolle uitspraken over de kwaliteiten en gebreken van het orgaan dat hij mist, als eender welke ziende. Zelfs wanneer hij zich geen voorstelling vormt bij de begrippen die hij gebruikt, dan nog heeft hij het voordeel dat hij ze nooit te onpas gebruikt. Hij kan zo verbazend goed en zo juist praten over dingen die voor hem nochtans totaal onbekend zijn, dat het ons leert dat we er goed aan zouden doen om minder snel gevolgtrekkingen te maken over wat er omgaat in het binnenste van iemand anders.

Ik vroeg hem wat hij onder een spiegel verstond : Het is een instrument, antwoordde hij, dat de dingen in reliëf brengt op een zekere afstand, op voorwaarde dat ze juist geplaatst zijn ten opzichte van de spiegel ; zoals mijn hand, die ik niet naast een voorwerp mag plaatsen om het te kunnen voelen. Moest Descartes blind geboren zijn geweest, dan denk ik dat hij deze definitie zou toegejuicht hebben.

Laat ons even nagaan op welke scherpzinninge wijze bepaalde verbanden zijn gelegd geworden om tot deze uitspraak te komen. Onze blinde heeft slechts kennis van de voorwerpen door middel van de tastzin. Hij weet van anderen dat men voorwerpen herkent door ze te zien, zoals hij ze leert kennen door ze aan te raken ; dat is de trouwens de enige wijze waardoor hij er een begrip kan van vormen.

Hij weet ook hij dat men zijn eigen gelaat niet kan zien, maar wel kan aanraken. Hieruit besluit hij dat het gezichtsvermogen een vorm van aanraken is die uitsluitend betrekking heeft op alles wat niet ons eigen gelaat is en van ons verwijderd is. De tastzin licht hem slechts in over het reliëf van een voorwerp. Een spiegel is dus een instrument dat ons in reliëf brengt buiten onszelf. Hoeveel befaamde filosofen zijn er niet geweest die minder nauwgezetheid aan de dag hebben gelegd om tot dezelfde weliswaar verkeerde besluiten te komen. Hoe wonderbaarlijk moet een spiegel wel niet zijn voor onze blinde ! Zijn verbazing werd nog groter toen we hem vertelden dat er instrumenten bestaan die voorwerpen kunnen vergroten ; dat er andere zijn die de voorwerpen, zonder ze te verdubbelen, ogenschijnlijk kunnen verplaatsen, d.w.z., verwijderen of naderbij brengen. Er bestaan zelfs instrumenten die in staat zijn, ten behoeve van de natuuronderzoekers, de kleinste details van de voorwerpen weer te geven, instrumenten die voorwerpen duizendvoudig kunnen verveelvoudigen en instrumenten die voorwerpen kunnen vervormen.

Hij stelde ons honderd en één gekke vragen over deze fenomenen. Zo vroeg hij bijvoorbeeld of enkel de zogenaamde natuurkundigen door een microscoop konden zien en of de astronomen de enigen zijn die door een telescoop konden kijken. Hij vroeg ons ook of het instrument dat voorwerpen vergroot groter is dan het instrument dat de dingen verkleint en of het instrument dat dichterbij brengt korter is dan hetgene dat verwijdert. Daarbij begreep hij hoegenaamd niet hoe die andere ik, die door de spiegel in reliëf wordt gebracht, niet tastbaar is. Dit zijn dus twee zintuiglijke waarnemingen, zo besloot hij, die door een instrumentje met elkaar in tegenspraak komen. Moest het instrument volmaakter zijn, dan zouden ze misschien wel in overeenstemming zijn, zonder dat de voorwerpen daarom reëler zouden zijn. Misschien dat een derde instrument, ditmaal uiterst volmaakt en betrouwbaar, de tegenspraak zou doen verdwijnen en ons op een fout zou wijzen.

Wat zijn, volgens u, ogen ? vroeg hem Mr. de...

Het is een orgaan, antwoordde de blinde, waarop de lucht dezelfde invloed heeft als de stok op mijn hand. Dit antwoord verbaasde ons, maar wekte tevens onze bewondering op, terwijl hij verder ging : Dit wil zeggen, dat wanneer ik mijn hand tussen uw ogen en een voorwerp plaats, het voorwerp verdwijnt en enkel mijn hand zichtbaar is. Mij overkomt hetzelfde, wanneer ik een voorwerp zoek met mijn stok, en ik per vergissing op iets anders stoot.

Mevrouw, slaat u de Dioptrique van Descartes open en u zult er het verschijnsel van het gezichtsvermogen in verband gebracht vinden met het verschijnsel van de tastzin. Op de tekeningen ter illustratie van de optica, zult u mensen zien afgebeeld die kijken met behulp van een stok. Descartes en zijn opvolgers zijn er niet in geslaagd om ons een duidelijker inzicht te geven over het fenomeen van het zicht. De grote filosoof heeft op dit vlak nauwelijks meer voorsprong op de ideeën van onze blinde dan mensen die kunnen zien.

Niemand van ons waagde het om hem te ondervragen over de schilderkunst en over het schrift ; we waren er trouwens van overtuigd dat er geen enkele vraag bestond waarbij zijn toelichting ons niet zou hebben voldaan. Zonder twijfel zou hij ons geantwoord hebben dat de poging om te kijken en te lezen zonder ogen gelijk staat aan het zoeken van een speld met een dikke stok.

We vertelden hem enkel van die soorten perspectieven die reliëf geven aan de voorwerpen en die veel gelijkenis vertonen met onze spiegels en er tegelijkertijd toch zo verschillend van zijn. We bemerkten dat dit meer schade toebracht dan goed deed aan het idee dat hij zich gevormd had van een spiegel en dat hij geneigd was te geloven, dat een spiegel die voorwerpen schilderde, de schilder er toe bracht de geschilderde voorwerpen misschien voor te stellen door een spiegel.

We zagen hem garen door piepkleine naaldjes rijgen. Mogen we u verzoeken, Mevrouw, om uw lectuur even te onderbreken om u concreet voor te stellen hoe u deze opgave in zijn plaats zou aanpakken ? Voor het geval u geen enkele oplossing zou vinden, zal ik u die van onze blinde even voorstellen. Hij plaatst het oog van de naald dwars tussen zijn lippen evenwijdig met de mondlijn en zuigt de draad doorheen het oog van de naald ; tenzij deze te dik zou zijn, maar in dit geval betekent dit even goed een probleem voor de ziende als voor de niet-ziende.

Hij heeft een verbazingwekkend goed geheugen voor geluiden ; de verscheidenheid die wij terugvinden in de verschillende gelaatsuitdrukkingen is niet groter dan de verscheidenheid die de blinde waarneemt in de verschillende stemgeluiden. Het oneindig aantal schakeringen ontgaat ons omdat wij er, anders dan de blinde, geen belang bij hebben. Het is met die nuances zoals met ons eigen gelaat. Van alle mensen die we reeds hebben ontmoet herinneren we ons het minst goed onszelf. Wij bestuderen iemands gelaat om hem te kunnen herkennen. Indien we onszelf minder goed herinneren, dan is dit omdat we onszelf niet kunnen waarnemen zoals een buitenstaande dat doet. Trouwens de hulp die onze zintuigen mekaar bieden verhindert de vervolmaking ervan.

Dit is niet de enige gelegenheid waarbij ik dit zal bemerken. Onze blinde merkt hieromtrent op dat hij zichzelf wel zou kunnen beklagen, omdat hij niet dezelfde voordelen heeft als wij, en dat hij daardoor de neiging heeft om ons als hogerstaande wezens te beschouwen, moest hij niet dikwijls ondervonden hebben hoe wij op andere punten voor hem moeten onderdoen. Deze bedenking leidde ons onwillekeurig tot een andere. Deze blinde, zo dachten we, waardeert zichzelf even veel of misschien zelfs nog meer dan wij die kunnen zien. Waarom zou dan een dier, als het zou kunnen redeneren, wat we zonder enige twijfel mogen aannemen, door zijn voordelen op de mens te overwegen -voordelen die hij beter kent dan die van de mens op hem- niet een gelijkaardig oordeel kunnen vellen ? Hij heeft armen, zegt het fruitvliegje misschien, maar ik heb vleugels. Hij mag dan wel wapens bezitten, zegt de leeuw, maar hebben wij geen klauwen ? Voor de olifant zijn wij als insecten. De dieren kennen ons welwillend een verstand toe maar een instinct moeten we missen. Ze zijn er van overtuigd dat zij een instinct bezitten waarmee ze ons verstand overtreffen. Wij hebben zo sterk de neiging om onze kwaliteiten te overschatten en onze gebreken te minimaliseren, dat het bijna lijkt alsof de mens pleit voor kracht en het dier voor rede

Iemand van het gezelschap wilde van de blinde weten of hij graag zou kunnen zien : Moest ik niet zo nieuwsgierig zijn, antwoordde hij, dan zou ik net zo graag langere armen willen hebben : ik denk dat mijn handen me meer zouden kunnen leren, van wat er bijvoorbeeld op de maan gebeurt, dan dat ik dat met behulp van ogen en telescopen zou kunnen ervaren ; daarbij houden ogen vlugger op met “zien” dan handen met “voelen”. Het zou dus voor mij zeker zo belangrijk zijn dat men het orgaan dat ik bezit vervolmaakt dan dat men mij een orgaan zou schenken dat ik niet bezit.

Naar Inhoudstafel van de Brief over de blinden

Naar Inhoudstafel van Le Petit Cuistre 2002 Nr 2

Brief over de Blinden – tweede deel

Een blinde kan met zo'n trefzekerheid de richting bepalen van waaruit het geluid van een stem komt, dat ik er niet aan twijfel dat die bekwaamheid ook een gevaar inhoudt. Sta me toe u een voorbeeld te geven dat u ervan zal overtuigen hoe gevaarlijk het zou kunnen zijn moest hij u met een steen bekogelen of met een pistool bedreigen, voor zover hij de gewoonte zou hebben om zich van een wapen te bedienen. Zo had hij eens in zijn jeugd ruzie met één van zijn broers, die het duur moest bekopen. Moe getergd door lastige opmerkingen die hij te horen kreeg, greep onze blinde het eerste het beste voorwerp vast, slingerde het naar zijn broer en raakte hem exact op zijn voorhoofd, zodat deze bewusteloos op de grond viel.

Deze onaangename ervaring en nog een aantal andere onverkwikkelijke zaken noodzaakten de broer beroep te doen op de politie. De uiterlijke tekenen van macht die ons zo intimideren hebben uiteraard geen vat op een blinde. Hij verscheen dan ook voor de magistraat, net zoals hij voor om het even wie zou verschijnen. Dreigementen boezemden hem nauwelijks vrees in. “Wat zult u met mij doen ?”, vroeg hij aan M. Herault. “Ik zal u in een diepe put werpen”, antwoordde de magistraat. “Maar mijnheer”, antwoordde hij daarop, “ik bevind mij reeds 25 jaar in een put”. Hoe juist de bal teruggekaatst, mevrouw ! Uit dit antwoord blijkt dat hij al even graag moraliseert als ik ! Wij nemen afscheid van het leven als van een schouwtoneel ; de blinde echter stapt eruit zoals uit een gevangenis : wij hebben misschien meer plezier beleefd aan het leven maar een blinde daarentegen sterft met minder spijt.

De blinde van Puiseaux schat de nabijheid van een vuur aan de hand van de intensiteit van de uitgestraalde warmte. Aan het geluid dat een vloeistof maakt, wanneer hij er een vat mee vult, oordeelt hij hoe vol dit reeds is. De nabijheid van een lichaam wordt hij gewaar aan de luchtverplaatsing op zijn gezicht. Hij is zo gevoelig voor de geringste luchtwerveling, dat hij een straat kan onderscheiden van een doodlopende steeg. Hij kan verbazend goed het gewicht van een lichaam schatten of de inhoud van een vat. Met zijn armen vormt hij een volmaakte weegschaal en met zijn vingers een efficiënte passer. Moest men een wedstrijd uitschrijven voor deze disciplines, dan verwed ik er alles om dat de blinde het haalt van twintig personen die kunnen zien. Het oppervlak van een lichaam heeft voor hem nauwelijks minder nuances dan de intonaties van een stem. Men moet dus niet bang zijn dat hij zijn eigen vrouw zou verwarren met iemand anders, tenzij natuurlijk dat dit voor hem een voordelige ruil zou betekenen.

Het heeft er alle schijn van dat de vrouwen gemeenschappelijk bezit zouden zijn bij een blinde bevolking en dat zij strenge wetten ter bestrijding van overspel zouden hebben. Het is immers voor een blinde vrouw heel gemakkelijk om haar man te bedriegen, door eenvoudigweg een teken af te spreken met haar minnaar.

Met de tastzin beoordeelt hij of iemand mooi is ; dat is begrijpelijk. Minder evident echter lijkt voor ons het feit dat hij tevens uitspraak en klank van de stem van die persoon laat meespelen in zijn beoordeling. Ik laat het aan de anatomisten over om te bepalen of er een verband bestaat tussen de vorm van mond en gehemelte en die van het gelaat. Op een draaibank kan hij kleine werkjes verrichten en hij is bijzonder handig met de naald ; voor het nivelleren van een oppervlak gebruikt hij een winkelhaak, net zoals wij. Machines voor dagelijks gebruik haalt hij uit elkaar en kan ze weer in elkaar steken. Hij kent voldoende muziek om een stuk uit te voeren, als men hem inlicht over de te spelen noten en hun waarden. De tijdsduur van iets bepaalt hij met grotere nauwkeurigheid dan wij dat zouden kunnen doen, door middel van de opeenvolging van ideeën en handelingen. Een mooie huid, of men gezet is of gespierd, een zachte adem, de charme van stem en uitspraak ; het zijn allemaal eigenschappen waar hij grote aandacht aan schenkt en veel waarde aan hecht bij zijn beoordeling.

Hij is getrouwd om op die wijze om ogen te bezitten. Hij heeft ook weloverwogen om met een dove op te trekken. Als wederdienst zou die dan over zijn oren kunnen beschikken. Dat alles maakte dat ik verstomd stond over zoveel vaardigheid en bekwaamheid. Toen we hem hierover onze verwondering lieten blijken, zei hij : “Mijne heren, ik merk duidelijk dat jullie niet blind zijn. Jullie zijn verbaasd over wat ik allemaal kan doen. Waarom zijn jullie dan niet niet verbaasd dat ik ook kan spreken.”. Ik denk dat deze vraag meer filosofie bevat dan hij zelf vermoedt. Het gemak waarmee wij leren spreken is verbazingwekkend. Een taal bevat nochtans talloze begrippen die staan voor niet-tastbare voorwerpen en die we slechts kunnen omschrijven wanneer er een idee achter schuilt. Ideeën die we ons vormen door middel van meerdere nauwkeurige en betekenisvolle verbanden die we leggen tussen deze niet-tastbare dingen en een aantal associaties die ze oproepen ; bijgevolg moeten we aannemen dat een blind-geborene meer moeilijkheden zal ondervinden bij het leren spreken dan iemand anders. Omdat het aantal niet-tastbare voorwerpen voor een blinde veel groter is dan voor ons, is het vergelijkingsveld waarover hij beschikt en waarin hij verbanden kan leggen immers aanzienlijk kleiner. Hoe wilt u hem bijvoorbeeld het begrip gelaatsuitdrukking bijbrengen ? Dit is nu juist een begrip dat weinig tot de verbeelding van een blinde spreekt en dat zelfs voor ons moeilijk te omschrijven is : wat begrijpen wij trouwens onder gelaatsuitdrukking ?

Wanneer dit begrip betrekking zou hebben op de ogen, dan helpt hier geen tastzin. Wat betekent immers voor een blinde dode ogen, levendige ogen, guitige ogen enz …

Hieruit moet ik besluiten dat de samenwerking tussen zintuigen en hun respectievelijke organen voor ons een groot voordeel biedt. Het zou echter heel anders zijn indien we ieder zintuig afzonderlijk zouden gebruiken of indien we meerdere zintuigen nooit tegelijkertijd zouden gebruiken, in het geval dat één enkel zintuig zou volstaan. Heeft men voldoende aan zijn beide ogen en voegt men er nog de tastzin aan toe, dan stemt dit overeen met de werking van een stel vurige paarden die naar één kant trekken en waar men nog een derde ros als voorpaard heeft aan toegevoegd, dat naar de andere kant trekt.

Ik twijfel er niet aan dat de staat van onze organen en zintuigen een grote invloed op onze geestelijke en morele toestand heeft en dat onze meest zuivere intellectuele ideeën, om het zo uit te drukken, in nauwe wisselwerking staan met het lichaam. Ik ben dan ook onze blinde gaan ondervragen over deugd en ondeugd. Ik bemerkte allereerst dat hij een grondige afkeer had van diefstal ; dit om twee redenen : ten eerste, het feit dat hij gemakkelijk kon beroofd worden zonder dat hij iets zou merken en ten tweede, vooral het feit dat hij gemakkelijk kon gezien worden indien hij zelf zou stelen. Dit betekent niet dat hij niet bewust is van de neiging waar wij meer last van hebben of dat hij niet zou weten hoe hij een diefstal moest verhelen.

Hij maakt niet veel drukte over schaamtegevoel en moest het niet zijn omwille van gure weersomstandigheden, dan zou hij nauwelijks de noodzaak van kleding begrijpen. Eerlijk gezegd, is het hem een raadsel waarom men het ene lichaamsdeel wel bedekt en het andere niet en het is hem nog minder duidelijk voor welke belachelijke reden men dan nog vooral bepaalde delen bedekt die, gezien hun gebruik en onhandige manipuleerbaarheid eigenlijk beter zouden bloot gelaten worden. Alhoewel we in een eeuw leven waarin de filosofische geest ons heeft bevrijd van veel vooroordelen, geloof ik toch nooit dat we ooit zover zullen komen dat we de verworvenheid van schaamtegevoel in dezelfde mate zullen miskennen als onze blinde. Diogenes zou voor hem helemaal geen filosoof geweest zijn.

Uiterlijk vertoon van ongeluk, dat bij ons medelijden opwekt en de gedachte aan pijn, raakt een blinde niet. Zij worden slechts getroffen door het geklaag dat zij horen. Op die manier verdenk ik een blinde van onmenselijkheid. Maar welk verschil bestaat er voor een blinde tussen een man die urineert en iemand die, zonder te klagen, aan het bloeden is ? Geldt ook niet voor ons, dat we geen medelijden voelen als een gewonde zich op een grote afstand bevindt. De geringe afmeting van een waargenomen voorwerp heeft dezelfde uitwerking op ons als blindheid voor de blinde. Onze deugden hangen dus wel degelijk af van de wijze waarop en de hevigheid waarmee we de uiterlijke dingen waarnemen.

Daarom twijfel ik er niet aan dat veel mensen, onafgezien van de straf die er aan vasthangt, er minder moeite zouden mee hebben om een man te doden die zich op een grote afstand bevindt, zodat die niet veel groter lijkt dan bijvoorbeeld een zwaluw, dan dat ze een os eigenhandig zouden moeten afmaken. Als we medelijden voelen voor een paard dat lijdt en anderzijds een mier kunnen plattrappen zonder gewetensbezwaren, is dit dan niet hetzelfde beginsel dat ons beweegt ? Ach, Mevrouw, wat een verschil tussen onze moraal en die van de blinden ! En hoe verschillend weer de moraal van een dove en die van een blinde ; om maar te zwijgen over de moraal van een wezen dat over een zintuig meer zou beschikken. Hoe onvolmaakt zou die onze moraal wel niet vinden !

Onze metafysica verschilt al evenzeer met die van de blinden. Hoeveel van hun metafysische ideeën komen ons niet als onzinnig over, en vice versa. Ik zou u in dit verband een verhaaltje kunnen vertellen dat u zeker grappig zal vinden, maar dat sommige mensen, die overal kwaad achter zoeken, als een gebrek aan religiositeit zouden bestempelen ; alsof ik bij machte ben om de blinden dingen die ze zelf ervaren anders te laten interpreteren. Ik beperk me dus tot die ene vaststelling, waar iedereen het wel met me eens zal zijn, dat argumentatie gesteund op euforische bewoordingen over de wonderen der natuur, niet opgaat voor een blinde.

Het gemak waarmee wij zogenaamd nieuwe voorwerpen met behulp van een spiegeltje kunnen creëren is voor hen moeilijker te vatten dan het bestaan van de hemellichamen, die ze toch nooit zullen kunnen aanschouwen. De grote lichtbol die van oost naar west schuift maakt minder indruk op hen dan een klein vuurtje dat ze zelf in staat zijn aan te wakkeren of te doven. Vermits ze de materie veel abstracter beschouwen dan wij, zijn ze minder ver verwijderd van het geloof dat materie denkvermogen bezit.

Moest men een man, die slechts één of twee dagen heeft kunnen zien, temidden van een groep blinden plaatsen, dan zou die genoodzaakt zijn te zwijgen, wil hij niet voor gek doorgaan. Telkens weer zou hij met iets opzienbarends komen aandraven, dat voor de blinden echter een mysterie zou blijven, en waaraan de verstandigsten onder hen zelfs geen geloof zouden kunnen hechten. Zouden de verdedigers van het geloof geen voordeel kunnen halen uit deze koppige ongelovigheid, die in zekere zin gepast is, maar die nochtans op zo weinig steunt ?

Laten we even deze gedachte verder zetten, dan zal u dit ongetwijfeld doen denken aan de vervolgingen, die hebben plaats gehad in duistere tijden, van diegenen die het ongeluk hadden om met de waarheid in aanraking te komen. Zij begingen de onvoorzichtigheid om die waarheid aan hun blinde tijdgenoten te verkondigen. Overigens zijn er geen wredere vijanden dan zij die door status en opvoeding het dichtst bij het nieuwe gedachtengoed staan.

Ik leg nu moraal en metafysica van de blinden terzijde. Ik wil het nu hebben over dingen die minder belangrijk zijn, maar die meer in verband staan met het doel van de onderzoekingen, waar men zich mee bezig houdt sinds de aankomst van de Pruis.

Eerste vraag : Op welke wijze vormt een blindgeborene zich een idee van een figuur ? Ik meen dat hij weet wat richting is, door de bewegingen van zijn lichaam, door de opeenvolgende plaatsen die zijn hand kan innemen en door het gevoel van een voorwerp dat tussen zijn vingers glijdt. Beweegt hij bijvoorbeeld met zijn vingers langs een strak gespannen touw, dan vormt hij zich een goed beeld van een rechte lijn ; volgt hij echter met zijn vingers de boog van een loshangend touw, dan weet hij wat een gebogen lijn betekent. Algemeen kunnen we dus stellen dat hij zich door opeenvolgende ervaringen van de tastzin, verschillende gewaarwordingen op onderscheidenlijke plaatsen kan herinneren. Het ligt nu aan hem om die gewaarwordingen aan elkaar te rijgen, om zo hieruit een beeld van een aantal figuren te vormen.

Naar Inhoudstafel van de Brief over de blinden

Naar Inhoudstafel van Le Petit Cuistre 2002 Nr 3

Brief over de Blinden – derde deel

Voor een blindgeborene die geen kennis heeft van meetkundige figuren betekent een rechte lijn de herinnering aan een reeks aanrakingen langsheen een gespannen koord ; een gebogen lijn, de herinnering aan een reeks aanrakingen langsheen een vast hol- of bolvormig lichaam. Een meetkundige kan door onderzoek het begrip van die lijnen verbeteren dankzij de eigenschappen die hij bij hen ontdekt. Maar meetkundige of geen meetkundige, de blindgeborene herleidt alles tot de toppen van zijn vingers. Wij kunnen gekleurde punten met elkaar verbinden ; hij daarentegen kan enkel voelbare punten met elkaar in verband brengen, met andere woorden, aanrakingen die hij zich herinnert. In zijn hoofd gaan er heel andere denkprocessen om dan in het onze. Hij kan zich niets inbeelden ; immers om zich een figuur in te beelden moet men een achtergrond inkleuren met daarop de punten van de figuur in een andere kleur. Hebben die punten dezelfde kleur als de achtergrond dan verdwijnt het beeld ; tenminste, zo stel ik het mij voor en ik neem aan dat dit ook voor anderen geldt. Wanneer ik in gedachten probeer een rechte lijn voor te stellen op een andere wijze dan door haar specifieke eigenschappen, dan stel ik me een wit oppervlak voor met daarop een reeks zwarte punten die in dezelfde richting lopen. Hoe contrasterender de kleur van achtergrond en punten hoe duidelijker ik de lijn kan zien. Het zich inbeelden van een figuur waarvan de kleur weinig verschilt met de achtergrond vermoeit evenzeer als het bekijken van een schilderij waarvan de kleuren zich onderling weinig onderscheiden.

Zoals u ziet, Mevrouw, zou men regels kunnen opstellen hoe men op een gemakkelijke wijze meerdere voorwerpen van verschillende kleur zou kunnen inbeelden. Deze regels zouden echter niet gelden voor een blind geborene. Die kent immers geen kleuren en kan zich bijgevolg niets voorstellen wat wij hieronder verstaan. Hij beschikt slechts over de herinnering van een aantal aanrakingen waardoor hij punten, plaatsen en afstanden met elkaar in verband kan brengen en waarmee hij figuren samenstelt. Zonder kleur kunnen we ons niets inbeelden. Wanneer men ons in het donker kleine bolletjes zou aanreiken waarvan we de samenstelling noch de kleur kennen dan zouden we die ons onmiddellijk als wit, zwart of gekleurd voorstellen. Als we er geen kleur aan vasthechten, zoals dit geldt voor de blindgeborene, hebben we enkel de herinnering aan de geringe gewaarwordingen aan onze vingertoppen die kleine bolletjes veroorzaken. De herinnering aan de bolletjes is voor ons zeer vluchtig en we kunnen ons nauwelijks voorstellen hoe een blindgeborene de ervaring van zijn tastzin vastlegt, die terug oproept en onderlinge verbanden legt. Dit komt doordat wij kunnen zien en daardoor de gewoonte hebben in onze verbeelding alles weer te geven in kleur. Nochtans is het mij ook overkomen, in een toestand van hevige emotie, een rilling door mijn hand te voelen gaan die de gewaarwording in herinnering bracht van de lichamen die ik voorheen had aangeraakt alsof ik ze nu nog voelde Daarbij was de gewaarwording even intens als toen die lichamen aanwezig waren. Alhoewel de gewaarwording geen ruimtelijke afmeting heeft neemt ze toch, om het zo uit te drukken, een bepaalde ruimte in die de blindgeborene in gedachten kan uitbreiden of inkrimpen door de betreffende gewaarwording in intensiteit te vergroten of te verkleinen. Op die wijze stelt hij punten samen, vlakken en vaste lichamen van allerlei afmetingen. Hij kan zich zelfs inbeelden dat een vingertop zo groot is als een wereldbol.

Ik ken niets dat beter het bestaan bewijst van dit innerlijke zintuig. De bekwaamheid om zich de gewaarwording van lichamen in herinnering te brengen, zelfs wanneer ze afwezig zijn en dus niet op hen kunnen inwerken, is bij ons zwak ontwikkeld maar des te sterker bij de blindgeborenen. We kunnen de blindgeborene niet duidelijk maken hoe onze verbeelding afwezige voorwerpen oproept, alsof ze in onze geest aanwezig zijn. Daarentegen kunnen wij zeer goed bij onszelf de bekwaamheid herkennen om met onze vingertoppen een lichaam te voelen dat er niet meer is, net zoals de blindgeborene dit kan. Het volstaat hiervoor de wijsvinger heel stevig tegen de duim te drukken, de ogen te sluiten en vervolgens de vingers te openen. Lange tijd nadien is de gewaarwording van druk nog voelbaar. Tijdens het samendrukken van beide vingers blijkt de geest eerder in ons hoofd aanwezig dan in onze vingertoppen. Is het niet zo dat deze druk, door de ruimte die de gewaarwording inneemt, het idee van een oppervlak geeft ? Wij maken een onderscheid tussen de aanwezigheid van een lichaam buiten ons en een lichaam in onze verbeelding naargelang de kracht die de waarneming van het betreffende lichaam op ons maakt. Op dezelfde wijze maakt de blindgeborene een onderscheid tussen een reëel aanwezig lichaam en een vroegere gewaarwording naargelang de sterkte of zwakte van de gewaarwording met zijn vingertoppen.

Moest er ooit een blind- en doofgeboren filosoof een mens ontwerpen naar het evenbeeld van Descartes, dan ben ik ervan overtuigd, Mevrouw, dat hij de geest ervan zou plaatsen in de vingertoppen ; want daar doet hij voornamelijk zijn gewaarwordingen en kennis op. Maar wie zou er hem op wijzen dat het hoofd de zetel is van de gedachten ? Indien het inbeelden van voorwerpen onze geest vermoeit dan komt dat doordat die inspanning erg gelijkt op de inspanning die we moeten doen om voorwerpen te zien die heel dichtbij staan of zeer klein zijn. Maar dit gaat niet op voor de blind- en doofgeborene : de gewaarwordingen die hij heeft ervaren door de tastzin zullen zowaar de mal vormen voor al zijn ideeën. Het zou me trouwens niet verwonderen moest hij, na een diepe meditatie, even vermoeide vingers hebben als wij een vermoeid hoofd. Ik vrees echter dat een filosoof zou opperen dat de zenuwen de oorzaak zijn van onze gewaarwordingen en dat die allemaal vertrekken vanuit onze hersenen. Wanneer beide stellingen zouden zijn bewezen, wat niet het geval is, vooral voor wat de eerste betreft, dan zou het voor onze blinde voldoende zijn zich te laten onderrichten in de wetenschap van de natuurkundigen daaromtrent, om in zijn overtuiging te volharden.

Indien de verbeelding van een blinde niets anders is dan het vermogen om zich zijn gewaarwording van tastbare punten te herinneren en onderling te verbinden en die van een ziende het vermogen om zich zichtbare of gekleurde punten te herinneren en te verbinden, dan kan men daaruit afleiden dat de blindgeborene de dingen op een veel abstractere wijze ziet dan wij. Bijgevolg zal hij zich in abstracte beschouwingen minder vlug vergissen, want abstractie bestaat erin met de geest de gevoelseigenschappen van de lichamen te scheiden, ofwel onderling, ofwel van het lichaam zelf waaruit de geest is ontstaan.

Vergissingen ontstaan wanneer deze scheiding slecht of te onpas wordt gedaan ; slecht bij metafysische vragen en te onpas bij natuur-wiskundige problemen. Zo zal men in de metafysica zich vrijwel zeker vergissen wanneer men de voorwerpen waarmee men bezig is niet voldoende vereenvoudigt. Regelrecht slechte resultaten verkrijgt men in natuur-wiskundige problemen wanneer men die eenvoudiger voorstelt dan ze in werkelijkheid zijn.

Er bestaat een soort van abstractie waartoe zo weinig mensen in staat zijn dat ze lijkt voorbehouden aan louter intellectuelen. Het betreft hier de abstractie waarbij men alles herleidt tot numerieke waarden. De formules van die meetkunde zijn zeer algemeen en de resultaten ervan juist. Om het even welk voorwerp zowel in de natuur als in onze verbeelding zoals punten, lijnen, vlakken, vaste lichamen, ideeën, gewaarwordingen … wordt door een natuurlijk getal voorgesteld. Dit is de leer van Pythagoras en we mogen wel stellen dat zijn project is mislukt. Die wijze van filosoferen gaat ons ver te boven en leunt te veel aan bij de leer van het Opperwezen. Volgens een spitsvondige uitspraak van een Engels meetkundige wordt daardoor het universum tot in alle eeuwigheid gegeometriseerd.

Deze louter numerieke eenheid is voor ons een te vaag en te algemeen symbool. Onze zintuigen pleiten meer voor tekens die dicht aanleunen bij de uitgebreidheid van onze geest en bij de bouw van onze organen. We hebben het zelfs zo aangelegd dat die tekens gemeenschappelijk bezit zijn en in zekere zin kunnen dienen als opslagplaats voor wederzijdse uitwisseling van ideeën. Er zijn tekens voor de ogen, dit zijn de lettertekens en tekens voor de oren, dit zijn de gearticuleerde klanken. We hebben er echter geen voor de tastzin hoewel er een specifieke wijze is om dit zintuig aan te spreken en antwoorden te bekomen. Bij gebrek aan deze taal is de communicatie volledig verbroken tussen ons en diegenen die doof, stom en blind geboren werden. Zij groeien op maar ze blijven steken in een staat van achterlijkheid. Misschien zouden ze wel ideeën kunnen verkrijgen moesten we ze vanaf hun geboorte op een standvastige welbepaalde, immer gelijkvormige wijze onze tekens aanleren door deze op hun hand te griffen, tekens waaraan zij een onveranderlijke betekenis zouden hechten.

abascus1.jpg
Figuur 1 en 2

Lijkt deze taal, Mevrouw, u niet even handig als om het even welke andere ? Is die ook niet volledig uitgevonden ? En durft u beweren dat men u nooit iets op die wijze heeft duidelijk gemaakt ? Wanneer we van mening zouden zijn dat het weergeven door middel van klassieke schriftuurkarakters te langzaam is voor dit zintuig dan komt het er op aan om die tekens vast te leggen en er een spraakkunst en een woordenboek voor te maken. Er zijn drie poorten waarlangs kennis onze geest kan binnendringen. Eén ervan houden we gesloten omdat het ons aan tekens ontbreekt. Indien we die twee andere hadden verwaarloosd dan waren we tot de dierlijke staat gedoemd geweest. Zoals we slechts kunnen knijpen om ons door aanraking te laten opmerken zo kunnen we enkel roepen om gehoord te worden. Men moet één zintuig missen, Mevrouw, om de voordelen van tekens te kennen. Zij die jammer genoeg doof, blind en stom zijn of die het zijn geworden door een of ander ongeluk zouden het zeer op prijs stellen moest er een duidelijke en nauwkeurige taal voor aanrakingen bestaan.

Het gaat immers veel vlugger om bestaande symbolen te gebruiken dan om er uit te vinden zoals men wel eens noodgedwongen moet doen. Het zou voor Saunderson een groot voordeel geweest zijn moest hij op 5-jarige leeftijd een tastbare rekenkunde ter beschikking hebben gehad in plaats van dat hij er op 25-jarige leeftijd één heeft moeten uitvinden. Die Saunderson, Mevrouw, is een andere blinde waarover ik u graag één en ander wilde vertellen. Wonderlijke verhalen doen over hem de ronde, over zijn verdiensten op literair en wiskundig vlak.

Zowel voor zijn algebraïsche berekeningen als voor de beschrijving van rechtlijnige figuren gebruikte hij één en dezelfde machine. Zo u wil luisteren dan zal ik u alles uitleggen, en u zal zien dat er geen enkele kennis voor vereist is die u niet zou bezitten. De methode zal u nog nuttige diensten kunnen bewijzen moest u ooit lange en moeizame berekeningen moeten doen.

Stel u een vierkant voor verdeeld in vier gelijke delen door lijnen die loodrecht op elkaar staan (fig. 1) zodat u negen snijpunten bekomt : 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9. Het vierkant kan 2 soorten spelden bevatten : spelden met een dikke kop en spelden met een kleine kop. De spelden met een dikke kop worden in steeds het midden van het vierkant geplaatst, die met een kleine kop altijd op de zijkanten, behalve in het geval van de voorstelling van het getal 1 : speld met kleine kop geplaatst in het midden van het vierkant. De nul wordt voorgesteld door een speld met een dikke kop, geplaatst in het midden van het vierkant ; het getal 2, door een speld met dikke kop in het midden van het vierkant en een speld met kleine kop op punt 1 van het vierkant ; het getal 3, door een speld met dikke kop in het midden van het vierkant en een speld met kleine kop op punt 2 van het vierkant ; het getal 4, door een speld met dikke kop in het midden van het vierkant en een speld met kleine kop op punt 3 van het vierkant ; het getal 5, door een speld met dikke kop in het midden van het vierkant en een speld met kleine kop op punt 4 van het vierkant ; het getal 6, door een speld met dikke kop in het midden van het vierkant en een speld met kleine kop op punt 5 van het vierkant ; het getal 7, door een speld met grote kop in het midden van het vierkant en een speld met kleine kop op punt 6 van he vierkant ; het getal 8, door een speld met grote kop in het midden van het vierkant en een speld met kleine kop op punt 7 van het vierkant en tenslotte het getal 9, door een speld met grote kop in het midden van het vierkant en een speld met kleine kop op punt 8 van het vierkant.

Elk afzonderlijk hoger beschreven schema komt overeen met één van onze rekenkundige symbolen. De blindgeborene kan de getallen herkennen met behulp van zijn vingertoppen.

Naar Inhoudstafel van de Brief over de blinden

Naar Inhoudstafel van Le Petit Cuistre 2003 Nr 1

Brief over de Blinden – vierde deel

Stel u nu een tabel voor die ingedeeld is in kleine vierkantjes, op gelijke afstanden van elkaar, zowel horizontaal als verticaal, en u hebt het instrument waarmee de blinde Saunderson zijn rekenkundige bewerkingen kon uitvoeren. Om het even welk getal kan ermee voorgesteld worden (Fig. 3).


abascus3.jpgabascus3f.png
Fig. 3: Abascus van Saunderson

Stel nu dat we de som willen vinden van de hierboven 9 willekeurige getallen. Hiertoe stelt men op de abacus het eerste getal voor op de eerste rij, het tweede getal op de tweede rij, de eenheden onder de eenheden, de tientallen onder de tientallen, enz. Het derde getal bevindt zich op de derde rij, enz.

De som van de getallen vind ik door met mijn vingers de verticale kolommen van boven naaar beneden te doorlopen, te beginnen met de uiterst rechtse kolom, en ik tel alle cijfers op. Het overschot van de tientallen (Red : de eenheden) schrijf ik in een nieuwe rij onderaan van de tabel. Op dezelfde wijze ga ik verder met de tweede kolom (Red: kolommen van rechts naar links geordend), vervolgens met de derde kolom enz ; en zo voltooi ik mijn optelling (Red: mits rekening te houden van de tientallen van de vorige stap).

abascus4.jpg
Fig. 4 : Voorstelling van meetkundige figuren

De abacus van Saunderson kon ook dienst doen om de eigenschappen van rechtlijnige figuren te onderzoeken. Veronderstellen we dat onze blinde moest aantonen dat 2 parallellogrammen met dezelfde basis en dezelfde hoogte dezelfde oppervlakte hebben. Hiertoe plaatste hij de spelden zoals voorgesteld wordt in Fig 4. De verschillende hoekpunten herkende hij door onderscheiden- lijke aanduidingen, en op die wijze voerde hij de bewijsvoering van het gestelde probleem uit.

Als we aannemen, dat Saunderson enkel spelden met grote koppen gebruikte om de grenzen van zijn figuren af te bakenen, dan beschikte hij nog over de spelden met kleine koppen om, op negen verschillende wijzen, de hoekpunten van de figuren aan te duiden. En wanneer dit nog niet voldoende was voor zijn betoog, aarzelde hij niet om zijn toevlucht te nemen tot de letters van het alfabet. Men heeft ons echter niet verteld hoe hij dit deed. We weten enkel dat hij zijn tabel overliep met verrassend soepele vingers en met succes lange bewerkingen kon maken. Hij kon ze onderbreken, en wanneer hij een fout ontdekte kon hij zijn berekeningen gemakkelijk verbeteren. Dit werk kostte minder moeite dan men redelijkerwijze zou moeten aannemen ; dit alles dank zij een efficiënte voorbereiding van de tabel.

Die voorbereiding bestond erin in het midden van elk vierkant een speld met een grote kop te plaatsen. De voorstelling van elk cijfer werd dan bekomen door toevoeging van een speld met een kleine kop (Red : Zoals reeds hoger beschreven). Het cijfer 1 werd steeds voorgesteld door een speld met een kleine kop, in het midden van het vierkant.

abascus5.jpg
Fig. 5 : Begrenzing van de figuren
met zijden draden

Het gebeurde ook wel, dat hij de lijnen van een figuur niet volledig met spelden voorstelde, maar zich beperkte tot de hoekpunten en de snijpunten, waartussen hij zijden draden spande, om zo de figuren af te bakenen (Fig. 5).

Hij heeft een aantal instrumenten nagelaten ter vereenvoudiging van de studie van de meetkunde : hoe men ze moest gebruiken weten we niet ; en er is misschien meer wijsheid vereist om dat te ontdekken, dan het oplossen van een probleem uit de integraalrekening.

Zou een meetkundige ons kunnen leren waarvoor vier stukken hout in de vorm van een parallellopipedum moesten dienen, stevige latten van elk elf duim lang en vijf en een halve duim breed en een dikte van anderhalve duim. De twee grote tegenover elkaar liggende vlakken waren verdeeld in kleine vierkantjes, zoals die van de abacus die ik zojuist beschreven heb, met het enige verschil dat ze slechts op enkele plaatsen waren doorboord. Door die gaten werden spelden tot aan hun kop gestoken.

Elk oppervlak was samengesteld uit negen kleine rekenkundige tabellen van elk tien getallen, en ieder getal bestond uit vijf cijfers. Op de hiernavolgende figuur (Fig. 6) ziet u één van die tabellen.


abascus6.jpgabascus6f.png
Fig. 6 : Tabel

Hij heeft ook een wiskundig werk geschreven dat volmaakt is in zijn genre. Het betreft hier de Élements d'algèbre. Het is slechts door de gekunstelde aanpak van sommige bewijzen, dat men merkt dat hij blind was. Een ziende zou misschien niet diezelfde moeilijkheden ondervonden hebben.

Hij toonde aan dat men een kubus in zes gelijke pyramiden kon verdelen, met hun toppen in het centrum en met als grondvlak één van de zijvlakken van de kubus. Van die bevinding maakt men gebruik om op een zeer eenvoudige manier aan te tonen, dat elke pyramide het derde deel is van een prisma met dezelfde basis en dezelfde hoogte.

Zijn interesse voor de studie van de wiskunde was de drijfveer en zijn bescheiden financiële toestand en de aansporingen van zijn vrienden deden hem besluiten om lessen in het openbaar te geven. Zijn vrienden twijfelden er geen ogenblik aan dat hij hierin erg succesvol zou zijn, daar hij een buitengewone gave bezat om het publiek te bereiken. Saunderson sprak inderdaad zijn leerlingen aan als mensen die eveneens blind waren. Een blinde die duidelijk verstaanbaar is voor blinden moet nog veel duidelijker overkomen voor mensen die wel kunnen zien ; ze krijgen als het ware een telescoop erbij.

Diegenen die zijn leven beschreven hebben vermelden dat hij bol stond van goed gekozen uitspraken ; en dat is erg geloofwaardig. Maar wat bedoelt u met goed gekozen uitspraken, zult u nu misschien vragen. Wel, Mevrouw, het zijn uitspraken die eigen zijn aan een welbepaald zintuig, aan de tastzin bijvoorbeeld, en die tegelijkertijd een metafoor zijn voor een ander zintuig, bijvoorbeeld voor de ogen ; vandaar dat die dubbel zo duidelijk overkomen voor diegene tot wie men spreekt : het werkelijke en directe licht van de uitspraak en het weerkaatste licht van de metafoor.

Nochtans blijkt dat Saunderson, hoe scherpzinnig hij ook was, zichzelf maar half begreep. Dat kwam doordat hij slechts begrip had van de helft van de ideeën die verbonden waren met de termen die hij gebruikte. Maar wie bevindt zich al eens niet in hetzelfde geval ' Het komt veel voor bij geestesgestoorden, die dikwijls uitstekende grappenmakers zijn, evenals bij uitermate verstandige personen die soms een geestigheid niet snappen, omdat zij er zich niet van bewust zijn.

Ik heb opgemerkt dat een geringe woordenschat hetzelfde effect heeft op buitenlanders die nog niet vertrouwd zijn met een taal : ze zijn verplicht om alles met een beperkt aantal woorden uit te drukken. Zo kunnen ze soms heel gelukkig gekozen uitspraken doen. Maar elke taal is over het algemeen arm aan specifieke woorden waar schrijvers met een levendige fantasie zo'n behoefte aan hebben. Ze bevinden zich vaak in hetzelfde geval als de buitenlanders die begiftigd zijn met een gevatte geest. De gebeurtenissen die ze vertellen, de gevoelsschakeringen die ze in de karakters bemerken en hun naïeve beschrijvingen van gewisse feiten, doen hen altijd afwijken van het normale taalgebruik.

Ze moeten een beroep doen op zinswendingen die soms opmerkelijk zijn, tenminste als ze niet onduidelijk of te bijzonder gekozen zijn. Dit zijn fouten die men hen gemakkelijker of minder gemakkelijk vergeeft naargelang men zelf over veel gezond verstand beschikt en minder over kennis van de taal.

Voor deze reden valt Mr. de Marivaux van alle Franse auteurs het best in de smaak bij de Engelsen en wordt Tacitus, van alle Latijnse schrijvers, het meest gewaardeerd door de denkers. De vrijheden van de taal ontgaan ons, maar we zijn wel alert voor het gebruik van een juiste terminologie.

Saunderson onderrichtte wiskunde aan de universiteit van Cambridge met een opmerkelijk succes. Hij gaf lessen in optica, hij hield lezingen over de aard van het licht en de kleuren, hij onderwees de theorie van het zien, hij had het over de verschillende effecten van lenzen, over het verschijnsel van de regenboog en over allerlei onderwerpen die in verband stonden met het gezichtsvermogen.

Die dingen verliezen veel van hun wonderbaarlijkheid, Mevrouw, als men bedenkt dat bij elk probleem dat zich stelt in de fysica en de meetkunde, dat men drie dingen in acht moet nemen : het verschijnsel dat moet verklaard worden, de veronderstellingen van de meetkundige en de berekeningen die een gevolg zijn van die veronderstellingen. Het spreekt voor zich dat, welke inspanningen de blinde ook moge leveren om door te dringen in deze materie, de verschijnselen van het licht en de kleuren voor hem altijd onbereikbaar zullen zijn. Hij zal de veronderstellingen wel begrijpen, omdat die allemaal in verband staan met tastbare oorzaken, maar hij zal helemaal niet de reden begrijpen waarom de meetkundige er de voorkeur heeft aan gegeven ; want hij zou de veronderstellingen moeten kunnen vergelijken met de verschijnselen zelf. De blinde aanvaardt de veronderstellingen zoals ze hem worden doorgegeven : een lichtstraal als een dunne rekbare draad, ofwel als een opeenvolging van kleine lichamen die op ons netvlies inslaan met grote snelheid ; en hij rekent navenant. De stap van de natuurkunde naar de meetkunde is gezet, en het probleem wordt louter wiskundig.

Maar wat te denken over de resultaten van de berekening ?

  1. Dat het soms zeer moeilijk is om die te bekomen. Een natuurkundige zou nooit gelukkig zijn moest hij de hypothesen die de natuur het dichtst benaderen niet kon toetsen aan de meetkunde. Beroemde fysici zoals Galileï, Descartes en Newton, waren immers eveneens grote meetkundigen.
  2. Dat de resultaten minder of meer zeker zijn naargelang men vertrekt van hypothesen die minder of meer ingewikkeld zijn. Wanneer de berekening steunt op een eenvoudige hypothese, dan verkrijgen de besluiten meetkundige bewijskracht. Wanneer het aantal hypothesen zeer groot is, dan zal de kans dat elke hypothese de juiste zou zijn verkleinen, juist omwille van het groot aantal hypothesen.

Anderzijds zal het de kans op een juist resultaat vergroten, omdat het onwaarschijnlijk is dat meerdere verkeerde hypothesen mekaar kunnen opheffen, zodat men een resultaat bekomt dat in overeenstemming is met het verschijnsel. Dit laatste komt op hetzelfde neer als zou men een optelling hebben gemaakt waarvan het resultaat juist is, ondanks het feit dat de tussensommen foutief werden genomen. We kunnen ons voorstellen dat zoiets mogelijk is ; maar we zullen wel moeten toegeven dat dit uiterst zelden voorkomt. Hoe meer getallen men moet optellen, des te sneller zal met bemerken dat men zich vergist heeft. Dit zal echter minder opvallen als het resutaat van de berekening juist is. Bij een toenemend aantal hypothesen vermindert de kans meer en meer dat het resultaat juist is.

Stel dat A plus B plus C gelijk is aan 50, mag ik dan besluiten dat 50 het resultaat van het verschijnsel is en dat de hypothesen voorgesteld door de letters A, B, en C juist zijn ? Helemaal niet, want er zijn ontelbare mogelijkheden om iets van de ene letter af te trekken en bij de twee andere letters iets bij te voegen, zodat de uitkomst nog altijd 50 bedraagt. In het geval van drie hypothesen is de mogelijkheid op een foutief resultaat al veel groter.

Een niet te vergeten voordeel van de berekening bestaat erin dat verkeerde veronderstellingen uitgesloten worden door de tegenstelling tussen het resultaat en het verschijnsel. Wanneer een natuurkundige de kromming van een lichtstraal die de atmosfeer doorkruist wenst te bepalen, dan is hij verplicht om rekening te houden met de dichtheid van de luchtlagen, met de wet van de straalbreking, met de aard en de vorm van de lichtdeeltjes ; en misschien nog met vele andere wezenlijke elementen die hij er niet bij betrekt, ofwel omdat hij ze vrijwillig negeert ofwel omdat hij er niet van op de hoogte is. Dan eerst zal hij de kromming van de straal kunnen bepalen. Wijkt de berekende straal van de natuurlijke lichtstraal af ? Zijn de veronderstellingen onvolledig of verkeerd ? Verloopt de straal volgens de berekende kromme ? Het is of het een of het ander : ofwel zijn de veronderstellingen verkeerd ofwel zijn ze juist ; maar welke van de twee is juist ? Hij weet het niet. Dit is nochtans de enige zekerheid die hij bij zulke berekeningen kan behalen.

Ik heb de Elementen van de Algebra van Saunderson overlopen in de hoop om er te vinden wat ik wenste te weten te komen van diegenen die hem goed gekend hebben en die ons enkele bijzonderheden over zijn leven hebben verteld ; maar mijn nieuwsgierigheid werd niet bevredigd. Ik heb begrepen dat de meetkundige elementen, gezien op zijn wijze, een zeer vreemd werk zouden hebben opgeleverd, dat echter wel van groot nut zou kunnen zijn. We zouden er de definities hebben gevonden van het punt ; van de lijn, van het oppervlak, van het vast lichaam, van de hoek, van elkaar snijdende lijnen en vlakken ; en ik twijfel er niet aan dat hij een beroep zou hebben gedaan op de beginselen van een abstracte metafysica die zeer dicht bij die van de idealisten staat.

Men bestempelt als idealisten die filosofen die zich slechts bewust zijn van hun bestaan en van de opeenvolgende innerlijke gewaarwordingen, en die ook niets anders willen aanvaarden. Het betreft een vergezocht systeem dat volgens mij enkel zijn ontstaan heeft te danken aan blinden ; een systeem dat, tot grote schande van de menselijke geest en van de filosofie, met de grootste moeite te bestrijden is, alhoewel het het meest onzinnige is van alle filosofische stelsels. Doctor Berkeley, bisschop van Cloyne, heeft het in drie dialogen openhartig en duidelijk uiteengezet. We zouden de schrijver van het Essai sur nos connaissances moeten verzoeken om dit werk te bestuderen ; hij zou er stof vinden tot nuttige, aangename, en fijnzinnige bedenkingen, kortom zoals we van hem gewoon zijn. Het idealisme is het waard dat hij van het bestaan ervan op de hoogte wordt gebracht. Dit bizarre systeem is in staat om zijn nieuwsgierigheid te prikkelen, minder door zijn eigenaardigheid dan door de moeilijkheid om het te weerleggen in zijn beginselen, want die zijn precies dezelfde als die van Berkeley.

Volgens allebei en volgens de rede, zijn de termen essentie, materie, substantie, substraat enz… niet verhelderend voor onze geest. Trouwens, zo merkt de schrijver van het Essai sur l'origine des connaissances humaines schrander op, of we ons nu verheffen tot in de hemel ofwel afdalen in de hel, we kunnen nooit uit onszelf treden en we zien enkel onze gedachten.

Dit is het resultaat van de eerste dialoog van Berkeley en het fundament waarop zijn systeem steunt. Bent u niet nieuwsgierig om de woordenwisseling te volgen tussen twee vijanden met practisch gelijkaardige wapens ? Als één van de twee zou zegevieren dan zou het diegene zijn die er het handigst mee kan omgaan ; maar de schijver van het Essai sur l'origine des connaissances humaines levert in zijn Traité sur les Systèmes nieuwe bewijzen van de handige manier waarop hij met zijn wapens kan omgaan en toont aan hoe gevaarlijk hij is voor hen die systematisch te werk gaan.

Dit leidt ons wel zeer ver van de blinden, zult u terecht opmerken, maar ik vraag u, Mevrouw, me al deze uitweidingen te vergeven. Ik heb u een onderhoud beloofd, maar ik kan mijn woord niet houden als u mij deze gunst niet verleent.

Naar Inhoudstafel van de Brief over de blinden

Naar Inhoudstafel van Le Petit Cuistre 2004 Nr 2

Brief over de Blinden – vijfde deel

Ik heb met aandacht gelezen wat Saunderson heeft geschreven over het oneindig kleine en ik kan u verzekeren dat hij over dit onderwerp heel juiste en welomschreven ideeën had. Voor hem waren trouwens onze zogezegde infinite-simaalkenners blinden. Maar oordeelt u zelf. Het onderwerp is behoorlijk moeilijk en valt min of meer buiten uw mathematische kennis, maar ik ben ervan overtuigd dat ik u in de infinitesimaalrekening zou kunnen inwijden.

Het voorbeeld van deze beroemde blinde toont aan dat de tastzin, wanneer die door oefening wordt vervolmaakt, gevoeliger is dan het gezichtsvermogen. Gleed hij met de vingers over een reeks muntstukken dan kon hij de echte van de valse onderscheiden, alhoewel die bijzonder goed waren nagemaakt ; zelfs een kenner kon het verschil niet zien. Hij oordeelde over de nauwkeurigheid van een mathematisch instrument door de toppen van zijn vingers over de verdelingen te laten glijden, wat heel wat moeilijker is dan de gelijkenis te beoordelen van een buste met de persoon die ze voorstelt. Hieraan ziet men dat een volk van blinden even goed zijn beeldhouwers kan hebben. Met hun standbeelden beogen zij hetzelfde als wij, namelijk de heldhaftige daden van geliefde personen te vereeuwigen. Ik vraag me zelfs af of de emotie die ze ondervinden bij het aanraken van een standbeeld niet groter is dan het gevoel dat wij ondervinden bij het zien van een dergelijk beeld. Hoe heerlijk is het voor een tedere minnaar om zijn handen te laten glijden over de charmes die hij herkent. Voor een blinde is die belevenis veel groter dan voor een ziende en hoe meer hij van die aanraking geniet, hoe minder spijt hij zal hebben dat hij blind is.

Saunderson was, net zoals de blinde van Puisseaux, gevoelig voor de geringste atmosferische verandering en in rustige weersomstandigheden kon hij de aanwezigheid gewaar worden van voorwerpen die zich op enkele passen van hem bevonden. Men vertelt dat hij op zekere dag astronomische waarnemingen bijwoonde in een tuin. De wolken die van tijd tot tijd voor de zon schoven en zo het zicht voor de astronomen belemmerde, veranderden gevoelig de straling op zijn gezicht, zodat hij de gunstige en ongunstige momenten om waar te nemen kon herkennen.

Nu denkt u misschien dat er zich in zijn ogen één of andere trilling voordeed, die er hem van verwittigde wanneer er licht aanwezig was, maar niet wanneer er voorwerpen waren. Ik zou er net zo over gedacht hebben, indien Saunderson niet enkel het gezichtsvermogen ontbeerde, maar tevens het orgaan waarmee men ziet. Saunderson zag dus als het ware met zijn huid ; dit omhulsel was zo gevoelig, dat men gerust kan stellen dat hij, mits enige oefening, erin zou slagen om zijn vriend te herkennen, wanneer een tekenaar diens portret in zijn hand zou tekenen. De blinde zou naargelang het vorderenen van de potloodlijnen, bevestigen : dit is Mr. X. Er bestaat dus zoiets als een schilderkunst voor blinden, waarbij de huid het doek voorstelt. Deze gedachten zijn geen hersenspinsels ; integendeel, ik ben ervan overtuigd dat, wanneer iemand het mondje van M. op uw hand zou tekenen, u het onmiddellijk zou herkennen.

Maar geef toe, dat dit nog veel gemakkelijker zou zijn voor een blindgeborene dan voor u, ondanks het voordeel dat u hebt om dit mondje regelmatig te zien en te genieten van zijn schoonheid. Uw oordeel wordt immers bepaald door twee factoren : 1. de vergelijking tussen de tekening die men maakt op uw hand en deze die zich gevormd heeft op uw netvlies ; 2. De herinnering aan wat men bespeurd heeft bij dingen die men heeft gevoeld en wat, bij dingen die men heeft gezien en bewonderd. Die gegevens moeten u in staat stellen de vraag te beantwoorden van de tekenaar, die met de punt van zijn potlood een mondje op uw hand tekent : Aan wie behoort dit mondje toe ? Zo ook voor de blinde voor wie het geheel van gewaarwordingen, die opgewekt worden door zijn hand te kussen, gelijkaardig zijn aan de gewaarwordingen in zijn hand, die achtereenvolgens ontstaan door het potlood van de tekenaar.

Ik zou nog vele verhalen kunnen opdissen, naast dat van de blinde van Puisseaux en van Saunderson, zoals het verhaal van Didyme van Alexandrië of dit van Eusèbe de Asiaat en van Nicaise van Méchlin, en van nog zo vele anderen. Ze waren allen zo ver verheven boven de andere stervelingen, ondanks hun handicap, dat de dichters beweerden dat het wel leek alsof de jaloerse goden hen opzettelijk een handicap hadden bezorgd ; omdat ze hen anders te veel zouden evenaren. De overlevering leert ons ook, dat de filosoof Tiresias, die het geheim van de goden had ontsluierd en de gave bezat om de toekomst te voorspellen, blind was. Maar laat ons niet te veel afwijken van het levensverhaal van Saunderson en deze buitengewone man volgen tot aan zijn dood.

Toen hij stervende was haalde men er een schrandere priester bij, Mr. Gervaise Holmes. Ze hadden een gesprek over het bestaan van God, waarvan enkele fragmenten bewaard zijn gebleven en die ik zo goed als mogelijk voor u zal vertalen. Ze zijn echt wel de moeite waard. De priester had het onmiddellijk over de wonderen van de natuur :

Zeg meneer ! antwoordde de blinde filosoof, zwijg me over dat mooie spektakel dat nooit voor mij werd opgevoerd. Ik ben veroordeeld om mijn leven in duisternis door te brengen, en u haalt daar wonderen aan die niet voor mij bestemd zijn en die slechts bewijzen vormen voor diegenen die kunnen zien. Als u wil dat ik in God geloof, dan moet ik hem kunnen aanraken.

Mijnheer, antwoordde de priester sluw, laat uw handen over uw eigen lichaam glijden en u zult de goddelijkheid herkennen in de volmaakte werking van uw organen. Mijnheer Holmes, antwoordde Saunderson, ik herhaal nogmaals, dat dit allemaal voor mij niet zo mooi is als voor u. Maar is het lichamelijk mechanisme wel zo volmaakt als u beweert. Ik wil dit graag geloven, want u bent een rechtschapen man die me nooit zou bedriegen. Maar wat heeft die volmaaktheid gemeen met een wezen dat oneindig volmaakt is ? Als u zich verwondert over iets, komt dat dan niet, doordat u de gewoonte hebt om alles wat boven uw krachten gaat “wonderbaarlijk” te noemen. Ikzelf was voor u zo vaak het voorwerp van bewondering, zodat ik nu een geringe waardering heb over wat u kan verwonderen. In Engeland heb ik de aandacht van vele mensen op mij getrokken, die het onbegrijpelijk vonden, dat ik in staat was om meetkunde te beoefenen. U moet wel weten dat die mensen geen juist beeld hadden van de mogelijkheden van een heleboel dingen. Wanneer een natuurkundig verschijnsel onverklaarbaar is voor ons mensen, dan zeggen wij onmiddellijk “dat is het werk van God” ; onze ijdelheid neemt met minder geen genoegen. Kunnen wij in onze uitspraken niet wat minder ijdelheid leggen en een beetje meer filosofie ? En als de natuur ons een probleem stelt dat we niet kunnen oplossen, laten we dan niet teveel aandringen, anders zou zich wel eens een nieuw probleem kunnen stellen. Vragen we aan een Indiër waarom de wereld in de lucht blijft hangen, dan zal hij antwoorden, dat de aarde gedragen wordt op de rug van een olifant ; en waarop steunt de olifant ? Op een schildpad, en wie ondersteunt de schildpad ?… U heeft medelijden met deze Indiër, maar men zou zowel aan u als aan hem kunnen zeggen : “Mijnheer Holmes, goede vriend, geef maar toe dat ge het niet weet en vooral bespaar me uw olifant en schildpad”.

Saunderson zweeg een ogenblik, hij verwachtte blijkbaar een antwoord van de priester. Maar wat kon een priester hierop antwoorden aan een blinde ? Mr Holmes maakte daarom zijn rechtschapenheid ten gelde en beriep zich op Newton, Leibniz, Clarke en nog een aantal van zijn landgenoten, allen universele geleerden die getroffen waren geweest door de wonderen van de natuur en die hierin de hand zagen van een intelligent wezen. Dit was ontegensprekelijk het beste wat de priester Saunderson kon tegenwerpen. En inderdaad gaf de brave blinde toe, dat het stoutmoedig zou zijn om een man als Newton in twijfel te trekken. Hij voegde er echter wel aan toe, dat de getuigenis van Newton voor hem niet even overtuigend was als de getuigenis van de hele natuur voor Newton, en dat Newton het woord van God geloofde en hij slechts het woord van Newton.

U moet beseffen, Mijnheer Holmes, dat ik veel vertrouwen in uw woord moet hebben en in dat van Newton. Ik kan niet zien en nochtans ervaar ik in alles een ongelooflijke orde ; meer kan u van mij zal verlangen. Ik geef dit grif toe voor de huidige toestand van het universum, maar ik verlang dan ook van u dat u mijn vrijheid respecteert om te denken wat ik wil over zijn oorspronkelijke toestand, waarvoor u even blind bent als ik. Hiervoor kunt u op geen beroep doen op getuigen en uw ogen zijn u van geen nut. U mag gerust geloven dat die orde er altijd geweest is, maar sta mij dan ook toe om het tegendeel te geloven. Moesten we terugkeren naar het begin der tijden en der dingen en getuige zijn van een alom bewegende materie en een chaos die zich begint te ontwarren, dan zouden we ook een groot aantal vormeloze wezens zien en een aantal goed gevormde. Als ik u niets kan tegenwerpen over de huidige toestand der dingen, dan kan ik u op zijn minst toch wel ondervragen over hun toestand in het verleden. Zo zou ik u kunnen vragen wie van u, Leibniz, Clarke of Newton mij kan inlichten of bij het ontstaan van de dieren er geen bij waren zonder hoofd of poten ? Ik kan me inbeelden dat er wezens waren die het zonder maag of ingewanden moesten stellen. Zij die een maag, een mond en tanden hadden leken voorbestemd om verder te bestaan, maar zijn misschien ten onder gegaan door één of andere tekortkoming van het hart of van de longen. De monsterachtige structuren stierven één na één totdat alle ongunstige samenstellingen van de materie verdwenen waren en enkel die overbleven waarvan het mecha-nisme geen noemenswaardige tegenstellingen bevatte. Die konden zelfstandig blijven bestaan en verder evolueren.

Veronderstellen we even dat de eerste mens een gesloten larynx had en dat hij geen fatsoenlijk voedsel had gevonden. Veronderstel verder dat hij zijn voortplantingsorganen niet had gebruikt of dat hij zijn gezellin niet had gevonden, dan waren we geëvolueerd in een andere soort, Mijnheer Holmes. Wat zou het menselijke ras dan geworden zijn ? Het zou zijn opgegaan in de algehele loutering van het universum en dat ijdele wezen dat zich mens noemt, zou zijn opgelost en verspreid tussen de materiedeeltjes van het heelal, en voor altijd een optie gebleven zijn

Als er geen vormeloze wezens waren, dan zou u zeker beweren dat die ook nooit zullen ontstaan en dat ik me overgeef aan hersenspinsels. Maar de orde is nooit zo volmaakt, ging Saunderson verder, of ze brengt toch af en toe monsters voort. Vervolgens keerde hij zich naar de priester : Kijk me aan, Mijnheer Holmes, ik heb geen ogen. Wat hebben u en ik god aangedaan omdat de ene dit orgaan zou bezitten en de andere het moet ontberen ?

Saunderson leek zo oprecht en ontroerd toen hij die woorden uitsprak, dat de predikant en de rest van het gezelschap diep geroerd werden en in zijn leed deelden en bittere tranen weenden. De blinde bemerkte het en sprak :

Mijnheer Holmes, ik wist dat je een goed hart hebt en ik ben zeer gevoelig aan de bewijzen die u me zojuist hebt geleverd ; maar als u om mij geeft, misgun me dan niet, op mijn doodsbed, de troost die ik put uit de wetenschap dat ik nooit iemand heb droevig heb gemaakt.

En hij vervolgde op een vastberadener toon :

Ik kan dus veronderstellen dat in het begin, toen de gistende materie het universum deed ontluiken, er velen waren zoals ik. Maar waarom zou ik niet dezelfde bedenkingen mogen maken over de werelden als over de dieren ? Hoeveel mislukte en gebrekkige werelden zijn er misschien niet verdwenen, om zich opnieuw te vormen en terug te verdwijnen, op ieder ogenblik, ergens ver weg in de ruimte, die ik niet kan aanraken en die u niet kan zien.

Werelden waarin beweging primeert en steeds weer brokken materie met elkaar verbindt, totdat ze uiteindelijk een verbinding heeft bekomen die kan blijven bestaan. O filosofen, begeef u toch samen met mij naar de verste uithoeken van dit universum, voorbij het punt waar ik tast en waar goedgevormde wezens huizen. Verken die nieuwe oceaan en zoek doorheen zijn woelige bewegingen de overblijfselen van dit intelligente wezen waarvan u hier de wijsheid bewondert !

Maar welk nut heeft het om u uit uw element te trekken ? Wat is dit eigen-lijk voor een wereld, Mijnheer Holmes ? Een geheel dat voortdurend onderhevig is aan omwentelingen, die allemaal zonder uitzondering streven naar vernietiging ; een snelle opeenvolging van wezens die groeien en weer verdwijnen ; een voorbijgaande symmetrie, een orde voor de duur van een ogenblik. Daarjuist verweet ik u dat u de volmaaktheid van de dingen afmeet met uw begripsvermogen. Ik zou u hier kunnen beschuldigen er de tijdsduur van te meten aan de hand van de duur van uw dagen. U oordeelt over het bestaan van de wereld zoals de eendagsvlieg over het uwe. Voor u is de wereld eeuwig net zoals u eeuwig bent voor het wezen dat slechts een ogenblik leeft. Dan nog is het insect redelijker dan u. Een wonderlijke opeenvolging van vluchtige soorten is het bewijs van uw eeuwigheid ! Een lange traditie ! Nochtans zijn we allemaal gedoemd om te verdwijnen, zonder dat we de ware reikwijdte van dit bestaan hebben kunnen doorgronden, noch de juiste tijd die we hier hebben doorgebracht. Tijd, materie en ruimte zijn misschien slechts één punt.

Saunderson was door dit gesprek meer opgewonden geraakt dan goed voor hem was. Hij kreeg een aanval van geestesverwarring die enkele uren duurde en waaruit hij slechts ontwaakte om uit te roepen : O god van Clarke en Newton, heb medelijden met mij ! en te sterven.

Naar Inhoudstafel van de Brief over de blinden

Naar Inhoudstafel van Le Petit Cuistre 2004 Nr 3

Lettre sur les Aveugles – zesde deel

Zo stierf Saunderson. U ziet dus, Mevrouw, dat de argumenten van de priester onze blinde niet hebben kunnen geruststellen ; omdat hij ze één voor één in twijfel trok. Wat een schande voor allen die niet beter kunnen argumenteren, zij die nochtans kunnen zien en het ongelofelijke schouwspel van de natuur kunnen bewonderen, vanaf zonsopkomst tot het verdwijnen van de laatste sterren in de zonnegloed, een grootsheid die het bestaan en de glorie van zijn maker verkondigen ! Zij hebben ogen, Saunderson echter niet ; maar Saunderson was zedelijk hoogstaand en beschikte over een argeloos karakter dat anderen ontberen. Zij zijn eigenlijk blind, terwijl Saunderson sterft alsof hij kon zien. De stem van de natuur liet zich voldoende bij hem horen, bij middel van zijn overige organen. Zijn getuigenis wordt er des te sterker door, als we ze vergelijken met die van hen die koppig de oren en de ogen sluiten. Ik vraag me wel eens af of de ware god niet meer versluierd was voor Socrates, temidden van de duisternis van het heidendom, dan voor Saunderson die het schouwspel van de natuur moest missen.

Het spijt me werkelijk voor ons beiden, Mevrouw, dat men ons niet meer wetenswaardigheden over deze beroemde blinde heeft doorgespeeld. Misschien hadden zijn antwoorden ons meer inzicht gegeven dan alle proefnemingen die men ons heeft voorgesteld. We moeten aannemen dat de mensen die hem omringden weinig filosofisch geschoold waren. Ik maak hierbij echter een uitzondering voor zijn leerling, M.William Inchlif, die Saunderson op zijn sterfbed heeft ontmoet en die zijn laatste woorden heeft opgetekend. Ik raad eenieder aan die een beetje Engels kent om het origineel te lezen, in zijn boek dat gepubliceerd werd te Dublin in 1747, met als titel : “The Life and character of Dr. Nicholas Saunderson late lucasian Professor of mathematics at the university of Cambridge ; by his disciple and friend William Inchlif, Esq.” De tekst is aangenaam om te lezen en er straalt een kracht uit, oprechtheid en mildheid, die men in geen enkel ander geschrift tegenkomt. Dit zijn eigenschappen die ik helaas niet voldoende heb kunnen weergeven, ondanks al mijn inspanningen om ze te vervatten in mijn vertaling.

In 1713 huwde hij de dochter van M. Dickons, rector van Boxworth, in de buurt van Cambridge. Zij kregen een zoon en een dochter die nog in leven zijn. Het afscheid van zijn familie op zijn doodsbed was zeer ontroerend :

Ik ga daarheen, waar we ooit allemaal heengaan ; spaar me uw geween dat me triestig maakt. Jullie geklaag maakt me gevoelig voor mijn eigen leed. Zonder spijt neem ik afscheid van een leven dat voor mij slechts één lange hunkering was naar wat ik steeds heb moeten missen. Ik hoop dat jullie even deugdzaam maar gelukkiger zullen zijn dan ikzelf, en even vreedzaam mogen sterven.

Vervolgens tastte hij naar de hand van zijn vrouw en hield die enige ogenblikken vast ; hij wendde zijn gelaat naar haar toe, alsof hij haar wilde zien ; hij zegende zijn kinderen, omhelsde ze en vroeg hen vervolgens om de kamer te verlaten ; omdat hun aanwezigheid zijn gemoed erger beproefde dan de naderende dood.

Engeland mag dan al het land van filosofen zijn, nieuwsgierigen en systematici, zonder M. Inchlif evenwel zouden we over Saunderson niet veel meer hebben geweten dan wat de gewone mens over hem vertelt. Zo bijvoorbeeld herkende hij de plaatsen waar hij éénmaal was geweest, aan de weergalm van het geluid op muren en straatstenen en door nog vele andere gelijkaardige fenomenen waarmee de blinden zich behelpen. Maar wat dan nog ! Zo vaak komt men in Engeland toch geen blinden tegen met de verdiensten van een Saunderson, en nog minder ontmoet men personen die blind zijn en die desondanks onderricht geven in optica ?

Er zijn onderzoekeningen aan de gang om het zicht te herstellen van personen die blind zijn van bij hun geboorte. Op filosofisch vlak zouden we zeker heel veel kunnen leren van een begaafde blinde met een goede dosis gezond verstand. We zouden vernemen hoe hij de dingen ervaart en dit kunnen vergelijken met de wijze waarop wij ze ervaren. Met die kennis zouden we misschien een oplossing kunnen vinden voor de moeilijkheden die de theorie van de zintuigen en het zicht zo omslachtig en twijfelachtig maakt. Ik begrijp echter niet wat men verwacht van iemand die zojuist een pijnlijke operatie heeft ondergaan, van zo een uiterst gevoelig orgaan dat bij de geringste storing ontregeld is en dat meer dan eens diegenen, die er wel over kunnen beschikken, heeft misleidt. Persoonlijk zou ik eerder geloof hechten aan een theorie over de zintuigen van een blind metafysicus die vertrouwd is met de beginselen van de natuurkunde, de elementen van de wiskunde en van de opbouw van de organen, dan die van een man zonder enige opleiding en kennis bij wie men eveneens het zicht heeft hersteld. Ik zou minder vertrouwen stellen in de antwoorden van een gewoon sterveling die voor het eerst kan zien dan in de bevindingen van een filosoof die goed over de dingen heeft nagedacht in de duisternis ; of, om het met de dichters te zeggen, die er zijn ogen voor zou gegeven hebben om beter te begrijpen wat het gezichtsvermogen eigenlijk is.

Wanneer men dit soort van onderzoek enigszins geloofwaardig wil maken, dan moet men de patiënt op zijn minst gedurende langere tijd voorbereiden en opleiden. Misschien zou het zelf beter zijn van hem een filosoof te maken. Maar dit kan niet op één twee drie verwezenlijkt worden, zelfs wanneer men filosoof is, laat staan wanneer men geen filosoof is en erger nog, wanneer men denkt het te zijn. Het best is de waarnemingen aan te vatten geruime tijd na de operatie. Daartoe zou men de zieke in het donker moeten behandelen en zich er terdege van vergewissen dat de wonde volledig genezen is en dat zijn ogen weer gezond zijn.

Ik zou niet willen dat men hem te plots aan het volle daglicht zou blootstellen. Wij kunnen ook niets onderscheiden bij te hevig licht. Wat moet het dan wel niet zijn voor een zo uiterst gevoelig orgaan dat nog nooit aan enige indruk van buitenaf werd onderworpen. Maar dit is nog niet alles. Het blijft moeilijk om voordeel te halen uit iemand die op deze wijze werd voorbereid, om hem op dusdanige delicate wijze te ondervragen, dat hij heel nauwkeurig kan weergeven wat er in hem omgaat. De ondervraging zou het beste doorgaan in volle academiezaal. Beter nog, om te vermijden dat onbevoegden zich toegang zouden verschaffen, zou men op deze vergadering slechts hen mogen uitnodigen die door hun kennis op filosofisch, anatomisch vlak e.a. een waardevolle toeschouwer zouden kunnen zijn. De grootste denkers met al hun ervaring zouden zelfs nauwelijks goed genoeg hiervoor zijn. De delicate taak van de voorbereiding en de ondervraging van een persoon die blind geboren werd, zou met de gebundelde krachten van grote denkers zoals Newton, Descartes, Locke en Leibniz moeten kunnen worden uitgevoerd.

Ik beëindig deze al te uitvoerige brief met een vraag die reeds lang geleden werd gesteld en die, als gevolg van een aantal bedenkingen, in verband met de bijzondere toestand van Saunderson, me hebben doen inzien dat deze vraag nooit bevredigend werd beantwoord : veronderstellen we een persoon die blind geboren is en die door aanraking het onderscheid heeft leren maken tussen een kubus en een bol, beiden van hetzelfde metaal en ongeveer van dezelfde grootte, zodat hij, wanneer hij ze betast, kan zeggen welke de bol is en welke de kubus. Veronderstel nu dat deze blinde plotseling kan zien, zou hij dan een onderscheid kunnen maken tussen hun vorm zonder ze aan te raken en bepalen welke de kubus is en welke de bol die op de tafel staan ?

Mr. Molineux was de eerste die zich deze vraag stelde en er ook een antwoord op gaf. Hij was van mening dat de blinde geen onderscheid zou kunnen maken tussen de bol en de kubus ;

want, zo zei hij, alhoewel de blinde heeft geleerd op welke wijze hij een bol en een kubus, door ze te betasten, kan herkennen, dan weet hij daarom nog niet welke invloed de vorm van een voorwerp op zijn zicht heeft ; zo weet hij bijvoorbeeld niet hoe een vooruitstekende hoek van de kubus, die op onregelmatige wijze in zijn hand drukt, voor zijn ogen verschijnt. Hetzelfde geldt voor de gladde vorm van de bol.

Toen men Locke over dit onderwerp naar zijn mening vroeg, zei hij :

Ik ben het helemaal eens met Mr. Molineux. Ik denk dat de blinde, na een eerste blik, helemaal niet in staat zou zijn om met enige zekerheid te bepalen wat de kubus is en wat de bol, alhoewel hij ze stellig zou kunnen onderscheiden en de voorwerpen door hun verschil in vorm juist benoemen, mocht hij ze kunnen betasten.

Naar Inhoudstafel van de Brief over de blinden

Naar Inhoudstafel van Le Petit Cuistre 2005 Nr 1

Lettre sur les Aveugles – zevende deel

Ik beperk me ertoe te bemerken dat de redeneringen van Condillac er allemaal op neerkomen de vraag te beantwoorden of de blindgeborene, na de ingreep, kan zien en de kubus en de bol wel of niet van elkaar kan onderscheiden. De voorwaarde dat de twee lichamen van hetzelfde metaal moeten zijn en van ongeveer gelijke grootte –wat men van belang achtte bij de vraagstelling– speelt blijkbaar geen rol. Als er geen verband zou bestaan tussen de gewaarwording van het zicht en die van de tast, zoals Locke en Molineux beweren, dan zal men toch moeten toegeven dat een lichaam van 2 voet groot door een hand kan bedekt worden. De Abbé voegt er aan toe dat, in het geval dat de blindgeborene de lichamen ziet en de vorm ervan kan onderscheiden, maar toch twijfelt over de beoordeling die hij er moet over uitspreken, die beoordeling uit metafysische redenen volgt. Ik zal het daar later over hebben.

Dit zijn dus twee verschillende benaderingen van één en hetzelfde probleem en door filosofen van gelijke geleerdheid. Door het onderzoek van Molineux, Locke en Abbé de Condillac zou het probleem volledig uitgeklaard moeten zijn. Nochtans zijn er zoveel invalshoeken waaronder het probleem kan bekeken worden, dat het me zou verwonderen dat we die allemaal aan bod hebben laten komen zijn. Zij die beweren, dat de blindgeborene een kubus van een bol kan onderscheiden, zijn van een veronderstelling vertrokken die men veel grondiger had moeten onderzoeken. Ze hebben immers gemeend dat de blindgeborene na zijn cataract-operatie onmiddellijk zijn ogen zou kunnen gebruiken :

De blindgeborene die de idee van een bol en een kubus die hij ziet vergelijkt met de idee die hij erover heeft verkregen, door die te betasten, zal zeker weten dat het dezelfde lichamen betreft. Het zou immers vreemd zijn moest hij beweren dat de kubus hem de idee geeft van een bol en de bol de idee van een kubus. Hij zal dus bij het zien en bij het betasten van de bol en de kubus beide lichamen juist benoemen.

Maar wat was het antwoord en de redenering van hun antagonisten ? Ze zijn er eveneens vanuit gegaan dat de blindgeborene kan zien van zodra hij genezen is. Ze meenden dat een van cataract genezen oog op dezelfde wijze reageert als een arm die genezen is van verlamming : die heeft namelijk geen oefening nodig om terug te kunnen voelen. En ze voegden eraan toe :

Ken de blindgeborene een beetje meer wijsheid toe dan wat je van hem verwacht en van waar je hem gelaten hebt zal hij verder gaan. Nochtans, wie verzekert me dat wanneer ik met mijn handen die lichamen betast mijn verwachting niet zal bedrogen worden en dat de kubus me de indruk van een bol zal geven en de bol die van een kubus ?

De ervaring leert me of er een eenduidig verband bestaat tussen het zicht en de tastzin. De twee zintuigen zouden in tegenspraak kunnen zijn met elkaar zonder dat ik er me bewust van ben. Ik zou me zelfs misschien kunnen inbeelden dat wat ik voor het ogenblik zie slechts schijn is, moest men me niet hebben ingelicht dat het de dezelfde lichamen betreft die ik voorheen heb aangeraakt. Ik denk dat dit het lichaam moet zijn dat ik kubus noem en het lichaam daar de bol ; maar men vraagt me niet wat ik ervan denk maar wat mijn antwoord is. Ik ben totaal niet in staat om die vraag sluitend te beantwoorden.

Deze redenering, zo beweert de schrijver van het “Essai sur l?origine des connaissances humaines”, zou erg vervelend zijn voor de blindgeborene en ik zie enkel de ervaring die hier een oplossing kan bieden. Het is duidelijk dat de Abbé de ervaring bedoelt die de blindgeborene zou opdoen door de lichamen een tweede maal te betasten. U zal straks begrijpen waarom ik deze bedenking maak. Overigens, had deze vernunftige metaphysiker eraan kunnen toevoegen, dat een blindgeborene het niet zó onzinning zou vinden om te veronderstellen dat twee zintuigen met elkaar in tegenspraak kunnen zijn, wanneer die bedenkt dat dit bij een spiegel het geval is.

Vervolgens bemerkt Mr. De Condillac dat Mr. Molineux de vraag onkundig heeft uitgebreid met een aantal voorwaarden, uit voorzorg dat de metafysica een probleem zou stellen voor de blindgeborene. Deze opmerking blijkt terecht want de blindgeborene beschikt over het vermogen metafysisch te denken. Bij filosofische problemen moet de ervaring onderbouwd worden door de bevindingen van een filosoof, die weet waarover men het heeft. Hij moet de redeneringen kunnen volgen en de werking van de betreffende organen kennen.

Dit zijn, Mevrouw, kort samengevat, de voor en tegens van dit probleem. Na mijn onderzoek zal u merken, dat zij die beweerden dat de blindgeborene figuren en vormen zou kunnen onderscheiden niet beseften dat ze gelijk hadden en dat zij die dit ontkenden eveneens gelijk hadden. Wanneer men de vraag van de blindgeborene algemener bekijkt dan Mr. Molineux ze stelde, dan bemerkt men dat ze twee andere vragen omsluit, die we afzonderlijk zullen moeten behandelen :

  1. Kan de blindgeborene onmiddellijk zien na de ingreep ?
  2. Stel dat dit zo is, zal hij dan de voorwerpen van elkaar kunnen onderscheiden en zonder te twijfelen ze benoemen met de namen die hij hen gaf toen hij ze betastte. Kan hij op een of andere wijze aantonen waarom zijn benamingen de juiste zijn ?

Op de eerste vraag wordt door diegenen die beweren dat de blindgeborene niet onmiddellijk van zijn gezichtsvermogen effectief gebruik kan maken als volgt geantwoord : Van zodra de blinddoek wordt weggenomen verschijnt het hele scenario van wat hij zich voorstelde dat hij zou zien op zijn netvlies. Dit beeld is een wirwar van een oneindig aantal voorwerpen, samengebracht op een beperkte ruimte. Het is een bonte verzamelig van vormen –en kleuren–, die hij niet zal kunnen onderscheiden van mekaar.

We zijn het zo goed als eens over het feit dat de blindgeborene uitsluitend door ervaring de afstand van de voorwerpen leert kennen. Daartoe is het noodzakelijk dat hij de voorwerpen benadert en aanraakt, afstand neemt en dichterbij komt en ze opnieuw aanraakt, om er zich van te vergewissen dat ze geen deel uitmaken van zijn lichaam ; dat het vreemde lichamen zijn die zich nu eens dichtbij en dan weer veraf van hem bevinden. Waarom zou hij dan geen ervaring nodig hebben om die te kunnen zien ? Verwijderen de voorwerpen zich van hem en ziet hij ze niet meer dan moet het voor hem, die de voorwerpen voor de eerste keer ziet, lijken alsof ze niet meer bestaan. De ervaring die we opdoen over voorwerpen die er steeds zijn en die we steeds op dezelfde plaats terugvinden waar we ze hebben achter gelaten ; verzekert ons van hun blijvend bestaan, ook als zijn ze ver verwijderd. Misschien is daarom wel dat kinderen zo gauw getroost zijn als ze hun speelgoed moeten missen.

Men mag niet beweren dat kinderen snel vergeten. Bedenken we dat er kinderen zijn van twee en een half jaar oud die over een vrij grote woordenschat beschikken. Het valt hen soms moeilijker om bepaalde woorden uit te spreken dan om ze te onthouden. De kindertijd is die van de opbouw van het geheugen. Kunnen we ons dan niet redelijkerwijze inbeelden dat kinderen van mening zijn dat wat ze niet meer zien voor hen niet meer bestaat ? Vooral dan als hun vreugde gepaard gaat met verwondering wanneer ze de uit het zicht verloren voorwerpen weer zien opduiken. De opvoedsters leren hen, dat wat afwezig is niet noodzakelijk verdwenen is, met een spelletje waarbij ze zich het gelaat bedekken, om het dan plotseling weer te tonen. Op die wijze leren de kinderen in een mum van tijd, dat wat niet meer zichtbaar is daarom nog niet ophoudt te bestaan. Ze ervaren het voortbestaan van de voorwerpen zoals ze door aanraking ervan besef verwerven over hun afstand. Het oog moet misschien leren zien zoals de tong moet leren spreken. Het hoeft ons dus niet te verwonderen dat de hulp van een welbepaald zintuig nodig is voor de goede werking van een ander zintuig. De tastzin verzekert ons van het bestaan van de voorwerpen buiten ons. Dit is misschien wel het meest geschikte zintuig om vormen en veranderingen, ja zelfs om hun aanwezigheid vast te stellen.

Staan we nu even stil bij de bekende proeven van Cheselden. De jonge man bij wie deze bekwame chirurg de cataracten had verwijdered kon lange tijd geen afmetingen, noch afstanden, noch gebouwen, ja zelfs geen vormen onderscheiden. Een voorwerp van een pink groot dat men voor zijn ogen hield en dat daardoor een huis bedekte leek voor hem even groot als het huis zelf. De voorwerpen bevonden zich allen op zijn netvlies en kwam hem voor dat die deel uitmaakte van het netvlies, zoals zijn huid deel uitmaakte van de voorwerpen die hij had betast. Voorwerpen die hem rond of hoekig waren voorgekomen, toen hij ze met de handen had betast, kon hij nu niet meer herkennen. Wat hij als hoog of laag had gevoeld kon hij met zijn ogen niet herkennen.

Hij slaagde erin, zij het met veel moeite, om te zien dat zijn huis groter was dan zijn kamer ; maar hij begreep niet hoe het oog die informatie kan overbrengen. Hij moest herhaaldelijk oefenen om overtuigd te raken dat een schilderij de voorstelling is van vaste lichamen. Toen hem dit eindelijk was gelukt, na veel schilderijën bekeken te hebben, en begrepen had dat hij geen vlak zag, streek hij er met zijn hand overheen en was natuurlijk erg verwonderd dat hij slechts een oppervlak voelde, zonder enig oneffenheid. Hij stelde zich dan de vraag wie de bedrieger was : de tastzin of het zicht.

De eerste keer dat natuurvolkeren een schilderij zagen maakte die trouwens dezelfde bedenkingen : ze zagen de geschilderde figuren aan voor echte mensen, ze stelden hen vragen en waren heel verwonderd toen ze geen antwoord kregen. Deze vergissing kwam bij hen zeker niet voort uit het feit dat ze voordien niet konden zien.

Maar wat te denken over de overige moeilijkheden. Inderdaad, we nemen aan dat een ervaren volwassen mens beter in staat is om de voorwerpen te zien dan een pasgeboren kind met een maagdelijk gezichtsorgaan of een blindgeborene bij wie de cataract is verwijderd. Kijkt u eens, Mevrouw, naar de bewijzen die Abbé de Condillac hiervoor geeft op het einde van zijn Essai sur l’origine des connaissances humaines, waarin hij de experimenten van Cheselden, die door Voltaire aan het licht werden gebracht, in vraag stelt ? Het effect dat teweeggebracht wordt op een oog dat voor de eerste keer licht bespeurt, de toestand van het oogvocht van dit orgaan, het hoornvlies, de ooglens enz… worden er klaar en duidelijk in uitgelegd, zodat het geen twijfel lijdt dat een pasgeboren kind, of een blindgeborene die door een ingreep het zicht krijgt, aanvankelijk slechts heel onduidelijk kunnen zien.

We moeten dus toegeven dat we oneindig veel meer zien in de voorwerpen die ons omringen dan het kind of de blindgeborene, alhoewel de voorwerpen zich op gelijke wijze op hun netvlies aftekenen. Het is dus niet voldoende dat we getroffen worden door die voorwerpen, we moeten eveneens letten op de indrukken die van hun uitgaan. De allereerste keer dat we onze ogen gebruiken zien we helemaal niets. Gedurende de eerste ogenblikken daaropvolgend worden we overweldigd door een vloed van vage gewaarwordingen die zich na verloop van tijd en na overweging over wat er zich in onszelf afspeelt, vorm beginnen te krijgen. De ervaring leert ons de gewaarwordingen te vergelijken met de oorzaken die tot hun ontstaan hebben geleid. Doordat de gewaarwordingen in niets gelijken op de voorwerpen moeten we door ervaring leren waar de overeenkomsten liggen. Die blijken zuiver afspraak te zijn. Met andere woorden, we kunnen er niet aan twijfelen dat de tastzin heel belangrijk is om een juiste kennis te verkrijgen van de overeenkomst tussen voorwerp en afbeelding.

Moest niet alles in de natuur verlopen volgens algemene wetten –scherpe voorwerpen veroorzaken pijnlijke prikken en we ervaren een aangenaam gevoel door aanraking van welbepaalde lichamen– dan zouden we sterven zonder een honderd miljoenste deel van de ervaring te hebben opgedaan die noodzakelijk is voor het behoud van ons lichaam en ons welzijn.

Nochtans ben ik van mening dat het oog in staat is om van zichzelf te leren, m.a.w. om uit zich zelf ervaring op te doen. Het is niet noodzakelijk te kunnen zien om zich te vergewissen van de aanwezigheid en van de vorm van de voorwerpen. Waarom zou men dan, als men kan zien, de voorwerpen moeten aanraken om zeker te zijn van hun aanwezigheid en van hun vorm… Ik ken weliswaar de voordelen van de tastzin en ik heb ze niet verholen toen er sprake was van Saunderson of van de blinde van Puisseaux ; maar ik ben er toen niet bewust van geweest dat er nog veel meer is.

Het spreekt vanzelf dat het werking van een welbepaald zintuig verbeterd en versneld kan worden door waarnemingen van een ander zintuig ; maar het is volstrekt niet evident dat er een essentiële afhankelijkheid zou bestaan tussen hun werkingen. Zeker is dat lichamen hoedanigheden kunnen bezitten die we zonder aanraking nooit zouden ontdekken. De tastzin licht ons in over bepaalde afwijkingen bij de voorwerpen die we alleen met onze ogen niet zouden ontdekken. Die hulpverlening is wederkerig. Bij personen waarvan het zicht beter is ontwikkeld dan de tastzin wijst het eerste zintuig het andere op het bestaan van voorwerpen en op eigenschappen die hen anders zouden ontgaan –bijvoorbeeld hun geringe omvang–. Moest men buiten uw weten een papier of één of ander dun glad en buigzaam voorwerp tussen uw duim en wijzervinger plaatsen, dan kan uw oog u vertellen dat het contakt met de vingers niet tegelijkertijd plaats vindt. Terloops gezegd, ik kan u wel verzekeren dat het heel moeilijk zou zijn om een blinde daarmee te foppen.

Naar Inhoudstafel van de Brief over de blinden

Naar Inhoudstafel van Le Petit Cuistre 2006 Nr 2

Lettre sur les Aveugles – achtste deel

Maar wat is het antwoord op al die vragen? Iemand met een ervaren oog ziet inderdaad de voorwerpen beter dan een kind zonder enige oefening of een blindgeborene die werd genezen van cataract. Mr. de Condillac geeft hiervoor duidelijke bewijzen. Op het einde van zijn Essai sur l'origine des connoissances humaines heeft hij de proefnemingen met de blinde van Cheselden kritisch besproken. Voltaire had die uitvoerig beschreven. Op een heldere wijze legt hij uit hoe het licht inwerkt op het oog en duidt hij de voorwaarden aan die vereist zijn voor wat betreft de toestand van het oogvocht, het hoornvlies, de ooglens enz… Hieruit blijkt overduidelijk dat het zicht bij een pasgeborene nog zeer onvolmaakt is. Dit geldt eveneens voor de blindgeborene die van cataract werd geopereerd. We kunnen dus gerust stellen dat wij heel wat meer onderscheiden in de voorwerpen dan een pasgeboren kind of een blindgeborene, alhoewel het beeld op het netvlies voor allen hetzelfde is.

Het volstaat dus niet dat de voorwerpen ons oog treffen, we moeten ook aandachtig zijn voor de indruk die ze op ons maken. M.a.w., we zullen niets kunnen onderscheiden als we voor het eerst onze ogen openen. We worden getroffen door een veelvoud van verwarde gewaarwordingen, die zich slechts geleidelijk na verloop van tijd zullen ontwarren, doordat we gaan nadenken over wat er in ons gebeurt. Door ervaring leren we de indrukken te vergelijken met de dingen die ze veroorzaken; in het begin komen de gewaarwordingen in niets overeen met de voorwerpen die ze hebben veroorzaakt.

Die overeenkomsten blijken louter conventioneel te zijn. Daarbij lijdt het geen twijfel dat de aanraking van de voorwerpen heel nuttig is om het oog juist in te lichten omtrent de overeenkomst tussen voorwerp en afbeelding. Moest alles in de natuur niet verlopen volgens welbepaalde wetten, moest bijvoorbeeld de aanraking met sommige harde lichamen pijnlijk zijn en die met andere lichamen aangenaam, dan zouden we sterven zonder het merendeel te hebben ervaren van de noodzakelijke gewaarwordingen die vereist zijn voor het behoud en het welzijn van ons lichaam.

Ik meen nochtans dat het oog ook zelfstandig kan bijleren. Om de vorm van een voorwerp te leren kennen is het niet noodzakelijk dit te kunnen zien. Maar waarom zou men een voorwerp moeten betasten als men dezelfde ervaring kan opdoen door middel van het zicht? Ik ken alle voordelen van het gebruik van de tastzin en ik heb ze niet verdoezeld toen er sprake was van Saunderson of van de blinde van Puiseaux; maar toen heb ik dat niet begrepen. We kunnen zonder moeite aannemen dat het gebruik van een zintuig vervolmaakt en versneld kan worden door de ervaring van een ander zintuig te benutten, maar ik kan niet aannemen dat er onderling een essentiële afhankelijkheid zou bestaan tussen hun functies. De lichamen hebben bepaalde eigenschappen die we beslist nooit zouden ontdekken moesten we ze niet kunnen aanraken. Door de tastzin ontdekken we kleine verschillen die aan ons oog zouden ontsnappen moesten we er niet opmerkzaam op worden gemaakt door dit zintuig; die dienstververlening is wederkerig Voor hen die beter zien dan voelen licht het eerste zintuig het tweede in over het bestaan van voorwerpen. Ook over hun verschillen die hen anders zouden ontgaan, omdat ze zo gering kunnen zijn. Moest men u ongemerkt een dun velletje papier tussen duim en wijsvinger plaatsen, dan zou alleen uw oog u inlichten dat er geen rechtstreeks contact is tussen de vingers. Terloops zou ik er willen op wijzen, dat het veel moeilijker is om een blinde op dit vlak te bedriegen dan een persoon die goed kan zien.

Iemand met een beweeglijk oog heeft moeite om te begrijpen dat de voorwerpen buiten hem geen deel uitmaken van hemzelf, dat ze soms dichtbij kunnen zijn, dan weer veraf en dat het slechts afbeeldingen betreft. Hij begrijpt ook niet dat het ene voorwerp groter is dan het andere, dat ze afmetingen hebben enz… Nochtans twijfel ik er niet aan, dat hij ze uiteindelijk voldoende duidelijk zal onderscheiden, om er grofweg de vorm van te kunnen bepalen. Moest men dit ontkennen, dan zou men de uiteindelijke bestemming van de zintuigen uit het oog verliezen, dan zou men de belangrijkste kenmerken van het zicht vergeten. Er bestaat geen enkele schilder die handig genoeg is om de schoonheid en de exactheid te benaderen van de miniaturen die zich weerspiegelen op ons netvlies. In het oog is er niets gelijkender dan het beeld van het voorwerp dat weergegeven wordt en het voorwerp zelf. Het doek van dit schilderij, van een halve duim op een halve duim, is niet te klein opdat er verwarring tussen de figuren zou kunnen ontstaan.

Het is ontzettend moeilijk om uit te leggen op welke wijze de tastzin het oog leert om te kijken, moest het oog hierbij niet de hulp krijgen van de tastzin. Maar ik houd het niet bij eenvoudige veronderstellingen en ik vraag me af of de tastzin ook het oog leert kleuren te onderscheiden. Ik veronderstel echter dat men aan dit zintuig niet zo'n uitzonderlijk voorrecht kan toekennen: wanneer men aan een blinde, die het zicht herwonnen heeft, een zwarte kubus voorhoudt en een rode bol tegen een witte achtergrond, dan zal hij al vrij vlug de omtrekken van deze figuren kunnen onderscheiden. Dit zal zo veel tijd vergen als nodig is voor het oog om zich fysisch op die toestand voor te bereiden. Het hoornvlies moet, voor een optimaal zicht, de juiste kromming aannemen, de pupil moet zich verkleinen of vergroten, de zenuwen van het netvlies moeten de tijd krijgen om de juiste gevoeligheid in te stellen voor de inwerking van het licht, de lens moet een voorwaartse of achterwaartse beweging uitvoeren, alle betreffende spieren moeten goed hun functies kunnen uitoefenen en de oogzenuwen moeten zich voorbereiden om de prikkels te kunnen doorgeven. Kortom, heel de oogbol moet klaar staan voor alle vereiste bewegingen. Het miniatuur op het netvlies komt tot stand door de gezamelijke werking van alle onderdelen. Het kan heel goed als bewijs dienen dat het oog zelfstandig ervaring opdoet.

Ik moet bekennen dat, hoe eenvoudig het schilderij van kubus en bol ook is, dat ik zojuist heb voorgesteld aan het oog van een blindgeborene, hij slechts in staat zal zijn om er de onderdelen van te onderscheiden, wanneer het gezichtsorgaan aan alle bovenvermelde voorwaarden heeft voldaan; maar dat duurt misschien slechts een ogenblik en het zou niet moeilijk zijn wanneer men diezelfde redenering zou toepassen op een ingewikkelde machine, bijvoorbeeld een horloge, om te bewijzen, wanneer men alle bewegingen in detail zou gaan bekijken die zich in de trommel afspelen –de werking van de radertjes, de veer, de onrust enz…– dat de naald 15 dagen zou nodig hebben om de afstand van 1 seconde te overbruggen.

Als men me antwoordt dat die bewegingen gelijktijdig gebeuren, dan antwoord ik, dat dit misschien evenzeer geldt voor de bewegingen in het oog wanneer dit licht ontvangt. Hetzelfde geldt voor de meeste beoordelingen die als gevolg hiervan worden gemaakt. Welke voorwaarden men ook stelt aan het oog om te kunnen zien, we moeten toegeven dat die niet door de tastzin worden verkregen, maar dat het oog ze op eigen kracht verwerft. Bijgevolg zal het zonder hulp van de tastzin de figuren kunnen onderscheiden die zich afspiegelen op het netvlies.

Maar eens te meer stelt zich de vraag: wanneer zal het zover zijn? Misschien veel vlugger dan men denkt. Herinnert u zich het bezoek, Mevrouw, aan het cabinet van de Jardin Royal. We zagen daar het experiment met de concave spiegel en hoe u schrok, toen u de punt van de degen op u zag afkomen met dezelfde snelheid als de punt van de degen die u in de hand had en die u naar het spiegeloppervlak uitstak. Nochtans was u gewend om voorwerpen die u in een spiegel zag buiten de spiegel te situeren. De ervaring is dus niet zo noodzakelijk en zo onfeilbaar als men wel zou denken, om voorwerpen en hun afbeeldingen op de plaats te zien waar ze zich werkelijk bevinden. Zelfs uw papegaai levert me geen bewijs hiervan. Toen hij zichzelf voor de eerste keer in een spiegel zag, trachtte hij met zijn snavel de spiegel te raken, in de hoop een soortgenoot ontmoeten. Toen hij die niet vond ging hij achter de spiegel kijken. Het is niet mijn bedoeling om meer gewicht te verlenen aan de getuigenis van een papegaai, maar daar het een experiment betreft met een dier, maakt dat er in onze besluiten zeker geen vooroordelen kunnen meespelen.

Moest men me nochtans verzekeren dat een blindgeborene niets heeft kunnen onderscheiden gedurende de eerste twee maanden na de ingreep, dan zou dit me niet verwonderen. Hieruit zou ik afleiden dat het oog ervaring nodig heeft, maar de tastzin speelt hierbij geen enkele rol. Ik begrijp des te beter dat het belangrijk is om de blindgeborene enige tijd in de duisternis te laten verblijven als we hem nadien willen onderzoeken. Hij moet zijn ogen vrij kunnen laten oefenen, iets wat hij beter zal kunnen in de duisternis dan in volle daglicht. Het beste zou zijn om de experimenten uit te voeren in een soort van half duister, met de mogelijheid het licht te versterken of te dimmen, naargelang de noodzaak ervan. Dit soort van experimenten zijn moeilijk en onzeker om uit te voeren. De kortste weg die misschien wel de langste kan lijken, bestaat erin van de proefpersoon enige filosofische kennis mee te geven, zodat hij in staat is om de twee toestanden die hij heeft meegemaakt onderling met elkaar te vergelijken, zodat hij ons kan vertellen wat het verschil is tussen een blinde en niet blinde persoon. Maar zoals ik al zei, wat kan je verwachten van iemand die nooit heeft nagedacht over zichzelf, zoals de blinde van Cheselden, die geen flauw benul had van de voordelen van het zicht. Hij betreurde dit ongemak zelfs niet, omdat hij zich niet kon inbeelden dat het ontbreken van dit zintuig zijn plezier zou verminderen. Saunderson, die zeker de titel van filosoof verdient, kende beslist niet die onverschilligheid en ik betwijfel ten zeerste of hij akkoord ging met de opvattingen van de Auteur van het uitstekende Traité sur les systêmes. Ik kan me best voorstellen dat die filosoof zichzelf blootgaf in een systeempje, toen hij beweerde dat moest het leven van een mens slechts één ononderbroken lust- of pijnbeleving zijn, gelukkig in het ene geval zonder enig idee van ongeluk, ongelukkig in het andere geval zonder enig besef van geluk, dan zou hij genoten of geleden hebben. Hij zou helemaal niet rondom zich gekeken hebben, als dat zijn aard zou gewezen zijn, om te zien of er iemand over hem waakte of klaar stond om hem schade te berokkenen. Maar het heen en weer geslinger, van de ene toestand naar de andere, zou hem wel tot nadenken aangezet hebben…

Denkt u niet Mevrouw, dat door te laveren van de ene zinvolle gedachte naar de andere (want dit is de wijze van filosoferen van die Auteur, en nog wel de juiste) dat die dan ooit tot dit besluit zou gekomen zijn? Over geluk en ongeluk spreekt men niet zoals over licht en duisternis, het ene volgt niet uit het volledig ontbreken van het andere. Misschien zouden we beweerd hebben dat geluk voor ons even belangrijk is als leven en denken, indien we er onveran-derlijk van genoten hadden. Maar ik denk niet dat we hetzelfde zouden beweren over ongeluk. Het zou heel natuurlijk zijn om ongeluk als een gedwongen toestand te zien en ons onschuldig voelen en nochtans denken dat we schuldig zijn. We zouden de natuur beschuldigen voor ons ongeluk, of van alle schuld vrijpleiten zoals men dat ook wel doet.

Meent abbé de Condillac dat een kind niet jammert als het pijn heeft, omdat het al zonder ophouden lijdt sinds zijn geboorte? Wanneer hij me antwoordt dat leven en lijden hetzelfde is voor diegene die altijd al heeft geleden en dat die zich niet kan voorstellen dat men het lijden kan doen ophouden zonder zijn bestaan te beëindigen, dan zou ik hem misschien antwoorden dat de voortdurend ongelukkige mens misschien zou zeggen: wat heb ik misdaan om zo te moeten lijden? En wie zou kunnen verhinderen dat hij zou zeggen: wat heb ik misdaan om te moeten leven?

Naar Inhoudstafel van de Brief over de blinden

Naar Inhoudstafel van Le Petit Cuistre 2006 Nr 4